CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.

ff n studiebreak

Experiment: geen Twitter, mail en Whatsapp meer voor Nina. Wel faxen, brieven in enveloppen en ouderwetsch bellen.

geef je mening

Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?



» resultaten poll

Geschreven door:

Anoniem (2 vwo)

Datum ingestuurd:

23 juni 2008

Taal:

Woorden:

1.000

Bekeken:

3134 keer (7 deze maand)

Waardering:

4.2/5 (23 stemmen)

Deel op:

Naam:


Klas/niveau:


E-mail:


Bericht:


Bestemd voor

Geheime code: 


 
Basisstof 1 – Genotype en fenotype

Het uiterlijk van een organisme noemen we het fenotype van dat organisme. De informatie voor je erfelijke eigenschappen ligt in de celkernen, in elke cel zit dus informatie over je erfelijke eigenschappen. In elke celkern liggen chromosomen (langgerekte dunne ‘draden’) deze bestaan voor een groot deel uit DNA. DNA in de chromosomen bevat in één enkele celkern de complete informatie voor al je erfelijke eigenschappen, dat noemen we het genotype. Het fenotype is het uiterlijk en het genotype van een organisme is de informatie voor de erfelijke eigenschappen van dat organisme. Chromosomen komen in paren voor. Cellen waaruit het lichaam van een mens is opgebouwd noemen we lichaamscellen. Het fenotype van een organisme komt tot stand door het genotype en invloeden uit het milieu.

Basisstof 2 – Chromosomen en genen

Een gen is een deel van een chromosoom dat de informatie voor één erfelijke eigenschap bevat. In geslachtscellen komen chromosomen niet in paren maar enkelvoudig voor (bevatten ook maar 23 chromosomen). De vorming van nieuwe cellen vindt plaats door celdeling, een moedercel deelt zich in tweeën en vormt zo twee dochtercellen. Het genotype van een organisme komt tot stand op het moment van bevruchting.

Basisstof 3 – Geslachtelijke voortplanting

Een erfelijke eigenschap kan bestaan uit twee gelijke of twee ongelijke genen. Als een organisme ontstaat door het versmelten van twee geslachtcellen heet dat geslachtelijke voortplanting. Daarbij ontstaan nieuwe genotypen in de nakomelingschap. Twee eicellen bij ovulatie = twee-eiige tweeling (twee bevruchte eicellen). Een eeneiige tweeling onstaat doordat tijdens de celdeling cellen van elkaar losraken krijg je twee klompjes cellen wordt een eeneiige tweeling.

Basisstof 4 – Erfelijksonderzoek

Er kunnen genen zijn die erfelijke ziekten veroorzaken, bijvoorbeeld een erfelijke vorm van borstkanker. Als een vrouw dit gen heeft laten ze meestal hun borsten amputeren. Als iemand zo’n gen heeft, heeft hij niet altijd de ziekte zelf maar wordt dan drager genoemd van dat gen genoemd. Dit kan hij doorgeven, hij behoort dan tot een risicogroep. Je kunt dan genetisch advies inwinnen. Dan wordt onderzocht hoe groot de kans is op nakomelingen met de erfelijke ziekte of afwijking.

Om te kijken of een kind ziekten of afwijkingen heeft kun je dat onderzoeken met echoscopie, vruchtwaterpunctie of vlokkentest dat is penetraal onderzoek. Bij echoscopie worden de groei en de ligging van het embryo of de foetus gecontroleerd m.b.v een echoscoop. Vlokkentest kan vanaf de achtste week van de zwangerschap, er wordt een klein beetje weefsel uit de placenta weggehaald (weefsel bevat cellen van embryo die worden bestudeerd). Bij vruchtwaterpunctie wordt vruchtwater weggezogen (bevat cellen van de foetus). Als er iets aan de hand is kunnen ouders beslissen of ze abortus willen plegen.

