
CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.
geef je mening
Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?
ff n studiebreak
Online een chick scoren, je liefde laten zien op Whatsapp en digitale kusjes sturen. Zonder een blauwtje te lopen. Aanrader?
Geschreven door: | Ramona (5 havo) [meer] |
Datum ingestuurd: | 10 februari 2009 |
Taal: | |
Woorden: | 5.400 |
Bekeken: | 1298 keer (6 deze maand) |
Waardering: | |
Deel op: |
|
Elementen van een landschap zijn:
Grondsoort.
Reliëf.
Bodem.
Waterelementen.
Begroeiingelementen.
Elementen van het agrarisch grondgebruik.
Infrastructurele elementen.
Gebouwen.
Elk landschap is ontstaan door geologische processen in het verleden. Pleistoceen en Holoceen waren belangrijk voor de opbouw.
Een landschap bestaat uit ecosystemen. De weergave van een ecosysteem noem je een ecotoop. Ecosystemen zijn divers. Die diversiteit wordt bepaald door 5 factoren:
De veranderlijkheid van het milieu.
De hoeveelheid energie en voedingsstoffen.
De variatie in milieuomstandigheden.
De omvang van natuurgebieden.
De goede spreiding van natuurelementen en geen barrières.
De 4 hoofdfuncties van het natuurlijk milieu:
Productiefunctie.
Draagfunctie.
Informatiefunctie.
Regulatiefunctie.
Landschappen ontstaan in het Pleistoceen:
Zandlandschap, stuwwallenlandschap en dekzandlandschap.
Lösslandschap.
Landschappen ontstaan in het Holoceen:
Zeekleilandschap.
Duinlandschap.
Veenlandschap.
Rivierkleilandschap.
Natuurlijke kenmerken:
Puinwaaierafzettingen aan de voet van het middengebergte.
Plateaus, hellingen en dalen. Terrassen zijn vlak liggende beddingrestanten.
Löss als afdeklaag. Löss bestaat uit fijne stofdeeltjes, deze werden door de wind verplaatst.
Culturele kenmerken:
De inrichting van de dalen. Daldorpen hebben een langgerekte vorm doordat de bebouwing rond de wegen ontstond. Collivium is een dikke aangespoelde laag löss vooral te vinden in Zuid-Limburg.
De inrichting van de hellingen en plateaus. Graften zijn hellingen met talrijke bossen en struiken op de stijlranden.
Natuurlijke kenmerken:
Hoge en lage stuwwalen opgeduwd door het ijs. Onder het ijs werd een grondmorene van keileem afgezet. Tongbekkens zijn door het ijs uitgediepte bekkens.
Zacht golvend dekzandlandschap. Paraboolduinen.
Culturele kenmerken:
Essen, groengronden, heide en stuifzand.
Heide ontginning en naaldbos.
Moderne landbouwlandschap.
Natuurlijke kenmerken:
Doordat het water geremd werd door begroeiing zonk het zand direct naast de bedding waardoor oeverwallen ontstonden.
Oude rivierbeddingen met hun oeverwallen noemen we stoomruggen. Die ontstaan wanneer een rivier een nieuwe loop koos.
Kommen zijn plekken waar er verder van de rivier af klei werd afgezet.
Culturele kenmerken:
Dijken, uiterwaarden, overslaggronden en wielen. Uiterwaarden werden opgebouwd door een laagje zandige klei tussen de dijken. Kwel is water dat onder de dijk door kwam. Zoet en zout. Het water vormde een wiel. Overslaggrond is een zandige of zwavelige grond rond een wiel.
Het grondgebruik in het oostelijk rivierkleilandschap. Woningen en akkerbouw en dan vooral fruit.
Het grondgebruik in het westelijk rivierkleilandschap. Smalle kleistroken bij de rivierdijken. Langgerekte dijkdorpen.
Natuurlijke kenmerken:
Kwelders. Gebieden aan de kust die boven het niveau van de normale vloed liggen. Ontstaan in een waddengebied. Hier word zeeklei afgezet.
Zeeklei en zeespiegelstand.
Culturele kenmerken:
Opbouw van een zeekleipolder. Een kwelder die niet meer door de zee wordt overspoeld wordt, kan ingedijkt worden. Er ontstonden polders.
Droogmakerijen. Rechthoekige verkaveling. Het water werd uit de polder gepompt. -4 of -5 beneden NAP.
Natuurlijke kenmerken:
De vorming van duinen. Zand wordt afgezet op het strand. Als de talrijke strandduintjes een duinenrij vormt spreek je van een zeereep.
Oud en jonge duinen.
Duinvalleien. Ingesloten strandvlakten.
Culturele kenmerken:
Oude nederzettingen, geestgronden en natuur. Duinen zijn mooi vlak afgegraven, geestgronden.
Natuurlijke kenmerken:
Veengroei op voedselrijke plaatsen. Riet en zeggeplanten maar ook bosplanten.
Veengroei op voedselarme plaatsen. Veenmos groeit hier. Echt veenmosveen ligt meters boven het grondwater. Dit heet dan hoogveen.
Culturele kenmerken:
Veenpolderlandschappen. Het veengebied werd ontgonnen en er werden langgerekte ontwateringsloten gegraven. Door het wegvallen van het water kwam er inklinking.
Dalgronden en veenplassen. Bolster was als turf ongeschikt en werd weggehaald. Nadat het veen weg was werd de bolster terug geplaatst.
