Geschreven door: | Femke (3 havo) [meer] |
Datum ingestuurd: | 28 maart 2006 |
Taal: |  |
Woorden: | 1.350 |
Bekeken: | 4717 keer (44 deze maand) |
Waardering: |
|
Deel op: |
|
Engels samenvatting
Hoofdstuk 2.Vorm van de simple present in bevestigende zinnen I/you/we/they werkwoord
he/she/it werkwoord + (E)S
Gebruik van de simple present
Je gebruikt de simple present om: 1. aan te geven dat iets een gewoonte is. Er zijn een aantal woorden die aangeven dat het om een gewoonte gaat zoals: "always, usually, never, every day" enz.
2. aan te geven dat iets een feit is.
Voorbeelden van vorm en gebruik van de simple present in bevestigende zinnen.
1. I walk to school every day. (gewoonte)
2. The sun rises in the east. (feit)
Vorm van de simple present ontkennende zinnen
I/you/we/they don't hele werkwoord
he/she/it doesn't hele werkwoord
Voorbeelden van vorm en gebruik van de simple present in ontkennende zinnen.
I don't go to school by bus every day. (gewoonte)
The sun doesn't rise in the west. (feit)
Vorm van de simple present in vraagzinnen
Do I/you/we/they heel werkwoord
Does he/she/it heel werkwoord
Gebruik van de simple present
Je gebruikt de simple present om: 1. aan te geven dat iets een gewoond is. Er zijn een aantal woorden die aangeven dat het om een gewoonte gaat zoals: "always, usually, never, every day" enz.
2. aan te geven dat iets een feit is.
Voorbeelden van vorm en gebruik van de simple present in vraagzinnen
Do you walk to school every day?
Does the sun rise in the east?
Vorm van de present continuous in bevestigende zinnen I am werkwoord ing
you/we/they are werkwoord ing
he/she/it is werkwoord ing
Gebruik van de present continuous
Je gebruikt de present continuous om: 1. aan te geven dat iets NU aan de gang is. Er zijn een aantal woorden die dat aangeven zoals: "now, at the moment, listen...." enz.
2. aan te geven dat je iets van plan bent. Meestal staat er bij wanneer je dat in de toekomst van plan bent.
3. aan te geven dat iets je irriteert. Meestal staat er "always" in de zin om het extra duidelijk te maken dat iets je irriteert.
Vorm en gebruik van de present continuous in bevestigende zinnen 1. Listen. Sarah is playing the guitar. (nu)
2. I am watching a film tonight. (plan)
3. They are always picking on me. (irritatie)
Vorm van de present continuous in ontkennende zinnen I am not werkwoord ing
you/we/they are not werkwoord ing
he/she/it is not werkwoord ing
Gebruik van de present continuous Je gebruikt de present continuous om:
1. aan te geven dat iets NU aan de gang is. er zijn een aantal woorden die dat aangeven zoals: "now, at the moment, listen...." enz.
2. aan te geven dat je iets van plan bent. Meestal staat er bij wanneer je dat in de toekomst van plan bent.
3. aan te geven dat iets je irriteert. Meestal staat er "always" in de zin om het extra duidelijk te maken dat iets je irriteert.
Vorm en gebruik van de present continuous in ontkennende zinnen
1. They are not helping me now.
2. I am not playing a match on Saturday.
3. He is not always helping me.
Vorm van de present continuous in vraagzinnen am I werkwoord ing
are you/we/they werkwoord ing
is he/she/it werkwoord ing
Gebruik van de present continuous Je gebruikt de present continuous om:
1. aan te geven dat iets NU aan de gang is. Er zijn een aantal woorden die dat aangeven zoals: "now, at the moment, listen...." enz.
2. aan te geven dat je iets van plan bent. Meestal staat er bij wanneer je dat in de toekomst van plan bent.
3. aan te geven dat iets je irriteert. Meestal staat er "always" in de zin om het extra duidelijk te maken dat iets je irriteert.
Vorm en gebruik van de present continuous in vraagzinnen 1. Is Sam playing the piano now?
2. What are you doing tonight?
3. Is he always picking on you?
Vorm simple present, Vorm present continuousI/you/we/they werkwoord I am werkwoord + ing
he/she/it werkwoord +(E)S you/we/they are werkwoord + ing
he/she/it is werkwoord + ing
Gebruik simple present Gebruik present continuous
Je gebruikt de simple present om:
1. aan te geven dat iets een gewoonte is. Signaalwoorden zijn o.a: "always, never, every day" enz.
2. aan te geven dat iets een feit is. Je gebruikt de present continuous om:
1. aan te geven dat iets NU aan de gang is. Signaalwoorden zijn o.a: "now, at the moment, listen..." enz.
2. aan te geven dat je iets van plan bent. Meestal staat er bij wanneer je in de toekomst dat van plan bent.
3. irritaie aan te geven. Meestal staat het woordje "always" in de zin om het extra duidelijk te maken.
Vorm en gebruik simple present Vorm en gebruik present continuous
1. He always drives fast. (gewoonte)
2. The sun rises in the east. (feit) 1. I am reading now. (nu aan de gang)
2. They are dancing tonight. (vast plan)
3. He is always teasing me. (irritatie)
Like en as.Het voorzetsel like betekent ‘net zoals’ of ‘als’. Je gebruikt het om aan te geven hoe iemand eruit ziet of iets doet.
• She looks like a princess.
• He acted like a clown.
• She always works like a slave.
Het voorzetsel as betekent ‘als’. Je gebruikt het woord bijvoorbeeld om te zeggen wat iemands beroep is of waar dingen voor gebruikt worden.
• He works as a taxi driver.
• This came as a surprise.
• You can use this stone as a hammer.
Little gebruik je voor woorden in het enkelvoud.
• He has got little money.
Few gebruik je voor woorden in het meervoud.
• There are few people in my class.
1. Staan er in een zin woorden die iets zeggen over tijd, dan zet je die helemaal voor of helemaal achterin de zin. Vb. He played football yesterday.
Yesterday he played football.
2. Staan er in een zin woorden die iets zeggen over plaats, dan zet je die woorden helemaal achterin de zin. Vb. He played football in a stadium.
3. Staan er in een zin woorden die iets zeggen over tijd en plaats, dan zet je die achteraan in de zin. Let op: eerst plaats en dan pas tijd. Vb. He played football in a stadium yesterday.
De question tag (ook wel aangeplakte vraag of tag genoemd) gebruik je in het Nederlands als je hè, toch of nietwaar gebruikt. De regel is als volgt.
1. Is de hoofdzin bevestigend dan is de tag ontkennend.
Vb. He is good, isn't he?
Is de hoofdzin ontkennend dan is de tag bevestigend. Vb. He isn't good, is he?
2. Staat er in de hoofdzin een hulpwerkwoord (vormen van "be, can, must, will" enz) dan maak je met datzelfde hulpwerkwoord een tag. Vb. He can help me, can't he?
Staat er geen hulpwerkwoord in de zin dan maak je een tag met een vorm van "do". Vb. They watch TV, don't they?
Let op: Staat de hoofdzin in de tegenwoordige tijd dan staat de tag ook in de tegenwoordige tijd. Staat de hoofdzin in de verleden tijd dan staat de tag ook in de verleden tijd. Vb. The man watches TV, doesn't he?
The man watched TV, didn't he?
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen.
Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten.
Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.