geef je mening

Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?



» resultaten poll

CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.

ff n studiebreak

Klasgenoten stonden vroeger als hongerige hyena's om Jorieke heen. Klaar om het jonge hertje aan te vallen dat nog scoubidoutouwtjes had.

Geschreven door:

Ellen

Datum ingestuurd:

1 oktober 2009

Taal:

Woorden:

1.600

Bekeken:

306 keer (6 deze maand)

Waardering:

2.3/5 (3 stemmen)

Deel op:

Naam:


Klas/niveau:


E-mail:


Bericht:


Bestemd voor

Geheime code: 


 

Hoofdstuk 1


§ 1.2 Het aanbod van de arbeid
Aanbod van arbeid = alle mensen van 15 tot 65 jaar die willen en kunnen werken.
Beroepsbevolking = ander woord voor het aanbod van arbeid.
Als je wilt werken en je bent hiertoe ook in staat (omdat je niet afgekeurd bent) en het wettelijk is toegestaan dat je werkt (niet-leerplichtig), dan hoor je ook bij de beroepsbevolking. Het aanbod van arbeid bestaat niet alleen uit mensen die opzoek zijn naar een baan, geregisterde werklozen, maar ook uit mensen die al een baan hebben.
Werknemers = personen in loondienst.
Zelfstandige = de personen met een eigen bedrijf.
Je bent pas officieel werkloos als je staat geregistreerd bij een Centrum voor Werk en Inkomen (CWI).
Werkzame beroepsbevolking = zelfstandige en werknemers.
Werkloze beroepsbevolking = geregistreerde werkloze.
Bij de niet-beroepsbevolking horen de mensen van 15 tot 65 jaar die én niet werken én niet opzoek zijn naar werk.
Beroepsgeschikte bevolking = als je de beroepsbevolking en de niet-beroepsbevolking bij elkaar optelt (potentiële beroepsbevolking).
Deelnemingspercentage = percentage van mensen die tot de beroepsbevolking behoren.

Beroepsbevolking
x 100% = DP

Beroepsgeschikte bevolking
De beroepsbevolking van Nederland groeit elk jaar. Een oorzaak hiervoor is de demografische groei: er zijn steeds meer mensen in Nederland. Een andere demografische factor is de bevolkingssamenstelling: het aanbod groeit vooral als er meer mensen komen in de beroepsgeschikte leeftijd. Naast de demografische factoren spelen maatschappelijke opvattingen een belangrijke rol bij de veranderingen in de omvang van de beroepsbevolking. Een belangrijke verklaringvoor de groei van de beroepsbevolking in Nederland is de grotere deelname van vrouwen aan het arbeidsproces. Hiervoor zijn twee oorzaken:
- Steeds meer jonge vrouwen gaan werken;
- Steeds meer oudere vrouwen gaan opnieuw een baan zoeken (herintreders).
De stand van de economie is een andere factor die de groei van de beroepsbevolking bepaald. Als er veel werk is zullen meer mensen een baan gaan zoeken (deelnemingspercentage stijgt).
Aanzuigeffect = de beroepsbevolking groeit omdat de kans op een baan groter is.
Ontmoedigingseffect = de beroepsbevolking daalt omdat de kans op een baan kleiner is.
Ook de wetgeving beïnvloedt het arbeidsaanbod leerplicht, pensioenleeftijd.
Tenslotte wordt het arbeidsaanbod beïnvloed door de organisatie van het arbeidsproces
Betere kinderopvang, mogelijkheden voor deeltijdwerk.

§ 1.3 De vraag naar arbeid
De kansen die je maakt als jij je aanbiedt op de arbeidsmark hebben te maken met de andere kant van de arbeidsmarkt: de vraagzijde.
De vraag naar arbeid wordt uitgeoefend door bedrijven en de overheid, de werkgevers. Werkgevers hebben arbeidskracht nodig: zij vragen werknemers. Daarnaast horen bij de vraag naar arbeid ook zelfstandige en vacatures.

