Geschreven door: | lolstoeler (5 vwo) |
Datum ingestuurd: | 25 maart 2007 |
Taal: |  |
Woorden: | 1.350 |
Bekeken: | 48625 keer (817 deze maand) |
Waardering: |
|
Deel op: |
|
Duitse grammatica voor de aanstaande toets
Naamvallen
Eerste naamval (Nominativ)Geeft het onderwerp van de zin aan en dus ook het naamwoordelijk deel van het gezegde. (Het naamwoordelijk deel van het gezegde wordt vaak aangekondigd door een koppelwerkwoord. Deze zijn precies hetzelfde als in het Nederlands, alleen dan natuurlijk in het Duits, bijv. sein, werden, bleiben, scheinen etc.)
Bijv. Sie wird operiert vom Arzt.
Der Mann ist (koppelwerkwoord) mein Bruder.
Wir sind und bleiben besten Freunden.
Tweede naamval (Genitiv)Deze hoef je niet te kennen. Maar het geeft vaak een bezit aan, bijv. ‘Die Brieftasche meines Bruders ist gestohlen worden’.
Derde naamval (Dativ)Geeft het meewerkend voorwerp van de zin aan (je kunt er ‘aan’ of ‘voor’ voor plaatsen).
Bijv. Wir haben es der Direktorin mitgeteilt.
Sie hatte Ihnen gesagt dass sie krank war.
Ich habe meinem Vater das Buch gegeben.
Ook zijn er een aantal werkwoorden of aparte zinnetjes waarin de derde naamval voorkomt.
Bijv. Es ist mir egal.
Geht’s dir gut?
Es gefällt ihm.
Das schmeckt mir nicht gut!
Oh, meine Beine tun mir weh.
Die Jacke steht ihr gut.
Ick danke Ihnen für diese Surpriseparty.
Wir werden ihr helfen mit deinem Zelt.
En dan is er nog een aantal voorzetsels die altijd met de derde naamval worden gecombineerd. De bekendste zijn mit (met), nach (naar), bei (bij), seit (sinds), von (van, door), zu (naar, bij, om te etc.), aus (uit), außer (behalve). Voor je toets hoef je ze volgens mij niet allemaal te kennen, je moet zelf even uitzoeken welke in de oefeningen voorkomen. Het is echter geen moeilijk rijtje om in je hoofd te zetten en je hebt er nog je hele schoolcarrière plezier van.
Bijv. Ich gehe aus dem Haus.
Wir kommen gleich zu dir.
Sommige voorzetsels en lidwoorden worden gecontraheerd (‘aan elkaar geplakt’): bei + dem = beim; zu + dem = zum; von + dem = vom en zu + der = zur.
In het Duits heb je ook een groep van naamvallen, die met of de derde of de vierde naamval verbuigt. Deze (an, auf, hinter, neben, in, über, unter, vor, zwischen) hoef je nu – gelukkig – nog niet te kennen.
Vierde naamval (Akkusativ)Deze geeft het lijdend voorwerp van de zin aan.
Bijv. Ich habe meiner Schwester ein Fahrrad gegeben.
Ook is er een aantal werkwoorden die met de vierde naamval gecombineerd wordt, terwijl je op het eerste gezicht zou zeggen dat ze met de derde naamval gaan.
Bijv. Ich habe dich das doch mal gefragt?
Wir bitten ihr das zu machen.
Daarnaast heb je ook wat voorzetsels altijd worden gecombineerd met de vierde naamval (bis (tot); durch (door); entlang (langs); für (voor); gegen (tegen); ohne (zonder); um (om)). Ook deze hoef je niet allemaal te kennen. Hier moet je ook even kijken welke worden gebruikt in het werkboek.
Bijv. Für wem spielt er?
Es macht so viel Spass ohne meinen Onkel.
Daarnaast komen tijdsbepalingen zonder voorzetsel ook altijd in de vierde naamval.
Bijv. Jeden Tag mache ich meine Hausaufgaben.
Persoonlijk voornaamwoordenich – x – mir – mich (ik)
du – x – dir – dich (jij)
er – x – ihm – ihn (hij)
sie – x – ihr – sie (zij, ev)
es – x – es – es (het)
wir – x – uns – uns (wij)
ihr – x – euch – euch (jullie)
sie – x – ihnen – sie (zij, mv)
Sie – x – Ihnen – Sie (u)
wer – x – wem – wen (wie)
Zelfstandige naamwoordenDer-groep (groep met de bepaalde lidwoorden)(1) Alle zelfstandige naamwoorden met alleen een bepaald lidwoord (der, die, das).
Ev. Der Mann – x – dem Mann – den Mann
Die Frau – x – der Frau – die Frau
Das Kind – x – dem Kind – das Kind
Mv. Die Kinder – x – den Kindern – die Kinder
Nota bene
Bij de derde naamval meervoud moet je altijd een –n toevoegen.
