Geschreven door: | |
Datum ingestuurd: | 15 mei 2008 |
Woorden: | 7521 |
Opvragingen: | 4882 (240 deze maand) |
Waardering: |
Beschrijving van 7 bedrustcomplicaties
§1.Wat is decubitus?
Decubitus of ‘doorliggen’ ontstaat doordat je langdurig in dezelfde houding zit of ligt.
Oorzaken kunnen extrinsiek (uitwendig) en intrinsiek (inwendig) zijn, door bijvoorbeeld drukkrachten, schuifkrachten of vochtinwerking (urine/zweet).
Maar decubitus kan ook komen door een voeding en/of vocht tekort in het lichaamsweefsel of psychische factoren.
Bij decubitus ontstaat er een drukveld tussen beenderen enerzijds en bed of stoel anderzijds.
Hierdoor worden de weefsels niet voldoende voorzien van verse weefselvloeistof. Er ontstaat dan versterf in de weefsels waarbij het onderhuids vetweefsel als eerste afsterft.
Als het proces aan de opperhuid aan bod komt, dan zie je een ronde cirkelvormige opening waar een onaangename geur uit tevoorschijn komt.
§2.Wat is een contractuur?
Een contractuur is een blijvende samentrekking van weefsel, bijvoorbeeld door pezen of spieren, waardoor er een dwangstand van een gewricht ontstaat.
Je kunt contracturen krijgen als je langdurig in dezelfde houding in bed ligt of zit. Deze vorm van contractuur heet dan een flexie-/buigcontractuur of bij overstrekking van een gewricht van een extensie-/strekcontractuur.
Bij het krijgen van brandwonden of littekens kan er ook een contractuur ontstaan. Bij littekens ontstaat er een verkorting van het huidweefsel.
§3.Wat is spieratrofie?
Vermindering van spierweefsel door het niet gebruiken van de spier of het niet meer kunnen gebruiken van een spier door een ziekte van het zenuwstelsel (spieratrofie).
Atrofie van de spieren ontstaat door te weinig actieve beweging. Als je lang in bed moet liggen en je je spieren weinig inspant, worden de spieren slapper en dunner. Hierdoor kan je bewegingsbeperking krijgen. Als je steeds in dezelfde houding ligt of zit kan dat ook invloed hebben op de beweeglijkheid van je gewrichten.
§4.Wat is obstipatie?
Obstipatie (ook wel constipatie of verstopping genoemd) is een te trage, moeilijke stoelgang. Hierbij is de ontlasting te lang in de darmen doordat de dikke-darmwand niet de normale peristaltische bewegingen maakt.
Het normale patroon van stoelgang verschilt van mens tot mens. Men kan van obstipatie spreken als er een verandering optreedt in de voor die persoon normale frequentie van de stoelgang. De ontlasting is meestal harder van samenstelling. Wanneer de ontlasting te lang in de dikke darm verblijft, wordt er veel water aan onttrokken. Wanneer de stoelgang uiteindelijk op gang komt, kan het naar buiten persen van die harde ontlasting daardoor erg pijnlijk zijn. Het is bovendien over het algemeen erg moeilijk die harde ontlasting kwijt te raken. Daarbij komt nog dat de endeldarm vaak nog niet geheel leeg is. Echte obstipatie is het minder dan drie keer per week krijgen van ontlasting die dan bovendien hard is.
Deze definitie is gebaseerd op de aanname dat een normale ontlastingsfrequentie tussen de twee keer per dag en één keer per twee dagen ligt.
§5.Wat is trombose?
We kennen twee soorten trombose; arteriële trombose en veneuze trombose.
-Arteriële trombose ontstaat meestal op een plaats waar een slagader vernauwd is. De vernauwing is wit van kleur en bestaat voornamelijk uit versmolten bloedplaatjes met fibrinedraden. De trombus kan (vooral in combinatie met atherosclerose) vaatwandbeschadigingen aanrichten en afsluiting van de slagader veroorzaken. Een hartinfarct wordt meestal veroorzaakt door trombose van de kransslagaders (coronairtrombose). Afsluiting van een hersenslagader veroorzaakt een beroerte.
