Geschreven door:

pipo15

Datum ingestuurd:

4 april 2006

Niveau:

4 havo

Woorden:

1969

Opvragingen:

398 (7 deze maand)

Waardering:

3.0/5 (2 stemmen)

Hoofdstuk 1

Aanbod van arbeid: alle mensen tussen de 15 en 65 die kunne, willen en mogen werken, deze mensen bieden hun arbeidskracht aan op de arbeidsmarkt, ander woord voor aanbod van arbeid is de beroepsbevolking.
Beroepsbevolking: niet alleen mensen die nog zoeken naar een baan, maar ook mensen die al een baan hebben, de werknemers en zelfstandigen.
Cwi: Centrum Werk en Inkomen: als je daar staat ingeschreven ben je officieel werkloos.

Werkzame beroepsbevolking (zelfstandig en werknemers)
Beroepsbevolking:
Werkloze beroepsbevolking (geregistreerd werklozen)

Niet beroepsbevolking: mensen die niet werken en ook niet op zoek zijn naar werk.
Beroepsgeschikte bevolking: beroepsbevolking + niet beroepsbevolking. Zijn alle mensen tussen de 15 en 65 jaar.

Beroepsbevolking

Deelnemingspercentage = x 100
Beroepsgeschikte bevoking

Oorzaken van veranderingen in omvang van de beroepsbevolking: Demografische groei (meer mensen in Nederland + meer mensen in de beroepsgeschikte leeftijd), Maatschappelijke opvattingen (bijv. de grotere deelname van vrouwen aan het arbeidsproces), de Stand van de economie (als het goed gaat met de economie en er meer banen komen, zullen mensen die zich vroeger kansloos achtten nu toch een poging nemen een baan te traceren), wetgeving (leerplicht en pensioensleeftijd), organisatie van het arbeidsproces ( door beter mogelijkheden voor deeltijdwerk, is de opvoeding van kinderen beter te combineren met betaald werk).

Aanzuigeffect: de beroepsbevolking groeit omdat de kans op een baan groter is.
Ontmoedigingseffect: de beroepsbevolking daalt omdat de kans op een baan kleiner is.
Totale vraag naar arbeid: vraag naar werknemers, de vraag naar arbeidskracht van zelfstandigen en de openstaande vacatures.

Economie (economische teruggang bezuinigen op personeel)
Vraag naar arbeid hangt af van: Techniek ( personeel vervangen door machines, machines
produceren meer)
Loonkosten (als loonkosten stijgen, werknemers zoeken dan oplossing
voor goedkopere manier bijv. buitenlandse werknemers)

Concrete markt: daar gaat het om een plek waar vragers naar en aanbieders van een bepaald product elkaar
ontmoeten.
Abstracte markt: omvat het geheel van vraag en aanbod zonder dat er een plaats is waar vragers en
aanbieders elkaar ook echt zien.
Werkgelegenheid: bestaat uit alle werknemers en zelfstandigen bij elkaar opgeteld.
Arbeidsjaar: daarmee wordt een volledige baan bedoeld.

Hoofdstuk 2


Eenmanszaak: heeft 1 eigenaar, Nadeel: je bent als eigenaar privé aansprakelijk voor eventuele schulden.
Voordelen: makkelijke manier van beginnen, belangrijke beslissingen kun
je zelf nemen en je kunt de hele winst voor jezelf houden.
V.O.F (vennootschap onder firma): meerdere eigenaren, Nadelen: eigenaren zijn op hun privé bezit aansprakelijk, je moet veel overleggen dus meer kans op ruzie.
Voordelen: werk kan beter verdeelt worden, mogelijkheid
tot geld lenen is bij een vof groter dan bij eenmanszaak.
B.V. (besloten vennootschap): scheiding tussen de leiding en de personen die eigenaar zijn.
Nadelen: De eigenaren zijn met hun privé vermogen aansprakelijk voor schulden
Voordelen: de B.V. is een rechtspersoon dat betekent dat ze juridisch zelfstandig zijn.
Bij een B.V. staan de aandelen op naam, meestal is de bv in handen van een groot
aandeel houder, als aandeelhouders zijn zij de eigenaren van de bv, degene met de
grootste inleg en dus de meeste aandelen heeft ontvangt ook de meeste winst.
N.V. (naamloze vennootschap): Dezelfde voor- nadelen als B.V. maar hier staan de aandelen niet op naam, en zijn
vrij verhandelbaar. De aandeelhouders zijn de eigenaren van de NV. Meeste
bemoeien zich nauwelijks met de NV, er is meestal een paar keer per jaar een
aandeelhoudersvergadering, elke aandeelhouder heeft stemrecht, ieder aandeel is
één stem. De aandeelhouders worden vertegenwoordigd door de raad van
commissarissen, dat zijn vaak de directeuren van het bedrijf.

