Geschreven door: | anoniem |
Datum ingestuurd: | 12 december 2008 |
Taal: |  |
Woorden: | 7.800 |
Bekeken: | 3425 keer (41 deze maand) |
Waardering: |
|
Deel op: |
|
Opkomst van ChinaChinese Economie
Deze eerste deelvraag gaat over de geschiedenis van de Chinese economie. Ik begin bij de geschiedenis vanaf 1911. De geschiedenis hiervoor is vrij ingewikkeld en heeft geen betrekking op de ontwikkelingen nu.
In 1911 werd de laatste Chinese keizer onttroont en werd de republiek China uitgeroepen hierna verklaarden Mongolië en Tibet zich onafhankelijk. De 1e president van de republiek was Sun Yat-Sen, die de leider van de revolutie was. Deze functie gaf hij in 1912 op en Yuan Shikai volgde hem op. Hij was een hoge militaire leider tijdens de laatste fase van de Qing-dynastie. Hij behoorde eigenlijk tot de hervormers, maar bleek vooral uit te zijn op macht. In 1915 probeerde hij het keizerrijk te herstellen en als keizer zelf de troon te bemachtigen. Maar verzet van andere militaire machthebbers en zijn voortijdige dood voorkwamen deze restauratie van het keizerrijk. Kort daarna in 1916 overleed hij.
In WO1 koos de Republiek China de zijde van de geallieerden en zond duizenden arbeiders naar het front in Frankrijk om te helpen met de aanleg van loopgraven. Japan, dat ook officieel de kant van de geallieerden had gekozen, bezette echter de Duitse concessie in Shantung en trachtte China met zijn "21 eisen" een groot deel van de soevereiniteit af te nemen. In Versailles waar men de gebieden toewees, wees men de Duitse gebieden toe aan Japan.
Hierna brak een duidelijk onrustige tijd aan. Er heerste in de Republiek een anarchie, want er waren verschillende groepen die onafhankelijk over delen van China controleerden. Niemand leek zich dan ook wat aan te trekken van de regels. De leiders van deze groepen worden de 'warlords' genoemd. Zo was Sun Yat-Sen van 1921 tot zijn dood in 1925 de leider van gebieden in Zuid-China. In 1925 kwam er een einde aan de Warlord-periode, toen de leider van de Nationalistische Kwo Min Tang partij, Chiang Kai-shek, president werd van de Republiek. Hij versloeg in de burgeroorlog de warlords in Noord-China. Toen deze waren verslagen brak er in China een nieuwe periode aan: de Kwo Min Tang periode. Op de volgende pagina zal ik verder gaan vanaf 1946.
In 1946 was er een burgeroorlog in China waar de communisten als winnaar uitkwamen. De communisten werden geleid door Mao Zedong. Op 1 oktober 1949 werd de volksrepubliek uitgeroepen. Deze partij steunden vooral de boeren. Dit zorgde voor veel populariteit, omdat het grootste deel van de bevolking ook boer was. De eerste jaren dat de partij regeerde wilden zij zich vooral bezighouden met de wederopbouw van de economie.
(Hiernaast een afbeelding Mao Zedong)
Om te beginnen werd er op het platteland een herindeling van de landbouwgronden gedaan. Toen dit plan in 1952 als “af” werd gezien was ruim 40% van alle landbouwgronden van eigenaar veranderd, omdat dit meestal tegen de wil van die boeren ging heeft deze herindeling zoon 2,3 miljoen levens gekost. In 1952 dus hetzelfde jaar nog werd ook het geleidelijke proces van de nationalisering van de privé-onderneming voltooid. Dit is bereikt, doordat het regime dmv. Een nieuwe huwelijkswetgeving en sociale hervormingen de oude, gebruikelijke meestal op familiebanden gerichte structuur te doorbreken. Vervolgens ontstond het zogenaamde vijfjarenplan. In 1954 kreeg de republiek een officiële grondwet en een staatsinrichting. In deze wet werd echter wel de overheersende rol van de communistische partij duidelijk. Mao Zedong de leider van deze partij had van 1949 toen hij aan de macht kwam tot en met 1959 eigenlijk een dubbelfunctie. Hij was nu partijvoorzitter en staatshoofd. In 1959 volgde lioe Sjau-tjí hem op als staatshoofd. Hij was de zogenaamde 2e man in de partij van Zedong, maar in 1969 toen deze lioe Sjau-tjí werd afgezet bleef de plaats van staatshoofd onbezet. In 1975 werd de functie als staatshoofd afgeschaft.
Even terug naar 1956, want vanaf dit moment vond er een versnelde ontwikkeling plaats. De collectivisatie (samenvoeging) van de landbouw werd snel doorgevoerd. Het regime vond echter dat voornamelijk bij de stedelijke bevolking de mentaliteit over de veranderingen die waren doorgevoerd niet hun weerslag hadden gevonden. Bij de bevolking ontstond een soort van liberalisatie, deze had als doel de steun van de bevolking te vergroten. Dit liep anders dan gedacht, want de bevolking richtte zich echter tegen het regime. Hierop reageerde het regime met een campagne. De politiek werd radicaler, maar de sociale en politieke structuur bleef onaangetast. De communistische partij was nog steeds de grootste en de organisaties van staat, partij en het leger werden klein gehouden zo dacht men. Het ledenaantal van de organisaties bedroeg aan het eind van de jaren ’60 ruim 30 miljoen leden! Deze organisaties die onderdeel waren van de communistische partij zorgden voor een aantal dingen:
• Als eerste deze organisaties waren georganiseerd in horizontaal verband, dat wil dus zeggen dat er geen mensen boven of onder je staan. Ze waren horizontaal verdeeld in onder andere:
• Vrouwenbonden
• Jeugdverenigingen
• Vakbonden
• Enz.
Het minimumniveau voor onderwijs, medische en sociale voorzieningen kwam tot stand. Dit lijkt allemaal zeer mooi en kan haast niet mis gaan denk je, tot nu toe werkt het vijfjarenplan redelijk, het gaat op agrarisch, industrieel erg goed en het lijkt een beslissende stap vooruit te zetten. Het lijkt allemaal tot een recordoogst te lijden, hiernaast Chinese boeren die aan het oogsten zijn, maar het eindigde allemaal anders dan dat men had gedacht. Het mislukte doordat er administratieve en economische desorganisatie ontstond. Deze gevolgen waren nog te overzien, maar het werd erger. Dit kwam doordat er 12.000 technici uit Rusland, uit China weggingen en door de latere misoogsten. De mislukking van het vijfjarenplan had als gevolg een terugval in productie en welvaart.
.
