CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.

geef je mening

Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?



» resultaten poll

ff n studiebreak

Bij klassieke muziek moet je niet aan je grijze oma denken, maar aan YouTube. 5 tips van Lucas en Arthur Jussen.

Geschreven door:

anoniem (6 vwo)

Datum ingestuurd:

26 maart 2009

Taal:

Woorden:

2.300

Bekeken:

1018 keer (5 deze maand)

Waardering:

2.6/5 (5 stemmen)

Deel op:

Naam:


Klas/niveau:


E-mail:


Bericht:


Bestemd voor

Geheime code: 


 
Hoofdstuk 1 - Migratie, zorg of zegen
§1.1
verhuizen  wisselen van woning binnen een gemeente
gemeente en provincies  ‘administratieve (of bestuurlijke) gebieden’
migratie verhuizen van het ene naar het andere administratieve gebied
binnenlandse migratie vertrek- en vestigingsgebied ligt in hetzelfde land
buitenlandse migratie migratie over landsgrenzen heen
intraregionale migratie migreren binnen landsdeel of provincie
interregionale migratie van woonplaats wisselen tussen twee landsdelen/provincies
migratiesaldo verschil tussen vertrek en vestiging
binnenlands migratiesaldo = je vermindert het aantal migranten met het aantal emigranten
buitenlands migratiesaldo = kijkt alleen naar personen die binnen een land tussen gebieden verhuizen
absolute cijfers = totaal aantal migranten, relatieve cijfers = gem. aantal migranten per 1000 inw.
relatief  wanneer je cijfers uit gebieden met elkaar moet vergelijken
§1.2
30% van de immigranten bezit Nederlandse nationaliteit.
vreemdelingen in Nederland wonende personen zonder Nederlandse nationaliteit
naturalisatie vreemdelingen die Nederlandse nationaliteit krijgen als ze aan de volgende voorwaarden voldoen:
- zijn 5 jaar in Nederland gevestigd
- geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd
- de aanvrager moet ingeburgerd zijn
- de aanvrager moet goed gedrag hebben vertoond
- de aanvrager moet afstand doen van zijn huidige nationaliteit
§1.3
etnische minderheid  kenmerken:
- van een bepaalde nationaliteit
- vormen binnen een gebied een minderheid
- bevinden zich in een sociaaleconomische achterstandspositie bij arbeid, onderwijs en huisvesting
bijvoorbeeld: Turken, Marokkanen, Antilliaanse, etc.

§2.1
interactietheorie van Ullman  theorie waarmee hij migratie én verplaatsing van goederen, energie en informatie kan verklaren.
- Complementariteit  gebieden vullen elkaar aan
- Intervening Opportunity  tussenliggende mogelijkheid
- Transferability  transporteerbaarheid
§2.2
push-pullmodel 
- kenmerken van het vertrek- en vestigingsgebied  elk gebied heeft afstotende (push) en aantrekkende (pull) factoren. Kans op migreren is groot als de pushfactoren in het vertrekgebied en pullfactoren in het mogelijke vestigingsgebied overheersen.
- Tussenliggende hindernissen  zaken die de eventuele migratie bemoeilijken
- Persoonlijke kenmerken  perceptie = manier waarop mensen tegen een gebied aankijken
Over het algemeen één reden de doorslag  economisch, politiek of sociaal motief.
Cirkelmigratie  migrant gaat met zekere regelmaat terug naar herkomstgebied
Seizoensmigratie  vraag naar oogstarbeiders kan een tijdelijke pullfactor zijn

§3.1
Tot 1960, urbanisatie  migratie van het platteland naar de stad
Pushfactoren 
- opkomende mechanisatie landbouw
- het verdwijnen van de ambachtelijke huisnijverheid kon de concurrentie met de industrie niet aan
Pullfactoren 
- toename industriële werkgelegenheid steden
- beter betaald werk
- meer voorzieningen op het gebied van onderwijs, winkels en gezondheidszorg
expulsiegebieden  gebieden die jarenlang een vertrekoverschot kennen
attractiegebieden  aantrekkingsgebieden

