ff n studiebreak

Klasgenoten stonden vroeger als hongerige hyena's om Jorieke heen. Klaar om het jonge hertje aan te vallen dat nog scoubidoutouwtjes had.

geef je mening

Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?



» resultaten poll

CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.

Geschreven door:

Nadiao (5 havo)

Datum ingestuurd:

15 april 2006

Taal:

Woorden:

850

Bekeken:

1008 keer (3 deze maand)

Waardering:

3.6/5 (5 stemmen)

Deel op:

Naam:


Klas/niveau:


E-mail:


Bericht:


Bestemd voor

Geheime code: 


 
Arbeidsmarkt
Aanbod v. arbeid:
Aanbod= beroepsbevolking= Alle mensen tussen 15-65 jaar die willen, kunnen en
mogen werken.
Beroepsgeschikte bevolking = niet-beroepsbevolking + beroepsbevolking
(alle mensen tussen 15-65 jaar)
Niet-beroepsbevolking = mensen tussen 15-65 die niet werken en ook niet op zoek
zijn naar werk.

Deelnemingspercentage = Beroepsbevolking/Beroepsgeschikte bevolkingx100%

Werkzame beroepsbevolking (=werkgelegenheid) = zelfstandigen en werknemers
Werkloze beroepsbevolking= geregistreerde werklozen (bij CWI)

Verandering beroepsbevolking:
- Demografische (groei)
- Maatschappelijke opvattingen
- Stand van de economie
#aanzuigeffect (=vergroting aanbod arbeid)
# ontmoedigingseffect = vermindering aanbod )
- Wetgeving (leerplicht, pensioenleeftijd etc.)
- Organisatie van het arbeidsproces (kinderopvang etc.)

Vraag naar arbeid:
Vraag= werkgevers, zelfstandigen en openstaande vacatures.
Invloed vraag:
- Economische groei (meer bestedingen --> stijging vraag naar arbeid)
- Stand van de techniek (machines vervangen arbeid)
- Loonkosten (stijging loonkosten --> vraag naar arbeid neemt af )

Krappe arbeidsmarkt = Vraag arbeid > aanbod arbeid --> loon stijgt
Ruime arbeidsmarkt = Vraag arbeid < aanbod arbeid --> loon daalt

Ondernemingsvormen
Eenmanszaak:
- 1 eigenaar
- Zelf voor voldoende vermogen zorgen
- Privé aansprakelijk
Voordelen = je kunt zelf beslissen, eenvoudig beginnen, winst voor jezelf
Nadelen = voortbestaan in gevaar bij ziekte/overlijden
Vennootschap onder firma:
- meerdere eigenaren
- eigenaren privé aansprakelijk
Besloten vennootschap/Naamloze vennootschap:
- Rechtspersoon/juridisch zelfstandig
- Aandeelhouders eigenaar BV/NV
- Eigenaren niet privé aansprakelijk
- BV=aandelen op naam, NV=aandelen niet op naam
- BV= Aandeelhouder eigenaar+ directeur
NV= Aandeelhouder eigenaar maar niet directeur

wat+afgesloten door+niveau
Centraal Akkoord+Centrales van werknemers en werkgevers+landelijk
CAO+Vakbonden & werkgeversbonden+bedrijfstak/bedrijf
Individuele arbeidsovereenkomst+werkgever en werknemer+individueel

Loonstijging
Prijscompensatie = loonstijging procentueel gelijk aan inflatie
Initiële loonstijging = door stijging van arbeidsproductiviteit
Incidentele loonstijging = afgesproken in CAO (bijv. promotie)

Stijging arbeidsproductiviteit:
- Technische ontwikkeling
- Arbeidsverdeling/specialisatie
- Scholing

Reacties bedrijven op stijging loonkosten:
- Prijzen verhogen
- Productie verplaatsen naar buitenland
- Mensen vervangen door machines
- Geen ondernemingsrisico aangaan

Wig = Het verschil tussen totale loonkosten van een persoon en zijn nettoloon

Loonkosten per product ↑ --> prijzen ↑ --> concurrentiepositie t.o.v. buitenland verslechtert --> export ↓ en import ↑ --> productie ↓ en afzet ↓ --> werkgelegenheid ↓

Lonen stijgen sneller dan prijzen --> koopkracht werknemers ↑ --> consumptie gezinnen ↑ --> bestedingen ↑ --> afzet&productie bedrijven ↑ --> werkgelegenheid ↑

Formules
Productie = werkgelegenheid x arbeidsproductiviteit

Werkgelegenheid = productie /Arbeidsproductiviteit

Arbeidsproductiviteit = productie/werkgelegenheid

Indexcijfer productie = indexcijfer werkgelegenheid x indexcijfer arbeidsproductiviteit / 100

Indexcijfer werkgelegenheid = Indexcijfer productie/Indexcijfer arbeidsproductiviteit x 100

Indexcijfer arbeidsproductiviteit = Indexcijfer productie/Indexcijfer werkgelegenheid x 100

Bezettingsgraad = Werkelijke productie x100%
Productiecapaciteit

Investeren = kopen van kapitaalgoederen (machines, gebouwen, transportmiddelen, computers e.d.) door bedrijven.

