ff n studiebreak

Bij klassieke muziek moet je niet aan je grijze oma denken, maar aan YouTube. 5 tips van Lucas en Arthur Jussen.

geef je mening

Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?



» resultaten poll

CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.

Geschreven door:

anoniem [meer]

Datum ingestuurd:

3 januari 2007

Taal:

Woorden:

550

Bekeken:

3290 keer (46 deze maand)

Waardering:

1.6/5 (5 stemmen)

Deel op:

Naam:


Klas/niveau:


E-mail:


Bericht:


Bestemd voor

Geheime code: 


 
Module 5.
1. Wat is een invoerquote en uitvoerquote?
2. Nederland is een open economie, wat houd dat in?
3. Wanneer is een land meer afhankelijk van export en import?
4. Waarom kiezen we vaker voor import? Noem 5 redenen.
5. Hoezo leveren specialisatie en onderlinge voor binnenland en buitenland voordeel op?
6. Wat is protectie en op welke 5 gebieden is er beperking van vrijhandel?
7. Wat zijn infant industries?
8. Wat zijn de 6 protectie-instrumenten
9. Vrije handel is uiteindelijk het beste maar waar en hoe wordt er overlegd over de beperking van vrijhandel.
10. Wat is regionalisatie?
11. Wat is het einddoel van de Europese Unie?
12. Wat is een vrijhandelsgebied? Noem 2 voorbeelden hiervan.
13. Geef een samenvatting van de schema van de Europese betalingsbalans.
14. Wat is de wisselkoers en wat zijn zwevende wisselkoersen?
15. Wat is appreciatie en depreciatie?
16. Wat zijn stabiele wisselkoersen en wat is de spilkoers?
17. Wat zijn interventiekoersen?
18. Wat is de marge en bandbreedte?
19. Wat is een stabiliteitspact?

1. Invoerquote: percentage goedereninvoer ten opzichte van het bruto binnenlands product. Uitvoerquote: percentage goederenuitvoer ten opzichte van het bruto binnenlands product. Invoerwaarde delen door BBP en uitvoerwaarde delen door BBP.
2. De economie van een land dat veel handel drijft met het buitenland.
3. Een grote land is minder afhankelijk van import en export dan een klein land.
4. – het product (vaak grondstoffen) komt niet voor in het eigen land
- het product kan goedkoper worden gemaakt in het buitenland. (kostenverschillen door bijv. kwaliteitsverschillen)
- natuurlijke omstandigheden (klimaat, bodem)
- verschillende productvoorkeuren (smaak)
- niet-economische redenen (politiek)
5. Het binnenland is gespecialiseerd in het produceren van het ene product en het buitenland is gespecialiseerd in het produceren van het andere product, daarom is het voordeliger voor beide landen om te onderhandelen.
6. bescherming van de eigen economie tegen buitenlandse concurrentie: werkgelegenheid, lage lonen, infant industries, veiligheid en gezondheid, politieke verhoudingen.
7. Jonge bedrijven die nog niet de vrije concurrentie op de wereldmarkt aankunnen.
8. – invoerrechten (invoerbelasting)
- importcontingent: de maximumhoeveelheid van een goed die in een jaar mag worden ingevoerd.
- Kwaliteitseisen
- Importverbod
- Subsidies
- Afgedwongen exportbeperking, vrijwillige exportbeperking: een land doet vrijwillig aan exportbeperking dat er niet meer dan een bepaalde hoeveelheid producten wordt geëxporteerd naar een bepaalde land.
9. Op wereldniveau, GATT: alleen invoerrechten zijn toegestaan als protectiemiddel, nieuwe handelsbelemmeringen zijn verboden, door overleg moet worden geprobeerd de invoerrechten te verlagen.
10. Het verschijnsel dat landen hun export richten op landen in hun omgeving.
11. Een economische unie te worden: douane-unie (een vorm van economische intergratie), vrij verkeer van arbeid en kapitaal, gemeenschappelijke instellingen.
12. Landen die geen invoerrechten heffen op elkaars producten. De EVA en de NAFTA.
13. Goederenrekening, dienstenrekening, primaire inkomensrekening, inkomensoverdrachtenrekening: betaling aan het buitenland, ontvangsten uit het buitenland -> totaal lopende rekening + kapitaal rekening (kredieten/leningen) = saldo betalingsbalans
14. Wisselkoers = De prijs van het buitenlands geld uitgedrukt in euro’s, wordt bepaald door vraag en aanbod op de valutamarkt. Zwevende wisselkoers = de koers wordt overgelaten aan het vrije spel van vraag en aanbod.
15. Appreciatie = koersstijging. Depreciatie = koersdaling.
16. Spilkoers = vastgestelde koersverhouding tussen valuta’s. Stabiele wisselkoersen = koersen mogen beperkt afwijken van een afgesproken spilkoers.
17. De maximumkoers en de minimumkoers.
18. Marge = de ‘ruimte’ tussen de spilkoers en de interventiekoers. Bandbreedte = maximaal toegestane verschil tussen de hoogste koers en de laagste koers.
19. Een overeenkomst die inhoudt dat lidstaten (EMU, EU-landen besloten een economische en monetaire unie op te richten.) moeten streven naar een sluitende overheidsbegroting.

Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.