CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.

ff n studiebreak

Klasgenoten stonden vroeger als hongerige hyena's om Jorieke heen. Klaar om het jonge hertje aan te vallen dat nog scoubidoutouwtjes had.

geef je mening

Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?



» resultaten poll

Geschreven door:

Nasrin (6 vwo) [meer]

Datum ingestuurd:

22 maart 2009

Taal:

Woorden:

950

Bekeken:

3135 keer (39 deze maand)

Waardering:

2.8/5 (9 stemmen)

Deel op:

Naam:


Klas/niveau:


E-mail:


Bericht:


Bestemd voor

Geheime code: 


 
Transport
Diagnostische toets


DOELSTELLING 1
1 Juist.
2 Juist.
3 Onjuist. (In afbeelding 63 is een enkelvoudige bloedsomloop getekend.)
4 Onjuist. (Per omloop stroomt het bloed slechts een¬maal door orgaan 2, ook al stroomt het bloed via twee bloedvaten naar orgaan 2 toe.)
5 Juist.
6 Onjuist. (Orgaan 2 stelt de lever voor.)

DOELSTELLING 2
1 D (P = rode bloedcel; Q = bloedplaatjes; R = witte bloedcel)
2 A (Neutrofiele granulocyten zijn de witte bloedcellen die bij de mens het meeste voorkomen.)
3 C
4 B (Uit de beschadigde bloedvatwand komen stollingsfactoren vrij.)
5 B (Stollingsfactoren uit bloedplaatjes kunnen het stollingsproces op gang gebracht hebben. De onderzoeker heeft gezien dat de bloedplaatjes uit elkaar zijn gevallen. Dit zal waarschijnlijk veroorzaakt zijn doordat een glazen schaaltje een ruwer oppervlak heeft dan een plastic schaaltje.)
6 C (In reageerbuis 1 is het bloed gestold. Het serum in reageerbuis 3 komt uit reageerbuis 1 en bevat dus geen fibrinogeen meer. In reageerbuis 2 is calciumchloride met behulp van natriumoxalaat uit het plasma weggehaald. De Ca2+-ionen uit calciumchloride zijn nodig voor stolling. Reageerbuis 4 wordt gevuld met plasma uit reageerbuis 2, waarna er calciumchloride wordt toegevoegd. Er kan dan stolling optreden).
7 B (Door weefsel en/of bloedfactoren wordt plasminogeen omgezet in plasmine. Onder invloed van plasmine valt fibrinogeen uiteen tot polypeptiden).

DOELSTELLING 3
1 B (Via de kransaders en de rechterboezem komt dit koolstofdioxide in de rechterkamer terecht).
2 C (P is de rechterkamer.)
3 B (Vanuit de longaders stroomt het bloed de linkerboezem in.)
4 D (Door de opening stroomt zuurstofrijk bloed uit de linkerkamer naar de rechterkamer. Het bloed in de recnterkamer bevat daardoor meer zuurstof dan normaal. Dit bloed stroomt verder via de longslagaders.)

DOELSTELLING 4
1 C (Tijdens de diastole van de hartkamers zijn de halvemaanvormige kleppen gesloten.)
2 A (Bij het begin van de systole van de hartkamers worden de hartkleppen gesloten, doordat de druk in de kamers groter is geworden dan de druk in de boezems. De halvemaanvormige kleppen tussen linkerkamer en aorta worden pas geopend als de druk in de linkerkamer hoger is geworden dan de druk in de aorta.)
3 B (Het slagvolume van de linkerkamer is ongeveer gelijk aan dat van de rechterkamer.)
4 A (In situaties van grote spanning geeft het bijnier¬merg adrenaline af. Adrenaline beïnvloedt het hartritme.)
5 C (De tijdsduur van de systole van de boezems blijft ongeveer constant op 0,1 seconde; die van de kamers loopt terug van 0,3 naar 0,2 seconde. De hartpauze loopt terug van 0,4 naar 0,1 seconde.)

