CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.

geef je mening

Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?



» resultaten poll

ff n studiebreak

Het mooiste crimiboek van 'onze' agent Don Heins? Die over de ontvoering van Alfred Heineken. Type in-één-ruk-uit.

Geschreven door:

maxime (4 havo)

Datum ingestuurd:

3 februari 2010

Taal:

Woorden:

1.400

Bekeken:

1358 keer (3 deze maand)

Waardering:

2.4/5 (10 stemmen)

Deel op:

Naam:


Klas/niveau:


E-mail:


Bericht:


Bestemd voor

Geheime code: 


 
Hoofdstuk 1
§1
Consumenten hebben bepaalde behoeftes  producten maken er voorkeur van (preferentie)

§2
 Individuele reclame: een bedrijf maakt reclame voor zijn product
Collectieve reclame: meerdere bedrijven maken reclame voor een bepaald soort product
Welke factoren beďnvloeden de vraag (*)? En welke zorgen voor de verschuiving van de vraaglijn (^)?
*^ behoeften en voorkeuren van de consument
*^ inkomen van de consument
* prijs van het product
*^ prijzen van andere merken van het product
*^ het aantal vragers
Vraaglijn: is de prijs laag dan is de gevraagde hoeveelheid hoog (en andersom). Prijs verandert, lijn blijft staan.

§3
 Oorzaak - gevolg relatie: prijsverhoging om iets te verminderen. Elasticiteiten:
- Inkomenselasticiteit van de vraag: in welke mate ge vraagde hoeveelheid van een goed reageert op een verandering van het inkomen.
- Prijselasticiteit van het aanbod: hoe sterk de aangeboden hoeveelheid van een goed reageert op een verandering van de prijs van het goed.
- Prijselasticiteit van de vraag: in welke mate de gevraagde hoeveelheid van een goed reageert op een verandering van de prijs van het goed.
Laatste: ------------------|-------------------------|---------------------- elastisch = luxe goederen
Elastisch -1 inelastisch 1 elastisch inelastisch = primaire goederen (basis

§4
bedrijven verkopen Prijs  Omzet (hogere prijs is hogere omzet), Prijs  Afzet (hogere prijs is lagere hoeveelheid), Afzet  Omzet (lagere afzet is lagere omzet)
• Ze reageren nauwelijks = inelastisch = stijgt omzet als de prijs stijgt, omdat de prijsstijging in verhouding (=relatief) groter is dan de daling van de Qv (hoeveelheid)
bedrijf is inelastischer als het een grotere behoefte of voorkeur is (noodzakelijk) bv leidingwater
ze kunnen de onmisbaarheid & voorkeur vergroten door reclame
• Ze reageren wel = elastisch = daalt omzet als de prijs stijgt, omdat de prijsstijging in verhouding kleiner is dan de daling van de Qv

§5
 De hoogte van de prijs en de gevraagde hoeveelheid van een bepaald product  tabel/grafiek
Kan je makkelijk prijsverandering ziek (vraaglijn)

§6
Consumenten houden niet alleen rekening met hun eigen behoeftes, zo kan je het 2 kanten op zien
Negatief extern effect: geen vergoeding voor de overlast
Positief extern effect: jij zelf zorgt voor klanten en anderen profiteren mee (horeca bij de stad)

Hoofdstuk 2
§1
 Bv olie is in bepaalde landen goedkoper, daar zijn bepaalde redenen voor bijvoorbeeld:
Aanbod: als meer producten aanbieden, natuurlijke omstandigheden, productiekosten veranderen Vraag: toename van inkomen

§2
 Break-evenafzet: afzet waarbij de kosten precies gedekt zijn.
Een product komt op de markt: break-evenanalyse. Uitgegaan van dezelfde prijs, aantal geproduceerd & verkocht  opbrengsten groot genoeg?
Constante kosten: hangt niet af van het aantal, zoals afschrijvingskosten (machine) en ontwikkelingskosten (nieuw product ontwikkelen.
Variabele kosten: hangt af van het aantal, zoals grondstoffen & arbeid die verricht moet worden.
Productiecapaciteit: maximale hoeveelheid die een bedrijf in een bepaalde periode kan produceren
TCK = blijft gelijk (als het stijgt en daalt).GCK = wordt minder per product als het stijgt (en andersom).
TVK = groeit als het stijgt (en andersom). GVK = blijft gelijk per product (als het stijgt en daalt)

§3
 Streven naar winst = onderneming. Winst gaat naar inkomen aandeelhouders/eigenaren + investeringen financieren.

Hoofdstuk 3
§1
 Machtspositie van een bedrijf op een markt is afhankelijk van de concurrentie op de markt (behoefte)  concurreren: beter product & lagere prijs.

§2
Markt waar andere bedrijven of consumenten kopen:
Abstract: vraag en aanbod niet gebonden aan een plaats
Concreet: vragers en aanbieders ontmoeten elkaar.
 Vragers en aanbieders komen bij elkaar
 De prijs komt tot stand
 Ruimen markten, kopen en verkopen , zo niet dan gaat de prijs omlaag (eind dag bv markt)

§3
4 marktvormen worden bepaald door:
• Aantal aanbieders; zijn het er veel, dan is de macht van een individueel producent klein
• Soort product; homogeen = identiek, maakt niet uit welk product (kleiner dan heterogeen)
heterogeen = verschillend van elkaar, reclame en merk belangrijk
Vragers Aanbieders Goed Invloed prijs
Volledige concurrentie Veel Veel Homogeen Geen
Monopolistische concurrentie Veel Veel Heterogeen Beetje
Oligopolie Veel Enkele Beiden Redelijk
Monopolie Veel Een 1 product Veel
Volledige concurrentie: bestaat bijna niet (bv. aandelenmarkt), heeft wel een beetje invloed op de prijs  nooit helemaal homogeen. doorzichtig
Monopolistische concurrentie: Bestaat veel (bv. Kledingwinkels & horeca), heeft veel concurrentie, producten zijn anders dus zelf prijs bepalen, maar ze moeten wel rekening houden met de concurrentie. Minst doorzichtig.
Oligopolie: (bv. benzinemarkt). Beperkte mate prijszetter  1 leider. Vaak heterogeen product. Ondoorzichtig.
Monopolie: individuele markt stelt zelf prijs vast (prijszetter). Doorzichtig.
Doorzichtig = prijs en kwaliteit met elkaar vergelijken.

