geef je mening

Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?



» resultaten poll

ff n studiebreak

Klasgenoten stonden vroeger als hongerige hyena's om Jorieke heen. Klaar om het jonge hertje aan te vallen dat nog scoubidoutouwtjes had.

CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.

Geschreven door:

Gansje (4 vwo) [meer]

Datum ingestuurd:

27 oktober 2005

Taal:

Woorden:

2.100

Bekeken:

610 keer (2 deze maand)

Waardering:

3.0/5 (2 stemmen)

Deel op:

Naam:


Klas/niveau:


E-mail:


Bericht:


Bestemd voor

Geheime code: 


 
ANW: Samenvatting paragraaf 1.1, hoofdstuk 3, paragraaf 4.4, hoofdstuk 5 en hoofdstuk 9.

Paragraaf 1.1: ‘Recherchewerk’.
• Biologische manieren om aan te tonen dat de verdachte op plaats van misdrijf is geweest:
1. bloed (van de verdachte)
2. vezels (van de verdachte)
3. haren (van de verdachte)
4. vingerafdrukken (van de verdachte)
5. lichaamsvocht (van de verdachte)
6. huidschilfers (van de verdachte)
• Vingerafdrukken zijn geschikt voor de identificatie van de dader omdat het identiek is. Is door inductie bewezen, door ervaring en experimenten.
• Een DNA-profiel krijg je van zowel je vader als je moeder, er is altijd vergelijking. DNA-profel is opgebouwd uit een streepjescode: een herhalend patroontje van streepjes, de hoeveelheid streepjes is uniek.
• Streepjes in een DNA-profiel zijn het ‘stop-DNA’, het einde van een bepaalde reeks DNA-moleculen. Deze streepjescode ligt tussen de DNA-moleculen en de genen in.
• Uit een DNA-profiel kun je geen eigenschappen afleiden, want deze staan in de genen en dat is geen onderdeel van het DNA-profiel.

Paragraaf 3.1: ‘Ziek en gezond’.
• Ziekte is volgens de natuurwetenschap wanneer de afwijking gezien of gevoeld kan worden of objectief gemeten kan worden. Onmeetbare ziekte: vermoeidheid, rugpijn, jeuk. De natuurwetenschap baseert alles op feiten en meetbare dingen.
• Lichaam meet voortdurend waarden, vergelijkt die met de norm en zorgt ervoor dat die waarden zo dicht mogelijk bij de norm liggen.
• Epidemioloog = medische rekenmeester die belangrijke conclusies kan trekken en verbanden kan leggen d.m.v. cijfers.
• Moderne geneeskunde behandelt elke kwaal bij elke patiënt zoals bij elke andere patiënt. Daardoor verdwijnt de patiënt. Daardoor verdwijnt de patiënt naar de achtergrond. Alternatieve geneeswijzen behandelen een persoon, wat daardoor populair is. Persoonlijker contact wordt gewaardeerd.

Paragraaf 3.2: ‘Ziekte als raadsel’.
• Ignez Semmelweis ontdekte rond 1850 waarom veel vrouwen in het kraambed stierven: kraamvrouwenkoorts. Hij gebruikte onbewust de natuurwetenschappelijke methode:
1. Probleemstelling
2. Verzameling en rangschikking feiten
3. Hypothese
4. Experiment
5. Resultaat
6. Bevestiging/verwerping hypothese
7. Bevestiging hypothese = nieuwe kennis, verwerping hypothese = terug naar 2.
• Vaak roepen de resultaten van het ene onderzoek vragen op voor een ander onderzoek.
• In de tijd van Semmelweis’ onderzoek dacht men paradigma: één kant op.