Arbeidsovereenkomst: is een overeenkomst tussen werkgever en werknemer, hierin worden
arbeidsvoorwaarden zwart op wit vastgelegd zodat er geen onduidelijkheden meer
ontstaan.
Individueel arbeidsovereenkomst: wordt het loon en de arbeidstijd vastgesteld.
(CAO) Collectief arbeidsovereenkomst: daarin worden zaken als vakantie, pensioen, overuren en data van
loonsverhoging geregeld.
Bedrijfstak: omvat alle bedrijven die zich bezighouden met een zelfde soort productie, een voorbeeld is
de bedrijfstak bouw; alle bouwbedrijven.
Vakbond: die regelt namens de werknemers voor hun de CAO, een vakbond wordt ook wel
werknemersbond of vakvereniging genoemd.
Werkgeversbond: als de CAO voor een bedrijfstak geld onderhandelt de werkgeversbond namens de
werkgevers. Sommige grote bedrijven hebben een eigen CAO dan onderhandelt de
directie met de vakbonden.
Organisatiegraad: dat is het percentage van werknemers dat is aangesloten bij een erkende vakbond
in Nederland is dit ongeveer 25 %.
Arbeidsvoorwaarden: in een individuele arbeidsovereenkomst en een collectieve arbeidsovereenkomst maken
werkgevers en werknemers afspraken over arbeidsvoorwaarden.
Primaire arbeidsvoorwaarden: daartoe rekenen we het loon en de normale arbeidstijd.
Secundaire arbeidsvoorwaarden: hierbij kun je denken aan vakantieregelingen de duur
van de middagpauze reiskosten vergoeding,
kinderopvang, scholing en een auto van de zaak.
Rijksbegroting: overzicht van alle inkomsten en uitgaven van de overheid.
Miljoenennota: is een soort samenvatting van de Rijksbegroting.
Werknemerscentrale + werkgeverscentrale: die twee groepen gaan om de tafel zitten als de rijksbegroting
bekend is om te overleggen over de arbeidsvoorwaarden.

Hoofdstuk 3


Inflatie: stijging van het algemeen prijspeil.
Prijscompensatie: een loonstijging die bedoeld is om de koopkracht op peil te houden, prijscompensatie
is een loonstijging die procentueel gelijk is aan de inflatie.
Arbeidsproductiviteit: de stijging van de gemiddelde productie per werknemer per gewerkte tijdseenheid,
bijvoorbeeld per uur.
Oorzaken voor de stijging van arbeidsproductiviteit:
1: technische ontwikkeling: mechanisering (het gebruik maken van machines)
Automatisering (het gebruik maken van computers, robots e.d.)
2: arbeidsverdeling en specialisatie: door het arbeidsproces in onderdelen te verdelen raken
mensen gespecialiseerd in bepaalde taken.
3: scholing: door scholing zijn werknemers in staat om per tijdseenheid meer te produceren.
Initiële loonstijging: een loonstijging die voortvloeit uit een stijging van de arbeidsproductiviteit.
In de quartaire sector (de niet commerciële dienstverlening, zoals onderwijs en de zorgsector(bejaardenhuizen, ziekenhuizen enz.)) zijn mogelijkheden om de arbeidsproductiviteit te vergroten veel kleiner dan in de primaire sector (landbouw en visserij), de secundaire sector(industrie) en de tertiaire sector(commerciële dienstverlening.
In die laatste sectoren kan makkelijk worden geautomatiseerd en gemechaniseerd, de quartaire sector blijft mensen werk.
Incidentele loonstijgingen: dat zijn bijvoorbeeld stijgingen door promotie.
ATV (arbeidsverkorting): het dalen van de arbeidsuren per week, nu ligt dat gemiddeld rond 38 uur per week.
Concurrentie positie: als men de prijzen in Nederland meer verhoogt dan de prijzen in het buitenland, worden
de Nederlandse producten duurder, ze zeggen dan de concurrentie positie van Nederland
ten op zichtte van het buitenland is verslechterd.
Loon: is aan de ene kant een kostenpost voor bedrijven, hogere loonkosten per product kunnen ertoe zorgen dat
de werkgelegenheid bij bedrijven daalt. (4 oorzaken)
1. bedrijven kunnen arbeid vervangen door kapitaalgoederen.
2. hogere loonkosten kunnen er toe leiden dat bedrijven hun productie naar het buitenland verplaatst.
3. hogere loonkosten kunnen tot een prijsstijging en daarmee tot een verslechtering van de internationale concurrentiepositie.
4. loonstijging kan leiden tot dalende winstgevendheid, hierdoor is het minder aantrekkelijk om een bedrijf te starten of uit te breiden.
Aan de andere kant is het loon ook een bron van bestedingen. Hogere lonen kunnen ertoe leiden dat de koopkracht van werknemers stijgt. Als werknemers meer gaan kopen, stijgt de afzet van de bedrijven. Bedrijven zullen meer gaan produceren, waardoor de werkgelegenheid stijgt.

