Geschreven door:

groevenbeek [meer]

Datum ingestuurd:

12 juli 2008

Niveau:

3 havo

Woorden:

8204

Opvragingen:

5638 (389 deze maand)

Waardering:

4.5/5 (17 stemmen)

1. Inleiding
Voor economie moesten we in de laatste periode een Praktische Opdracht maken. We moesten krantenartikelen zoeken dat een onderwerp had uit de boekjes: Inkomen en Groei, Consument en Producent en Arbeidsmarkt. Per boekje moesten we 2 krantenartikels uitzoeken.




2. Inhoudsopgave
1. Inleiding
2. Inhoudsopgave
3. De Opdracht
4. Artikel 1 over de Arbeidmarkt
5. Artikel 2 over de Arbeidsmarkt
6. Artikel 3 over Inkomen&Groei
7. Artikel 4 over Inkomen&Groei
8. Artikel 5 over Consument&Producent
9. Artikel 6 over Consument&Producent
10. Artikel 7 over Vergrijzing
11. Artikel 8 over Vergrijzing
12. Bronnenlijst
13. Conclusie
14. Logboek


3. De Opdracht

Wat te doen:
1. Kies uit elke bundel een deelonderwerp.
2. Geef met eigen woorden de bijbehorende theorie weer
3. Zoek bij het onderwerp minstens 2 recente krantenberichten en vermeld datum en bron.
4. Geef een eigen samenvatting van de artikelen
5. Geef je mening over de inhoud van die berichten en leg daarbij een relatie met de theorie.

Kies daarnaast een vrij economische onderwerp.
Motiveer waarom je dat hebt gekozen en doe vervolgens hetzelfde als bij 3 , 4, 5.


Beoordeling vindt plaats op basis van o.a.

• Correcte economische tekst
• Schrijfstijl
• Kwaliteit van de artikelen
• Verzorging werkstuk
• Tijdige inlevering








Arbeidsmarkt

woensdag 5 maart 2008
Terug naar het werk heeft haken en ogen
Van onze redactie economie
Onderzoek laat zien dat de meeste mensen met een uitkering aan het werk willen. Maar er zijn veel obstakels, zo ondervinden werklozen en arbeidsgehandicapten.
’Het was moeilijker om uit de WAO te komen dan erin’ Teunis Kreeft (43) uit Arkel in Zuid-Holland wilde dolgraag werken, maar uitkeringsinstantie UWV maakte het hem lastig. Toch is hij nu buschauffeur. „Het was moeilijker om uit de WAO (tegenwoordig WIA - red.) te komen dan erin.”
Kreeft werkte lange tijd als vrachtwagenchauffeur. In 2002 gleed hij uit bij het laden en lossen. Hij brak zijn enkel, en posttraumatische dystrofie was het gevolg. „Ik kon niet meer lopen en een tijd lang zat ik zelfs in een rolstoel.” Na anderhalf jaar ging het door acupunctuur een stuk beter met hem en wilde hij weer aan de slag. „Vanaf mijn zestiende ben ik al aan het werk. Eerst in de bouw en later op de vrachtwagen. Ik heb nooit een minuut stilgezeten en altijd hard gewerkt. Ik werd gek van het thuis zitten.”
Hij liet zich verscheidene malen herkeuren, maar keer op keer werd hij voor 80 tot 100 procent afgekeurd en mocht hij de arbeidsmarkt niet op. „Bij mijn laatste herkeuring ben ik zo kwaad geworden. ’Maar ik mankeer niks meer’, schreeuwde ik. Ook zei ik dat ik anders wel zwart zou gaan werken.” Hij besloot het heft in eigen hand te nemen. „Als ik mij goed voel mag ik toch gaan werken? Ik ben begonnen als chauffeur op een schoolbus. Twintig uur per week bracht ik kinderen van en naar school.”
Het duurde een aantal maanden voor de mensen van het UWV zich realiseerden dat Kreeft niet te stoppen was; ze keurden hem goed en zijn uitkering werd stopgezet. Hij werkt nu al een jaar 38 uur per week als buschauffeur in de omgeving van Gorinchem. „Werken met mensen vind ik fantastisch. Dit had ik veel eerder moeten doen.”
’De laatste twee maanden heb ik veertien sollicitatiebrieven geschreven’ „Ik wil eigenlijk uit de WAO, met mensen samenwerken en mijn eigen geld verdienen.” Annemarie Rijkse (53) uit Hoofddorp zit 22 jaar in de WAO, tegenwoordig de WIA. Voor ze volledig werd afgekeurd, werkte ze als secretaresse voor personeelszaken. Na de bevalling van haar zoon kreeg ze reuma en kon ze een tijd niet lopen. Omdat Rijkse niet alleen maar ziek thuis wilde zitten, deed ze vrijwilligerswerk, onder meer in de horeca en in een kunstgalerie.
Het lukt haar maar niet een betaalde baan te vinden. „Alleen al de laatste twee maanden heb ik veertien sollicitatiebrieven de deur uit gedaan. Geen resultaat. Ik wil heel graag en heb bijvoorbeeld gesolliciteerd voor telefoniste bij Stichting Jeugd en Gezin, maar ook voor een baan in de catering en als receptioniste bij een autobedrijf.”
Rijkse zoekt een deeltijdbaan. Het liefst zou ze twintig uur per week werken. „Veel meer dan dat kan ik niet. Die reuma blijft doorsukkelen en soms ben ik gewoon moe.”
Het probleem met de deeltijdbaan is volgens Rijkse dat heel veel mensen dat willen. De spoeling bij de uitzendbureaus is daardoor dun. „Voor het geld doe ik het niet. Ik zou best voor acht euro per uur willen werken. Reizen naar een andere plaats is ook geen probleem voor mij.” Ze denkt dat de problemen om een passende baan te vinden vooral te wijten zijn aan de laconieke houding van het personeel bij de uitzendbureaus. „De persoonlijke betrokkenheid ontbreekt vaak compleet op die bureaus. Ze laten het je bijvoorbeeld niet weten als je de baan niet hebt gekregen. Daar moet je zelf achter aan bellen.”