1960-1975, Suburbanisatie  migratie van stad naar platteland rondom de steden
Pushfactoren 
- woningnood in de steden groot en de woningen hadden niet zo’n goede kwaliteit
- stankoverlast, herrie en toenemend verkeersoverlast
agglomeraties  vastgegroeide gemeentes aan steden
groeikernenbeleid  overheid wees beperkt aantal dorpen , groeikernen, aan die mensen uit grote steden moest opvangen
selectieve migratie  alleen bepaalde groepen mensen migreerden
1975-1980, Desurbanisatie  suburbanisatie steeds verder van de stad
Vooral naar gebieden ver van de Randstad, woongebied als aantrekkingskracht
Na 1980, Reurbanisatie  mensen uit de (wijde) omgeving migreren weer naar de steden
Compacte-Stadbeleid  stad moest weer aantrekkelijk worden gemaakt als woongebied
Pullfactoren 
- nabijheid van voorzieningen
- veel mogelijkheden om ‘sociale voorzieningen’ op te bouwen
- centraal gelegen appartementen
- gevarieerde arbeidsmarkt
VINEX-locaties  compleet nieuwe wijken
§3.2
- Landsdeel Noord  sterk op landbouw gericht, vertrekoverschot tot jaren ’60, daarna vestigingsoverschot, nu alleen nog Drenthe vestigingsoverschot
- Landsdeel Zuid  vestigingsoverschot tot jaren ‘70
- Landsdeel Oost  vertrekoverschot tot jaren ’50, nu vestigingsoverschot
- Landsdeel West  tot jaren ’60 vestigingsoverschot, nu toenemende vestiging

§3.3
Gevolgen urbanisatie:
nationaal niveau 
- toename mensen westelijke deel Nederland
- economische groei
regionaal niveau 
- arbeidsaanbod in expulsiegebieden minder groot
- vertrek jonge mensen  vergrijzing
- kleine-kernenproblematiek
- toenemende mate van congestieverschijnselen, zoals geluid- en stankoverlast en files
- druk op woningmarkt nam toe
Gevolgen suburbanisatie:
- positieve effecten bewoners zelf, kwamen terecht in omgeving met meer groen
- negatieve effecten milieu, toenemende verkeersstromen
- selectieve migratie in wijken met een vertrekoverschot leidt tot vergrijzing
- sommige wijkvoorzieningen in de steden verdwenen
Gevolgen re-urbanisatie:
- combinatie werken en wonen in de stad verminderd verkeersstromen richting de steden
- meer woningen, wijkvoorzieningen en winkels in de binnensteden. Leefbaarheid werd vergroot
- inwoneraantal in de steden nam toe


§4.1
1945-1960
emigratieoverschot, grote werkloosheid door slechte economische situatie in de industrie en handel
- ±200.000 immigranten uit Indonesië na de onafhankelijkheid in 1949
- 1951  12.500 Molukkers, tijdelijke immigranten
- 40.000 personen tussen 1952-1955  ‘Indische Nederlanders’
- eind jaren ’50  laatste golf 40.000 mensen

1960-1973
- tekort aan laaggeschoolde arbeiders  gastarbeiders, was tijdelijk bedoeld maar werd permanent

1973-Eind jaren ‘80
- gezinshereniging  gastarbeiders haalden gezinnen naar Nederland
- onafhankelijkheid Suriname 1975, kwamen omdat ze bang waren voor politieke moeilijkheden