Ontwikkeling
Nu wil ik graag verdergaan met de ontwikkelingen vanaf 1973. De ontwikkelingen hadden eigenlijk 2 kanten. Aan de ene kant was er normalisatie van op economisch gebied en anderzijds was er op het gebied van onderwijs en culturele weinig verandering. De jarenlange onzekerheid, omdat het al eens mislukt was zorgde een jaar later tot sociale onrust. Dit was vooral het geval in de steden, waar de inwoners onderdrukt werden. Dit kwam vooral door een nieuwe man die aan de macht kwam. De naam van deze man was Hua Guofeng. Hiernaast is een foto van deze man te zien. En alsof de onderdrukking nog niet erg genoeg was kwam er ook in 1976 een aardbeving. De nieuwe man kon al deze onrust niet aan en trad af. In 1980 werd een nieuwe premier gekozen. Zijn naam was Zhao Ziyang. Hij vond dat er meer aandacht aan de economie moest worden besteedt, alleen hij kon de plannen die hij had niet waarmaken. Nu wil ik graag verder gaan naar 1993, dit doe ik omdat er verder geen informatie over die tijd te vinden was. In 1993 is er een wet gemaakt over de principes van de socialistische markteconomie. Hier waren de Chinezen erg blij mee en er ontstonden ook groeicijfers. Echter zorgde dit ook voor moeilijkheden vooral bij de centrale overheid. De Chinese economie draaide niet goed dat had te maken met de inflatie die aan het begin van de jaren negentig meer dan 11% per jaar groeide. Dan waren er ook nog de verliezen binnen de staatsbedrijven en de groeiende inkomensongelijkheid. Omdat het de vorige keer misging door economische desorganisatie is er voor alsnog geen teken te bekennen van enige organisatie binnen de economie. De Chinese Academie van Sociale wetenschappen had hier nog wel voor gewaarschuwd. In een poging van de overheid om de onrust te verminderen besloot zij de boeren te gaan steunen. Dit pakte echter anders uit dan dat men had gedacht. Als gevolg hiervan stegen de voedselprijzen sterk. Wat nog meer onrust tot gevolg had, omdat er al veel inkomensverschillen waren. De boeren zagen het niet meer zitten en gingen naar de steden in de hoop daar beter betaald te krijgen. De massale trek naar de stad was niet goed. Steden konden al deze mensen niet aan. De stedelingen zeiden dat het systeem corrupt was. Dit was ook logisch, de overheid deed weinig om mensen weer aan het werk te krijgen.
Er was een man die vond dat het niet goed ging, zoals het nu aan de gang is binnen China en zag ook dat er op economisch gebied niet veel werd bereikt. De man Jiang Zemin startte een partij tegen corruptie. In 1995 vielen bij deze campagne ook slachtoffers. Ook in de hogere politieke regionen. Ondanks deze campagne voor economische hervormingen was er van versoepeling in de politiek nog geen sprake. Toen in 1994 Amerika China de status “meest gunstige natie” hadden verleend wilde China niet toegeven en verscherpte in de buitengebieden de onderdrukking en mensen die daar anders over dachten werden opgepakt. China wilde onafhankelijk worden en een eerlijke democratie worden. Voornamelijk in het plaatsje Xinjiang werd er gevochten en gestreden voor onafhankelijkheid. Het leger moest er dan aan te pas komen om de gevechten tussen mensen die het er wel mee eens waren hoe het ging en die niet uit elkaar te houden. Nu is in China nog steeds de communistische partij de grootste. De macht is verdeeld in drieën de communistische partij het leger en de staat. De belangrijkste sector is nog altijd de landbouw. Meer dan 50% van de Chinezen werkt in deze sector. De investeringen in China blijven nog steeds stijgen. Hier later meer over. Het belangrijkste uit de geschiedenis en nog steeds het punt is dat China een evenwicht moet zien te krijgen in hun economisch systeem
nadat het communisme was gevallen in de jaren ’80, is China er eigenlijk op vooruit gegaan. Wezenlijk was de groei al bezig in de jaren ’70, maar was toen nog niet merkbaar. De Chinezen hebben nu ook daadwerkelijk veel invloed op de wereldeconomie.
In 2003 werd de Chinese economie hard geraakt door de uitbraak van de gevaarlijke longziekte SARS. De economische groei in het tweede kwartaal van 2003 was 6,7%, en dit was ook het laagste groeitempo sinds 1992. SARS had vooral invloed op de dienstensector en het passagiersvervoer, dat zowel op het land als in de lucht sterk afnam. Maar desalnietemin bleef de Chinese economie stevig doorgroeien. In 2004 groeide de economie van China verrassend hard. Met 9,5% groeide het BNP op een nog sneller tempo van in 2003 (9,3%) Dit jaar wordt naar 8% economische stijging gestreven, en deze is minder groot dan de 9,5% van het jaar daarvoor. De enorme groei droeg voor een groot deel bij aan de stijging van de olieprijs. In voorgaande jaren ging de regering steeds uit van een streefpercentage van 7%, om de mensen aan het werk te blijven houden.
In 2003 is door het buitenland voor meer dan 50 miljard dollar in China betaald en die ontwikkeling zet zich onverhinderd door, waardoor de Verenigde Staten als grootste ontvanger van buitenlandse investeringen zijn afgelost. Deze enorme stijgingen komen vooral door het liberaliseringbeleid dat China nu voert. Ook het BBP (Bruto Binnenlands Product) is tussen 1978 en 1998 met ongeveer 400% gestegen.
Vaak zie je op hedendaagse producten “Made in China” erop. Dat er al steeds meer producten uit China voortvloeien, blijkt al dat Chinese economie opkomt. China bemoeit zich qua politiek nog niet veel met de wereld, maar dat wil niet betekenen dat China economisch steeds opvallender aanwezig is. Deze enorme groei die zich ten heden dagen nog steeds voortbeweegt komt door een aantal grote factoren;
Goedkope arbeidersChina is altijd een arm land geweest. Het inkomen per hoofd van de bevolking werd in 1952 op $57 geschat en voor 1997 werd het nationaal product per hoofd op $620 geschat. De individuele consumptiestijging is tot voor kort zeer beperkt gebleven. Wel zijn met een belangrijk deel van de besparingen de collectieve voorzieningen (onderwijs, gezondheidszorg, huisvesting, enz.) gefinancierd. Dus ook nu zijn de voorzieningen voor de Chinezen niet optimaal, maar desalniettemin blijven de Chinezen werken. De Chinezen werken zelfs erg hard, als je het vergelijkt met andere landen. De Chinezen zijn uiterst gemotiveerd voor hun banen. En aangezien het hoge inwoners aantal (1,3 miljard inwoners), is er een hoge productie. Hoe het komt dat de Chinezen zo uitzonderlijk hard werken, komt, omdat er in China een bepaalde cultuur heerst, waarbij ze zich vereerd voelen als ze een bepaalde baan aangeboden krijgen en daar dan vervolgens mogen werken. Dit is voor de fabrikanten natuurlijk uiterst gunstig, want het aantal mensen wat de steden intrekt vanaf het platteland neemt ook toe. Dus voor de fabrikanten is het helemaal goed, ze betalen weinig loon aan de arbeiders die ze ruim kunnen krijgen, en de werknemers, werken ook nog een hard. De productie kosten zijn dus ontzettend laag, en de producten kunnen voor een lage prijs worden verkocht. Zo kunnen ze eenvoudig in het buiten concurreren en verkopen. Ook houden de werkgevers zo geld over andere zaken, zoals bedrijfspanden en ook investeren in kapitaalgoederen.
