Geschreven door: | anoniem (5 vwo) |
Datum ingestuurd: | 23 januari 2006 |
Taal: |  |
Woorden: | 1.350 |
Bekeken: | 708 keer (1 deze maand) |
Waardering: |
|
Deel op: |
|
Hoofdstuk 1 Migratie, zorg of zegen? § 1 Wat is migratie?* Het wisselen van woning binnen de gemeente noem je verhuizen.
* Verhuizen van het ene naar het andere administratieve gebied (bijv. gemeente, provincie) noem je migratie.
* Landgrenzen bepalen of migratie binnenlands of buitenlands is.
* Migreren binnen een regio: intraregionale migratie.
* Migreren tussen regio’s: interregionale migratie.
* Wanneer je de emigranten van de immigranten aftrekt houd je het migratiesaldo over.
* Bij de mobiliteitsindex worden het aantal mensen dat zich in een gebied vestigt en het aantal mensen dat het betreffende gebied verlaat bij elkaar opgeteld en uitgedrukt per 1000 inwoners (promille)
* Interactietheorie van Ullman (verplaatsing van goederen, energie, informatie en migratie):
• Complementariteit (de gebieden vullen elkaar aan bijv. tekort/overschot arbeidskrachten.)
• Intervening opportunity (tussenliggende mogelijkheid bijv de keuze van een Pool tussen Nederland en Duitsland.)
• Transferability (absolute en relatieve (tijd, kosten en moeite) afstand tussen twee gebieden.)
* Het Push-Pullmodel:
• Kenmerken van het vertrek- en vestigingsgebied (een gebied heeft afstotende (push zoals oorlog) en aantrekkende (pull) kanten.)
• Tussenliggende hindernissen (familiebanden, onoverbrugbare afstanden, kosten van migratie en toelatingsbeleid van landen.)
• Persoonlijke kenmerken (welk perceptief of beeld heeft iemand van een gebied, bijv. leeftijd en informatie van anderen.)
§ 2 Migranten in Nederland* Allochtonen zijn mensen met een buitenlandse afkomst waarvan alleen de eerste generatie in het buitenland is geboren. De
Nederlandse wet bepaalt dat een kind Nederlander is bij geboorte als zijn vader of moeder (of beiden) Nederlands is, ongeacht het land waar het kind wordt geboren.
* Autochtonen zijn mensen waarvan beide ouders uit Nederland afkomstig zijn.
* Iemand die niet de nationaliteit bezit van het land waar hij woont noemt men een vreemdeling.
* Naturalisatie is het veranderen van nationaliteit.
* Met etnische minderheid wordt een groep mensen van een bepaalde nationaliteit bedoeld die binnen een gebied of staat een
minderheid vormen. In Nederland zijn dit meestal allochtonen die zich in een sociaal-economische achterstandspositie bevinden.
§ 3 Effecten van migratie* Bij het beoordelen van de gevolgen van migratie spelen drie zaken een rol:
• Het schaalniveau (gevolgen kunnen voor het land nadelig zijn, maar de individu juist andersom.)
• De combinatie van verschillende typen gevolgen (economische, sociale, culturele en/of psychische gevolgen.)
• De invalshoek van waaruit de gevolgen worden beoordeeld (de beoordelaar vindt de gevolgen positief of negatief.)
§ 4 Ben ik welkom?* Volgens de vreemdelingenwet uit 1965 mag geen vreemdeling het land in behalve als:
• Het in het belang van Nederland is gediend (arbeidsmigratie).
• Verdragen het er toe verplichten (politieke vluchtelingen).
• Zwaarwegende humanitaire redenen bijv oorlogsslachtoffers (oorlogsslachtoffers).
* Het verdrag voor de rechten van de Mens (1950) gezinsleden moeten worden toegelaten in Nederland.
* Het vluchtelingenverdrag van Genève (1951) zegt dat je een vluchteling bent wanneer je gegronde redenen heeft te vrezen
te vrezen voor vervolging op grond van ras, godsdienst, politieke overtuiging, nationaliteit of het behoren tot een sociale groep.
* Verdrag van Maastricht (1993) inwoners van EU-lidstaten en van Noorwegen, Finland en IJsland mogen
zich in Nederland vestigen en er werken. Mensen die niet werken mogen komen als ze genoeg geld hebben.
* Een asielzoeker is een vreemdeling die op grond van het Vluchtelingenverdrag van Genève om toelating vraagt.
* Een vluchteling is een vreemdeling van wie op grond van het Verdrag van Genève is vastgesteld dat hij vervolging heeft te
vrezen en op grond daarvan wordt toegelaten en een verblijfsvergunning krijgt:
• Een vreemdeling is vluchteling (volgens het VvG) Hij krijgt een A-status die voor onbepaalde duur geldig is.
• Het is niet menselijk om iemand terug te sturen. Deze persoon krijgt een vergunning die 1 jaar geldig is.
• Een vreemdeling die een voorwaardelijke verblijfsvergunning krijgt omdat de situatie in het land van herkomst nog te gevaarlijk
is. Deze verblijfsvergunning moet elk jaar verlengd worden. Na drie jaar krijgt deze persoon een A-status.