- Veneuze trombose ontstaat vaak in de benen. De oorzaak kan zijn een beschadiging van de wand van een ader (bijv. door verwonding of ontsteking) of een te langzame bloeddoorstroming (bijv. na lange bedrust). Bij pilgebruiksters die roken is de kans op trombose duidelijk verhoogd. Het gevaar van veneuze trombose is dat er een stukje van het stolsel afbreekt, door het bloed wordt meegevoerd en zo embolie veroorzaakt.
De verschijnselen zijn pijn in het been (deze begint meestal in de kuit) en tevens zwelling en roodheid op de plaats waar de trombose zich bevindt. De belangrijkste complicatie van veneuze trombose is het optreden van een longembolie. Deze kan ontstaan wanneer een trombus losraakt en door het bloed naar de longen wordt vervoerd. Dit kan gepaard gaan met kortademigheidsklachten of pijn bij diep doorzuchten.
§6.Wat is pneumonie?
Pneumonie is een ander woord voor longontsteking dat meestal door bacteriën en virussen het longweefsel aantast. De belangrijkste vormen zijn:
-Typische (lobaire) longontsteking, de `klassieke' vorm, een door pneumokokken veroorzaakte ziekte die zich over een gehele longkwab uitstrekt en plotseling begint met koude rillingen en hoge, voortdurende koorts. De patiënt heeft pijn in de borst, een droge pijnlijke hoest, gepaard gaande met kortademigheid.
-Bronchopneumonie(lobulaire longontsteking) komt vooral bij kinderen, patiënten met COPD en bedlegerige oude mensen voor, meestal in aansluiting op een bronchitis, soms bij een acute infectieziekte. De aandoening bestaat uit talrijke kleine ontstekingshaardjes.
-Atypische viruspneumonie wordt vaak voor een flinke griep aangezien. Verwekkers zijn virussen en zeer kleine bacteriën (Chlamydia) en Mycoplasma. Andere vormen zijn resp. Legionella-pneumonie of veteranenziekte en pneumocystose. Zie voor longtuberculose: tuberculose.
De algemene verschijnselen zijn koorts, pijn, hoest, bemoeilijkte ademhaling en kortademigheid.
§7.Wat is blaasontsteking?
Een blaasontsteking wordt ook wel cystitis genoemd. Er bevind zich dan een onsteking in de blaas die veroorzaakt wordt door bacteriën die via de uretra (urinebuis) binnen komen.
De verschijnselen bestaan uit pijn of een branderig gevoel bij het plassen en veelvuldig plassen, waarbij vaak maar kleine beetjes worden geproduceerd. Eventueel kan er koorts of verhoging optreden. De urine is vaak troebel en kan sterk ruiken.
Maatregelingen ter preventie, oorzaak en gevolg
§1.Decubitus.
Wat is decubitus?
Decubitus komt voor in 4 verschillenden graden :
• Graad 1: je kunt de roodheid niet wegdrukken. Verkleuring van de huid, warmte, vochtophoping (oedeem) en verharding (induratie) zijn andere kenmerken, vooral bij mensen met een donkere huid.
• Graad 2: op plekken waar de huid kapot is op de opperhuid (epidermis), de kapotte huis uit zich als een blaar of een schaafwond.
• Graad 3: Huid die kapot is met schade of weefselversterf (necrose) van huid en onderhuids weefsel (subcutis). De schade kan zich verder uitmonden tot aan het onderliggende bindweefselvlies (fascie).
• Graad 4: de vergrote weefselschade of weefselversterf aan spieren, botweefsel of ondersteunende weefsels, met of zonder schade aan epidermis en dermis.
Decubitus of ‘doorliggen’ ontstaat doordat je langdurig in dezelfde houding zit of ligt.
Oorzaken: kunnen uitwendig (extrinsiek) en inwendig (intrinsiek) zijn, door bijvoorbeeld drukkrachten, schuifkrachten of vochtinwerking (urine/zweet).
Maar decubitus kan ook komen door een voeding en/of vocht tekort in het lichaamsweefsel of psychische factoren.
Bij decubitus ontstaat er een drukveld tussen beenderen enerzijds en bed of stoel anderzijds.
Gevolg: Hierdoor worden de weefsels niet voldoende voorzien van verse weefselvloeistof. Er ontstaat dan versterf in de weefsels waarbij het onderhuids vetweefsel als eerste afsterft.