China is nu nog steeds een overwegend agrarisch land; naar schatting (2001) werkt ca. 900 miljoen van de beroepsbevolking in de landbouw en ca. 400 miljoen in industrie, handel, transport en bij het bestuur. De huisnijverheid is nog steeds hoog ontwikkeld en een kleine industrie, met eenvoudige middelen bedreven, behoren tot het traditionele systeem. Veel landbouwers die op het platteland werken en wonen, kunnen niet goed meer rondkomen van hun hedendaagse inkomen. Ze kunnen nu gaan bijscholen of ze kunnen verhuizen naar de stad en daar werk zoeken waar vervolgens meer geld te verdienen is. Nu is het namelijk nog zo, dat tussen de boeren en de stedelingen een enorme welwaartskloof zit. De stedelingen verdienen namelijk ongeveer 908 euro per jaar, terwijl daarentegen de boeren maar 114 euro verdienen. De boeren willen wel het vuile werk doen om hun eigen inkomen toch toe te laten nemen.
Onderwijs:
De stijging van het inkomen per hoofd van de bevolking, komt vooral omdat China het onderwijs sterk heeft gefinancierd. China heeft grootschalige onderwijsprojecten opgezet op het niveau van de scholen en leerlingen te verhogen. Het gaat hier om een kwalitatieve, of expert strategie. Hierin wordt de academische en technische educatie voorop gesteld. Het achterliggende idee van deze benadering is het stimuleren van een snelle economische groei.
Daarnaast ook meer is gaan kijken naar de huisvesting. Deze investeringen hielpen mee aan de bestrijding van het analfabetisme in China, en zo een meer welvarende economie. Tot nu toe was er altijd een tamelijk groot aantal analfabeten in China (mede door het moeilijke schrift, wat lastig te leren is) In 1990 lag het percentage van de analfabete Chinezen rond de 30%. China heeft voor de komende jaren een reservering van meer dan 300 miljard dollar voor onderwijs (en sociale voorzieningen).
Technische vooruitgang:In vergelijking met andere landen in deze fase van de economie, heeft China veel technologie tot zijn beschikking. Hier maakt China dan ook gebruik van, en dit is misschien wel een reden waarom de groei zo explosief is. Men begint dus te moderniseren in China. De oude gebruiken worden afgeschaft en vervangen door de nieuwe gebruiken. Daarmee denken we vooral aan de verbouwingsmethoden. De oude verbouwingsmethoden van de Chinezen, waren namelijk vaak inefficiënt. Een voorbeeld: Een nieuwe productiemethode voor rijst levert 30% meer rijst op. En ook de zoetwatervoorraad, die onder druk staat door de toenemende bevolkingsdruk, wordt gespaard. De waterbesparing met de nieuwe techniek is namelijk 40%. Zo is China continu bezig, om nieuwe technieken te ontwikkelen, om effectiever te kunnen produceren. De Chinezen hebben ook zeker geïnvesteerd in de industrialisatie. Eerst was er alleen lichtere industrie, maar toen er in China kolen en ijzererts werd gevonden, kwam er een wat meer zwaardere industrie. Deze is nog steeds de basis van de Chinese economie. In 1953 kwam China met het idee om een vijfjarenplan te beginnen. Dit deden de Russen ook, en hun economie ging er ook goed op vooruit.China richtte zich vooral op de zware industrie. Het ‘Grote Sprong Voorwaarts’ programma, dat zich afspeelde van 1958 tot 1990, mislukte. De misoogsten (door de weerstomstandigheden enz.) op het platteland speelden hierbij een rol, maar ook de stopzetting van de hulp van de Sovjet-Unie. (Zie verder: deelvraag 1, geschiedenis van China en haar economie)
Infrastructuur:
Tot nu toe was de infrastructuur redelijk te noemen in China, er is al in geïnvesteerd door de overheid. Investeringen in de bouw hebben zichtbare verbeteringen in de infrastructuur laten zien. Maar om deze groei door te zetten is de infrastructuur een belangrijker facet, zo vind de regering in ieder geval zelf. Dat blijkt wel uit de plannen van de Chinese overheid. Ze willen namelijk de komende dertig jaar ongeveer 250 miljard dollar uitrekken om de omvang van het wegennet te verdubbelen tot ongeveer 85.000 kilometer. Het autobezit is de afgelopen jaren hevig gegroeid en zorgt voor veel problemen, zoals opstoppingen en milieuverbuiling.
Ook moet het spoornetwerk gemoderniseerd worden. De overheid geeft de komende vier jaar circa 190 miljard dollar uit aan uitbereiding en modernisatie van het spoornetwerk. Dat geld wordt onder meer gebruikt voor nieuwe treinen, rails en andere infrastructuurprojecten. Als de werkzaamheden zijn afgerond, moet het Chinese spoornet met 20 procent zijn toegenomen tot een lengte van meer dan 90.000 kilometer. Het huidige spoornet is erg verouderd en kan het toenemende verkeer haast niet meer aan.