Paragraaf 3.3: ‘Ziektekiemen’.
• Generatio spontanea = het zelf ontstaan van ziektekiemen.
• Micro-organisme = verzamelnaam voor organismen die je met blote oog niet kunt zien, zoals bacteriën, gisten en sommige schimmels.
• Antonie van Leeuwenhoek zag in 1683 met zijn zelfgemaakte microscoop de eerste micro-organismen.
• Aan het eind van de 19e eeuw maakten Pasteur en Koch duidelijk dat die micro-organismen de veroorzakers van infectieziekten zijn.
• Pasteur bewees in 1861 dat schimmels en bacteriën niet spontaan ontstaan, maar van buitenaf komen.
• Koch bewees in 1876 dat één bepaald micro-organisme maar één ziekte veroorzaakt. Dit deed hij door bloed van een ziek dier in een gezond dier te spuiten, wat hij 20 keer herhaalde. De bacterie in het bloed van zieke dieren veroorzaakte steeds hetzelfde.
• Gevolgen van ontdekkingen van van Leeuwenhoek, Pasteur en Koch voor de maatschappij:
1. kiemvrij operen
2. pasteuriseren: stof enkele minuten sterk verhitten en daarna luchtdicht afsluiten, waardoor voedsel en drank langer houdbaar waren
3. betere hygiëne onder de bevolking
• Waterleiding, riolering en goede huisvesting zijn effectieve maatregelen tegen het verspreiden van ziektekiemen.

Paragraaf 3.4: ‘Vaccineren’.
• Edward Jenner ontdekte het principe van vaccinatie. Hij entte in 1796 een jongen in met koepokken. Hierdoor werd de jongen resistent voor echte pokken.
• Pasteur maakte op basis van wetenschappelijke kennis in 1879 de eerste vaccins tegen besmettelijke ziekten, zoals het nu nog steeds gedaan wordt. Door verzwakte ziektekiemen in te spuiten maakte het lichaam er antistoffen voor aan. Toen later de normale ziektekiemen werden ingespoten, bleek dat de ingespotene resistent was.
• Het afweersysteem voorkomt dat je van elke ziektekiem ziek wordt door:
1. huid, huidzweet, speeksel en maagsap,
2. witte bloedcellen.
• Witte bloedcellen zijn er in verschillende soorten, zoals T-cellen, B-cellen en macrofagen. T-cellen herkennen ziektekiemen en kunnen ze opruimen. Ook activeren ze B-cellen om antistoffen voor de ziektekiem te maken. Na een poosje worden de antistoffen (B-cellen) geheugencellen. Als de ziektekiemen terugkomen, ruimen macrofagen ze op. De samenwerking tussen T-cellen, B-cellen en macrofagen zorgt ervoor dat je immuun wordt voor een eerder bestreden ziekteverwekker.
• Afweersysteem kan door verschillende redenen niet goed werken:
1. Aanmaak van T-cellen en B-cellen is verstoord.
2. Medicijnen die het afweersysteem aantasten.
3. Bepaalde virussen vernietigen het afweersysteem.
• Afwijzers van vaccinatie:
1. religieuzen
2. aanhangers alternatieve geneeswijzen
• Vaak zijn niet-ingeënten omringd door wel-ingeënten omringd door wel-ingeënten. De kans dat er besmetting plaatsvindt is dan klein.
• Door inenting ontstaan passieve immuniteit.
• Doordat het Aids-virus alleen mensen ziek maakt, kan het gevonden vaccin niet op dieren getest worden. Ook verandert het HIV-virus voortdurend van vorm, waardoor een vaccin ontwikkelen nog moeilijker is. Het Aids-virus vernietigen het afweersysteem.


Paragraaf 4.4: ‘De productie van penicilline’.
• Penicilline kwam als eerste antibioticum in de handel. Het is veelgebruikte medicijn. Penicilline verhindert de opbouw van celwanden van bacteriën.
• Penicilline is ontdekt door Alexander Fleming in 1928. Hij deed een proef met ziekteverwekkende bacteriën, die mislukte, omdat ook een schimmel op de voedingsbodem ontstond. Om de schimmel groeiden geen bacteriën. Hieruit leidde hij af dat de schimmel een voor bacteriën giftige stof produceerde. Hij bedacht dat het mensen ook zou kunnen helpen en het een medicijn zou zijn voor infectieziekten.
Het lukte Fleming niet penicilline als zuivere stof te winnen, want steeds ging de bacteriëndodende werking verloren. Voor medicinaal gebruik zijn grote hoeveelheden nodig. In 1938 pakten Florey en Chain het onderzoek op. In 1940 spoten ze 8 muizen met een dodelijke bacterie in. 4 muizen werden ingespoten met onzuivere penicilline. Zij bleven leven. In 1942 werd de 1e mens genezen na samenwerking met laboratoria van VS.
• Nadelen antibiotica:
1. bep. Antibiotica kunnen maar 1 tot 5 bacteriesoorten aan. Moet dus bekend zijn welke schimmel welke bacterie kapotmaakt.
2. Niet iedereen kan antibiotica verdragen.
3. Niet alle antibiotica kan tegen zuur, dus niet tegen oraal gebruik.
4. Moeilijk na te gaan of alle ziekteverwekkers na kuur dood zijn, kuur niet afmaken = ziekteverwekkers erger terug.
5. Werkt niet tegen alle ziekteverwekkende bacteriën.
6. Sommige bacteriën worden resistent van de antibiotica, waardoor een zwaarder medicijn gebruikt moet worden bij terugkering van bacterie.
• Door antibiotica steeds aan te passen wordt resistentie van bacteriën minder gemaakt.