Interviews: Roos Menkhorst
De meerderheid van de mensen met een uitkering wil aan het werk. Dit blijkt uit het vandaag verschenen rapport ’Wel of niet aan het werk’ van het Sociaal en Cultureel Planbureau en de Raad voor Werk en Inkomen.
Werklozen, arbeidsongeschikten en werkenden werden voor het onderzoek ondervraagd. Het rapport laat zien dat de bereidheid om te gaan werken onder uitkeringsgerechtigden hoog is. Van de mensen die deels arbeidsongeschikt zijn, wil 57 procent een betaalde baan. Zelfs van de volledig arbeidsongeschikten zegt een op de vijf te willen werken. In het onderzoek komt ook naar voren dat veel deeltijders de wens hebben hun baan uit te breiden. Van de ondervraagden die werkloos zijn geweest en momenteel aan de slag zijn, zegt 40 procent meer uren te willen werken.
Het is lang niet altijd om het geld dat uitkeringsgerechtigden een baan willen, toont het onderzoek aan. Voor de arbeidsongeschikten zijn sociale contacten en een zinvolle tijdsbesteding de belangrijkste motieven. Mensen met een baan die meer uren willen werken (11 procent), noemen wel geld als belangrijkste reden.
Uit het rapport blijkt dat arbeidsongeschikten vooral vanwege gezondheidsproblemen geen passende baan vinden. Daarnaast vormt het idee ’Ik vind toch geen werk’ voor arbeidsongeschikten en werklozen een obstakel. De deeltijdbaan is bij de ondervraagden favoriet: de helft wil het liefst tussen de 12 en 35 uur per week werken.
Er is veel kritiek op de hulp bij de terugkeer naar de werkvloer. Meer dan de helft van de ondervraagden ervaart te weinig steun bij reïntegratie. De Sociale Dienst, uitkeringsinstantie UWV en reïntegratiebedrijven scoren een onvoldoende. Ze krijgen gemiddeld een 5,5. Bij de instellingen ontbreekt het vaak aan persoonlijke begeleiding. Ook de terugkeer op de arbeidsmarkt na langdurige ziekte vormt voor velen een serieus probleem. De helft zegt dat ze sneller aan het werk hadden gekund als er betere maatregelen waren genomen, zoals een ander takenpakket of een andere werkgever.
Het rapport is een steun in de rug van het kabinet, dat meer Nederlanders aan het werk wil hebben. Dat is nodig om de kosten van de vergrijzing beter op te kunnen vangen, maar ook om te voorkomen dat mensen ondanks de economische groei en personeelstekorten aan de kant blijven staan.
Begin dit jaar noemde minister Wouter Bos (financiën) ’meer arbeid op de arbeidsmarkt’ het allerbelangrijkste vraagstuk in Nederland. Veel arbeidsaanbod – 700.000 werkwillenden, werd in 2002 becijferd – blijft echter onbenut. Ondanks extra inspanningen om hen aan de slag te helpen, daalde sinds 2002 het percentage arbeidsgehandicapten met een betaalde baan. Slechts vier op de tien hebben werk.
De regeringscoalitie heeft inmiddels een commissie aangesteld onder leiding van TNT-topman Peter Bakker. Die moet voorstellen doen om de arbeidsparticipatie te verhogen, van de huidige ruim 70 procent van de beroepsbevolking naar 80 procent in 2016. Deze Taskforce Deeltijdplus, die op 8 april geïnstalleerd wordt, moet ook naar mogelijkheden zoeken om deeltijders, met name vrouwen, te stimuleren meer uren te werken. Het aantal werkzame personen steeg vorig jaar al met 2,2 procent naar ruim 7,7 miljoen, maar een relatief groot aantal werkt in kleine baantjes van minder dan twaalf uur per week.
Copyright: Trouw



Samenvatting:
In dit krantenartikel kun je zien dat er veel mensen zijn die jarenlang werken, dus actief zijn op de arbeidsmarkt. Maar als iemand dan een ongeluk krijgt en in de WAO komt is het heel moeilijk om weer deel te gaan nemen aan de arbeidsmarkt. Mensen worden vaak nog voor een groot deel afgewezen waardoor ze niet meer kunnen werken. Dat omdat de arbeidsmarkt vaak krap is, omdat er veel mensen zijn die willen werken. Daardoor gaan mensen eerder zwartwerken. Als mensen een ongeluk krijgen kunnen ze na een tijdje toch deeltijdwerken en ook dat betekend veranderingen op de arbeidsmarkt. Er kunnen meer mensen werken, maar wel minder uur.

Mening:
Wij zijn van mening dat als je kunt werken je ook moet werken. Of je moet echt een goeie reden hebben. Anders kost het de overheid ook te veel geld aan uitkeringen. En we vinden ook dom dat als je zelf wil werken maar de overheid het afkeurt. Want je voelt zelf het beste aan wanneer je weer kan werken. Het is ook gunstig dat mensen in deeltijd gaan werken omdat er dan minder uitkeringen worden uitgekeerd en daardoor zal de economie weer sterker worden.
Theorie:
Dit krantenartikel past natuurlijk goed bij het boekje Arbeidsmarkt. Omdat in dit krantenartikel de mening van Wouter Bos over de arbeidsmarkt aan de orde komt. En ook wordt er in dit artikel weergegeven dat mensen na langdurige ziekte meestal niet terug keren op de arbiedsmarkt.
Betekenis woorden:
Arbeidsmarkt: Het geheel van vraag naar, en aanbod van arbeid, bestaand uit een aantal grote deelmarkten







Economie, woensdag 13 februari 2008
Parttime-vrouw zonder kinderen kan meer werken
Laura van Baars
Vrouwen zonder zorgtaken kunnen best nog een beetje extra werken. Dat lijkt de makkelijkste manier om de participatie van vrouwen op de krappe arbeidsmarkt te bevorderen, vindt het SCP.
Kinderloze vrouwen en moeders van oudere kinderen zijn de hoop voor meer vrouwenparticipatie op de arbeidsmarkt. Opvattingen over goed moederschap belemmeren hen immers niet op de werkvloer. Toch werken ze nu nauwelijks meer dan moeders met jonge kinderen. Sterker: jonge moeders zijn meer uren gaan werken, terwijl oudere en kinderloze vrouwen iets zijn gaan minderen.
„Het is een groep die te lang aan onze aandacht is ontsnapt”, vindt onderzoekster Wil Portegijs van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP).
„Als we het over deeltijders hebben, denken we vaak aan moeders met jonge kinderen. Maar zij maken slechts een derde deel uit van de vrouwen die in deeltijd werken.”
Zorgtaken blijken maar voor een minderheid van de Nederlandse vrouwen reden om een deeltijdbaan te nemen. Oudere vrouwen die geen jonge kinderen meer hebben (of nooit gehad hebben) werken nauwelijks meer uren buitenshuis. Ook hebben kinderloze vrouwen onder de 40 vaker een deeltijdbaan dan mannen in dezelfde levensfase.
Wat de kinderloze en oudere vrouwen doen met de tijd die ze buiten het werk overhouden, had volgens Portegijs al veel eerder onderzocht moeten worden. Het SCP verwacht daar binnenkort alsnog een rapport over te publiceren. „Het kan zijn dat vrouwen hun arbeidsduur niet meer kunnen uitbreiden als de kinderen ouder zijn, omdat de ontwikkeling uit hun loopbaan is. Wij enquêteren nu behalve de vrouwen ook de werkgevers. Het zou kunnen helpen als die moeders die uit de kleine kinderen zijn, stimuleren om hun werk weer meer prioriteit te geven.”
In Nederland werkt 68 procent van de vrouwen. 21 Procent van hen heeft een volledige baan. Dat cijfer is al sinds het begin van de jaren negentig onveranderd, en de hoop dat meer vrouwen voltijd zullen gaan werken, is volgens Portegijs voorlopig ’een paar bruggen te ver’. Maar er zit ruimte tussen de arbeidsduur die voor vrouwen zonder zorgtaken sociaal geaccepteerd is, en de uren die zij daadwerkelijk werken.
Jonge Nederlandse vrouwen werken 4 of 5 dagen per week. Maar halverwege de dertig is dat teruggezakt naar gemiddeld 24 uur. En dat blijft vervolgens zo. Voor moeders van baby’s en peuters is die grens van 26 uur sociaal acceptabel. Maar vrouwen zonder jonge kinderen zouden hun arbeidsduur aanzienlijk kunnen uitbreiden zonder in botsing te komen met de publieke opinie. Portegijs: „Uit het onderzoek blijkt dat vrouwen gemiddeld nog best 2,3 uur per week extra willen werken. Als je dat voor elkaar kunt krijgen, tikt de arbeidsparticipatie wel aan omdat het om zo’n grote groep gaat.”
De bevindingen van het SCP dienen als uitgangspunt voor de Taskforce Deeltijdplus, een commissie die uitbreiding van deeltijdarbeid moet bevorderen.
Copyright: Trouw



Samenvatting:
Uit dit artikel blijkt dat moeders met jonge kinderen juist meer zijn gaan werken dan moeders zonder, of met oude kinderen. Er wordt gezegd dat het komt omdat zij lang geen aandacht meer hebben gehad. Slechts een derde van de deeltijdwerkers zijn vrouwen met jonge kinderen. Oudere vrouwen die geen jonge kinderen hebben werkelijk nauwelijks buitenhuis. Uit een onderzoek is ook gebleken dat vrouwen nog best 2,3 uur extra kunnen werken. Als dat zou gebeuren dan gaat de arbeidsparticipatie flink omhoog doordat het om een grote groep mensen gaat. In Nederland werkt 68 procent van de vrouwen, waarvan 21 procent een volledige baan heeft.