De totale vraag naar arbeid bestaat dus uit:
- de vraag naar arbeid;
- de zelfstandige;
- de vacatures.
De vraag naar arbeid wordt daarnaast beïnvloed door de stand van de techniek. Enerzijds betekenen technische ontwikkelingen dat een deel van der arbeid die nodig is voor de productie wordt vervangen door de machines. Dit houdt een daling van de vraag naar arbeid in. Anderzijds hebben technische ontwikkelingen tot gevolg dat er nieuwe goederen en diensten worden geproduceerd en dat vraag naar arbeid daardoor juist toeneemt.

§ 1.4 De arbeidsmarkt
De werkgevers zijn opzoek naar der werknemers die bij hen willen komen werken. De mensen die willen werken bieden hun arbeidskracht aan de werkgevers.
Concrete markt = Met een concrete markt duiden we aan dat het gaat om een plek waar vragers naar en aanbieders van een bepaald product elkaar ontmoeten.
Abstracte markt = omvat het geheel van vraag en aanbod zonder dat er een plaats is waar de vragers en aanbieders elkaar ook echt ontmoeten. De vraag en het aanbod bepalen de prijs.
Werkgelegenheid = aantal mensen die daadwerkelijk arbeid verrichten.
Arbeidsjaar = een volledige baan.
P/A ratio = geeft weer hoeveel mensen er gemiddeld per arbeidsjaar werken. (door deeltijd werk is deze ratio altijd groter dan 1).

Behalve de omvang van de werkgelegenheid komt ook de prijs van de arbeid, het loon, tot stand op de arbeidsmarkt. De hoogte van het loon is afhankelijk van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt.
Krappe arbeidsmarkt = als de vraag naar arbeid groter is dan het aanbod. Het loon zal dan stijgen.
Ruime arbeidsmark = als de vraag kleiner naar arbeid is dan het aanbod. Het loon zal dan dalen.
Er is in feite spraken van één arbeidsmarkten, maar van verschillende deelmarkten onderwijzers, loodgieters etc.

§ 1.5 arbeidsmarkt in de praktijk
Er wordt in onderzoek naar werkloosheid gekeken:

- naar de verschillen tussen (groepen) mensen die zich aanbieden;
- de aansluiting van aanbod;
- de vraag op de arbeidsmarkt
- in hoeverre de werking van arbeidsmarkt is terug te zien in de ontwikkeling van de lonen en werkgelegenheid.
Naast opleiding zijn ook andere factoren van belang bij de kans op succes op de arbeidsmarkt: tot welke bevolkingsgroep je hoort. Vrouwen en allochtonen hebben nog altijd minder kans op succes op de arbeidsmarkt dan autochtone mannen.

Hoofdstuk 2
§ 2.1 De ene baas is de andere niet
Arbeidsovereenkomsten = de afspraken die werkgevers en werknemers met elkaar maken.
Grotere bedrijven hebben meestal een andere wettelijke organisatie vorm dan kleine bedrijven. Dat heeft onder andere te maken met de hoeveelheid kapitaal die nodig en beschikbaar is in een bedrijf.
Als je in Nederland een vereniging wilt oprichten moet je naar de notaris. Bij de notaris worden de statuten (regels) vast gelegd
Rechtsvorm = een organisatie vorm die in de wet voorkomt.
Ondernemingsvorm = de rechtsvorm van de onderneming.
Vier belangrijke ondernemingsvormen:
- eenmanszaak;
- vennootschap onder firma (VOF);
- besloten vennootschap (BV);
- naamloze vennootschap (NV).

De eenmanszaak
De eenmanszaak heeft een één eigenaar. Als je een eenmanszaak wilt beginnen moet je zelf voor voldoende startvermogen zorgen. Ook ben je privé aansprakelijk voor eventuele schulden. Ze mogen dan jou persoonlijke bezittingen verkopen.

Vennootschap onder firma (VOF)
Een vof heeft meerdere eigenaren. Ze zijn met hun privé-vermogen aansprakelijk voor de schulden. De schuldeiser kan het bedrag bij ieder van de eigenaren opeisen.