Als het proces aan de opperhuid aan bod komt, dan zie je een ronde cirkelvormige opening waar een onaangename geur uit tevoorschijn komt.
Het is erg belangrijk om decubitus te voorkomen zodat je de zorgvrager veel pijn, leed en ontluistering bespaart. Maar je neemt ook preventieve maatregelen om te zorgen dat de gradatie van decubitus niet hoger wordt. Je kunt preventieve maatregelen tegen decubitus door:
- De zorgvrager en zijn naasten betrekken bij de preventie. Dit kan door middel van folders over decubituspreventie te verstrekken en uitleg over decubitus te geven.
- Probeer te zorgen voor mobilisatie. Dit kan door wisselligging of –houding toe te passen.
- De drukplaatsen te inspecteren en de bevindingen vast te leggen in het verpleegkundige dossier.
- Te zorgen voor goede eiwitrijke voeding en voldoende vochtopname bij risicopatiënten en mensen met een slechte voedingstoestand.
- Een risicoscore vast te stellen en dit dagelijks bij te stellen.
- Huidbeschadiging tijdens de verzorging van de zorgvrager te voorkomen. Je kunt huidbeschadiging krijgen door ringen en nagels die je als verpleegkundige draagt. Daarom moet je als je gaat werken je ringen afdoen en moeten je nagels kort geknipt zijn.
- Er voor te zorgen dat er geen broeiing plaatsvindt. Ook de temperatuurverhoging van huid door gebruik van verkeerde materialen, zoals synthetisch nachtgoed, bedzeiltjes of celstof onderleggers moet voorkomen worden.
- Een anti-decubitus matras te gebruiken. Deze matrassen zijn best duur. Daarom hebben veel zorginstellingen maar een paar matrassen voor de mensen die het al hebben of een groot risico vormen voor de decubitus.
§2. Contractuur.
Wat is een contractuur?
Een contractuur is een blijvende samentrekking van weefsel, bijvoorbeeld door pezen of spieren, waardoor er een dwangstand van een gewricht ontstaat.
Oorzaak: Je kunt contracturen krijgen als je langdurig in dezelfde houding in bed ligt of zit. Deze vorm van contractuur heet dan een flexie-/buigcontractuur of bij overstrekking van een gewricht van een extensie-/strekcontractuur.
Bij het krijgen van brandwonden of littekens kan er ook een contractuur ontstaan. Bij littekens ontstaat er een verkorting van het huidweefsel.
Gevolg: door veranderingen zoals ontstekingen, littekenvorming en spieraandoeningen. kan een bewegingsbeperking van gewrichten ontstaan tot zelfs een dwangstand.
Contracturen zijn heel vervelend. Een patiënt die dit heeft, heeft hier ook veel last en pijn van. Contracturen leiden veelal tot bewegingsbeperkingen en pijn bij het bewegen en in het ergste geval tot blijvende invaliditeit. Je kunt preventieve maatregelen tegen contracturen nemen door:
- Veel te bewegen, zodat er geen dwangstand kan optreden. Als je namelijk lang in dezelfde houding zit, kan het desbetreffende lichaamsdeel in een dwangstand gaan staan.
- Regelmatig te bewegen.
- Oefentherapie te doen. Als je langdurig in bed moet liggen, kun je je tenen naar je neus oefenen. Het is ook belangrijk dat er geen druk uitgeoefend wordt op de bovenkant van de voet. Hiervoor kun je een dekenboog gebruiken. Belangrijk is ook dat je de dekens en lakens lostrekt. Zo oefen je niet te veel druk uit op de bovenkant van je voet.
§3.Spieratrofie.
Wat is spieratrofie?
Vermindering van spierweefsel door het niet gebruiken van de spier of het niet meer kunnen gebruiken van een spier door een ziekte van het zenuwstelsel (spieratrofie).
Oorzaak: Atrofie van de spieren ontstaat door te weinig actieve beweging.
Gevolg: Als je lang in bed moet liggen en je je spieren weinig inspant, worden de spieren slapper en dunner. Hierdoor kan je bewegingsbeperking krijgen. Als je steeds in dezelfde houding ligt of zit kan dat ook invloed hebben op de beweeglijkheid van je gewrichten.