Mening:
Wij vinden het eigenlijk heel apart dat moeders met jonge kinderen juist meer werken dan moeders met oudere kinderen. Je zou juist denken dat vrouwen met oudere kinderen alle tijd voor zich zelf hebben om te werken. Wij vinden het op zich wel weinig dat maar 21 procent van de vrouwen werkt, omdat een heel groot deel van de vrouwen oudere kinderen heeft en dus tijd genoeg heeft om te werken.

Theorie:
Dit artikel heeft ook met de arbeidsmarkt te maken, omdat er in de eerste alinea al wordt gezegd. Dat men hoopt dat er meer vrouwen participatie op de arbeidsmarkt komt. Ook wordt er gezegd dat vrouwen wel wat extra kunnen werken om de participatie op de krappe arbeidsmarkt te helpen.

Betekenis woorden:
Krappe Arbeidsmarkt: de vraag naar arbeid is groter dan het aanbod van arbeid






Inkomen&Groei

Economie, woensdag 16 januari 2008

Koopkracht daalt voor vrijwel elk huishouden
Van onze redactie economie
Ondanks het stijgen van lonen en uitkeringen gaat vrijwel iedereen er in koopkracht op achteruit. Gemiddeld met 13 euro per maand, berekende het Nibud.
Door hogere prijzen voor de dagelijkse boodschappen en benzine hebben de meeste huishoudens dit jaar minder te besteden. Alleen sommige alleenstaanden en AOW’ers met kleine pensioenen gaan erop vooruit, blijkt uit berekeningen van het Nibud, het instituut voor budgetvoorlichting.
In de aanloop naar Prinsjesdag was al een daling van koopkracht voorspeld. Dat gaf een deuk in het consumentenvertrouwen, dat de grootste duikeling in een maand ooit maakte. Het kabinet ging ervan uit dat de koopkrachtdaling beperkt zou blijven tot 0,25 procent, maar het Nibud houdt nu rekening met een achteruitgang tot 1 procent.
Dat heeft vooral te maken met de hogere prijzen voor voeding en olie, die volgens het Nibud omhoog blijven gaan. De zorgtoeslag valt lager uit dan verwacht en de kosten voor de aanvullende zorgverzekeringen zijn hoger. Leaserijders moeten dit jaar meer bijdragen voor de auto van de baas. De stijging van lonen – en de daaraan gekoppelde uitkeringen – met gemiddeld 3,25 procent (bruto) kan dit niet compenseren. Ook mensen met een bijstandsuitkering gaan er, afhankelijk van hun situatie, volgens het Nibud twee tot twaalf euro per maand op achteruit. Vrijwel alle tweeverdieners, met en zonder kinderen, leveren in. De berekeningen laten wel duidelijk zien dat mensen die veel medische en zorgkosten hebben, worden ontzien. Ze gaan er minder op achteruit.
De koopkrachtdaling is een grote zorg voor de vakbonden. De vakcentrale MHP, die nog met eigen berekeningen bezig is, ziet ook al dat het aantal huishoudens met koopkrachtverlies toeneemt.
Economen vrezen dat de bonden hogere looneisen zullen stellen om dit verlies te compenseren. Dan kan een neerwaartse spiraal ontstaan die de economische groei ondermijnt. Onder anderen hoofdeconoom Lex Hoogduin van Robeco waarschuwde hiervoor. Minister van financiën Wouter Bos verklaarde afgelopen weekeinde er ’zeer voor’ te zijn als werkgevers en vakbonden net als in de jaren tachtig een akkoord over loonmatiging zouden sluiten.
Minister Piet Hein Donner van sociale zaken ontkende gisteren dat de koopkracht slechter uitvalt dan het kabinet op Prinsjesdag aankondigde. VVD’er Atzo Nicolaï had hem naar de Kamer geroepen naar aanleiding van de Nibud-cijfers. Volgens Donner wijken deze nauwelijks af van de voorspellingen die dit instituut in september presenteerde. Voor zover een verslechtering blijkt, is die het gevolg van de iets hogere inflatie, aldus Donner.
De oppositie noemt Donners uitspraken ongeloofwaardig. VVD, GroenLinks en SP dringen aan op koopkrachtreparatie.
Economie, dinsdag 27 mei 2008



Samenvatting
Iedereen gaat er in de koopkracht op achteruit ondanks het stijgen van de lonen en uitkeringen. Gemiddeld gaat de koopkracht met 13 euro per maand achteruit. Doordat de prijzen van de boodschappen en benzine steeds hoger worden hebben mensen minder te besteden. Het kabinet verwachte een koopkrachtdaling van 0.25 procent maar het Nibud denk dat het zelfs 1 procent kan worden. De koopkrachtdaling is een grote zorg voor de vakbonden. Economen vrezen dat de vakbonden hogere looneisen zullen stellen. De politieke partijen VVD, GroenLinks en SP dringen aan op koopkrachtreparatie.


Mening:
We hopen niet dat de koopkracht steeds meer achteruit gaat, want dan komen er veel problemen omdat mensen te weinig te besteden hebben. En als de vakbonden dan ook nog hogere looneisen gaan stellen. Wat in dit geval in het nadeel van de werknemer is. Dan wordt er nog minder verdiend, waardoor er nog minder geld valt te besteden. Wij denken ook dat de kosten voor benzine en de boodschappen in de toekomst nog meer zullen stijgen, wat dus erg nadelig is voor de consument

Theorie:
Dit past bij Inkomen en Groei, omdat in dit artikel sprake is van hogere looneisen wat dus heeft te maken met het inkomen, in dit geval zal het inkomen wel is omlaag kunnen gaan. Ook wordt er dit artikel weergegeven dat er een economische groei wordt ondermijnt.

Betekenis woorden:
Koopkracht: hoeveelheid goederen en diensten dat gekocht kan worden met een bepaald inkomen
Nibud: Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting, doet onderzoeken en geeft informatie over inkomsten en uitgaven van huishoudens.