Consumeren = gezinnen die goederen of diensten kopen

Stijgende loonkosten --> diepte-investering

Diepte-investering= Een arbeidsvervangende investering die tot gevolg heeft dat de arbeidsproductiviteit stijgt (kapitaalintensiever).
Breedte-investering= als een bedrijf kapitaalgoederen van dezelfde kwaliteit koopt. De arbeidsproductiviteit blijft gelijk.

Factoren die invloed hebben op concurrentiepositie:
- Prijzen
- Kwaliteit
- Infrastructuur

Verborgen werklozen = mensen die willen werken, maar niet ingeschreven staan bij het CWI.
Verborgen werkgelegenheid= zwart werk en vrijwilligerswerk

Door het aanzuigeffect stijgt de officiële werkloosheid en daalt de verborgen werkloosheid.
Door het ontmoedigingseffect daalt de officiële werkloosheid en stijgt de verborgen werkloosheid.



Soort werkloosheid + probleem+voorbeeld
Seizoenswerkloosheid
De productie in sommige bedrijfstakken wissels van seizoen tot seizoen
vb.Sneeuwruimers, discotheek, attractieparken.
Conjunctuurwerkloosheid
in sommige jaren neemt de effectieve vraag af
vb.Hoge kosten, belasting. Men koopt minder luxe apparaten.
kwantitatieve werkloosheid
De productiecapaciteit is te gering
vb.Productie textielindustrie wordt verplaats naar buitenland vanwege hoge loonkosten.
kwalitatieve werkloosheid
Vraag en aanbod op de arbeidsmarkt sluiten niet op elkaar aan
vb.Er zijn werkloze advocaten, maar tekort aan artsen.
frictiewerkloosheid
Het duurt een korte tijd voor vraag en aanbod op de arbeidsmarkt bij elkaar komen.
vb.Afgestudeerden, huisvrouwen, schoolverlaters, mensen zonder diploma.





Loonkosten per product ↑ --> prijzen ↑ --> concurrentiepositie t.o.v. buitenland verslechtert --> export ↓ en import ↑ --> productie ↓ en afzet ↓ --> werkgelegenheid ↓

Lonen ↑ --> (loon)kosten per product voor bedrijven ↑ --> winstgevendheid van bedrijven ↓ --> investeringen ↓ --> werkgelegenheid ↓

Lonen ↑ --> kosten arbeid ↑ t.o.v. kosten kapitaal  diepte-investeringen ↑ --> hoeveelheid arbeid ↓ t.o.v. hoeveelheid kapitaal --> werkgelegenheid ↓

Lonen ↑ --> (loon)kosten per product voor bedrijven ↑ --> verplaatsing productie naar (goedkopere) buitenland ↑ --> werkgelegenheid ↓

Loonstijging < prijsstijging --> koopkracht gezinnen ↓ --> consumptie ↓ --> effectieve vraag ↓ --> afzet en productie ↓ --> werkgelegenheid ↓


Soort werklooshei+Maatregel
Conjunctuurwerkloosheid
1. Overheid gaat meer besteden (aanleg wegen, bouwen scholen)
2. verlagen belastingen of verstrekken van subsidies
Kwantitatieve werkloosheid
1. Arbeidstijdverkorting
2. Verlagen van brutoloon
3. Innovatie bevorderen (ontwikkelen van nieuwe producten + in gebruik nemen nieuwe productieprocessen)
Kwalitatieve werkloosheid
1. Omscholing
2. Arbeidsmobiliteit vergroten
3. Subsidies verstrekken aan bedrijven die langdurig werklozen in dienst nemen
Frictiewerkloosheid
1. Betere arbeidsbemiddeling


Arbeidstijdverkorting = Als iedereen in een bedrijf o bedrijfstak minder gaat werken. Hierdoor stijgt de werkgelegenheid gerekend in personen.
Financieel nadeel: arbeidskosten per eenheid product stijgen
Financieel voordeel: De machines draaien langer, dus dalen de machinekosten per product.

Soorten atv:
- Kortere werkweek
- Vervroegde uittreding (VUT, pensioen)
- Meer vakantiedagen
- Roostervrije dagen
- Studieverlof

Flexibilisering
- Werknemers in vaste dienst zijn duur.
- Het aanpassen van personeelsbestand aan de productieomvang gaat makkelijker.

Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.