Als je heel lang in bed moet liggen kan je spieratrofie krijgen. Om dit te voorkomen zijn er preventieve maatregelen opgesteld. Dit is:
- Je huid/weefsel in goede conditie houden. Dit kan door optimale voeding en vochtinname. Door een vochtbalans bij te houden kun je precies zien hoeveel voeding en hoeveel vocht een patiënt heeft binnengekregen. Dit is belangrijk om bij te houden als iemand langdurig op bed moet liggen.
- Je moet je huid goed verzorgen. De huid moet soepel, intact droog en een juiste temperatuur hebben.
§4.Osteoporose.
Oorzaak.
Continu wordt het bot vernieuwd: nieuw bot wordt aangemaakt, oud bot afgebroken. Bij kinderen en jong-volwassenen gaat de aanmaak sneller dan de afbraak: zodat de totale hoeveelheid bot in het lichaam toeneemt. Rond het 35ste jaar is bij de meeste mensen de hoeveelheid bot het grootst, en zijn de botten het stevigst. Daarna gaat geleidelijk de afbraak sneller dan de opbouw van bot.
Osteoporose ontstaat als de afbraak te snel gaat of als de vorming van vervangend bot achterblijft.
• Als in de jaren, voor het 35ste jaar, niet de optimale botmassa is bereikt, is de kans op osteoporose groter.
• Een gebrek aan oestrogeen ( geslachtshormoon ) kan bij vrouwen de oorzaak van osteoporose zijn na de menopauze.
• Osteoporose kan een gevolg zijn van hormonale stoornissen zoals schildklier- of de nierafwijkingen.
• Osteoporose kan een gevolg zijn van bovenmatig gebruik van geneesmiddelen, zoals corticosteroïden. Deze medicijnen zijn echter vaak van levensbelang en er mag niet plotseling mee gestopt worden.
Naar mate je ouder wordt kan er osteoporose of botontkalking plaatsvinden. Osteoporose maar de botten brozer doordat de botmassa afneemt. Als je lang niet kunt bewegen is de kans op osteoporose groot. Je kunt voor osteoporose preventieve maatregelen namelijk:
- Actief en belast bewegen. Door bijvoorbeeld te lopen.
- Calciumrijke voeding te gebruiken.
- Als je een ernstige vorm van osteoporose hebt is het belangrijk om voorzichtig te handelen. Zij kunnen door geringe bewegingen al een spontane fractuur krijgen.
§5.Pneumonie.
Pneumonie is een ander woord voor longontsteking dat meestal door bacteriën en virussen het longweefsel aantast.
De ernst van een longontsteking hangt voor een groot deel af van de verdere gezondheidstoestand van de patiënt. Bij jonge mensen is een longontsteking vaak niet meer dan een tijdelijk ongemak. Bij mensen die verzwakt zijn door andere ziekten en bij bejaarden is longontsteking echter een ernstige aandoening die tot de dood kan leiden.
De longontsteking die optreedt wanneer iemand aan het opknappen is van een griep, is zeer ernstig. Het komt voor dat dit type longontsteking, zelfs bij jonge, overigens gezonde mensen, dodelijk verloopt.
De belangrijkste vormen zijn:
-Typische (lobaire) longontsteking, de `klassieke' vorm, een door pneumokokken veroorzaakte ziekte die zich over een gehele longkwab uitstrekt en plotseling begint met koude rillingen en hoge, voortdurende koorts. De patiënt heeft pijn in de borst, een droge pijnlijke hoest, gepaard gaande met kortademigheid.
-Bronchopneumonie(lobulaire longontsteking) komt vooral bij kinderen, patiënten met COPD en bedlegerige oude mensen voor, meestal in aansluiting op een bronchitis, soms bij een acute infectieziekte. De aandoening bestaat uit talrijke kleine ontstekingshaardjes.
-Atypische viruspneumonie wordt vaak voor een flinke griep aangezien. Verwekkers zijn virussen en zeer kleine bacteriën (Chlamydia) en Mycoplasma. Andere vormen zijn resp. Legionella-pneumonie of veteranenziekte en pneumocystose. Zie voor longtuberculose: tuberculose.