(2) Bepaalde bijvoeglijke naamwoorden hebben dezelfde uitgangen als de lidwoorden uit de der-groep (namelijk dies- (deze); welch- (welke); jed- (ieder); manch- (sommige); all- (alle) en solch- (zulke), de laatste drie gelden alleen voor het meervoud).
Bijv. Dieser Mann – x – diesem Mann – diesen Mann etc.
(3) Der-groep met bijvoeglijke naamwoorden
Ev. Der nette Mann – x – dem netten Mann – den netten Mann
Die nette Frau – x – der netten Frau – die nette Frau
Das nette Kind – x – dem netten Kind – das nette Kind
Mv. Die netten Kinder – x – den netten Kindern – die netten Kindern
Doordat ik de rijtjes horizontaal en niet verticaal heb neergezet, lijkt het ezelsbruggetje van het steelpannetje (alle bijvoeglijke naamwoorden krijgen een –n, behalve die van het steelpannetje, die bij de der-groep allemaal op een –e eindigen) nu meer op een stoel, aangegeven met de dikgedrukte bijvoeglijke naamwoorden.
Nota bene Gebruik je meerdere bijvoeglijke naamwoorden, dan krijgen ze gewoon
dezelfde uitgang (bijv. ‘Der nette, kluge Lehrer’).
Ein-groep (groep met de onbepaalde lidwoorden)(1) Alle zelfstandige naamwoorden met alleen een onbepaald lidwoord (ein, eine)
Ev. Ein Mann – x- einem Mann – einen Mann
Eine Frau – x – einer Frau – eine Frau
Ein Kind – x – einem Kind – ein Kind
Meervoud bestaat niet bij ‘ein’, maar deze wordt vaak vervangen door ‘kein’ omdat dit bijvoeglijke naamwoord ook bij de ein-groep hoort.
Mv. Keine Kinder – x – keinen Kindern – keine Kinder
(2) Alle bezittelijke voornaamwoorden (mein-, dein-, sein-, ihr-, unser-, euer-, ihr-, Ihr-) en ‘kein’.
Bijv. Unser Mann – x – unserem Mann – unseren Mann etc.
(3) Ein-groep met bijvoeglijke naamwoorden
Ev. Ein netter Mann – x – einem netten Mann – einen netten Mann
Eine nette Frau – x – einer netten Frau – eine nette Frau
Ein nettes Kind – x – einem netten Kind – ein nettes Kind
Mv. Keine netten Kinder – x – keinen netten Kindern – keine netten Kinder
Denk ook hier weer aan het ‘steelpannetje’/’stoeltje’. Hier zijn er, net als bij de der-groep, afwijkingen op vaste plekken. Alleen hier zijn de afwijkingen nog van elkaar verschillend (eerste naamval mannelijk –er; eerste en vierde naamval vrouwelijk –e en eerste en vierde naamval onzijdig –es).
Nota bene
Ook hier krijgen meerdere bijvoeglijke naamwoorden gewoon dezelfde uitgang. Je moet overigens wel altijd goed kijken of daadwerkelijk met een bijvoeglijk naamwoord te maken hebt (dat dus verbuigt, afhankelijk van de naamval) of dat je te maken hebt met een bijwoord (dat onverbuigbaar is). Bijv. ‘Ich habe einen sehr schönen Computer’, waarbij ‘sehr’ een bijwoord is (een bijwoord zegt iets over een werkwoord, een hele zin of – in dit geval – bijvoeglijke naamwoord) en het dus niet wordt verbogen als ‘sehren’ o.i.d.
Restgroep (groep zonder lidwoord)(1) Alle zelfstandige naamwoorden met enkel een bijvoeglijk naamwoord.
Ev. Netter Mann – x – nettem Mann – netten Mann
Nette Frau – x – netter Frau – nette Frau
Nettes Kind – x – nettem Kind – nettes Kind
Mv. Nette Kinder – x – netten Kindern – nette Kinder
VariaVoor de toets is het bovendien belangrijk dat je de oefeningen goed doorneemt en wellicht de woorden die erin voorkomen die je niet kent opschrijft en leert. Natuurlijk moet je ook de gewone leerwoorden en –zinnen goed kennen.
Daarnaast is het erg handig als je belangrijkste sterke werkwoorden als ‘sein’, ‘haben’,’müssen’, ‘dürfen’ en ‘werden’ goed kent en bovendien weet hoe je een zwak werkwoord moet vervoegen.
Wat je ook goed moet weten is dat als er een tijdsbepaling in het Nederlands staat die met het voorzetsel ‘op’ begint, dan gaat deze in het Duits met ‘am’ (bijv. ‘op maandag’ wordt ‘am Montag’). Gaat de tijdsbepaling in het Nederlands met ‘in’, dan gaat deze in het Duits met ‘im’ (bijv. ‘in mei’ wordt ‘im Mai’).
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen.
Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten.
Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.