Geschreven door: | anoniem (4 havo) [meer] |
Datum ingestuurd: | 22 november 2001 |
Taal: |  |
Woorden: | 400 |
Bekeken: | 13650 keer (5 deze maand) |
Waardering: |
|
Deel op: |
|
Consumptie: Als een consument goederen koopt.
Privatisering: Als de overheid haar taken uitbesteed aan het bedrijfsleven.
Infrastructuur: Het netwerk van wegen, spoorlijnen en ook telefoonlijnen.
Prijzen van goederen: De economie probeert de veranderingen hiervan te verklaren.
Milieu: Het milieu is vaak de klos als er uitbereiding van industrie is.
consumptiegoederen: De door consumenten gekochte goederen.
Stoffelijke “ “: Als je bijv. een trui of een patatje koopt.
Onstoffelijke” “: Worden meestal diensten genoemd.
Diensten: Avondje disco, treinrit.
Primaire “ “: Voedsel, kleding en huisvesting: goederen die je nodig hebt om te overleven.
Luxe “ “: Goederen die niet echt nodig zijn bijv vakantiereizen en radio.
Duurzame “ “: Goederen die geen nadelig effect hebben op het milieu.
“ “: Goederen die lang meegaan bijv.: auto, hifi-installatie, oven.
Goederen kun je op 3 manieren in groepen verdelen, namelijk in:
1. : ( stoffelijke)goederen en diensten(onstoffelijke goederen).
2. : primaire en luxe goederen.
3. : duurzame en niet-duurzame goederen.
Productie:
Productie is het geschikter maken van goederen voor gebruik.
Bijv. het maken van goederen die door consumenten gekocht kunnen worden.
Ook vervoer, opslag eb verkoop van goederen behoren tot de productie.
Het werk van artsen, advocaten en notarissen, doe- het- zelf- werk en huishoudelijk werk zijn eveneens voorbeelden van productie.
Winkels, fabrieken en bijv. artsen praktijken noemen we in de economie wel productie huishoudingen.
Productie vindt plaats met productiefactoren. Er zijn er 3:
1. natuur
2. arbeid
3. kapitaal
Natuur en arbeid worden oorspronkelijke productiefactoren genoemd.
Kapitaalgoederen zijn goederen die zijn gemaakt door natuur en arbeid en die gebruikt worden tijdens de productie bijv. machines.
Algemeen aanvaard: iedereen neemt het aan.
Geld heeft 3 functies:
1. ruilmiddel
2. rekeneenheid
3. oppotmiddel
De eerste 2 functies van het geld vallen bijna altijd samen. Een uitzondering vormt bij ons de cent die nog wel een rekeneenheid is maar die als munt niet meer in het ruilverkeer wordt gebruikt.
Als je geld niet uitgeeft, houd je het in voorraad. In de economie spreekt men van een kasvoorraad. Als je kasvoorraad aanlegt, wordt dat in de economie oppotten genoemd. Geld is een oppotmiddel. Geld wordt gemaakt bij de Rijksmunt in Utrecht. Geld wordt in omloop gebracht bij de Ned. Bank in Amsterdam.
Landen die overstappen op de euro vormen de Economische en Monetaire Unie ( EMU) in Europa.
Micro-economie is het deel van de economie dat een verklaring probeert te geven voor de hoeveelheden van de goederen die op de markten verhandeld worden en door de prijzen die op de markten tot strand komen.
In de macro-economie zijn de economische grootheden voor een heel land bij elkaar opgeteld. Een erg belangrijk begrip in de macro-economie is het nationaal inkomen.
De meso-economie bestudeert bedrijfstakken, zoals landbouw en veeteelt. Een meso-economische benadering is vaak onmisbaar, omdat de micro en macro economie op zichzelf geen volledige beschrijving van het economisch leven kunnen geven.
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen.
Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten.
Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.