’Nivellering kost te veel geld’
Jan Kleinnijenhuis
Sociaal-economische gelijkheid heeft een veel te hoge prijs, stelt hoogleraar Bas Jacobs. Het pakket maatregelen dat hij voorstelt zal voor Den Haag een stap te ver zijn.
De manier waarop de overheid inkomsten herverdeelt kan veel efficiënter. Nu kost iedere euro die de overheid extra wil herverdelen de samenleving 50 eurocent, terwijl veel maatregelen niet efficiënt en ook niet rechtvaardig zijn. Sociaal-economische gelijkheid heeft daardoor een veel te hoge prijs, zo stelt prof. dr. Bas Jacobs in zijn oratie ’De prijs van gelijkheid’. Jacobs sprak zijn rede gisteren uit bij het aanvaarden van het bijzonder hoogleraarschap Openbare financiën en economisch beleid aan de Rotterdamse Erasmus universiteit.
De overheid kan om veel verschillende redenen besluiten welvaartsverschillen tussen mensen te verkleinen, maar die afweging is aan politici. Economen kunnen slechts aangeven wat de kosten zijn van een gelijke verdeling, stelt Jacobs. Hij houdt daarbij vooral rekening met gedragsreacties van mensen op maatregelen. Mensen gaan minder werken, hun best doen, ondernemen, leren en sparen als gevolg van het ingrijpen door de staat. Dat zorgt voor een lagere economische groei, en zo tot welvaartsverlies voor de totale samenleving.
Hoe moet de overheid inkomensherverdeling dán efficiënt aanpakken? Jacobs geeft drie vuistregels. Ten eerste moet alle herverdeling via de belastingen en premies op arbeid lopen. Subsidies en regulering zijn alleen zinvol als ze goederen subsidiëren die aansluiten bij werk en vrije tijd. Als voorbeeld noemt Jacobs kinderopvang en onderwijs (die het arbeidsaanbod vergroten), of belasting op alcohol en vliegtickets (die feitelijk vrije tijd belasten). Het derde principe is dat de overheid niet ingrijpt in marktprijzen, zoals bij het minimumloon of de maximum huurprijs. Omdat de prijs in dat geval niet langer de werkelijke waarde van een goed of dienst weergeeft zal de uitkomst nooit efficiënt zijn.
Jacobs veegt de vloer aan met maatregelen als de hypotheekrenteaftrek en fiscale subsidies voor pensioenen. Alleen het afschaffen van deze twee maatregelen kan al leiden tot een belastingverlaging van alle schijven met tien procentpunt. Ook het hoger onderwijs zou minder gesubsidieerd moeten worden, als dat gericht is op herverdeling van inkomen. Overscholing is inefficiënt en dat erodeert de belastingbasis, aldus Jacobs.
Het hele pakket maatregelen dat Jacobs voorstelt is veel te radicaal om politiek geaccepteerd te worden, stelt hij zelf aan het eind van zijn oratie. Het afschaffen van de levensloopregeling, hypotheekrenteaftrek, minimumloon, een maximaal toptarief van 45 procent, een zwaardere belasting van kapitaalinkomen en hervorming van de vennootschapsbelasting lijken inderdaad zo beladen dat Den Haag er met een boog omheen zal lopen.
Hoe de regels voor optimale herverdeling moeten veranderen als rekening wordt gehouden met de politieke gevoeligheden is voor Jacobs dan ook een open vraag. „De wetenschap is daarvoor nog onvoldoende voortgeschreden.”
Copyright: Trouw


Samenvatting:
De manier waarop de overheid inkomsten verdeelt kan veel gemakkelijker. Nu kost iedere euro die de overheid extra wil verdelen de samenleving 50 eurocent. Terwijl veel maatregelen niet makkelijk rechtvaardig zijn. De overheid kan om verschillende redenen de welvaartverschillen tussen mensen verkleinen. Economen kunnen alleen aangeven wat de kosten zijn voor de gelijke verdeling. Jacobs vind dat de overheid de verdeling van de premies en belastingen op nieuw moet worden gedaan, Subsidies moeten efficiënt worden gebruikt en de overheid moet ingrijpen op de marktprijzen. Het hoger onderwijs moet volgens Jacobs ook minder worden gesubsidieerd. Volgens Jacobs is de wetenschap nog onvoldoende verder om de veranderingen aan te pakken.

Mening:
Wij vinden ook dat de overheid de inkomstenverschillen veel te slecht aanpakt en er veel te moeilijk over doet. Wij zijn het ook bijna volledig met de mening van Jacobs eens omdat hij ook vind dat de overheid veel te makkelijk denk over de inkomsten verschillen tussen de mensen. Ook vind Jacobs dat er een manier moet worden gevonden om dit op te lossen en daar zijn wij het dus volledig mee eens.

Theorie:
Dit artikel gaat over een lagere economische groei, doordat mensen minder gaan werken en meer gaan sparen. Ook komt in dit artikel voor dat het onderwijs minder gesubsidieerd moet worden. Als het gericht is op herverdeling van het inkomen.

Betekenis woorden:

Subsidies: Bijdrage van de overheid om iets in het belang van de economie uit te voeren.
Vennootschapsbelasting: Veel voorkomende belasting die over het inkomen wordt geheven door de staat.