China wil ook in de periode van nu tot 2010 125 miljard dollar uitgeven aan waterprojecten. Voor de toename van het aantal luchthavens van 142 naar 186 in 2010 kan 17,9 miljard worden uitgegeven.
n dit stuk zal ik de voor –en nadelen behandelen over de toetreding van China tot de WTO. Er zijn meer voordelen van toetreding van China, maar natuurlijk ook nadelen. Ik zal beginnen met de voordelen. Door de toetreding van China in de wereldeconomie zijn er naar verwachtingen heel veel voordelen. De wereldbank bijvoorbeeld heeft onlangs verklaard dat als China op dezelfde wijze zal groeien haar aandeel in de wereldhandel zal verdrievoudigen. Volgens de verwachtingen zal China dan de grootste of het op 1 na grootste handelsland worden. De verstedelijking zal hierdoor ook versnellen. Direct al in het 1e half jaar na de toetreding in juli 2002 steef de export en de import naar een waarde van 32,67 miljoen dollar. Dit zorgt voor een toename van ongeveer 14,9% per jaar. In de eerste paar maanden groeide de binnenlandse economie zelfs met 7,1%. En de import 13,3%. Dan is er ook nog de filmindustrie van China. Eerder mochten er geen films geïmporteerd worden, wat nu wel het geval is. China heeft toegestaan dat er binnen een jaar ongeveer 50 buitenlandse films ingevoerd mogen worden. Deze films die in theaters of bioscopen worden gedraaid zijn ook in buitenlandse handen. De filmmakers van China hebben nu pas de mogelijkheid om films ook naar het buitenland te verspreiden. Ook zijn er meer mensen die advocaat willen worden. Het aanzien van advocaten is verbeterd, en ze krijgen meer te maken met overheidszaken. Er is daarom een versneld trainingsprogramma opgezet. Als China lid wordt zijn er dus genoeg voordelen. De WTO is tot op heden tevreden met de houding en inzet van China.
De economie van China groeit dus nog steeds. Sinds de toetreding in 2001 is China als afzetmarkt voor Nederland nog verder gegroeid. China is het land met de meeste inwoners en in de economie op de 5e plaats. Deze economie groeit met ongeveer 8% per jaar en is dus interessant als afzetmarkt. Toch wordt de economie van China af en toe toch geraakt, waardoor de economie niet altijd even snel groeit. Bijvoorbeeld door de uitgebroken longziekte Sars in 2003. Toch was het groeipercentage nog 6,8% en dit was nog wel het laagste sinds 92. Deze ziekte had vooral invloef op de dienstensector en het vervoer, dat zowel in de lucht als op het land sterk afnam. Iedereen moest daarom een mondkapje dragen tegen deze longziekte.
China exporteert erg goedkoop, terwijl de import steeds duurder wordt. De Chinese vraag naar grondstoffen die noodzakelijk zijn, zoals staal en olie, stijgt fors mee en daardoor stijgen de prijzen op de wereldmarkt ook erg hard. De Chinese bank probeert de rente te verhogen, zodat de snelle groei van kredietverlening een beetje wordt afgeremd. Dit komt omdat er veel leningen oninbaar blijken te zijn. Er zijn meer structurele problemen;
1. kwaliteit rechtspraak
2. misdaadbestrijding
3. betalingsverkeer
4. toezicht bankwezen
5. tekorten staatsbedrijven
Dit zijn een aantal voorbeelden van zaken die sterk achterblijven ten opzichte van de economische groei. Op een gegeven moment zal dit natuurlijk problemen gaan geven.
Natuurlijk zijn er ook nadelen. Voor de internationale landen die lid zijn van de WTO is het voordeel dat er een grote afzetmarkt is. Bij een betere afzetmarkt heeft een onderneming weinig en lichte grondstoffen nodig en het product en de kwetsbaarheid ervan neemt toe narmate het proces vordert.
Ook zou er dan meer mogelijkheid zijn om meer buitenlands kapitaal aan te trekken. Buitenlands kapitaal kan een goede oplossing zijn bij een land in nood. Voorbeeld uit een bron:
Toen in 1997 de Thaise baht uiteindelijk viel was dat het begin van de ellende voor veel andere landen in die regio. Het ondersteunen van de eigen valuta kon niet altijd volgehouden worden, omdat reserves van landen nu eenmaal eindig zijn. De monetaire autoriteiten hadden de keuze tussen een paar mogelijkheden. Om de invoer van kapitaal te behouden konden ze de interest (fors) verhogen om zo aantrekkelijker te worden voor buitenlands kapitaal.
China is natuurlijk geen land dat in nood verkeerd natuurlijk, maar firma’s bijvoorbeeld staan in voor de helft van China’s exporteren. Dit heeft niet alleen maar positieve gevolgen voor buitenlandse investeerders: China heeft op de planning staan om de belastingen voor buitenlandse firma’s te verhogen. De belastingvoordelen die eerder nog zorgde voor buitenlanders worden nu afgeschaft. Chinese firma;’s betalen nu 33% belasting over hun inkomen, terwijl firma’s met een buitenlands kapitaal die eerder dus die voordelen kregen zaten op de ongeveer 12%. Nu gebeuren 40% van alle investeringen door het buitenlandse kapitaal, en ongeveer de helft van de export door buitenlandse kapitaal en joint-ventures. De spelregels van de wto heeft hiervoor gevolgen. Het zal meer veranderende concurrentie op de exportmarkt zorgen. En om de concurrentie aan te kunnen, zodat ze niet worden weggeconcurreerd moet de landbouw hervormen. Het voordeel hiervan is dat de nationalist nu gedwongen wordt efficiënter te werken, om de concurrentie baas te kunnen. Het nadeel van de toetreding van buitenlandse ondernemingen is dat deze een sterkere positie kunnen verwerven door een hogere arbeidsproductiviteit, kan een verlies opleveren voor binnenlandse ondernemingen. Dit leid weer tot verlies van arbeidsplaatsen en het verdwijnen van enkele ondernemingen. Zij verliezen dus eigenlijk een deel van de markt aan buitenlandse ondernemingen.
China groeit dus explosief. Maar in welke sectoren van de economie zijn vooral belangrijk/veelbelovend en waarom?Het werk als landbouwer is in China veruit het belangrijkste beroep: meer dan de helft van de Chinezen werkt in deze sector, hoewel maar 10% van China’s oppervlakte geschikt is voor landbouwdoeleinden.
Naast het kleine landbouwgebied kent de landbouwsector nog vele problemen: de landbouwgrond per bedrijf is eigenlijk veel te klein (gemiddeld 0,1 hectare), er heerst een hoge werkloosheid in de landbouwsector, er zijn onvoldoende opslag- en distributiefaciliteiten, landbouwgrond wordt verloren aan urbanisatie en woestijnvorming, er is waterschaarste en gebrek aan onderzoek. Ook heeft de Chinese landbouwgrond vaak last van het natuurgeweld. Veel geld wordt gestoken in een biotechnologieprogramma voor de ontwikkeling van landbouwproducten met een hogere opbrengst of die veel beter bestand zijn tegen ziekten. Bovendien hoopt men hierdoor zelfvoorzienend te blijven in de landbouwproductie en niet afhankelijk van andere landen.