Paragraaf 5.1: ‘Ontdekkingsreiziger en kaartenmaker’.
• Theorie en praktijk, denken en doen, zijn even belangrijk en vullen elkaar aan. Omdat ze 2 verschillende theorieën toepassen worden en verschillende lichten geworpen op dezelfde zaak.
• Onderzoeker = ontdekkingsreiziger: is op reis in mysterieuze wereld in en om ons heen. Onderzoeker = kaartenmaker: probeert een zo goed mogelijk kloppende kaart v/d werkelijkheid te ontwerpen. Kaarten heten theorieën, modellen of natuurwetten.
• Je komt aan kennis door zelf op ontdekkingsreis te gaan (waarnemen en experimenteren om te zien of het klopt) en aan de hand daarvan kaarten te maken (een model van hoe een groot geheel in elkaar zit). Tijdens de ontdekkingsreis wordt daar steeds iets aan toegevoegd of veranderd.
• Inductie = verkrijgen van kennis door het doen van nauwkeurige waarnemingen (experimentator, ontdekkingsreiziger).
• Deductie = afleiden van nieuwe kennis van bestaande kennis, die door waarnemingen en experimenten getest worden (theoreticus, kaartenmaker).
• Verschillen met natuurwetenschappelijk onderzoek voor de 16e eeuw (wetenschappelijke revolutie):
1. Toen dacht men dat je alleen door logisch na te denken te weten kwam hoe de wereld in elkaar zat.
2. Praktisch alle geleerden namen aan dat hun theorieën juist waren (deductie, kaartenmaker). Ze namen niet de moeite dit te controleren met experimenten (inductie, ontdekkingsreizigers).
• Zonder deductie geen hypotheses, zonder inductie geen waarnemingen en experimenten.

Paragraaf 5.2: ‘Hoe vrij is een onderzoeker?’
• Verschillen fundamenteel/toegepast onderzoek:
1. Fundamenteel (= algemeen) onderzoek wordt uitsluitend gedaan (door niet-commerciële instellingen) voor meer kennis.
2. Toegepast onderzoek wordt gedaan (door commerciële instellingen) voor latere toepassingen in de maatschappij.
• Grens tussen fundamenteel/toegepast onderzoek is moeilijk te trekken: vaak algemeen onderzoek wordt gedaan waarvan nog niet bekend is of het later wordt toegepast.
• Wetenschappers voelen zich vaak gedwongen allerlei mogelijke nuttige toepassingen te bedenken om in aanmerking te komen voor geld voor hun onderzoek.
• Geldstromen (financiering door: )
1. algemene budget van Universiteit
2. per project
3. overheid en bedrijven
• Drijfveren van onderzoeker om jaren aan zelfde onderzoek te werken:
2. nieuwsgierigheid
3. waarheidsliefde
4. door ellende in directe omgeving
5. eerzucht

Paragraaf 5.3: ‘De wetenschappelijke methode’.
• Hypothese = concreet idee over mogelijke oorzaak probleem.
• Hypothese moet toetsbaar zijn. Met modellen kun je deel v/d werkelijkheid beschrijven, verklaren of voorspellen.
• Nogmaals wetenschappelijke methode (verkorte versie):
In -> hypothese
Uit -> oordeel
Hypothese wel/niet verwerpen. Hypothese verwerpen = nieuwe hypothese bedenken, hypothese niet verwerpen = nieuwe kennis.
• Dankzij de wetenschappelijke methode komen onderzoekers erachter dat ze zich op de verkeerde weg bevinden of hun modellen onjuist zijn.
• Verificatie = aantonen van juistheid van hypothese (door resultaten experiment)
• Falsificatie = aantonen van evt. onjuistheid van hypothese (door resultaten experiment)
• Verificatie is moeilijker dan falsificatie omdat er in een onderzoek niets fout mag gaan om de hypothese verifacatief te bevinden.