Alle zaken die we aan het natuurlijk milieu onttrekken en gebruiken om te leven noem je natuurlijke hulpbronnen. Er zijn:
Niet vernieuwbare milieuvoorraden. Natuurlijke hulpbronnen die door de natuur niet opnieuw of heel langzaam worden aangemaakt.
Vernieuwbare milieuvoorraden. De productie hiervan is voor de mens waarneembaar.
Drie soorten problemen:
Milieu verontreiniging.
Milieu aantasting.
Milieu uitputting. ( De mens benut de energie en grondstoffen in een te hoog tempo.)
Milieuproblemen worden steeds groter en steeds grotere gebieden worden beïnvloed.
Om de groei van milieuproblemen te bestrijden is er een goede strategie voor de toekomst nodig. We streven naar het handhaven van de milieugebruiksruimte.
De omvang wordt bepaald door 5 factoren:
De aanwezige winbare natuurlijke hulpbronnen.
Het tempo van aanwas van vernieuwbare natuurlijke hulpbronnen.
Uitbreiding van kennis en techniek.
De kwaliteit van het natuurlijk milieu.
Water is een onmisbare bron voor allerlei levensprocessen. Er zijn twee bronnen van zoet water:
Vernieuwbare bronnen van zoet water. Regen, neerslag.
Niet vernieuwbare bronnen van zoet water. Diep grondwater kan niet worden aangevuld.
Water is nodig voor:
De huishouding.
De landbouw. Irrigatie verhoogt het watergebruik fors.
De industrie.
Allerlei stoffen kunnen de kwaliteit van het zoete water bedreigen. Voedingsstoffen, metaaldeeltjes, bestrijdingsmiddelen, zouten enz.
Innen elk ecosysteem zijn planten erg belangrijk. Zij staan aan de basis van de vernieuwbare hulpbron organisch materiaal. Een goede bodem is een belangrijke voorwaarde voor het ontstaan van organisch materiaal. De omvang van de productie hangt af van:
De voorraad voedingsstoffen.
De voorraad water.
Een goed bodemleven.
De mens heeft in de loop van de tijd de milieugebruiksruimte vergroot. Belangrijk hierbij:
De toevoer van meststoffen.
De toevoer van fossiele energie.
De toevoer van water door irrigatie en beregening.
In veel ontwikkelingslanden is het handhaven van de milieugebruiksruimte bodem voor de eigen bevolking een moeilijke zaak. Bevolkingsgroei en exportlandbouw hebben een grote invloed. De oppervlakte cultuurgrond is teruggelopen en er is een tekort aan landbouwgrond door de exportlandbouw.
De watervoorraad in de wat drogere gebieden in de ontwikkelingslanden is beperkt. Bevolkingsgroei en productieverhoging spelen hierbij een rol.
Het klimaat van een gebied wordt bepaald door de regelmatig terugkerende atmosferische processen boven dat gebied. Zon, regen, temperatuur en windsnelheid.
Het klimatologisch systeem.
Het klimatologische systeem wordt aangedreven door zonne-energie. Het thermische gradiënt is het resultaat, een verschil tussen lage en hoge breedte.
Een kleine oorzaak heeft soms grote gevolgen. Een kleine verandering in de relatie tussen de zon en de aarde kan een kettingreactie van gevolgen laten optreden.
De hoeveelheid straling die van de zon op de aarde is afhankelijk van de bewegingen van de aarde om de zon.
De stralingsbalans is de aftreksom van de instraling van de zon en de aardse uitstraling.
Van belang bij het effect van broeikasgassen op de temperatuur zijn:
De hoeveelheid gassen die in de atmosfeer terechtkomt.
Het effect op de temperatuur per massa eenheid.
De verblijftijd in de atmosfeer.
De mate van onttrekking aan de atmosfeer.
De loop van zeestromen.
De stroming van water in de oceanen wordt vooral gestuurd door de vaste winden in de tropen, de passaten, en de ligging van de continenten. Als die stromen veranderen veranderd ook het klimaat.
De luchtbewegingen.
Klimaatveranderingen als gevolg van wijziging in de luchtbewegingen zijn het sterkst merkbaar op plaatsen waar die luchtbewegingen een uitgesproken karakter hebben.
De mens kon vroeger slechts een klein stukje van het aardoppervlak beïnvloeden, nu zijn onze activiteiten enorm groot en hebben ze wereldwijd effect.
Door het kappen van een bos zijn er grotere windsnelheden mogelijk en dat kan tot grote klimatologische gevolgen hebben. Zo ook ontwatering. Natte gronden hebben veel energie nodig om een beetje warmer te kunnen worden. Daar staat tegenover dat ze veel energie kunnen verliezen zonder veel af te koelen. Ze hebben een hoge warmtecapaciteit.
Tegenwoordig komt er door menselijke activiteiten meer stof in de atmosfeer. Dit zorgt dat de lucht niet verder kan opstijgen. Kan zorgen voor minder neerslag en woestijn vorming.
De mens brengt ook veel afvalgassen in de dampkring. Deze stoffen geven een versterkt broeikaseffect. Deze effecten zijn te verwachten:
Veranderde stralingsbalans.
Een verschuiving in de drukverdeling.
Een andere loop van de zeestromen.
Het afsmelten van gletsjers.
De permafrost en de toendra zullen poolwaarts schuiven.
Het klimaatbeleid.
We moeten streven naar een duurzame ontwikkeling en minder gassen uitstoten.
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.