§4
zoveel mogelijk verkopen, de concurrenten met marktinstrumenten: (4P’s)
1) Prijs: goedkopen klant lokken, maar hogere prijs betekent meer winst. (psychologische prijs = het lijkt goedkoper dan dat het is bv. 99.95)
2) Product: aantrekkelijk: goede kwaliteit, speciale eigenschappen, verlenen van service, garantie en een bekende merknaam. Innovatie: ontwikkelen en in productie nemen van nieuwe producten. Productiedifferentiatie: producten aanpassen aan de wensen van verschillende groepen.
3) Promotie: in de aandacht zetten (reclame, korting, iets gratis krijgen bij een product, etc.)
4) Plaats: hoe komt het bij de kant? Winkels (winkelformule = hoe de winkel is ingedeeld), postorderbedrijven, internet, direct writers (direct mail), telefonische verkoop & post.

§5
 consumentenbond houd zich met een of enkele producten bezig  voorlichting over producten & rechten, ze geven juridische bijstand en ze beďnvloeden de politiek. Consument verbeterd.

Hoofdstuk 4
§1
 volkomen concurrentie: prijs komt er door vraag & aanbod (evenwichtsprijs & hoeveelheid, kan worden verandert door vraag en aanbod). Prijs en hoeveelheid positief; hoger, meer aanbieden en andersom. Een grote groep heeft wel invloed op de prijs, maar individuele vragers of aanbieders niet.

§2
 monopolie, oligopolie & monopolische concurrentie (= onvolkomen concurrentie, weinig vragers of aanbieders & heterogeen product).
Monopolie: alleenheerser (door de vraagfunctie een prijs bepalen), wel rekening houden met subsidiegoederen (een goed dat als vervanging voor een andere kan dienen).
Oligopolie: een paar grote (beheersen de markt) en vele kleine, wel rekening houden met concurrenten, gaat de prijs omhoog gaan ze vaak niet mee, omlaag wel (dan prijzenoorlog)  soms onderling afspreken concurrentie verminderen (kartel); over prijzen (prijskartel), hoeveelheid (productiekartel). Een bureau koopt als de prijs te laag wordt (buffervoorraad) en te laag verkoopt hij het, om de prijzen te stabiliseren. Monopolie & oligopolie: nadeel consument: hoge prijs. Voordeel: productie op grote schaal (schaalvoordelen), lagere kosten per eenheid product. Voordeel producent: kartelvorming op kort termijn, winst neemt toe door beperken van de concurrentie = meer geld voor onderzoek & door innovatie productieprocessen moderniseren. Nadeel: gebrek concurrentie = minder innoveren  concurrentievermogen aangetast  nadelen economische groei.
Monopolistische concurrentie: Concurreren met vergelijkbare maar niet homogene producten prijs omhoog  overlopen, prijs omlaag  afzet stijgt niet genoeg, dus winst daalt. Fabrikant geeft advies prijs, niet aan houden, uitgesloten van levering van het product. Het kan ook overgaan naar oligopolie, als enkele bedrijven door concurrentie of kartelvorming een groot deel van de afzet in handen krijgen.

Hoofdstuk 5
§1
overheid: beschermt product, ongezond product terugdringen & consument beschermen tegen hoge prijzen.
Bij consumenten en producenten het gedrag beďnvloeden:
• in prijsvormen (belasting en accijnzen) bemoeigoederen: afgeremd (demerit-goederen)
gestimuleerd (merit-goederen)
• voorlichting
• kwaliteit eisen (warenwet: eisen kwaliteit product), want:
* negatieve externe effecten die optreden verminderen
* tegen gaan van schadelijke gevolgen
* betaalbaar houden voor iedereen

§2
overheid inkomen: belasting op inkomen, winst, directe belasting, indirecte belasting (=btw = omzetbelasting) & heffingen en accijnzen (gedrag beďnvloeden). Prijs hoger: stimuleren (en andersom

§3
evenwichtsprijs niet goed voor producent of consument.
Maximum: consument beschermen; dus het wordt lager dan het evenwicht  meer vraag dan aanbod
Overheid gaat: * zelf (ver)bouwen + maken
* subsidies verstrekken
* op de bon = consumenten mogen beperkte hoeveelheid van
het product tegen de maximumprijs kopen  puntensysteem.
Minimum: beschermen van producent (europees verband): aanbodoverschot koopt overheid op = quotering (in buffervoorraad)

§4
 overheid kan ook verbieden tegen ongezonde effecten (warenwet). Voorschriften met betrekking
tot de meest uitlopende producten (consument beschermen)
verbod kartels: mededingbeleid  concurrentie bevorderen. Ook niet economische macht positie
niet misbruiken; bedrijfsconcentraties en fusies.
Kartels wel toegestaan: franchiseovereenkomst (bv. supermarkt).
Bedrijven vinden het niet fijn als het verboden word  voorblijven: convenant sluiten = bedrijven
beloven dan bepaalde dingen te doen of juist niet.  de overheid zal niet ingrijpen als ze zich eraan houden.

Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.