Paragraaf 9.1: ‘jacht op het DNA’.
• Mendel ontdekte rond 1860 dat je een eigenschap in z’n geheel erft of niet.
• Watson en Crick helderden rond 1953 de structuur van DNA op, m.b.v. Wilkens, Franklins en Pauling.
• In elke kern zitten 46 chromosomen, elk chromosoom is ingedeeld in genen, erfelijke eigenschappen.
• Van groot naar klein: cel, kern, chromosoom, DNA, gen, basenpaar.
• Elk mens bezit in elke kern van de cel van het lichaam 46 chromosomen, 23 van de vader en 23 van de moeder. Chromosomen zijn gemaakt van DNA, van genen. Elk gen is een code, opgebouwd uit basen (A, T, C en G) die samen paren vormen (AT en CG). Elk groepje van 3 basen (bijv. T A T) vormen 1 aminozuur. Duizenden aminozuren aan elkaar gekoppeld vormen 1 eiwit. Een gen is dus een code voor de productie van een eiwit, een eiwit brengt genetische eigenschappen tot stand.

• DNA ziet eruit als een rits met tandjes (basen). De tandjes die tegenover elkaar liggen (AT en CG) vormen een basenpaar. Als de cel zich gaat delen, gaat de rits open.
In de celkern van de cel zweven losse basen. De twee kanten van de rits komen los en de rondzwevende basen plakken zich vast aan de halve rits. Daardoor ontstaan en 2 nieuwe ritsen, die in 2 nieuwe celkernen worden opgenomen.

Paragraaf 9.2: ‘Weten of niet-weten’.
• Verkeerd gen = verkeerde code = verkeerd eiwit maken = erfelijke afwijking (zoals bloederziekte, taaislijmziekte, ziekte van Duchenne, syndroom van Down).
• Mutatie van DNA = verandering van gen, foutje. Mutatie ontstaat door toevallige kopiefout of invloeden van buitenaf.
• DNA-diagnostiek = voorspellen van erfelijke ziektes. Door DNA-codes te lezen, wordt duidelijk of er een verkeerde code aanwezig is.
• Dilemma’s DNA-diagnostiek:
1. het feit of je wilt weten wat je te wachten staat
2. het feit of je familie wil weten wat ze te wachten staat en de gevolgen ervan voor jou.

Paragraaf 9.3: ‘Genetische manipulatie’.
• Genetische manipulatie = veranderen van codes van eiwitten (DNA) met als doel eigenschappen te veranderen.
• Om menselijke producten te maken (zoals hormonen) moeten menselijke genen worden toegevoegd.
• Verschil genetische manipulatie/kruisen = dat er kunstmatig genen van het ene in het andere worden geplaatst en g.m. veel sneller gaat.
• Grootste gevaar g.m. = de kans dat het fout gaat is vrij groot, resistentie tegen normale middelen.

Paragraaf 9.4: ‘Een nieuwe eeuw’.
• HUGO-project brengt alle basen, genen en de volgorde van basen in kaart.
• Doelen HUGO-project:
1. DNA-testen voor veel ziektes waarbij erfelijkheid een rol speelt.
2. Medische behandelingen zullen verschoven worden van bestrijden naar voorkomen.
3. Het maken van risicoprofielen.
• Klonen = precies kopiëren van mens of dier. Eerst wordt de eicel leeggehaald en een normale cel wordt ingebracht. Daarna gaat de cel in de eileider en daarna in de baarmoeder.
• Om m.b.v. g.m. iets naar eigen zin te kopiëren is moeilijk vanwege het feit dat eerst duidelijk moet zijn welke codes en genen wat voorstellen en welke er nodig zijn.
• Eeneiige tweelingen zijn geen klonen, want zij zijn uit 1 en dezelfde eicel natuurlijk ontstaan.

Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.