Er worden ook weer pogingen ondernomen om te komen tot een hernieuwde collectivisering om de schaalvergroting van de boerenbedrijven te realiseren. Eind 1956 werkte nog meer dan 90% van de boeren in collectieve bedrijven. Op dit moment zijn er meer dan 2000 staatsboerderijen met een gemiddelde oppervlakte van 2300 ha. De werknemers op deze bedrijven weten een 30% hoger inkomen te realiseren vergeleken met hun collega’s van de familiebedrijfjes.
China heeft drie belangrijke landbouwgebieden:
- Het gebied ten zuiden van de Yangtze, waar overvloedige regen valt en twee keer per jaar rijst geoogst kan worden. Verder wordt hier tarwe, jute, suikerriet en subtropische producten verbouwd.
- Het gebied tussen de Yangtze en de Gele Rivier (Huang-He) waar ook twee keer per jaar rijst en tarwe geoogst kan worden.
- Het gebied in het noorden, waar door het drogere klimaat maar één tarweoogst per jaar mogelijk is.
Van de voedselgranen is rijst het belangrijkst, gevolgd door tarwe, maïs en andere granen (kanliang, een soort sorghum, gierst en gerst) en knolvruchten. Hoewel China nog steeds graan invoert, is de import sinds de landbouwhervormingen sterk verminderd.
In het Rode Bekken ( is het bekken van de Yangtze, een rivier in China) hebben de boeren de bomen op de berghellingen omgehakt om er gewassen te planten. Daardoor kan de bodem door het regenwater weggespoeld worden. De bodem heeft geen houvast meer aan de bomen. De vruchtbare laag op de bodem wordt dan ook weggespoeld.
Het wordt dus steeds moeilijker om er gewassen te verbouwen. De weggespoelde grond stroomt naar rivieren en meren waardoor de kans op overstromingen toe neemt. De gewassen worden daardoor vernietigd.
De Chinese regering doet veel dingen om te verkomen dat de grond weg blijft spoelen:
1. Ze gaan nu bomen planten om de erosie te verkomen. Ze planten moerbeibomen (voor de zijdeteelt) en fruitbomen.
2. Ze gaan gras planten. De wortels van het gras houden de grond vast.
3. Ook kunnen ze terrassen gaan aanleggen. Dat zijn stukje vlakke grond die door muurtjes op hun plaats worden gehouden. Zo kunnen de berghellingen voor rijstbouw gebruikt worden
Vanaf het begin van de jaren tachtig wordt de katoensector speciaal gestimuleerd, onder andere door ook hier prijshervormingen door te voeren en meer vrijheid toe te staan in de planning van de oogst. Het gevolg is een toename geweest van 22% in het katoenareaal en een productieverhoging van 72%. Naast katoen is ook de productie van agrarische industriële gewassen, zoals sojabonen, suiker, aardnoten, raapzaad en sesam, aanzienlijk gestegen, hoewel ook van deze producten vaak nog grote hoeveelheden worden geïmporteerd. Tot China's cultuurgewassen behoren verder: thee (voornamelijk uit het zuidoosten), tabak (Midden-China en het zuiden), moerbeien, sinaasappelen, kamfer en gember (uit het zuiden). Verder is sterke nadruk gelegd op diversificatie in de agrarische sector, door zich ook vooral op bosbouw en veehouderij te richten.
Landbouwproductie (x miljoen ton)
1999 2000 2001 2002
graan 512,3 508,4 462,2 452,6
katoen 4,5 3,8 4,4 5,3
oliehoudende gewassen 23,1 26,0 29,5 28,6
suikerriet 83,4 74,8 68,3 75,7
thee 0,7 0,7 0,7 0,7
fruit 54,5 62,4 62,5 66,6
tabak 2,4 2,5 2,6 2,4
Door de grote aandacht voor de akkerbouw is de ontwikkeling van de veehouderij achtergebleven. Toch neemt het belang van de veehouderij steeds verder toe. Van het landbouwgebied is 55% grasland, en sinds 1979 groeit de veehouderij sneller dan de akkerbouw. Koeien, paarden, buffels en jaks worden voornamelijk geweid op de enorme grassteppen die zich uitstrekken van de noordoostelijke vlakte via Binnen-Mongolië tot het westen en zuidwesten. Tussen 1949 en 1994 zou de veestapel ongeveer zijn vervijfvoudigd (van 160 miljoen naar 778 miljoen stuks vee), terwijl in het laatstgenoemde jaar 1,3 miljard stuks pluimvee werden gehouden, vrijwel uitsluitend op de eigen grond van de boeren.
Vis- en vleesproductie (x miljoen ton)
1999 2000 2001 2002
Vis 39,1 41,2 42,8 43,8
Vlees 57,2 58,2 61,3 63,3
Het logistieke volume aan grondstoffen en eindproducten van producerende bedrijven zal de komende jaren met 10 à 20 procent stijgen, terwijl het logistieke volume van de detailhandel met zo’n 12 procent zal toenemen. Door de toetreding van China tot de Wereldhandelsorganisatie neemt de vraag naar logistieke producten toe, enerzijds omdat het volume en de omvang van de goederenstromen na China’s toetreding tot de Wereldhandelsorganisatie zullen toenemen, anderzijds omdat China na toetreding zijn markt voor logistieke diensten voor buitenlandse deelnemers zal openstellen. Tot dusver is de logistieke sector toch onderontwikkeld. Ook zal de snelle opkomst van e-commerce een impuls betekenen voor de ontwikkeling van moderne logistieke diensten. Een goede ontwikkelde infrastructuur is natuurlijk een basisvoorwaarde voor de verdere ontwikkeling van de logistieke sector. Voor de komende vijf jaar heeft de Chinese overheid een ambitieus logistiek infrastructuurplan opgesteld. Zo moeten er in de komende 25 jaar 85.000 kilometer snelweg bijkomen. Dan zullen ook alle grotere steden door snelwegen met elkaar verbonden moeten zijn. Wat betreft de spoorwegen investeert de overheid de komende jaren voornamelijk in verbetering van de kwaliteit van het bestaande netwerk en verhoging van de snelheid. Hiervoor zoekt men buitenlandse partners. Voor transport over water richt de Chinese overheid zich op de verbetering van de bevaarbaarheid van de binnenwateren en vergroting van de capaciteit van Shanghai en andere havens.