Midden jaren ’80-Nu
- gezinsvormende migratie  halen uit land van herkomst huwelijkskandidaten voor hun kinderen
- aantal asielzoekers en vluchtelingen neemt toe
§4.2
Verdrag van Maastricht (1991)  EU-lidstaten hebben vastgelegd dat hun onderdanen zich in lidstaten mogen vestigen en in lidstaten mogen werken
Akkoord van Schengen(1985)  afschaffing van grenscontroles tussen de landen die het akkoord tekenden
(1950) Akkoord voor de Rechten van de Mens  hierna begon gezinshereniging, want iedereen heeft het recht op een gezin volgens dit verdrag
Belangrijkste verblijfdoelen  gezinsvorming, gezinshereniging, arbeid, studie en asiel
Verblijfsvergunning  officiële toestemming om in een land te verblijven
Vluchtelingenverdrag van Genčve(1951)  staat in wie als vluchteling moet worden aangemerkt, iemand die gegronde redenen heeft om te vrezen voor vervolging vanwege godsdienstige of politieke overtuiging, nationaliteit, ras of het behoren tot een bepaalde sociale groep
Verdrag van Dublin(1997)  het eerste land waar de asielzoeker terecht komt of waarvoor hij/zij een visum heeft, is verantwoordelijk voor de asielaanvraag
Vreemdelingenwet  mogen land niet binnen tenzij:
- met hun komst een wezenlijk Nederlands belang gediend is
- verdragen daartoe verplichten
- er zwaarwegende humanitaire redenen zijn voor toelating
Toegelaten asielzoekers kunnen de volgende status hebben:
- A-status  op basis van Vluchtelingenverdrag van Genčve
- C-status  verblijfsvergunning
- Voorwaardelijke vergunning tot verblijf  te maken met de situatie land van herkomst
- Alleenstaande minderjarige asielzoekers  geprobeerd familie in land van herkomst te vinden
§4.3
Verspreiding vluchtelingen in Nederland bepaald door:
- spreiding van bedrijfstakken
- aanwezigheid van landgenoten
- spreidingsbeleid van de overheid
- ligging ten opzichte van buurlanden
ruimtelijke segregatie  sociaaleconomische groepen concentreren zich sterk in bepaalde stadsdelen
oorzaken lokale spreiding:
- beschikbaarheid van goedkope huisvesting
-beleid van de woonbouw verenigingen en de lokale overheid
- kettingmigratie  allochtonen zoeken elkaar op
- de aanwezigheid van voorzieningen voor allochtonen
§4.4
bij vergrijzing, immigranten oplossing? Nee, immigranten worden zelf ook ouder en je kunt je afvragen of ze wel hetzelfde opleidingsniveau hebben
multiculturele samenleving  een maatschappij waarin bevolkingsgroepen met verschillende culturen op voet van gelijkwaardigheid naast elkaar leven.
acculturatie  verandering van culturen door contact met elkaar
assimilatie  immigranten passen hun cultuur volledig aan
integratie  wederzijdse beďnvloeding

§5.1
Na WO2  veel immigratie, in elk land wonen wel mensen die daar niet geboren zijn
§5.2
WO2-begin jaren ‘60
- veel Europeanen gevlucht, keerden terug na totstandkoming nieuwe grenzen
- door dekolonisatie  migratie naar vroegere koloniale mogendheden
- emigratie naar Noord-Amerika, Australië en Nieuw-Zeeland door beperkte economische groei en een sterke bevolkingsgroei

Jaren ’60 – 1973
- gastarbeiders nodig door hoger opgeleide autochtonen  uit Zuid-Europese landen, doordat het IJzeren Gordijn immigranten uit Oost-Europa blokkeerden
- Cirkelmigratie van migranten

Na 1973
- Europese landen stopten met werven arbeidskrachten door verslechtering economie
Toch nog migratiemogelijkheden naar Europese landen:
- gezinsvorming/gezinshereniging
- migratie als asielzoeker of vluchteling
- illegale migratie
Verdeling Europese landen beďnvloed door vier factoren:
- Verdeling van industrie en diensten ten tijde van de arbeidsmigratie
- Oude koloniale banden
- Aanwezigheid van groepen allochtone landgenoten in de latere migratiefasen
- De relatieve ligging van Unielanden ten opzichte van de herkomstlanden