DOELSTELLING 5
1 Onjuist. (In afbeelding 71.1 is een dikkere laag spierweefsel getekend dan in afbeelding 71.2.)
2 Juist.
3 Onjuist.
4 Juist.
5 Juist.
6 Onjuist. (Alleen bij haarvaten kunnen witte bloedcellen en vocht door de wand heen.)
7 Onjuist. (Aan het begin van een haarvat bevindt zich een kringspiertje, dat het haarvat kan afsluiten.)

DOELSTELLING 6
1 Juist.
2 Onjuist. (Bloedvat 11 is een armslagader.)
3 Juist.
4 Onjuist. (De bloedvaten 4 en 12 maken deel uit van de kleine bloedsomloop.)
5 Onjuist. (9 = been ader; 17 = beenslagader.)
6 Juist.
7 Juist.
8 Juist.
9 Juist. (Deze bloedcel is gestroomd via 14 - 6 - 5 - 4¬12 -13 -15 - 7 en is dus twee keer door het hart gekomen.)

DOELSTELLING 7
1 C (De poortader bevat zuurstofarm bloed.)
2 D (De bloedvaten 14,15 en 17 zijn alle drie aftakkingen van de aorta.)
3 C (In de leverader is het glucosegehalte het hoogst, doordat in de lever het glucosegehalte van het bloed constant wordt gehouden. In de onderste holle ader vlak bij het hart is het bloed uit de leverader gemengd met ander bloed, waardoor het glucosegehalte daalt. In de longslagader is het bloed uit de onderste en bovenste holle ader gemengd.)
4 A (Tijdens de systole zijn de hartspiervezels samengetrokken. Ze worden daarbij dikker. Hierdoor worden de vertakkingen van de kransslagaders die tussen de hartspiervezels liggen, ingedrukt. De bloedstroom in deze bloedvaten ondervindt dan meer weerstand.)
5 B (De stroomsnelheid van het bloed is omgekeerd
evenredig met de totale diameter van de bloedvaten.)

DOELSTELLING 8
1 D (1 = longslagader; 2 = longhaarvat; 3 = longader;
4 = aorta.)
2 D (1 = aorta; 2 = linkerkamer; 3 = rechterkamer;
4 = longslagader.)
3 B (Bij de toppen van de grafieklijn in diagram 2 is de bloeddruk het hoogst, doordat op deze momenten de linkerkamer maximaal samengetrokken is.)
4 A (Bij slagaders zoals in de polsen is de hartslag waarneem baar, doordat er een verschil is tussen systolische en diastolische bloeddruk. In afbeelding 77 is dit verschil aanwezig bij Q, maar niet meer bij R.)
5 B (Bij het begin van een inademing stijgt de druk in de buikholte door het samentrekken van de middenrifspieren. De bloedtoevoer van de been aders naar de onderste holle ader wordt daardoor kleiner. Tegelijk daalt de druk in de borstholte, waardoor de bloedtoevoer van de onderste holle ader naar het hart groter wordt.)

DOELSTELLING 9
1 A
2 C (In de benen wordt de lymfe tegen de zwaartekracht in afgevoerd. Door het been omhoog op een stoel te leggen, werkt de zwaartekracht mee bij de lymfeafvoer. Bij het maken van een wandelingetje wordt door het samentrekken van de beenspieren druk uitgeoefend
op de lymfevaten.)
3 D (Bij 1 bevindt zich weefselvloeistof)
4 C (Als er meer eiwitten in de weefselvloeistof voorko¬men dan normaal, wordt net verschil in colloïd-osmotische druk tussen het bloed in de haarvaten en de weefselvloeistof kleiner. Er keert dan aan het eind van de haarvaten minder vocht terug in de naarvaten. Als er door parasieten minder lymfe kan worden afgevoerd, hoopt zich ook weefselvloeistof op.)





Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.