Gezien de grootte van het land, het aantal inwoners, de omvang van de milieuproblemen en dat men op alle niveaus voortdurend met het milieu bezig is, is de Chinese markt voor milieuoplossingen en -investeringen zo goed als onbegrensd. In het tiende vijfjarenplan wordt voorrang gegeven aan de ontwikkeling van moderne technologieën, apparatuur en materialen voor milieubescherming, zoals ontzwaveling en de reiniging van uitlaatgassen. Deze ontwikkeling zal niet alleen het Chinese bedrijfsleven stimuleren, maar ook afzetkansen bieden aan de Nederlandse exporteur. Producten die de beste verkoopvooruitzichten lijken te bieden, zijn onder andere goedkope rookgasontzwavelingsystemen, instrumenten ter bewaking van de lucht- en waterkwaliteit, drinkwaterzuiveringssystemen, apparatuur om de uitstoot van voertuigen mee te regelen en te testen, het beheer van ziekenhuisafval, apparatuur voor de zuivering van industrieel afvalwater en technologieën voor grondstofterugwinning.
China's bewezen steenkool-, aardolie- en aardgasreserves vertegenwoordigen respectievelijk 11, 2, 4 en 1,2 procent van de totale wereldvoorraad. Hoewel dit een tamelijk grote rijkdom in fossiele brandstoffen is, zal het energieverbruik in China door de snelle economische groei in de komende jaren in een hoog tempo toenemen.
De overheid wil het verbranden van steenkool efficiënter en milieuvriendelijker te maken. China heeft hiervoor onvoldoende kennis, waardoor er afzetmogelijkheden zijn voor Nederlandse leveranciers van schonere technologieën.
China heeft nu een aandeel van 10 procent in de Europese textielmarkt en binnen enkele jaren aandeel zal dat groeien naar 12 procent. Het Chinese aandeel in de kledingmarkt in Europa zal stijgen van 18 naar 29 procent. In de textielsector is de toename van het Chinese aandeel dus niet zo extreem. In de kledingsector is de vooruitgang van China groter maar toch nog ver beneden de 'voorspellingen' de bijvoorbeeld de Belgische patroonsvereniging van de textielsector, die het allemaal erg slecht in ziet en spreekt van "een totaal ineenstuiken" van onze economie.
Plastic goederen en speelgoedDe westerse markt lijkt ook al een aantal jaren overspoeld te worden met verschillende prullaria. Plastic producten die in de winkel te koop zijn voor een erg laag bedrag en de producten hebben vaak een slechte kwaliteit. Ook worden deze spullen onder erbarmelijke omstandigheden geproduceerd.
Enkele voorbeelden van zulke producten zijn speelgoed, luchtverversers, kunstbloemen en decoraties. De producten zijn met relatief weinig materiaal geproduceerd. Wel is er allerlei kritiek op het Chinese speelgoed. Ze zouden namelijk gewoon maar geproduceerd worden, zonder dat er enige moeite is gedaan voor het ontwerp. Zo lijkt het verspilling van materiaal en energie. Ook is er in 2002 hevige kritiek geweest op de veiligheid van het speelgoed.
Maar toch blijkt het nog steeds goed te verkopen, want alleen al in China wordt er 7 miljard dollar omgezet aan speelgoed, wat overeen komt met ongeveer 75% van de totale speelgoed productie in de wereld. In het westen kopen wij deze producten dus ook, ondanks dat de kwaliteit slecht is. De mensen vinden het toch leuk om voor een zeer lage prijs een grappig product te kopen.
Speelgoed 'made in china' blijkt soms overmatig veel lood in de verf te bevatten.
Toerisme,recreatie en horeca
Om binnenlandse toerisme te bevorderen, heeft de Chinese overheid zich groots ingespannen. Dat hebben ze in het bijzonder gedaan door de lengte van de vakanties uit te breiden rondom de feestdagen. Daar hopen ze een positieve impuls mee af te geven aan de zwakke privé-consumptie, en ook de hoge werkloosheid te bestreiden. Tijdens de perioden rondom Chinees Nieuwjaar, 1 meiviering en 1 oktoberviering gaan veel Chinezen op reis: naar familie, winkelen of naar (buitenlandse) toeristische attracties.
Ook de stroom buitenlandse toeristen blijft groeien de komende tijd. Ook het aantal zaken bezoeken, omdat veel buitenlandse investeerders, hun kansen zien in China. Door het toenemende aantal buitenlandse toeristen die China bezoeken, zal de infrastructuur worden uitgebreid.
Zeker met de Olympische Spelen van 2008 in beeld. De overheid verwacht dat de algemene toeristenindustrie jaarlijks met 10 procent groeit. Rond 2020 is China volgens de Wereld Toeristenorganisatie de belangrijkste toeristische bestemming van de wereld.
Zo zullen er in de komende vijf jaar 48 nieuwe luchthavens worden bijgebouwd. Deze vliegvelden zijn dan nodig om de verwachte passagiersgroei van veertien procent per jaar op te vangen. In totaal investeert de Chinese overheid tot en met het jaar 2010 ongeveer 17,5 miljard dollar in de bouw van nieuwe luchthavens. Dat is meer dan in de afgelopen vijftien jaar in luchthavens werd geïnvesteerd.
De verwachting is dat jaarlijks 100 miljoen Chinese toeristen naar overzeese vakantiebestemmingen gaan. De komende jaren zal de overheid de regels door paspoortbeperkingen te verminderen en landen met een officiële goedgekeurde bestemmingsstatus (ADS) verder uit te breiden. Nederland heeft al zo’n ADS-status. De regeling is gericht op reisgroepen, maar de overheid is ook begonnen om Chinezen toe te staan om individueel naar het buitenland te reizen. Tot nu toe is dat alleen voor Chinezen die de stad Hon-Kong willen bezoeken, maar dat moet dus uitbreid gaan worden.
Er worden in de komende vijf jaar 48 nieuwe luchthavens bijgebouwd. Deze vliegvelden zijn dan nodig om de verwachte passagiersgroei van veertien procent per jaar op te vangen. In totaal investeerd de Chinese overheid tot en met het jaar 2010 ongeveer 17,5 miljard dollar in de bouw van nieuwe luchthavens. Dat is meer dan in de afgelopen vijftien jaar in luchthavens werd geïnvesteerd. Het aantal luchthavens in China neemt in 2010 toe tot 190. Op dit moment zijn er in het land nog 142 vliegvelden. In 2020 groeit dit aantal vervolgens naar 220, zo wordt geraamd.
Prognose reizen en toerisme:
2004 2005 2006 2007
Binnenkomende buitenlandse toeristen (x 1.000) 40.680 43.480 46.459 49.580
Uitgaande buitenlandse toeristen (x 1.000) 23.833 28.460 34.277 41.511
Bestedingen door buitenlandse toeristen (x miljoen US dollar) 18.474 21.009 23.732 26.958
Ontvangsten van buitenlandse toeristen (x miljoen US dollar) 26.153 30.138 32.948 36.487
Consumentenuitgaven in hotels en restaurants (x miljoen US dollar) 33.324 36.186 39.107 47.563
Telecommunicatie
De telecommunicatiemarkt in China heeft de afgelopen jaren een grote groei doorgemaakt en de toekomstverwachtingen voor deze sector zijn veelbelovend. De IT-productiesector vormt inmiddels één van de pijlers van de Chinese economie. Ondanks de verslechterende wereldeconomie vertoonde de Chinese telecommunicatiesector een stijgende lijn. Er zijn plannen om het gebruik van internettoepassingen bij overheidsprojecten verder te ontwikkelen (bankieren, belasting, douane en handel).