Consument & Producent

zaterdag 5 april 2008
Met een tang de dop te lijf
Maartje Smeets
Op een ingezonden brief over schroefdoppen in Trouw kwam een stroom reacties. Gepruts met onwillige verpakkingen is voor velen een dagelijkse ergernis.
Het is bijna niet mogelijk een verpakking zo te ontwerpen dat iedereen deze meteen begrijpt.
Roland ten Klooster
De top-5 van Kassa Top-5 verpakkingsergernis Kassa 2007:
Blisterverpakkingen. Harde plastic verpakkingen waar producten als memorycards en computermuizen in worden verkocht.
Doordrukstrips van frisdrank- en sapverpakkingen. Het indrukken van de plastic strips lukt vaak niet zonder te morsen. Veel gemors, doordat het sap uit het pak ’schokt’.
Dichtgesealde cd’s/dvd’s. Het is lastig een beginnetje te vinden.
Voorverpakte vleeswaren. Sommige verpakkingen hebben een speciaal lipje. In veel gevallen zit dat lipje even vast als de rest van het plastic.
Frisdrankpakken met schroefdop. De schroefdop zit aan een stuk karton, dat met een plastic punt erop naar binnen gedrukt moet worden. Dit lukt vaak maar half, zodat de gebruiker met de vingers de schroefdop verder moet indrukken. Kan pijnlijk zijn.
Lezerstips Schroefdoptips van Trouw-lezers:
Zet het pak voor je en maak de bovenkant helemaal plat. Zo zit de dop verticaal en niet schuin op het pak: je hebt meer grip.
Koop een pak waar geen schroefdop op zit en zeur niet zo.
Met een speciaal doekje van tupperware heb je meer grip. Suggestie voor AH: verkoop deze doekjes bij de pakken.
Klem de dop tussen een notenkraker.
Open de dop met een waterpomptang.
Laat de dop voor wat hij is en vouw het pak gewoon open.
Biologisch en plastic Het lijkt inderdaad vreemd, biologische melk of vruchtensap in een pak met een plastic dop. Lezers wijzen erop dat dat niet bij elkaar past. Fabrikant Campina laat weten dat de CO2-uitstoot bij de fabricage van de plastic schroefdoppen wordt gecompenseerd. Andere makers melden dat hun schroefdop van hetzelfde materiaal is gemaakt als de coating op het karton van het pak. Dat geeft dan geen extra problemen bij de afvalverwerking.
Gisela Bosman uit Heeze heeft in haar keukenla standaard een waterpomptang, schroevendraaier, hamer en extra stevige schaar liggen. Zij gebruikt het gereedschap om ’verpakkingen te trotseren’ zo schrijft ze aan Trouw. Bosman was één van de vele lezers die reageerden op de ingezonden brief van Nico Cuppen deze week, over schroefdoppen van melkpakken die moeilijk opengaan.
Het lijkt een luxeprobleem, maar de strijd om onwillige verpakkingen te openen is voor veel mensen een dagelijks terugkerende ergernis. „Het is toch van de gekke dat iedereen het als gegeven accepteert dat bepaalde verpakkingen nauwelijks opengaan”, zegt Cuppen aan de telefoon. „De doppen zijn te ondiep om fatsoenlijk vast te pakken. Ik moet een waterpomptang gebruiken om ze open te krijgen.”
De ergernis over verpakkingen is wijdverbreid in Nederland. Het onderwerp veroorzaakte in het consumentenprogramma Kassa vorig jaar ook veel reuring. Kassa stelde toen met hulp van duizenden kijkers een top-5 samen van meest ergerlijke verpakkingen (zie box).
De verpakkingsindustrie neemt ’het probleem’ uiterst serieus. Het Nederlands Verpakkings Centrum (NVC) heeft daarom bijna twee jaar geleden aan de universiteit van Twente een leerstoel opgezet voor verpakkingsontwerp, die mede gefinancierd wordt door elf bedrijven. Roland ten Klooster bekleedt de leerstoel, de enige in Europa die integraal met verpakken bezig is. Ten Klooster: „Er gaat veel mis bij bedrijven als het om verpakken gaat. Iedereen die werkt met verpakken heeft een andere achtergrond, zoals logistiek, werktuigbouw of grafisch ontwerpen.”
Volgens Ten Klooster opent iedere Nederlander per dag zeven verpakkingen. Iedere seconde gaan er 25.000 verpakkingen open in de Europese Unie. De Nederlandse industrie besteedt jaarlijks 3,5 miljard euro aan verpakkingen en aanverwante materialen.
Bij het ontwikkelen van die verpakkingen komen verschillende kennisterreinen samen, wat het complex maakt. Een producent die een zuiveldrank met vruchten in een plastic flesje wil verpakken, moet rekening houden met microbiologie, chemische reacties en stapelbaarheid van het flesje, dat bovendien sterk genoeg moet zijn. Het moet passen op pallets en in rolcontainers en het flesje moet voldoen aan wetgeving en regels.
Het is erg lastig ervoor te zorgen dat het ontwerp van de verpakking daarnaast ook nog ergonomisch is, weet Ten Klooster uit eigen ervaring. „Het is bijna niet mogelijk een verpakking zo te ontwerpen dat iedereen deze meteen begrijpt. Op de universiteit probeer ik modellen te ontwikkelen om inzicht te krijgen hoe mensen met verpakkingen omgaan. Het is interessant om te zien dat bijna iedere verpakking op wel zes verschillende manieren wordt vastgepakt. Er zijn verschillen in de manieren van kracht uitoefenen en ze zijn vaak anders dan de ontwerper dacht.”
Uit een Engels onderzoek blijkt dat ouderen bij het openen meer kracht uitoefenen op bijvoorbeeld de schroefdop van een petfles dan jongeren. Het vermoeden is dat oudere mensen beginnen met harder knijpen, omdat ze verwachten de fles niet open te krijgen. De dop vervormt door het knijpen en is vervolgens nog moeilijker open te krijgen. Jongeren op hun beurt blijken bij het openen en vastpakken van verpakkingen meer met hun duim te werken. Ze zijn bijvoorbeeld door het vele sms’en gewend hun duim veel te gebruiken.
Vanuit de industrie is er dus langzaam maar zeker meer aandacht voor gebruikersvriendelijke verpakkingen. Toch blijven veel producenten vooral kijken naar transport (de verpakking moet heel blijven) en kosten, vindt product-ergonoom Carien Stephan.
„Misschien is de consument niet veeleisend genoeg”, zegt Michael Nieuwesteeg, directeur van het Nederlands Verpakkings Centrum. Het NVC vertegenwoordigt de verpakkingsdustrie. „Goed verpakken houdt in dat een pak goed dicht blijft. De consument mag echter ook verwachten dat de verpakking probleemloos opengaat als hij of zij de inhoud wil consumeren.” De industrie heeft een internationale werkgroep ingesteld, die de komende jaren meer gebruikersvriendelijke verpakkingen gaat ontwikkelen en uitvoeren. De nadruk ligt daarbij op het ontwerpen van verpakkingen waar ook ouderen, blinden, kinderen en mensen met beperkte kracht in de handen mee om kunnen gaan. Het NVC werkt in dit verband nauw samen met Japan, waar bijvoorbeeld de hoeveelheid alcohol in braille op bierblikjes staat.
De gewraakte schroefdoppen, die veel Trouwlezers in de pen deden klimmen, doken een paar weken geleden op bij filialen van Albert Heijn. Het supermarktconcern herkent de klachten. Een woordvoerster: „De schroefdop is op de pakken gekomen uit het oogpunt van hygiëne. De pakken zijn nu hersluitbaar en kunnen na opening plat in de koelkast liggen. Wij koppelen de klachten terug naar de producent van de pakken en blijven werken aan verbetering. Zeker met de vergrijzing zullen producenten steeds makkelijker hanteerbare producten moeten maken.”
De Katholieke Ouderenbond, met 300.000 leden de grootste van Nederland, dringt al jaren aan op meer gebruikersvriendelijke verpakkingen. Arno Heltzel van de bond: „De verpakkingsellende is al lang een probleem voor ouderen. Een oplossing ligt niet voor de hand, omdat bij het verpakken van producten belangen botsen. De waren moet volgens allerlei hygiënische richtlijnen verpakt worden. Dat is moeilijk te combineren met makkelijk te openen verpakkingen.” De ’verpakkingsellende’ zoals Heltzel het noemt, daagt echter ook uit tot inventieve oplossingen. Mensen bedenken hun eigen potopeners en schroefdopopeners. Toch zou Heltzel graag zien dat de verpakkingsindustrie zo’n zelfde inventiviteit en creativiteit aan de dag legt. „Het is niet alleen een probleem voor ouderen”, vindt Heltzel. „Jonge mensen hebben net zo goed moeite. Alleen is het probleem voor ouderen groter, omdat zij vaak minder kracht in de handen hebben.”
Enkele briefschrijvers die reageerden op de klacht van Nico Cuppen, maken zich zorgen over de milieubelasting van het verpakkingsmateriaal. Volgens verpakkingsdeskundige Ten Klooster wordt 65 procent van het totale gewicht van al het verpakkingsmateriaal in Nederland gerecycled.
„Het verpakkingsmateriaal dat wordt weggegooid, is qua milieubelasting vele malen kleiner dan producten die worden verspild. Vijf miljard euro aan producten per jaar komt niet aan, raakt beschadigd, wordt weggegooid, raakt beschimmeld of is over de datum.
Copyright: Smeets, Maartje


Samenvatting:
Het gaat er in dit stuk om dat de producent zich probeert aan te passen aan de consument. Veel mensen klagen over de moeite die ze moeten doen om een verpakking te openen. Er wordt een top5 gegeven van lastige verpakkingen. En tips hoe je het best zo,n lastige verpakking open kan maken. Het probleem word serieus genomen bij de overheid. Het blijkt moeilijk te zijn om een verpakking te ontwerpen die iedereen begrijpt aangezien de verpakking op veel verschillende manieren word aangepakt. De producent moet de verpakking zo maken dat alle consumenten het gemakkelijk kunnen openen, maar het moet ook stevig zijn en zorgen dat de inhoud niet over de datum raakt.

