Geschreven door: | jessica [meer] |
Datum ingestuurd: | 9 januari 2008 |
Taal: |  |
Woorden: | 1.550 |
Bekeken: | 3913 keer (7 deze maand) |
Waardering: |
|
Deel op: |
|
De arbeidsmarkt
Hoofdstuk 1: de arbeidsmarkt opDeelnemingspercentage/participatiegraad: geeft aan welk deel van de beroepsgeschikte bevolking tot de beroepsbevolking hoort
Deelnemingspercentage = beroepsbev./beroepsgeschikte bev. X 100
Factoren waarom beroepsbevolking groeit:
- demografische groei: steeds meer mensen in een land of arbeidsaanbod groeit als meer mensen in beroepsgeschikte leeftijd komen
- maatschappelijke opvattingen: grotere deelname vrouwen in arbeidsproces
- stand economie: als het goed gaat meer werk, mensen gaan opnieuw een poging wagen op arbeidsmarkt. Die toename heet aanzuigeffect (deelnemingspercentage stijgt)
ontmoedigingseffect: mensen denken geen kans te hebben op een baan (arbeidspercentage neemt af)
- wetgeving: leerplicht en pensioenleeftijd
- organisatie arbeidsproces: door betere kinderopvang en betere mogelijkheden voor deeltijdwerk is opvoeding kinderen beter te combineren met werk. Aanbod stijgt
vraag naar arbeid: werkgevers, overheid, bedrijven, zelfstandigen en openstaande vacatures
invloeden vraag naar arbeid:
- de vraagzijde
- stand techniek (machines enzo)
- loonkosten
concrete markt: plek waar vragers naar en aanbieders van een bepaald product elkaar ontmoeten (bijvoorbeeld de huishoudbeurs)
abstracte markt: omvat het geheel van vraag en aanbod zonder dat er een plaats is waar kopers en verkopers elkaar ontmoeten
vraag + aanbod bepalen de prijs
werkgelegenheid: alle werknemers en zelfstandigen
arbeidsjaar: volledige baan
aantal personen is groter dan aantal arbeidsjaren
krappe arbeidsmarkt: vraag is groter dan het aanbod lonen gaan omhoog. Kan je herkennen aan veel vacatures en opwaartse druk lonen baan aantrekkelijker
ruime arbeidsmarkt: vraag is kleiner dan het aanbod lonen dalen
Hoofdstuk 2: loondienst of zelfstandigStatuten: regels van de vereniging
Ondernemingsvorm: rechtsvorm onderneming
- eenmanszaak
- VOF (vennoot onder firma)
- BV
- NV
Eenmanszaak:
- één eigenaar
- privé aansprakelijk
- eigenaar = leidinggevende
- geen aandelen
VOF:
- meerdere eigenaren (kan je werk beter verdelen, maar meer overleggen, kan ruzie ontstaan) geven de leiding
- elke vennoot is hoofdelijk aansprakelijk voor schulden
- geen aandelen
BV en NV:
- één rechtspersoon, meerdere eigenaren
- eigenaren zijn aandeelhouders.
Aandeel: eigendomsbewijs
Dividend: deel van de winst
- BV aandelen op naam (eigenaren)
- NV aandelen vrij verhandelbaar
Arbeidsovereenkomst: overeenkomst tussen werkgever en werknemer
Individuele arbeidsovereenkomst: loon en werktijd vastgesteld
Cao: al het overige (rechten en plichten van werkgevers en werknemers) worden afspraken gemaakt voor groepen werknemers en werkgevers
Bedrijfstak: alle bedrijven die zich bezighouden met een zelfde soort productie
Vakbonden (a.k.a. werknemersbonden, vakverenigingen): die onderhandelen over de cao
Organisatiegraad:percentage werknemers dat is aangesloten bij een erkende vakbond (in NL ongeveer 25%)
Cao wordt algemeen verbindend verklaart door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Primaire arbeidsvoorwaarden: loon en normale arbeidstijd
Secundaire arbeidsvoorwaarden: vakantieregeling, duur van middagpauze, reiskostenvergoeding, kinderopvang, scholing en auto van de zaak
Rijksbegroting: overzicht inkomsten en uitgaven van overheid
Miljoenennota: soort samenvatting van rijksbegroting
Is de rijksbegroting bekend werknemers en werkgevers overleggen over arbeidsvoorwaarden
Vakbonden organiseren zich in werknemerscentrales (vakcentrale) en werkgeversbonden in werkgeverscentrales
Vakcentrale:
- FNV (Federatie Nederlandse Vakbeweging)
- CNV ( Christelijk Nationaal Vakverbond)
- MHP (Middengroep en Hoger Personeel)
Werkgeverscentrale:
- VNO-NCW (Verbond van Nederlandse Ondernemingen – Nederlands Christelijk Werkgeversbond)
- MKB Nederland (Midden en Klein Bedrijf Nederland)