Eind 2005 is China ook officieel de grootste producent van elektronica van de wereld. In 2004 exporteerde China voor meer dan 180 miljard dollar aan laptops, mobiele telefoons en digitale camera's. Dat is veel meer dan wat Amerika in 2004 op dat gebied exporteerde. Namelijk 149 miljard dollar, een groei van 12 procent ten opzichte van 2003. China had een groei van 46 procent tussen 2003 en 2004.
Het blijkt ook dat China steeds minder ICT-goederen uit Europa en Amerika importeert. In het verleden haalde China voor de productie van laptops de hoogwaardigste onderdelen, zoals de chips, uit het westen. Maar in toenemende mate doet het land zaken met andere Aziatische landen zoals Japan, Zuid-Korea en Maleisië. China zelf produceert ook steeds meer onderdelen voor elektronica. Het is inmiddels het tweede exportproduct, na volledige computers en randapparatuur. China is ook goed voor 27 procent van de Amerikaanse import van ICT-goederen.
Auto’sOok heeft China zich in korte tijd tot een echt automobielindustrie ontwikkeld. Momenteel staat China zelfs op het punt om Duitsland voorbij te streven als de op twee na grootste autofabrikant ter wereld. Naar verwachting worden er in dit jaar 5,9 miljoen auto’s geproduceerd in China, en in Duitsland maar 5,4. De huidige omvang van deze auto-industrie van China, maar ook de groeivooruitzichten moeten daarbij wel serieus genomen worden.
In Nederland merken we tot dusver nog niet veel van de ontwikkelingen in de Chinese autobranche. Sinds 2005 worden hier weliswaar enkele typen Chinese auto’s geïmporteerd, maar het marktaandeel van de Chinese fabrikanten is in vergelijking met bijvoorbeeld de Duitse fabrikanten nog minimaal. De Chinese afzetmarkt voor auto’s ligt tot dusver nog niet veel verder dan de omringende Aziatische landen.
Ook het aantal aanbieders is sterk toegenomen. Momenteel zijn er 50 autofabrikanten, terwijl dat er 5 jaar geleden nog maar vijftien waren. Dat is vooral het gevolg van de sterke groei van de vraag naar auto’s. Steeds meer Chinezen hebben een hoger inkomen, en daarmee heeft China ook westerse autofabrikanten aangetrokken.
De vraag in China neemt dus toe. Ondanks dat momenteel slechts 2% van de Chinese consumenten een auto bezit, geeft 5% aan binnen enkele jaren een auto te willen kopen. De export van de Chinese auto’s is nu nog minimaal, maar de buitenlandse verkopen zullen snel toenemen. Men schat dat ik in 2016 ieder jaar tien miljoen auto’s in China geproduceerd zullen worden.
oordat China qua economie zoveel groeit, haalt het straks, en nu ook al, andere landen in, en groeit het straks uit tot de grootste economie ter wereld. Deskundigen zeggen dat dit al in 2010 zou kunnen gebeuren, als de economie op dit tempo blijft groeien. Andere landen kunnen hier behoorlijk last van hebben, doordat zij hun producten dan minder kunnen exporteren omdat China gedeeltelijk hun plaats inneemt.
Als China in ditzelfde tempo doorgroeit als de laatste 10 jaar, dan zal het in 2033 de VS hebben ingehaald. Momenteel is het BBP (bruto binnenlands product) van China 1/8e van de VS. Amerika maakt zich zorgen. Ze zeggen dat het land een supermacht gaat worden en dat kan de komende 25 effectief gaan worden. Ze zeggen dat China niet per direct een bedreiging vormt, maar als ze geen maatregelen treffen, kan dat wel het geval zijn. Daarom sturen de Verenigde Staten ook toenemende vijandige signalen uit naar China, omdat de aanhoudende groei van de Chinese economie, en het steeds grotere presteren van China en andere derdewereldlanden, echt een bedreiging kan worden voor de export van de VS.
De invloed van China is dus groot en wordt steeds maar groter. Dat blijkt wel bij een textielbranche. China wil namelijk de Europese Unie en de Verenigde Staten tegemoet komen met een verhoging van de invoerrechten op textiel. Het gaat dan om verhogingen van 400 procent. China probeert op deze manier een handelsoorlog met de EU en Amerika te voorkomen. Sinds de uitvoerquota zijn afgeschaft, stroomt goedkoop Chinees textiel Amerika en de EU binnen. Amerikaanse en Europese producenten kunnen onmogelijk concurreren met de lage Chinese prijzen. Hier door zijn in Amerika al 16.000 werknemers hun baan kwijtgeraakt en Washington heeft aangekondigd beperkingen te willen invoeren. En ook de EU wil de import van Chinees textiel inperken.
Maar China lijkt vooralsnog niet echt mee te willen werken met de beperkingen. Volgens China zijn ze namelijk in volste recht, want ze zijn toegetreden tot de WTO. Volgens de Chinese regering handelen Amerika en Europa zelfs tegenstrijdig.
Want eerst willen de landen internationale afspraken voor de vrijhandel, maar wanneer hun eigen belangen worden bedreigd, willen ze ineens handelsbeperkingen.
Maar vooralsnog probeert China een handelsoorlog te voorkomen. Amerika werkt aan een tarief van 27,5 procent voor alle Chinese importgoederen. Dat tarief wordt ingevoerd als China blijft weigeren de koers van de Chinese munt yuan aan te passen.
Volgens Amerika houdt China de waarde van de yuan ten opzichte van de dollar kunstmatig laag om de eigen exportproducten goedkoop te houden. De Verenigde Staten wil dat de Chinezen de waarde van de yuan, die is gekoppeld aan de dollar, laten schommelen, zodat de exportproducten van China relatief duurder worden.
Maar China is het niet eens met de opmerkingen van Amerika over de Yuan. China vindt dat de Verenigde Staten zelf zijn economische problemen moet oplossen, in plaats van de schuld in de schoenen van de Chinezen te schuiven. China is geërgerd met de kritiek van de VS die vindt dat China de koppeling tussen de yuan en dollar moet loslaten. Amerika verdenkt China ervan dat ze de wisselkoers gebruiken om een handelsoverschot ten opzichte van de VS te creëren. De Amerikanen zijn van mening dat dit systeem bijdraagt tot het verlies van de fabrieksbanen in de VS. Het Chinese handelsoverschot richting de VS is inderdaad enorm. De Amerikanen hebben een handelstekort van 162 miljard dollar ten opzichte van China, het grootste handelstekort ooit geregistreerd.