Mening:
Wij vinden alle 2 ook wel dat sommige verpakkingen echt achterlijk moeilijk zijn om te openen. Wat ook bij het voorbeeld staat van verpakkingen van bijvoorbeeld memory cards. Dat komt bij ons ook heel bekend voor. Maar het probleem is dat het ook heel veel geld kost om de verpakking te moeten aanpassen aan de consument en om dan ook nog rekening met het milieu te houden. Dus wij denken dat de verpakking in mate moet worden aangepast, dus niet omdat de consument een groene verpakking wil dat het dan ook meteen allemaal groen wordt. Maar het moet wel voor iedereen makkelijk te openen zijn.

Theorie:
Dit heeft te maken met het boekjes Producent en Consument, omdat je in dit artikel de producent en consument voorkomen in een voorbeeld. Het geeft aan dat de producent alles netjes moet onderhouden en verpakken, en in dit artikel wordt vergegeven dat de consument erg veeleisend is.

Betekenis woorden:
Producent: Persoon die producten en diensten levert
Consument: Personen die goederen en diensten kopen


donderdag 27 maart 2008
Emotie dicteert de voedselsector
Jeroen den Blijker
Negen miljard bewoners telt de aarde in 2050. Wie voedt al die monden? De voedingsindustrie draait zich warm, maar signaleert toenemend wantrouwen. „Een groeiende groep mensen heeft emotionele problemen met de wijze waarop onze voeding tot stand komt”.
’De vraag waar voeding vandaan komt, stelt de consument niet’
De Pickwick English Tea Blend heeft allang plaats gemaakt voor vruchtenthee, Turkse thee met een vleugje mint of Marokkaanse thee met een mystieke kruidenmelange. Op de ontbijttafel geen Bums of Japies King Corn meer, maar ovenverse Pain du Boulogne. En elke dag een biefstukje of varkenshaas is ook al heel gewoon.
„Als voedingsindustrie zijn we er de laatste dertig jaar uitstekend in geslaagd steeds meer verschillende producten bereikbaar te maken voor een groot publiek. Tegelijk is ons voedsel nooit zo veilig geweest”, zegt Chris Dutilh, manager duurzame ontwikkeling van Unilever Nederland, de multinational bekend van merken als Lipton, Unox, Bertoli en Blue Band. „En dat alles tegen bijzonder lage prijzen.” Dertig jaar geleden was het Hollandse huishouden een kwart jaarinkomen kwijt aan voeding, tegenwoordig zo’n elf procent.
Ondanks dit succes neemt het wantrouwen jegens boer en voedingsindustrie toe, signaleert Dutilh. „Er is een groeiende groep mensen die emotionele problemen heeft met de wijze waarop onze voeding tot stand komt.” Het zijn deze emoties die slow food, maar ook de biologische beweging vleugels gaven. Emoties met een ondertoon van afkeuren, die ook doorklonken in reacties op de spraakmakende film Our Daily Bread (documentaire uit 2005 van Nikolaus Geyrhalter, red.). „Uiteindelijk kan dat de legitimiteit van de voedingssector ondermijnen”, vreest Dutilh. „En dan hebben de landbouw en voedingsindustrie een enorm probleem.”
Het groeiende wantrouwen houdt de voedingssector bezig. Grote producenten als Heinz, Unilever en Campina spreken er onderling over in de Stichting Duurzame Voedingsmiddelenketen (DuVO), waarvan Dutilh secretaris is. Wout Dekker, topman van veevoerfabrikant Nutreco en voorzitter van DuVo vat het probleem samen: „Iedereen wil het liefst dat alle voeding wordt geproduceerd door dat sympathieke, kleurrijke bedrijfje naast die prachtige weide. En dat alle vis uit die lokale visvijver komt. Maar de wereld telt nu zes miljard zielen, die zijn met oude productiemethoden nooit te voeden.”
Klein en dichtbij zijn argumenten die het goed doen bij de moderne consument, zegt Dutilh. „Waarbij kleine producenten bij voorbaat meer vertrouwen genieten. Maar klein en dichtbij produceren kan helemaal niet als je aan de vraag en alle wensen – voedselveiligheid, prijs, milieu – wilt beantwoorden.”
Nu weten boeren en fabrikanten natuurlijk best hoe ze kritiek moeten beantwoorden. Wil de consument graag koeien in de wei? Nou, dan komt er toch melk met weidegarantie. Kip in een kooitje zielig? Nou, dan komt het ei uit de scharrelstal. Want de producent is altijd sterk geweest in het bedenken van technische oplossingen, zegt Dutilh. „Maar voor mensen die een emotioneel probleem hebben met bijvoorbeeld dierenwelzijn is dat natuurlijk niet afdoende. Zij vragen zich direct af of het dier écht geholpen is met, bijvoorbeeld, een speeltje tegen de verveling of wat extra ruimte in de kooi. Hun emoties zijn cultureel en maatschappelijk bepaald.”
Typerend is bijvoorbeeld het massale verzet tegen de varkensflat. Op papier een doorbraak in voedselveiligheid, dierenwelzijn en duurzaamheid. Maar voor de emotie van veel mensen gaat zo’n concept te ver.
Toch heeft industriële productie de toekomst. Nutreco-topman Dekker: „Nu al vergt het een gigantische inspanning om, naast de westerse consument, alle mensen in Azië, Afrika en Zuid-Amerika uitzicht te bieden op een menswaardig bestaan. Daarbij zijn de Nederlandse voedingsindustrie én boeren met al hun kennis over intensief produceren een deel van de oplossing.” Dekker bespeurt maatschappelijk eerherstel voor de boer, die toch vooral werd gezien als veroorzaker van milieuproblemen en dierenwelzijnsgruwelen. „Het programma ’Boer zoekt vrouw’ is niet voor niets een succes”, zegt Dekker.
Maar Dutilh is daarvan niet overtuigd. Hij vreest dat juist de ene na de andere hype de agrobusiness en voedingsindustrie zal overspoelen en ondermijnen. Dutilh: „De discussie over castratie van biggen nam een enorme vlucht omdat vooral mannen denken: oeps! Maar straks komt een andere keerzijde van ons consumptiepatroon in beeld en is een nieuwe hype geboren. Bijvoorbeeld dat vleesvarkens in recordtempo op slachtgewicht komen.” Het is immers nooit genoeg voor mensen die een emotioneel probleem hebben met onze productiemethoden, redeneert hij. „Weidemelk is mooi. Maar wat als het bij het grote publiek doordringt dat een koe op stal voor het milieu per saldo beter uitpakt? Mest laat zich in zo’n stal bijvoorbeeld beter verwerken. Bovendien kan je in zo’n stal, dankzij moderne elektronica, precies nagaan of een koe wel genoeg mineralen tot zich nam.”
Natuurlijk: ook aan de meest kritische consumenteneisen valt tegemoet te komen. Je kunt bijvoorbeeld met leveranciers stevige afspraken maken over hun product. Maar hoe waterdicht zijn die, vraagt Dutilh zich af. „Garanties zijn eigenlijk niet te geven omdat de voedingsketen zoveel schakels kent. Neem nou dat sympathieke idee van Tony Chocolony. Op die verpakking staat niet voor niets ’op weg naar slaafvrije chocolade’. Keihard garanderen dat op die cacaoplantages in Afrika geen kinderen werken, kan niemand.”
Per saldo dwingt de consument de voedingsindustrie zo tot oplossingen, die vaak bron zijn van nieuwe problemen. „Nu zijn foodmiles weer hot: de afstand en CO2-belasting die een product oplevert op weg naar de supermarkt. Natuurlijk kunnen wij als Unilever berekenen hoeveel miles gemoeid zijn met onze blikjes soep. Maar wat moet de consument ermee? Het transport naar huis en de bereiding in de keuken is voor het milieu vaak vele malen meer belastender dan de productie van dat ene blikje.”
Maar heeft de industrie eigenlijk geen boter op het hoofd? Als dat de omzet ten goede komt, houdt zij graag illusies in stand bij de consument. Unilever speelt bijvoorbeeld met de reclames voor haar olie- en sausenmerk Bertoli in op het romantische verlangen naar een eerlijk leven op het Toscaanse platteland. Terwijl die saus natuurlijk in bulk in een volledig gecontroleerde fabriek wordt gemaakt. Dutilh zucht. „Zo werkt marketing. Natuurlijk is er intern discussie tussen productontwikkelaars en marketeers. Uiteindelijk moet er toch verkocht worden.”
Open communiceren lijkt een oplossing om het maatschappelijk vertrouwen te vergroten: de dialoog aangaan met alle belanghebbenden – consumenten, maatschappelijke organisaties, werknemers, aandeelhouders. Dekker: „Wereldwijd zijn er 20.000 maatschappelijke organisaties. Die worden soms wisselend beoordeeld. Zo praten wij in Peru over verbetering van de visvangst – nodig voor voerproductie – met een organisatie die door de lokale autoriteiten is bestempeld als terroristisch. Maar zolang zij bijdraagt aan verbetering en verduurzaming van onze productiemethode, gaan wij dat contact niet uit de weg.”
Nutreco en Unilever, in hun sector toonaangevend, boekten zo ook spraakmakende successen. Zo ontwikkelde Unilever bijvoorbeeld samen met het Wereld Natuurfonds de standaard voor duurzame zeevis, de Marine Stewardship Council (MSC). Nutreco investeert veel in de ontwikkeling van alternatief visvoer met minder visolie en vismeel, wat overbevissing tegengaat.
Maar al deze inspanningen dringen lang niet altijd door tot de consument, signaleert Dutilh. Die vindt tegenwoordig duurzaam ondernemen een vanzelfsprekendheid en wil zich niet verdiepen in de vraag waar voeding écht vandaan komt. „Ja, mensen met lactose-intolerantie of vegetariërs, die weten vaak van de hoed en de rand. Voor hen is internet een onmetelijke informatiebron”, zegt Dutilh. „Maar de doorsnee burger zegt vooral dat het niet te ingewikkeld moet zijn. Die laat zich pas horen als op zijn gemoed wordt gespeeld en een hype is geboren.”
Dekker wijst ondertussen op de enorme uitdaging waarvoor de industrie staat. „Zes miljard mensen nu, negen miljard mensen in 2050: willen we daarop iets van een antwoord formuleren, dan moeten we ons echt losmaken van Nederland en denken als grootmacht. Het wordt al een toer daarbij ook nog duurzaam te produceren, de biodiversiteit en oceanen te sparen. Dan is de westerse leefstijl absoluut onhoudbaar. Als je die wereldwijd wilt doorvoeren, heb je drie wereldbollen nodig. Eigenlijk moeten we de schaarste verdelen. Niet meer elke dag vlees eten om te beginnen. Dat kan. Er zijn prima vleesvervangers.”
Copyright: Trouw