Decompartimentering  opheffen van de ruimtelijke scheiding tussen twee of meer gebieden
Compartimentering ruimtelijke scheiding tussen twee of meer gebieden als gevolg van de aanleg van (spoor)wegen, kanalen en dergelijke
§5.3
Pushfactoren voor Turkije en Marokko:
- demografische factoren
- economische factoren  dalende welvaart, verlies arbeidsplaatsen landbouw wordt niet gecompenseerd
ruraal-urbane migratie  migratie van platteland naar stad
ruraal-rurale migratie  migratie tussen plattelandsgebieden
- politieke factoren  bijv. niet respecteren mensenrechten, politieke onrust en problematiek van etnische minderheden
§5.4
Herkenbare immigratiestromen:
- Traditionele attractiegebieden  Noord-Amerika, Oceanië en Pacifische eilanden.
- Het oude afstotingsgebied  inmiddels is dit een attractiegebied, (West-)Europa.
- Oud attractiegebied  nu afstotingsgebied, Latijns-Amerika.
- Afstotingsgebied  Afrika.
- Een gemengd beeld  Azië, hier tref je attractiegebieden aan (denk aan olieproducerende landen in het Golfgebied, de Filippijnen, Hongkong, Singapore, Japan, Korea en Maleisië. Ook ‘gedwongen’ migratie  vluchtelingenstromen in de wereld.
§5.5
Landen verschillen in economie, demografie, toelatingsbeleid, veiligheid en vrijheid.
Economisch  grote kloof tussen ‘Noord’ en ‘Zuid’.
Toelatingsbeleid VS en Europa verandert, eerst lieten ze vrij makkelijk mensen toe, nu niet meer.
Migratiequotum  beperking aantal immigranten
§5.6
Zolang economische verschillen blijven tussen het (mondiale) centrum en de periferie (het rijke en het arme deel van de wereld), blijft er migratie bestaan.
Urbaan-urbane migratie  vertrek van stad naar grotere steden
Getrapte migratie  wanneer urbaan-urbane migratie zich een aantal keer herhaald.
Primate City  Gigantisch grote stad, qua inwonersaantal vele malen groter dan andere steden
Urbanisatiegraad  het percentage mensen dat in ontwikkelingslanden in de steden woont
§5.7
Migratie  gevolgen voor vertrekgebied:
- Brain-drain  hoogopgeleide mannen en vrouwen vertrekken, deel van kennis verdwijnt in gebied
- Migranten maken geld over naar moederland
Migratie  gevolgen voor vestigingsgebied:
- De verhouding tussen ‘opbrengsten’ en ‘kosten’ is veranderd
- Migratie heeft effect op de collectieve sector
- In landen van vertrek wordt de bevolkingsomvang kleiner dan in het land van vestiging
- De samenstelling van de bevolking verandert, vooral in vestigingsgebieden