De algemene verschijnselen zijn koorts, pijn, hoest, bemoeilijkte ademhaling en kortademigheid.
Oorzaak: het niet goed op kunnen hoesten van slijm. Dit komt bijvoorbeeld voor bij jonge kinderen, bejaarden, mensen die een tijd bedlegerig zijn of na een operatie. Maar ook mensen met een ziekte aan de luchtwegen, zoals CARA-patiënten, zijn extra gevoelig voor longontsteking. Verder kan een longontsteking ontstaan na verslikking in bijvoorbeeld braaksel of bij mensen die door een of ander andere ziekte ernstig verzwakt zijn.
Soms komt een longontsteking bij iemand die net aan het opknappen is van een griep. De griep heeft de longen verzwakt, zodat een longontsteking zich razendsnel kan ontwikkelen.
Gevolg: Iemand met een longontsteking heeft last van pijn op de borst, vooral bij het hoesten of ademhalen. Ook is er vaak last van kortademigheid. Hij geeft bij het hoesten vaak slijm op, dat bloederig kan zijn. ook hoge koorts en koude rillingen hangen samen met longontsteking
Een pneumonie is een longontsteking die ontstaat door ophoping van slijm in de bronchiën en bloedophoping in het longweefsel. Je kunt een pneumonie voorkomen door er voor te zorgen dat er zich geen secreet ophoopt in de luchtwegen. Preventieve maatregelen zijn:
- Zorgen dat de zorgvrager een goede houding aanneemt en hem regelmatig van houding verwisselen.
- Zorgen dat de zorgvrager regelmatig diep doorzucht. Dit moet wel 10 a 20 keer per uur. Je moet er op letten dat je inademt via je neus, hem dan vasthoudt en dan diep uitademt via de mond.
- Helpen met het ophoesten van sputum. Als de zorgvrager sputum moet ophoesten is het belangrijk dat hij rechtop zit en iets naar voren gebogen zit. Het is belangrijk dat de zorgvrager inademt, de adem vasthoudt en met kracht uithoest.
- Huffen. Dit is lang uitademen en dan met kracht hoesten zodat het laatste restje sputum uit de bronchusboom meekomt.
- Uitzuigen. Dit wordt alleen gedaan als een zorgvrager dit echt niet meer op eigen kracht kan en alle andere maatregelen niet meer helpen. Bij uitzuigen zuigen ze het slijm uit de luchtwegen. Voordat er over gegaan kan worden op uitzuigen van de luchtwegen is er in de meestal instellingen meestal wel een bekwaamheidsverklaring nodig.
- Voldoende vochtopname. Er kan uitdroging ontstaan doordat je ademhalingsproblemen hebt. Daarom moet je voldoende vocht binnenkrijgen.
- De lucht bevochtigen. Dit kan door een ultrasonore vochtvernevelaar, een stoomapparaat of een andere luchtbevochtiger.
§6.Urineretentie, blaas- en nierstenen.
Een urineretentie is de toestand waarbij de urineblaas overvol is geraakt en niet meer leeg geplast kan worden. Als dit in een korte tijd optreedt is dit meestal zeer pijnlijk. De pijn situeert zich in de onderbuik ter hoogte van de blaas. Een voortdurende plasdrang is meestal aanwezig.
De oorzaak van een urineretentie is meestal prostaatvergroting.
Gevolg: De behandeling van een urineretentie is het ledigen van de blaas. Dit gebeurt doorgaans met een blaassonde die langs de plasbuis wordt ingebracht. Soms dient er echter een sonde door de buikwand geplaatst te worden. Hierna kan de urine weglopen. Verder onderzoek zal dan uitwijzen wat de oorzaak en de gevolgen zijn van deze urineretentie. Een aangepaste behandeling kan dan voorgesteld worden.
Als er een onvoldoende afvloed van urine is, kunnen er afvalstoffen/kristallen neerslaan wat kan beteken dat er stenen in de nier of blaas kunnen komen. Dit kan hevige pijn/koliekpijn veroorzaken en er kan bloed in de urine aanwezig zijn. Om dit te voorkomen zijn er preventieve maatregelen opgesteld. Namelijk:
- Oefentherapie. Dit kan passief en actief.
- Regelmatig veranderen van houding.