Samenvatting:
In dit krantenartikel gaat het er vooral om dat er mensen zijn die klagen hoe een product tot stand komt. Een voorbeeld is met zogenaamde varkensflats. Het leek een doorbraak te zijn alleen veel mensen waren er tegen. De emoties begonnen een rol te spelen. Een ander voorbeeld is dat consumenten liever weidemelk van koeien hebben. Maar het is makkelijker voor een boer om bij te houden of een koe genoeg mineralen krijgt in een stal, dan in een wei. Maar toch laat men de koeien in de wei staan aangezien de consument dat dus wil. Dit laat dus wel zien hoeveel macht de consument op de producent heeft. Als conclusie word er gezegd dat de consument zelf het best kan zorgen dat er minder van die gruwelverhalen zijn als ze zelf minder vlees gaan eten.

Mening:
Wij vinden dat de consument best wel mag weten wat er allemaal voor af is gegaan als een product in de winkel ligt. Dan blijft de keuze aan de consument of ze het product alsnog willen kopen of niet. Het is wel zo dat ook dieren een beetje fatsoenlijk behandeld moeten worden. Maar aangezien iedereen wel vlees blijft eten, kun je er niet vanuit gaan dat de koeien perfect behandeld worden. We zijn het met de conclusie eens dat als de consument echt zo nodig wil dat ze hun zin krijgen, ze eerst zelf maar eens moeten stoppen met vlees eten.


Theorie:
Dit artikel geeft weer dat de producent altijd goeie oplossingen heeft voor technische oplossingen. De consument dwing de voedingsindustrie tot oplossingen.

Betekenis woorden:
Voedingindustrie:alle bedrijven die werkzaam zijn tijdens de hele productieketen


Vergrijzing

Economie, woensdag 7 mei 2008
Steeds meer werknemers bereid door te werken tot hun 65ste
den haag – Een op de drie werknemers wil doorwerken tot 65 jaar. Twee jaar geleden was dat nog maar een op de vijf. De bereidheid langer door te werken is onder alle leeftijdsgroepen ongeveer even sterk gestegen. Wel verschilt die sterk per sector.
In de bouw is die bereidheid het kleinst. Daar wil een kwart van de werknemers doorwerken tot de AOW- leeftijd. In de landbouw en visserij is dat met 40 procent het hoogste, zo blijkt uit de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden 2007. Minister Donner van sociale zaken heeft het onderzoek gisteren naar de Tweede Kamer gestuurd.
Bij jongeren tot 20 jaar is de bereidheid door te werken het grootst. Van hen wil 44 procent blijven werken tot het 65ste jaar. De mensen van rond de 30 en werknemers van voor in de 50 zijn er het minst happig op tot hun 65ste te blijven werken. Onder hen ligt het percentage dat dit wel wil op 30.
Volgens minister Donner laten de uitkomsten zien dat de discussie over langer doorwerken die het kabinet in gang heeft gezet, effect heeft. Wegens de vergrijzing wil het kabinet dat meer oudere werknemers langer aan de slag blijven.
Copyright: Trouw


Samenvatting:
Een op de drie mensen die werken willen tot hun 65ste doorwerken. Twee jaar geleden was dat aantal nog maar een op de vijf. Wel verschilt het per sector. Zo wil maar een kwart van alle werknemers die in de bouw werken tot hun 65 werken. In de landbouw en visserij is 40 procent dat door wil werken tot hun 65ste. Deze resultaten zijn voort gekomen uit de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden 2007. Bij jongeren tot 20 jaar wil 44 procent door blijven werken tot hun 65ste. Mensen tussen de 30 en 50 jaar willen het minst graag doorwerken tot hun 65ste. Het kabinet wil dat meer oudere werknemers langer blijven werken door de vergrijzing

Mening:
Wij zijn beide wel van plan om tot ons 65ste door te blijven werken. Wij snappen de reactie van het kabinet natuurlijk want je ziet dat mensen tussen de 30 en 50 het nu al niet zien zitten om tot hun 65ste te werken. Dat de bouw de sector is met de minste aantal mensen dat door wil werken kunnen wij begrijpen, aangezien de bouw erg zwaar werk is en als je rond de 60 bent heb je niet meer zoveel krachten als toen je 20 of 30 was.