Hoofdstuk 4


Productie = werkgelegenheid x arbeidsproductiviteit.
Innovatie: is het vernieuwen van producten.
Investeren: is het kopen van kapitaalgoederen (machines, computers, gebouwen, transportmiddelen enz. door
een bedrijf.
Arbeidsintensief: wanneer er door een bedrijf de beslissing word genomen meer met machines te doen.
Substitutie (vervanging): wanneer werknemers worden vervangen door machines, oftewel van arbeid naar
kapitaal. De productie wordt dan kapitaalintensiever.
Diepte investering: dat is een arbeidsvervangende investering die tot gevolg heeft dat de arbeidsproductiviteit
stijgt.
Breedte investering: als een bedrijf kapitaalgoederen van dezelfde kwaliteit koopt, de productie blijft dan
gelijk.
Stijgende loonkosten kunnen ertoe leiden dat de werkgelegenheid daalt, omdat mensen vervangen worden door machines, te hoge loonkosten kunnen er tevens toe leiden dat de productie naar het buitenland word verplaatst.

Concurrentie positie: het vermogen om beter en/of goedkoper te kunnen produceren dan concurrenten.

Hoofdstuk 5


Verborgen werkloosheid: mensen die wel willen werken maar niet staan ingeschreven bij het CWI.
Verborgen werkgelegenheid: dat is werkgelegenheid die niet in officiële cijfers tot uiting komt, voorbeelden
zijn zwart werk en vrijwilligerswerk.

Frictiewerkloosheid: werkloosheid die ontstaat omdat het tijd kost voor een werknemer om een baan te vinden
als je van school komt of pas ontslagen bent. (tijd tussen ontslag en aangenomen worden)
Seizoenscorrectie werkloosheid: als bepaalde bedrijven in het ene jaargetijde niet of minder produceren dan in
het andere. (bijv. s’ winters geen/nauwelijks werk en zomers wel).
Kwalitatieve structuurwerkloosheid: - dat er andere soorten arbeid gevraagd worden dan er aangeboden
worden.
- als er een tekort aan arbeid is op een bepaalde deelmarkt maar
tegelijkertijd werkloosheid op een andere deelmarkt.
Kwantitatieve structuurwerkloosheid: er zijn te weinig kapitaalgoederen ten opzichte van de aangeboden
hoeveelheid arbeid.
( 6 oorzaken ): - er verdwijnen arbeidsplaatsen omdat werknemers worden
vervangen door machines.
- er verdwijnen arbeidsplaatsen door reorganisaties in bedrijven
die efficiënter willen werken.
- er verdwijnen arbeidsplaatsen omdat bedrijven hun
productiecapaciteit verplaatsen naar het buitenland.
- er verdwijnen arbeidsplaatsen omdat de winsten van bedrijven
zijn ingezakt; bedrijven hebben geen geld om uit te breiden.
- er verdwijnen arbeidsplaatsen omdat het product niet meer
verkocht mag worden. ( bijv. lp’s na introductie van cd’s)
- er verdwijnen arbeidsplaatsen omdat sommige producten te duur
zijn, bijv. je schoenen laten poetsen op straat.
Conjunctuur werkloosheid: Wanneer de bestedingen laag zijn in relatie tot de productie capaciteit wordt er
weinig geproduceerd en worden er mensen ontslagen.
Conjuncturele werkloosheid word veroorzaakt doordag de effectieve vraag
kleiner is dan de productie capaciteit.