- Een vochtbalans bijhouden. Zo kun je kijken hoeveel urine er in een blaas zit, en of er misschien urine achterblijft.
- Zorgen dat de uitscheiding bevorderd wordt. Dit doe je door goed uit te plassen.
- Privacy te bieden bij het urineren. Als je geen privacy biedt, voelt de patiënt zich misschien ongemakkelijk en zal dan niet volledig zijn blaas legen.
- De blaasinhoud in het ziekenhuis laten controleren door te bladderen.
- Hulpmiddelen toe te passen door een urinaal te gebruiken of een po enz.
§7.Obstipatie.
Wat is obstipatie?
Obstipatie (ook wel constipatie of verstopping genoemd) is een te trage, moeilijke stoelgang. Hierbij is de ontlasting te lang in de darmen doordat de dikke-darmwand niet de normale peristaltische bewegingen maakt.
Het normale patroon van stoelgang verschilt van mens tot mens.
Oorzaak: Als er een verandering optreedt in de voor die persoon normale frequentie van de stoelgang. De ontlasting is meestal harder van samenstelling.
Gevolg: Wanneer de ontlasting te lang in de dikke darm verblijft, wordt er veel water aan onttrokken. Wanneer de stoelgang uiteindelijk op gang komt, kan het naar buiten persen van die harde ontlasting daardoor erg pijnlijk zijn. Het is bovendien over het algemeen erg moeilijk die harde ontlasting kwijt te raken. Daarbij komt nog dat de endeldarm vaak nog niet geheel leeg is. Echte obstipatie is het minder dan drie keer per week krijgen van ontlasting die dan bovendien hard is.
Deze definitie is gebaseerd op de aanname dat een normale ontlastingsfrequentie tussen de twee keer per dag en één keer per twee dagen ligt.
Obstipatie is heel vervelend. Je voelt je nogal opgezet en hebt eigenlijk geen zin om wat te eten. Door deze preventieve maatregelen kun je obstipatie voorkomen:
- Probeer zo veel mogelijk te bewegen.
- Eet vezelrijke voeding. Dit stimuleert de darmperistaltiek en zorgt ervoor dat er dus geen verstopping in je darmen plaatsvindt. Vezelrijke voeding is bijvoorbeeld: vers fruit, groenten, volkorenbrood of meergranenbrood.
- Zorg voor een extra vochtopname.
- Als er geen andere manier is om obstipatie te voorkomen, dan moet je gaan laxeren. Dit wordt natuurlijk niet te vaak gedaan, want dat is niet goed voor de darmen.
§8.Trombose/embolie.
Wat is trombose?
We kennen twee soorten trombose; arteriële trombose en veneuze trombose.
-Arteriële trombose ontstaat meestal op een plaats waar een slagader vernauwd is. De vernauwing is wit van kleur en bestaat voornamelijk uit versmolten bloedplaatjes met fibrinedraden. De trombus kan (vooral in combinatie met atherosclerose) vaatwandbeschadigingen aanrichten en afsluiting van de slagader veroorzaken. Een hartinfarct wordt meestal veroorzaakt door trombose van de kransslagaders (coronairtrombose). Afsluiting van een hersenslagader veroorzaakt een beroerte.
- Veneuze trombose ontstaat vaak in de benen.
De oorzaak kan zijn een beschadiging van de wand van een ader (bijv. door verwonding of ontsteking) of een te langzame bloeddoorstroming (bijv. na lange bedrust). Bij pilgebruiksters die roken is de kans op trombose duidelijk verhoogd. Gevolg Het gevaar van veneuze trombose is dat er een stukje van het stolsel afbreekt, door het bloed wordt meegevoerd en zo embolie veroorzaakt.
De verschijnselen zijn pijn in het been (deze begint meestal in de kuit) en tevens zwelling en roodheid op de plaats waar de trombose zich bevindt. De belangrijkste complicatie van veneuze trombose is het optreden van een longembolie. Deze kan ontstaan wanneer een trombus losraakt en door het bloed naar de longen wordt vervoerd. Dit kan gepaard gaan met kortademigheidsklachten of pijn bij diep doorzuchten.