Theorie:
Dit is een vrij onderwerp en dit onderwerp komt dus niet uit 1 van de bundels.

Betekenis woorden:
Vergrijzing: verandering in de bevolkingssamenstelling
AOW: Algemene Ouderdomswet


Economie, zaterdag 3 mei 2008
Meer werken dekt vergrijzingskosten niet
Van onze redactie economie
De vergrijzing blijft onbetaalbaar, of er nu meer mensen gaan werken of niet. De arbeidsproductiviteit moet omhoog.
’Versoepeling ontslagrecht werkt eerder averechts’
Vrouwen, gehandicapten en bijstandsgerechtigden: ze moeten allemaal aan het werk om de kosten van de vergrijzing te dekken. Maar zelfs als 80 procent van de beroepsbevolking in 2016 een baan heeft – zoals dit kabinet wil – dan nog kan Nederland de vergijzing niet bekostigen.
Dat schrijven wetenschappers Servaas Storm en Ro Naastepad van de Technische Universiteit Delft in het vakblad Economisch Statistische Berichten. De vergrijzing gaat ons tot 2040 gemiddeld 2,6 procent van het bruto binnenlands product kosten. Om dat te kunnen betalen, moet het gemiddelde inkomen per hoofd van de bevolking jaarlijks 1,89 procent stijgen. Dat kan door meer mensen aan het werk te zetten en tegelijkertijd meer te produceren, een combinatie van meer en slimmer werken.
Maar de resultaten van een hogere arbeidsparticipatie zijn betrekkelijk, berekenden Storm en Naastepad, en zullen nooit afdoende zijn om de vergrijzingskosten op te vangen. Zelfs niet wanneer het lukt om 80 procent van de beroepsbevolking aan het werk te krijgen in 2040. Om de vergrijzing te betalen, moet deze 80 procent veel harder werken dan nu. Tot 2040 moet hun arbeidsproductiviteit jaarlijks groeien met 1,89 procent. Van werknemers tussen 1990 en 2006 groeide de productiviteit maar met 1,12 procent gemiddeld. „Beleidsmakers zouden zich veel meer zorgen moeten maken om de arbeidsproductiviteit”, vindt Naastepad. Zonder productiviteitsgroei, zet arbeidsparticipatie onvoldoende zoden aan de dijk.
Die productiviteit wordt bedreigd door de plannen die het kabinet met de arbeidsmarkt heeft, vrezen de onderzoekers. Flexibele arbeidscontracten en versoepeling van het ontslagrecht dragen niet bij aan verhoging van de productiviteit. Als het moeilijk is om mensen te ontslaan, doen bedrijven en werknemers meer om de arbeidsproductiviteit te verhogen. Ze zullen investeren in technologische vooruitgang of scholing van werknemers.
Deregulering van de arbeidsmarkt heeft een averechts effect, vinden Storm en Naastepad. Landen met een flexibele arbeidsmarkt, zoals Groot-Brittannië en de VS, kampen met een grotere werkloosheid dan landen met een star ontslagrecht als Zweden en Denemarken. Vergeleken met zowel de Angelsaksische landen als Scandinavië doet Nederland het goed qua werkgelegenheidsgroei, werkloosheid en arbeidsparticipatie. „Er is dus weinig aanleiding om het arbeidsmarktbeleid te herzien”, vinden de wetenschappers. „Door versoepeling van het ontslagrecht moet meer en langer gewerkt worden dan voorheen, zonder dat dit resulteert in een hogere bbp-groei en meer middelen om de vergrijzingslast te financieren.”
Copyright: Trouw


Samenvatting:
De Vergrijzing blijft onbetaalbaar. Of er nu meer mensen gaan werken of niet het maakt allemaal niet uit. Zelfs al heeft 80% van de bevolking een baan dan nog kon Nederland de vergrijzing niet bekostigen. De vergrijzing gaat ons tot 2040 ongeveer 2,6 % van het bruto binnenlands product kosten. Het inkomen van de bevolking moet dus jaarlijks met 1,89 procent stijgen om dat te kunnen betalen. Van werknemer tussen 1990 en 2006 groeide de productiviteit met 1.12 procent gemiddeld. De productiviteit wordt bedreigd door de plannen die het kabinet met de arbeidsmarkt heeft. Flexibele arbeidscontracten en versoepeling van ontslagrechten zorgen niet voor ene hogere productiviteit. Werkgever zullen moeten kijken naar de vooruitgang en de scholing van hun werknemers. Landen met een flexibele arbeidsmarkt hebben een grote werkloosheid.

Mening:
Dit artikel geeft aan dat de vergrijzing gewoon niet is te verhelpen. Hoe verder in de toekomst hoe meer de vergrijzing ons gaat kosten. Het idee van de kabinet vinden wij ook helemaal niks, omdat het versoepeling van de arbeidscontracten na ons idee niet zal leiden tot een hogere productiviteit. Wel maakt dit artikel duidelijk dat Nederland juist 1 van de landen is die het er best voor staat.

Theorie:
Dit is dus ook het vrije onderwerp wat wij hebben gekozen en dit onderwerp komt dus niet uit 1 van de bundels.

Betekenis woorden:
Productiviteit: Productie per productiefactor per tijdseenheid
Arbeidsparticipatie: Geeft aan welk deel van de bevolking meedoet aan het arbeidsproces.

Dit verslag is bedoeld als naslagwerk. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons dan weten.

zoeken

a d v e r t e n t i e


Wat ga jij later doen voor je poen? Het liefst wil je een uitdagende baan met een goed salaris. Misschien iets met economie en biologie. Met mensen werken, in een team van experts of als zelfstandig ondernemer. Niet alleen op kantoor, maar ook buiten aan de slag. Wil je weten hoe? Check www.beleefbuiten.nl, doe mee met de actie en win een VIP-dag!

a d v e r t e n t i e

Win beltegoed met Cash


Cash helpt je slimmer met je geld omgaan. Zodat je minder snel zonder beltegoed komt te zitten. Probeer nu de tools van Cash! Met de Cashculator Mobiel ontdek je wat voor beller je bent. Of speel de Cash Battle op Hyves, daag je vrienden uit en maak kans op €500 beltegoed! De game duurt maar een minuutje!

help mee!

Zonder jouw bijdrage kan Scholieren.com niet bestaan. Help andere scholieren door je eigen samenvattingen en ander huiswerk op te sturen.



Jarenlang organiseerde Scholieren.com de Docent & Conciërge van het Jaar verkiezing. Het werd tijd voor een ode aan deze geweldige mensen. Die is er nu.

geef je mening: Dag van de leerplicht

Bekijk het één keertje van de andere kant: wat vind jij leuk aan school?



» resultaten poll