Hoofdstuk 2 Mobiliteit, waar gaan we heen?
§1.1
Mobiliteit  de mate van gemak waarmee mensen zich kunnen verplaatsen
Reizigerskilometers  de vervoersprestatie voor personen
Factoren die mate van mobiliteit bepalen 
- het aantal activiteiten die een persoon onderneemt (frequentie)
- de wisseling in de activiteiten (de variatie in richting)
- de te overbruggen kilometers tussen de (wisselende) activiteiten (de omvang)
§1.2
Groei in mobiliteit door zes factoren beďnvloed:
- Ruimtelijke schaalvergroting  mensen ondernemen activiteiten die verder van huis liggen
- Maatschappelijke ontwikkelingen  het aantal verplaatsingen in toegenomen door de volgende maatschappelijke ontwikkelingen: individualisering, emancipatie, arbeidsparticipatie, maatschappelijke uitsluiting tegengaan
- Bevolkingstoename
- Welvaartsgroei
- Veranderingen in de economie
- Aanbod vervoersmogelijkheden
§2.1
Ruimtelijke concentratie  mensen woonden zo dicht mogelijk bij elkaar en bij het werk
negentiende-eeuwse arbeiderswijken  smalle straten en weinig groenvoorzieningen
Tussenoorlogse wijken (tuindorpen) meer huizen gebouwd tussen oorlogen, betere kwaliteit
Naoorloogse wijken (jaren ’50)  systeembouw, snel en goedkoop woningen bouwen
Hoogbouwwijken (jaren ’60)  hoogbouw, ruime straten, modern autoverkeer, veel parkeerplaatsen, gemeenschappelijk groen
Gevarieerde woningbouw (jaren ’70)  eengezinswoning met tuin, kronkelige straten, kleinschalige structuur, gevarieerde woningbouw
Woongelegenheid in stedelijke centra  cityvorming  woonfunctie vervangen door winkels, horeca, banken en kantoren, brede wegen voor bereikbaarheid.
§2.2
jonge gezinnen naar buitenwijken, oude mensen achter gebleven in stad  vergrijzing
Voordelen ruimtelijke concentratie:
- gering beslag op (landelijke) ruimte
- sneller halen van drempelwaarde van voorzieningen
- lagere milieubelasting en lager gebruik van grondstoffen
- geringere kosten openbaar vervoer
gebundelde deconcentratie  overheidsbeleid om suburbanisanten te concentreren in door de overheid aangewezen groeikernen
§2.3
Re-urbanisatie  mensen terug naar de stad door nabijheid van werk, hoog voorzieningenniveau
§2.4
Kleine-kernenproblematiek  door migratie veroorzaakte problemen op het gebied van dienstverlening in zeer kleine kernen van landelijke gebieden
peri-urbaan  landelijk gebied binnen dagelijkse invloedssfeer van de steden
extra-urbaan  landelijk gebied buiten dagelijkse invloedssfeer van de steden

§3.1
Ontwikkelingen in mobiliteit hebben invloed op:
- luchtkwaliteit
- geluidshinder
- verstening en versnippering (compartimentering) van de leefomgeving
§3.2
Gebruikswaarde  de belangrijkste functies in een gebied
Belevingswaarde  Hoe een groep personen de omgeving beleeft
Toekomstwaarde  de kwaliteit van een gebied op langere termijn

§4.1
Schaalvergroting in het toerisme bestaat uit:
- het aantal mensen op vakantie (vakantieparticipatie)
- de afgelegde reisafstand
- het gemiddeld aantal keren per persoon per jaar op vakantie (vakantie-intensiteit)
Je kunt verschillende typen toerisme onderscheiden
- massatoerisme  het gaat om zon, zee en strand (rustvakantie)
- elitetoerisme  het gaat om landschappelijke en culturele zaken (natuur- en cultuurvakantie)
- sport- en actievakantie
- het zoeken naar culturele, klimatologische of landschappelijke complementariteit
§4.2
Meer mensen gaan op vakantie door de volgende factoren:
- Toename vrije tijd
- Welvaartsgroei
- Openstelling staatsgrenzen
- Toename communicatiemogelijkheden
- Toename mobiliteit
§5.1
- Minder bereikbaarheid, meer files
- Milieu lijdt onder mobiliteit
§5.2
Overheid wil mobiliteit terugdringen door:
- Locatiebeleid  Beleid bij ruimtelijke (her)inrichting. Hierbij moeten bedrijven op een goed bereikbare locatie gepland worden om congestieverschijnselen te voorkomen en om vermindering van het autogebruik te bevorderen
- Congestiebeleid  Beleid gericht op het verminderen van congestiegebieden door de capaciteit (m.b.t. verkeer) bestaande infrastructuur te vergroten
- Mobiliteitsbeleid  Beleid gericht op het beheersen van de automobiliteit waarbij het verminderen van het autogebruik, het bevorderen van het openbaar vervoer en het vergroten van de capaciteit van de bestaande infrastructuur centraal staat.
Deze aandachtsvelden in het overheidsbeleid krijgen vorm in een aantal maatregelen:
- verandering van het inrichtingsbeleid
- verandering van het parkeerbeleid
- herinrichting van de binnensteden
- uitbreiding telecommunicatie
- spreiding van werk- en openingstijden
- verandering van het prijsbeleid

Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.