* Bij een kort verblijf in Nederland (zoals familiebezoek of een zakenreis) mag men drie maanden in Nederland verblijven, mits
men beschikt over voldoende geld en een geldig reisdocument.
* Bij een lang verblijf in Nederland moet men toestemming vragen en zijn verblijfsdoel opgeven (zoals gezinsvorming). Iemand
die mag blijven krijgt een verblijfsvergunning die elk jaar moet worden verlengd. Zo kan de overheid elk jaar controleren of
iemand nog aan de voorwaarden voldoet. Na 5 jaar kan men een vestigingsvergunning (onbepaalde geldigheidsduur).
* Het akkoord van Schengen (1985) het afschaffen van de grenscontroles in de EU lidstaten voor goederen en personen. De
buitengrenzen van dit Europa werden vanaf dit akkoord wel extra gecontroleerd. Ook werd er een gezamenlijk visum- en
asielbeleid gemaakt en er kwam een “Schengen-informatiesysteem” (voor politie die zo vergunningen kunnen controleren.)
* Het verdrag van Dublin (1997) zorgde voor de afspraak van de EU lidstaten dat het land waar de asielzoeker het eerst
aankomt, verantwoordelijk is voor de asielaanvraag
Hoofdstuk 2 Migranten hier en daar§ 1 Spreiding van migranten* De meeste vrijwillige migratie gaat van economisch zwakke gebieden naar economisch sterke gebieden. Dit migratiepatroon
wordt nog versterkt door de verschillen in bevolkingsgroei van de gebieden. De economisch sterke gebieden hebben, door een
laag geboortecijfer en een hoog sterftecijfer, over het algemeen een veel langzamere natuurlijke bevolkingsgroei dan de
economisch zwakke gebieden. De zwakke gebieden hebben te maken met overbevolking en armoede, de sterke gebieden hebben te maken met een tekort aan arbeiders etc.
* De spreiding van migranten in Europa hangt samen met de werkgelegenheid en de invloed van vluchtelingen en asielzoekers in de verschillende Europese landen.
* In Nederland is het niet anders. De meeste allochtonen zijn in het westen terecht gekomen vanwege de werkgelegenheid.
* Familieleden die naar dezelfde plaats migreren zodat ze geholpen kunnen worden door hun familie noemt men kettingmigratie.
§ 2 Buitenlandse migratie in Nederland in de 20ste eeuw* De belangrijkste migratiegroepen in Nederland na 1945:
• Rond 1950 Nederlandse Indiërs
• Tot 1960 Nederlandse Indiërs
• Tussen 1950 en 1960 Nederlandse emigranten
• Rond 1970 Gastarbeiders
• 1973 - 1985 Turken / Marokkanen
• Tot 1975 Surinamers
• Na 1975 Surinamers
• Na 1985 tot nu Turken / Marokkanen
§ 3 Binnenlandse migratie in Nederland in de 20ste eeuw* In Nederland valt de binnenlandse migratie in de 20ste eeuw grofweg uiteen in vier periodes:
• Tot 1960 urbanisatie (de migratie van het
platteland naar de stad).
• 1960 - 1975 suburbanisatie (de migratie van
de stad naar het platteland rond
de stad).
• 1975 – 1980 desurbanisatie (suburbanisatie
steeds verder van de stad).
• Rond 1970 re-urbanisatie (een deel van de
mensen trekt weer naar de stad).
* Agglomeraties zijn steden met daaraan vastgegroeide randgemeenten.
Hoofdstuk 3 Mobiliteit: waar gaan we heen?§ 1 Toename van mobiliteit* Een veel gebruikte maatstaf voor mobiliteit is de combinatie van verplaatsing en de afstand, de zogenaamde vervoersprestatie of
het aantal reizigerskilometers (het aantal verplaatsingen vermenigvuldigt met de bijbehorende afgelegde afstand).
* De voorwaarde voor het ontstaan van mobiliteit is om ergens naartoe te gaan om daar iets te doen wat men in het vertrekgebied niet kan of wil doen.
* De mate van mobiliteit wordt bepaald door drie factoren:
• Het aantal activiteiten dat een persoon onderneemt (bepaalt de frequentie).
• De wisseling in de activiteiten (bepaalt de variatie in richting).
• De kilometers die overbrugd moeten worden tussen deze (wisselende) activiteiten (bepaalt de omvang).
* Waardoor werd de groei in mobiliteit veroorzaakt?
• Schaalvergroting (forensisme komt steeds vaker voor, de ruimtelijke afstanden worden overal groter).
• Maatschappelijke ontwikkelingen (individualisering, emancipatie, arbeidsparticipatie en maatschappelijke uitsluiting).
• Bevolkingstoename (het groter aantal mensen heeft geleid tot een toename van de mobiliteit).
• Welvaartsgroei (de ruimtelijke “ontmenging” zoals de auto zorgde ervoor dat de verplaatsingsafstanden groter werden).
• Aanbod vervoersmogelijkheden (nieuwe vervoersmiddelen en betere infrastructuur).
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen.
Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten.
Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.