Een trombus is een stolsel in de binnenkant van een bloedvat. Trombusvorming of trombose kan in alle bloedvaten in het lichaam en in het hart optreden. Als er een trombus losschiet en hij naar de longen gaat, dan heb je een longembolie. Het is dus belangrijk dat het voorkomen wordt. Hier zijn preventieve maatregelen voor namelijk:
- Een goed houding in bed aan te nemen, zodat er gen druk op de bloedvaten staat.
- Met de benen en voeten bewegen zodat de spierpomp gestimuleerd wordt.
- Na een operatie snel weer gaan bewegen, zodat de kans op trombose/embolie zo klein mogelijk wordt.
- Antistollingsmiddelen geven. Dit gaat op voorschrift van de arts en wordt veel gegeven na een standaardbehandeling of bij bepaalde operaties.
- Na langdurige bedrust en bij spataderen de benen zwachtelen, om uitzetting van de aders (stuwing) tegen te gaan.
Anatomie van huid, spieren en spijsverteringslokaal.
Anatomie van de huid
De bovenste (buitenste) laag van de huid is de opperhuid. Hierin bevindt zich de hoorn- of eeltlaag die voor stevigheid zorgt. Ook worden hier zwarte pigmentkorreltjes aangemaakt (vooral 'melanine') die zorgen voor pigment: de kleuring van je huid. De opperhuid bestaat voor zo'n 70% uit water, maar voor de hoornlaag is dat maar 15%. Het vochtgehalte in de huid zorgt ervoor dat je huid er jeugdig en fris uitziet. Een babyhuidje bevat dan ook veel water en weinig vet. Een huid met lage vochtigheidsgraad blijft even een paar seconden omhoog staan als je een huidplooi oppakt. Veel water drinken helpt om het vochtgehalte op peil te houden. Wassen met zeep wordt afgeraden bij een droge huid: het verwijdert wel vet uit de huid, maar onttrekt ook vocht. Hoorn oftewel eelt neemt makkelijk water op en kan dan heel week worden, bijvoorbeeld onder de voetzolen. Maar het droogt ook weer makkelijk uit, waardoor schilfers kunnen ontstaan. Voordeel is dat deze huid wel heel slijtagebestendig en stevig is.
Onder de opperhuid ligt de dikkere lederhuid. Deze is opgebouwd uit een ingewikkeld netwerk van steunvezels en elastische vezels. Deze geven dus steun aan de huid, en zorgen dat de huid elastisch is. Als je ouder wordt gaat de rek uit de elastische vezels. Ook neemt de hoeveelheid vocht af in de tussenstof: een stof tussen de vezels. Bij veel vocht zwellen de stofdeeltjes op, en wordt de huid glad en glanzend. De vezelproductie wordt bepaald door onze hormonen. Geslachtshormonen zorgen voor een ophoping van vocht. Daardoor hebben veel vrouwen last van een opgezwollen gevoel in handen of voeten net voor de menstruatie.
Anatomie van de spieren
Het menselijk lichaam telt meer dan zeshonderd spieren, met ieder een eigen functie. Sommige spieren zorgen voor de voortbeweging, andere zijn betrokken bij bijvoorbeeld de ademhaling, de hartslag of de spijsvertering.
Skeletspieren maken ongeveer veertig procent van het lichaamsgewicht uit en geven samen met botten en huid de vorm aan het lichaam.
De skeletspieren (dwarsgestreepte spieren) zijn aan de uiteinden door middel van pezen aan de beweegbare beenderen verbonden. Zij zorgen ervoor dat de gewrichten kunnen bewegen. Ze bestaan uit spiervezels en kunnen zich samentrekken. Als de spier zich spant, wordt deze korter en trekt aan de pees, waardoor het bot beweegt. Wanneer deze spieren overbelast worden, ontstaat er spierpijn.
Spieren hebben energie nodig om samen te trekken of korter te worden. Deze korter makende bewegingen leveren de kracht die nodig is om trekkracht op botten uit te oefenen, en voor het maken van een breed scala van lichaamsbewegingen, van hardlopen tot glimlachen. Spieren handhaven ook de lichaamshouding en stabiliseren de gewrichten. Door de warmte die bij spiersamentrekkingen als bijproduct wordt afgegeven, blijft het lichaam warm.