Besloten vennootschap (BV)
Bij een BV is er een scheiding tussen de leiding en de personen die eigenaar zijn. Een BV is juridisch zelfstandig en dus een rechtspersoon. De eigenaren zijn niet met hun privé-vermogen aansprakelijk voor schulden. Aandeelhouders zijn de eigenaren van een BV.
Aandeel = een eigendomsbewijs van een bedrijf.
Als aandeelhouders ontvang je een deel van de winst.
Dividend = de jaarlijkse uitkering die je krijgt over de winst.
Meestal is een BV in handen van één of enkele directeuren-grootaandeelhouders. Zij zijn niet alleen eigenaar van een bedrijf maar ze hebben ook de dagelijkse leiding over het bedrijf.

Naamloze vennootschap (NV)
Bij een NV is er een scheiding tussen de leiding en de personen die eigenaar zijn. Een NV is juridisch zelfstandig en dus een rechtspersoon. De eigenaren zijn niet met hun privé-vermogen aansprakelijk voor schulden. Aandeelhouders zijn de eigenaren van een NV.
Bij een NV staan de aandelen niet op naam en ze zijn vrij verhandelbaar (effectenbeurs). Als de aandelen meer in trek raken stijgt de koers. Dit gebeurt als het goed gaat met een bedrijf en er winst wordt gemaakt of als men winst in de toekomst verwacht. Met de uitgifte van aandelen kan een bedrijf in een klap miljoenen of zelfs miljarden binnenhalen.
De aandeelhouders worden vertegenwoordigd door de Raad van Commissarissen, die de Raad van Bestuur controleert directeuren die de dagelijkse leiding hebben van het bedrijf. Ze hoeven niet per se aandeelhouders (eigenaren), maar ze hebben vaak wel aandelen om vertrouwen in het bedrijf uit te stralen.

§ 2.2 De arbeidsovereenkomst
Arbeidsovereenkomst = een overeenkomst tussen een werkgever en een werknemer waarin de arbeidsvoorwaarden zwart op wit staan vastgelegd.
In een individuele arbeidsovereenkomst worden het loon en de arbeidstijd vastgelegd. Voor het overige wordt verwezen naar de collectieve arbeidsovereenkomst (CAO). In een cao staan rechten en plichten van de werknemers en gevers op zwart wit. Als een werkgever iemand in dienst neemt, geldt voor de werkgever en de werkgever de cao. Hierin worden zakten als vakantie, pensioen, overuren en de data van de loonsverhoging geregeld.
In de cao worden afspraken gemaakt voor groepen werknemers en werkgevers.
Sommige grote bedrijven hebben een eigen cao.
Bedrijfstak = alle bedrijven die zich bezighouden met dezelfde soort productie.
Namens de werknemers onderhandelen de vakbonden. Namens de werkgevers onderhandelen de werkgevers bonden (als de cao voor een bedrijfstak geldt).
Organisatiegraad = het percentage van werknemers dat is aangesloten bij de erkende vakbond.
Net als vakbonden zijn de werkgeversbonden per bedrijfstak georganiseerd.

Arbeidsvoorwaarden
De arbeidsvoorwaarden zijn in twee delen verdeeld:
- primaire arbeidsvoorwaarden loon en normale arbeidstijd (38 uur bij een volledige baan) etc.
- secundaire arbeidsvoorwaarden vakantie regelingen, duur van de middagpauze, reiskostenvergoeding, kinderopvang, scholing, auto van de zaak etc.

§ 2.3 Het centraal akkoord
Na de bekendmaking van de Rijksbegroting, op prinsjesdag, gaan de werknemers en werkgevers overleggen over de arbeidsvoorwaarden. Omdat ze niet allemaal aan de tafel kunnen gaan zitten organiseren de vakbonden zich in een werknemerscentrale en werkgeversbonden in een werkgeverscentrale. De vertegenwoordigers van de centrales overleggen samen in de Stichting van Arbeid. In plaats van de werkgevers en de werknemers gebruiken we vaak de term sociale partners.
Een cao geldt in eerste instantie alleen voor bedrijven die lid zijn van de werkgeversbond die de cao heeft afgesloten. Om ongewenste gevolgen tegen te gaan, kan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een cao algemeenverbindendverklaring afgeven. De cao geldt dan voor alle bedrijven in de bedrijfstak, dus ook voor de bedrijven die geen lid zijn van de werkgeversbond.





Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.