Andere kant van het verhaal
De Amerikanen zijn dus niet blij met de opkomst van China. Maar er zijn ook economen die beweren dat de snelle economische groei van China een hele zegen is voor de wereldeconomie. De Chinese economie stuwt de economie van de andere landen omhoog.
Groei van het Bruto Nationaal Product (in procenten)
2002 2003
Verenigde Staten 2,4 3,0
Europa 1,0 0,8
Japan -0,3 2,4
Latijns-Amerika -0,2 1,3
China 8,3 9,3
In de tabel zie je de groei van het bruto nationaal product (BNP, wat geproduceerd wordt in een jaar aan goederen en diensten) in China, Europa, Japan, de Verenigde Staten en Latijns-Amerika.
China steekt met kop en schouders boven de anderen uit. De hele wereldeconomie trekt zich op aan de groei in China. Sommige economen hebben uitgezocht dat in 2001-2002 de groei van de wereldeconomie voor 24% te danken was aan China.
De snelle Chinese groei zorgt er ook voor dat China steeds meer producten uit andere landen invoert en steeds meer producten van eigen bodem naar andere landen uitvoert.
Dit zijn de cijfers van die in- en uitvoer van en naar China:
Evolutie van de Chinese in-en uitvoer. (in miljarden dollar)
Uitvoer van China Invoer naar China
1999 194 158
2000 249 214
2001 266 232
2002 325 281
2003 438 394
2004 593 561
China heeft dus niet alleen een snel stijgende uitvoer maar vooral een snel stijgende invoer. Dat is van groot belang voor de hele wereldeconomie. China is een steeds sterkere invoer-groeiende motor van de wereldeconomie.
China stond namelijk in 2003 in voor 43 procent van de uitvoergroei van Japan. Korea heeft 45 procent van zijn uitvoergroei te danken aan China. De groei van de uitvoer van Duitsland ligt voor 28 procent aan China. In 2003 consumeerde China 25 tot 30 procent van industriële materialen als aluminium, staal, ijzer, steenkool. China gebruikte 40 procent van alle cement in de wereld. 90 procent van alle vliegtuigen in China zijn gebouwd door het Amerikaanse Boeing of het Europese Airbus. Dat alles zorgt voor miljoenen werkplaatsen in de rest van de wereld.
Handel met Nederland, China grotendeels aanvullend. De Nederlandse handel met China is extreem toegenomen en is goed voor onegeveer 23 000 banen in Nederland. Tot begin jaren tachtig stelde deze handel nauwelijks iets voor; nu is China de vierde leverancier en komt bijna 8% van de ingevoerde goederen daar vandaan. En voor de nabije toekomst is de verwachting dat de uitvoer van China in de komende vijf jaar nog eens zal verdubbelen. Door goedkope invoer uit China is de Nederlandse inflatie 0,2% per jaar lager uitgekomen. Hierdoor is het gemiddelde Nederlandse huishouden nu circa 300 euro per jaar goedkoper uit.
De Nederlandse uitvoer naar China is momenteel 0,9% van de totale uitvoer. Uitgedrukt als percentage van het BBP (0,6%) is daarmee de betekenis van China voor Nederland vergelijkbaar met die voor de andere lidstaten van de EU.
Opvallend is dat China zich in de laatste jaren sterk heeft ontwikkeld in de productie van technologisch meer belangrijke producten. Veel van deze producten vinden via Nederland een afzetmarkt in de rest van Europa. De opkomst van China heeft de rol van Nederland als doorvoerland naar het Europese achterland versterkt. Maar liefst tweederde van wat wij uit China invoeren, voeren wij direct weer uit. Momenteel verlaten al dagelijks zo'n 1000 vrachtwagens de Rotterdamse haven om Chinese producten verder te distribueren in Europa. Ongeveer zo´n zelfde aantal wordt vervoerd per zeecontainer.
Ook veel producten die China veel uitvoert zijn voor Nederland niet direct concurrerend. Dit geldt voor eenvoudige producten zoals speelgoed en textiel, maar ook elektronica. De concurrentie vanuit China is voor Nederlandse bedrijven dus beperkt.
Iedereen is het er over eens dat China ook veel invoert. Maar de mening van sommige politici in de VS zeggen dat de Chinezen alsnog de markten overspoelen met hun producten, en zo de werkplaatsen stuk maken. Maar al met al blijft China, ondanks een grote economische groei, niet echt een grootmacht in de wereldhandel.
Aandeel in Wereldhandel (2003) %
China 5,8
Duitsland 9,2
Japan 6,4
Verenigde Staten 10,4
Duitsland, dat 82 miljoen inwoners telt, heeft een aandeel in de wereldhandel van 9,2 procent. Stukken hoger dan het aandeel van China, waar 1,3 miljard mensen wonen.
De textielmarkt blijft een gevoelig onderwerp, want de Europese textielproducten zeggen dat hun markt in gevaar is door China. Dat klopt niet helemaal, want de Europese producten beweren dat de Chinese producten een subsidie krijgen over geëxporteerde goederen. Dat is absolute onzin, want de Chinezen moeten zelfs belasting betalen over die producten (4%). Ook beweren ze dat ze hun producten haast niet kunnen afzetten in China, omdat de regering een hoge belastingen heft over de geïmporteerde goederen. Maar ook dat is niet waar, want in feite is deze belasting vanaf 1982 alsmaar gedaald, en in 2005 was deze nog maar 9,9%.
Afgelopen jaar zijn de invoerquota voor textiel weggevallen. Die quota zijn beperkingen in hoeveelheid ter bescherming van de eigen markt. Alhoewel Europa altijd voor vrije handel pleitte, schreeuwt men nu moord en brand over dat de Chinese kleding de Europese markt zal overspoelen. Maar dat is een enigszins geflatteerd, want 35 procent van de Chinese textieluitvoer gebeurt niet door de Chinezen, maar door Europese multinationals. Dus eigenlijk wordt de Europese textielmarkt bedreigd door Europese bedrijven.
De Europese textielproducenten willen tegenwoordig een jaarlijks winstmarge van 15 producent. De Chinezen daarentegen zetten hun producten af met een winstmarge van 4 of 5 procent. Het probleem van de Europese textiel- en kledingsector is dus op de eerste plaats een gevolg van de winstzucht van de Euro pese producenten.
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen.
Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten.
Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.