Productiecapaciteit: de maximaal mogelijke productie in een bepaalde periode. Bijv: als een bedrijf 10
machines heeft de per uur 5 producten maken dan is de productiecapaciteit 10 x 5 = 50
producten per uur.
Werkelijke productie
Bezettingsgraad = X 100
Productiecapaciteit
Effectieve vraag: de totale vraag naar alle goederen en diensten die een land produceert in een periode.

Maatregelen tegen conjunctuur werkloosheid:

- de overheid kan meer gaan besteden, bijvoorbeeld door aanleg van wegen of het bouwen van scholen, hierdoor stijgt de afzet en productie van wegenbouwmaatschappijen en bouwbedrijven.
- Ook door het betalen van hogere ambtenarensalarissen kan de overheid haar bestedingen opvoeren. Ze zorgt zo voor meer koopkracht bij de mensen, die dan weer meer gaan kopen bij de bedrijven.
- De overheid kan ook de belastingen verlagen of het verstrekken van subsidies.

Maatregelen tegen kwalitatieve structuurwerkloosheid:

- kan bestreden worden door de arbeidsmobiliteit te vergroten. De arbeidsmobiliteit wordt groter als het aan bod van arbeid zich aanpast aan veranderingen in de vraag van arbeid.
- Als de overheid omscholing aanbiedt kan de overheid proberen de arbeidsmobiliteit te vergroten tussen twee beroepen.
- Regionale arbeidsmobiliteit dat wil zeggen dat mensen bereid zijn te verhuizen voor hun baan, de regionale arbeidsmobiliteit kan vergroot worden door reiskosten vergoedingen en/of bouwvergoedingen te geven.
Maatregelen tegen kwantitatieve structuurwerkloosheid:
- Lagere loonkosten kunnen leiden tot lagere prijzen, hierdoor verbeterd de concurrentiepositie ten opzichte van het buitenland. De afzet van Nederlandse bedrijven neemt toe.
- Lagere loonkosten vergroten de winstgevendheid van bedrijven. De grotere winsten kunnen ertoe leiden dat bedrijven gaan uitbreiden.
- Lagere loonkosten maken het minder aantrekkelijk mensen te vervangen door machines.
- Lagere loonkosten maken het minder aantrekkelijk om productie te verplaatsen naar het buitenland.
- Ook arbeidsverkorting (ATV) is een maatregel tegen kwantitatieve structuurwerkloosheid.
WIG: verschil tussen bruto en netto loon.

Maatregelen tegen frictiewerkeloosheid:

- kan bestreden worden door een betere arbeidsbemiddeling zodat openstaande vacatures sneller vervuld worden.
Maatregelen tegen seizoenswerkeloosheid:
- een voorbeeld is als er in een voetbalstadion zomers geen wedstrijden worden gespeeld er popconcerten te houden.

Dit verslag is bedoeld als naslagwerk. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons dan weten.

zoeken

a d v e r t e n t i e

Win beltegoed met Cash


Cash helpt je slimmer met je geld omgaan. Zodat je minder snel zonder beltegoed komt te zitten. Probeer nu de tools van Cash! Met de Cashculator Mobiel ontdek je wat voor beller je bent. Of speel de Cash Battle op Hyves, daag je vrienden uit en maak kans op €500 beltegoed! De game duurt maar een minuutje!

a d v e r t e n t i e


Wat ga jij later doen voor je poen? Het liefst wil je een uitdagende baan met een goed salaris. Misschien iets met economie en biologie. Met mensen werken, in een team van experts of als zelfstandig ondernemer. Niet alleen op kantoor, maar ook buiten aan de slag. Wil je weten hoe? Check www.beleefbuiten.nl, doe mee met de actie en win een VIP-dag!

help mee!

Zonder jouw bijdrage kan Scholieren.com niet bestaan. Help andere scholieren door je eigen samenvattingen en ander huiswerk op te sturen.



Jarenlang organiseerde Scholieren.com de Docent & Conciërge van het Jaar verkiezing. Het werd tijd voor een ode aan deze geweldige mensen. Die is er nu.

geef je mening: Dag van de leerplicht

Bekijk het één keertje van de andere kant: wat vind jij leuk aan school?



» resultaten poll