Centraal overleg: vertegenwoordigers van werknemers en werkgevers gaan met elkaar praten in Stichting van de Arbeid worden ze het eens? Sluiten ze een centraal akkoord
wat Afgesloten door Niveau
Centraal akkoord
Centrales werkgevers/werknemers Landelijk
Cao
Vakbonden + werkgeversbonden Bedrijfstak of bedrijf
Individuele arbeidsovereenkomst Werkgever + werknemer individueel
Hoofdstuk 3: de strijd om de poenInflatie:stijging van het algemeen prijspeil
Prijscompensatie: loonstijging die bedoeld is om koopkracht op peil te houden
Initiële loonstijging: extra loonstijging, wordt betaald uit stijging van de arbeidsproductiviteit
Incidentele loonstijging: vb. promotie (niet voor iedereen gelijk)
Oorzaken stijging arbeidsproductiviteit:
- technische ontwikkeling: mechanisatie + automatisering
- arbeidsverdeling (werk word verdeeld in onderdelen) en specialisatie
- scholing: zijn werknemers in staat om per tijdseenheid meer te produceren
gemiddeld landelijke stijging uitgangspunt stijging arbeidsproductiviteit
quartaire sector: niet-commerciële dienstverlening (ziekenhuizen, onderwijs enz.)
primaire sector: landbouw en visserij
secundaire sector: industrie
tertiaire sector: commerciële dienstverlening
arbeidstijdverkorting (atv): verkorting van de arbeidsweek
reacties van bedrijven op stijging van loonkosten per product:
- prijzen verhogen zodat bedrijf geen verlies draait
- prijzen niet verhogen - daalt de winst
- verplaatsen naar lage lonen landen
- mensen vervangen door machines
voordelen bedrijven hogere lonen: werknemer kan dan meer kopen - afzet stijgt
arbeidsproductiviteit stijgt sneller dan loon - loonkosten per eenheid product gaan omlaag.
Hoofdstuk 4: wie doet het werk?Productie = werkgelegenheid x arbeidsproductiviteit
Werkgelegenheid = productie / arbeidsproductiviteit
Arbeidsproductiviteit = productie / werkgelegenheid
Indexcijfer productie = indexc. Werkg. x indexc. Arbeidspr. / 100
Indexcijfer werkg. = indexc. Productie / indexc. Arbeidspr. x 100
Indexcijfer Arbeidspr. = indexc. Productie / indexc. Werkg. x 100
Investeren: kopen van kapitaal (machines, gebouwen etc.) door bedrijven
Consumeren: kopen van goederen en diensten door gezin
Arbeidsintensief: meer arbeid ten opzichte van kapitaal
Kapitaalintensief: meer machines ten opzichte van arbeid
Substitutie: vervangen van arbeid door kapitaal (machines)
Diepte-investering: arbeidsvervangende investering die tot gevolg heeft dat de arbeidsproductiviteit stijgt
Breedte-investering: kopen van kapitaalgoederen van dezelfde kwaliteit - arbeidsproductiviteit blijft gelijk
Productiecapaciteit: maximale hoeveelheid die geproduceerd kan worden
Schaalvoordelen: kosten per product dalen als productieomvang stijgt
Vb. als machine meer producten maakt
Multinational: onderneming met productievestiging in diverse landen, vb. Philips, Shell, Coca-Cola en IBM
Concurrentiepositie: vermogen om beter en/of goedkoper te kunnen produceren dan concurrenten. Belangrijkste wapen is de prijs, maar ook kwaliteit en infrastructuur is belangrijk
Hoofdstuk 5: werkloosheidVerborgen werklozen: mensen die niet staan ongeschreven bij CWI (Centra voor Werk en Inkomen)
Als het goed gaat met de economie verminderd het aantal verborgen werklozen door aanzuigeffect, aanbod van arbeid neemt toe
Als het slecht gaat met de economie neemt aantal verborgen werklozen toe - ontmoedigingseffect
Verborgen werkgelegenheid: werk die niet in officiële cijfers tot uiting komt (zwart werk of vrijwilligerswerk)
Frictiewerkloosheid:
Werkloosheid die ontstaat omdat het tijd kost voor een werknemer om een baan te vinden als die net van school af komt of pas ontslagen is
Maatregelen:
- betere arbeidsbemiddeling zodat openstaande vacatures sneller vervuld worden
Seizoenwerkloosheid:
bepaalde bedrijven produceren in het ene jaargetijde niet of minder dan in een ander jaargetijde
Maatregelen:
- bijvoorbeeld als Feyenoord niet in ‘De Kuip’ speelt, kunnen daar concerten gegeven worden
Kwalitatieve structuurwerkloosheid:
Als er andere soorten arbeid gevraagd worden dan aangeboden worden
Kwaliteit = eigenschappen die werknemer heeft
Als er op bepaalde deelmarkt tekort aan arbeid is en op een andere deelmarkt tegelijkertijd werkloosheid is dan is sprake van ksw
Oorzaken:
- Kan te maken hebben met verschillen in opleiding en de capaciteiten die gevraagd en aangeboden worden
- Regionale oorzaak: voorbeeld, als in het oosten verpleegster werkloos zijn en in het zuiden en tekort aan verpleegster is
Maatregelen:
- Regionale oorzaak: verhuiskostensubsidie en reiskostenvergoeding
- Verstrekken van subsidies aan bedrijven die langdurig werklozen in dienst nemen
- Arbeidsmobiliteit vergroten:
Tussen beroepen: omscholing
Regionaal: reiskosten of verhuiskosten vergoeden
Werken en niet-werken: meer niet-werkenden op zoek gaan naar een baan
Kwantitatieve structuurwerkloosheid:
Zijn te weinig kapitaalgoederen ten opzichte van aangeboden hoeveelheid arbeid
Oorzaken: er verdwijnen arbeidsplaatsen omdat:
- Werknemers worden vervangen door machines
- Reorganisaties in bedrijven die efficiënter willen werken
- Bedrijven verplaatsen productiecapaciteit naar het buitenland
- Winst van bedrijven zakt in
- Product word niet meer verkocht
- Sommige producten te duur zijn
Maatregelen: lagere loonkosten
- Gaan de prijzen omlaag - verbeterd de concurrentiepositie
- Vergroten van de winst - kan het bedrijf uitbreiden
- Is het minder aantrekkelijk om mensen te vervangen door machines
- Minder aantrekkelijk de productie te verplaatsen naar het buitenland
Conjunctuur werkloosheid:
Bezettinggraad = werkelijke productie / productiecapaciteit x 100%
Effectieve vraag:totale vraag naar alle goederen en diensten
Als de bestedingen laag zijn in verhouding tot productiecapaciteit word er weinig geproduceerd en worden mensen ontslagen - effectieve vraag is kleiner dan de productiecapaciteit
Doet zich gelijktijdig in een land voor
Maatregelen:
- overheid moet meer gaan besteden - meer afzet
- hogere ambtenarensalarissen - meer koopkracht
- verlagen van belastingen/verstrekken van subsidies
deeltijdwerk: persoon die werkt een vast aantal uren per week maar minder dan werknemer met een volledige baan.
Meer mensen deeltijd werken - ‘passen’ meer mensen in volledige baan - werkloosheid kan dalen
Arbeidstijd: aantal uren dat een werknemer met volledige baan per week werkt
Bedrijfstijd: hoeveel uren per week een bedrijf ‘draait’
Atv: personeel gaat flexibeler werken.
Als iedereen in bedrijfstak of bedrijf minder gaat werken is er sprake van atv.
Werkgelegenheid stijgt in personen, maar arbeidskosten per eenheid product stijgen - nadeel bedrijven
Voordeel bedrijven: machines draaien langer - machinekosten per product dalen
Vormen van atv:
- atv-dagen: één maal in 4 weken mag een werknemer een vrije dag hebben
- roostervrije dagen: sommige bedrijven zijn op bepaalde dagen gesloten
- studieverlof
geen herbezetting: worden er geen nieuwe mensen aangenomen voor de overgebleven uren, de oude werknemers moeten hetzelfde doen in minder uren
volledige herbezetting: als er voor alle opengevallen uren nieuwe werknemers komen
voorbeelden flexibilisering:
- versoepelen ontslagrecht
- loslaten van vaste werktijden en dagen, voorbeeld: oproepkracht
reden waarom flexibilisering kan leiden tot lagere arbeidskosten:
- werknemer in vaste dienst zijn duur
- aanpassen personeelsbestand aan productieomvang gaat makkelijker
lengtes arbeidscontract:
- vast dienstverband: vaste banen, arbeidsovereenkomst kan in principe het hele arbeidsleven duren
- dienstverband voor bepaalde tijd: contracten voor bepaalde tijd, vb. één jaar
- uitzendkrachten die via uitzendbureau werken
Uitzendbureau: commercieel, als een bedrijf een uitzendkracht aanneemt, betaalt het bedrijf een bedrag, het uitzendbureau betaalt de werknemer
CWI: overheidsinstantie, bemiddelt bij het vinden van werk.
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen.
Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten.
Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.