Basisstof 5 – De evolutietheorie

Veranderen en/of verdwijnen er soorten wordt dat evolutie genoemd. Evolutietheorie komt uit 18e eeuw (van Charles Darwin), niet te bewijzen maar er zijn wel aannemelijke feiten die argumenten vormen voor de evolutietheorie. Het gaat uit van veranderingen in genotypen, natuurlijke selectie en het ontstaan van nieuwe soorten. Niet alle kikkers hebben een even grote overlevingskans, kikkers met een schutkleur en gezond zijn hebben grotere overlevingskans dat heet natuurlijke selectie. Als een soort van elkaar geïsoleerd (gescheiden) raakt, kunnen er verschillen ontstaan.

Basisstof 6 – Argumenten voor de evolutietheorie

Fossielen zijn versteende overblijfselen. Als de resten van organismen niet wordt bedekt door sedimenten kan het wegrotten en kunnen niet fossiliseren net zoals zachte delen (vergaan meestal te snel). Soms kun je een voorstelling maken uit de gefossiliseerde delen dat heet reconstructie. Door aanpassingen aan het milieu werkt een orgaan soms niet meer. Vinden we resten daarvan terug, heten die rudimenten (bij mensen bijvoorbeeld de staartwervel.

Basisstof 7 – De geschiedenis van het leven op aarde

De geschiedenis van het leven op aarde wordt verdeeld in tijdperken, die worden onderverdeeld in perioden dit kun je weergeven in een geologische tijdschaal. In het begin van het bestaan van de aarde (4,6 miljard jaar geleden) was er geen leven mogelijk. De eerste eenvoudige vormen van leven ontstonden 3,8 miljard jaar geleden. Daaruit ontstonden de eerste bacteriën. Eencellige organismen ontstonden 3,3 miljard jaar geleden er vond fotosynthese plaats en produceerden zuurstof. Daaruit (eencelligen) ontstonden de eerste veelcellige organismen. De eerste landplanten verschenen 0,5 miljard jaar geleden in dezelfde periode ontstonden vissen. 0,45 miljard jaar geleden ontstonden landdieren, zij werden snel gevolgd door amfibieën en reptielen. Sauriërs verschenen 0,225 miljard jaar geleden, op het land leefden dinosauriërs. Tegelijk met sauriërs ontstonden zoogdieren en vogels. De eerste primitieve mensen verschenen 0,0015 miljard (1,5 miljoen) jaar geleden. Soorten die een gemeenschappelijke voorouder hebben vertonen verwantschap.

Basisstof 8 – Geslachtschromosomen

De geslachtschromosomen bepalen het geslacht van een persoon. Elke lichaamscel van een vrouw bevat twee X-chromosomen (XX), van een man bevat een X-chromosoom en een Y-chromosoom (XY). Een eicel bevat altijd een X-chromosoom, een zaadcel een X- of Y-chromosoom.

Basisstof 9 – Mutaties

Een plotselinge verandering van het genotype wordt een mutatie genoemd, daarbij zijn een of meerdere genen gemuteerd. Als de mutatie te zien is in het fenotype heet dat een mutant. Een voorbeeld is een albino. Invloeden door bijvoorbeeld bepaalde chemische stoffen worden mutageen genoemd. Soms gaan cellen zich snel en ongeremd delen er ontstaat een gezwel (tumor). Soms groeien deze langzaam en verstoren de bouw van de weefsels niet deze gezwellen worden goedaardig genoemd.
Bij kanker ontstaat een kwaadaardig gezwel, de meeste kankerpatiënten sterven aan uitzaaiing (metastase).

Basisstof 10 – Biotechnologie

Biotechnologie is als organismen worden gebruikt om op grote schaal producten te vervaardigen voor de mens. Brood, bier en wijn worden bereid m.b.v. speciale schimmels, de gisten. Yoghurt wordt gemaakt uit melk + bepaalde soorten bacteriën.
Technieken om in het DNA van een organisme nieuwe erfelijke informatie aan te brengen heten recombinant-DNA-technieken. Er zit bijvoorbeeld insuline in het DNA van een gezond mens, dit DNA hebben ze aangebracht bij bacteriën en nu produceren die dat ook voor bijvoorbeeld mensen met suikerziekte. Dit heet ook wel genetische modificatie, een organisme die genetisch gemodificeerd is wordt transgeen genoemd.

Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.