Spieren zitten overal, zelfs in de ogen en de huid, en ook het hart is een spier. Iedere beweging die een lichaam maakt, van een knipoog tot een reuzensprong, wordt gemaakt met spieren. Dat geldt ook voor de bewegingen binnenin het lichaam, zoals de hartslag en het voortduwen van voedsel door de darmen. Zonder spieren zouden we geen vin kunnen verroeren.
Als een spier zich spant, wordt die korter en dikker. Bij het korter worden, trekt de spier aan de lichaamsdelen waaraan ze bevestigd is. De grote spier achter aan de achterkant van het bovenbeen bijvoorbeeld zit met de bovenkant vast aan het heupbeen en met de onderkant aan het scheenbeen.
Wanneer die spier zich korter maakt door te spannen, trekt ze aan het scheenbeen, waardoor de knie zich buigt.
Spieren kunnen alleen maar trekken. Ze kunnen niet duwen. Als de grote spier in het dijbeen zich ontspant, wordt ze slap. Deze spier kan het been niet weer recht duwen. Daarvoor moet de spier aan de vóórkant van het dij zich spannen. Die trekt dan aan de voorkant van het scheenbeen en maakt het been weer recht. Heel wat spieren in het lichaam werken op deze manier in paren. De ene spier trekt een lichaamsdeel de ene kant op, de andere trekt het weer terug.
De meeste spieren in het lichaam worden na verloop van tijd moe. De hele dag houden de nekspieren het hoofd overeind. De kaakspieren openen en sluiten de mond, en de ooglidspieren openen en sluiten de ogen en knipperen met de oogleden. Bij vermoeidheid, beginnen de spieren vanzelf te verslappen. Het hoofd knikt voorover, de mond zakt open en de ogen vallen dicht.
De spieren die de armen, benen, gezicht, hoofd en lichaam bewegen zijn ‘willekeurige’ spieren. Dit betekent dat ze alleen maar werken als iemand dat wil. Vaak moet er goed nagedacht worden welke spieren voor een bepaald karwei nodig zijn, bijvoorbeeld als een kind leert fietsen en het tegelijkertijd moet leren te trappen, te sturen en het evenwicht te bewaren. Pas na veel oefening kan men willekeurige spieren gebruiken zonder er steeds bij na te denken.
Het hart is eigenlijk één grote speciale spier, de hartspier. Iedere keer dat de hartspier samentrekt, wordt er bloed uit het hart geperst. Dat samentrekken is te horen en dat noemen we de hartslag. De hartspier werkt dag en nacht en wordt nooit moe.
De ingewanden en andere organen zijn deels opgebouwd uit ‘onwillekeurige’ spieren. Die heten zo, omdat ze automatisch hun werk doen.
Anatomie van het spijsverteringskanaal
Het spijsverteringssysteem bestaat uit het spijsverteringskanaal – een gespierde pijp die van de mond tot de anus loopt – plus de verschillende klieren en organen die ermee verbonden zijn. Men noemt het spijsverteringssysteem ook wel het gastrointestinale kanaal, GI kanaal, het maagdarmkanaal of het voedselkanaal.
Vanuit structureel oogpunt, bestaat het spijsverteringskanaal over de gehele lengte uit een gespierde pijp. Vanuit het oogpunt van een dwarslaesie, is het handig om deze pijp te zien als twee delen:
• Het bovenste deel van het spijsverteringskanaal
• Het onderste deel van het spijsverteringskanaal
Elk deel kan verdeeld worden in verschillende secties (zie figuur ‘Het spijsverteringskanaal’).
De mond en slokdarm
De ingang tot het spijsverteringskanaal is de mond. Deze bestaat uit de kaken, kaakspieren, tanden, speekselklieren en tong, allen betrokken bij het kauwen. De binnenkant van de mond bevat speekselklieren die speeksel afscheiden. De slokdarm is de gespierde pijp die de achterkant van de mond verbindt met de maag
De maag
De maag is een zeer rekbare voedselopslag- en verwerkingsruimte. Bij de ingang van de maag zit een klepconstructie genaamd de cardiale sluitspier of slokdarm sluitspier. Deze klep weerhoudt de maaginhoud ervan in de slokdarm gedrukt te worden door de spierbewegingen van de maag.
Ter hoogte van de verbinding tussen de maag en de dunne darm zit nog de pylorische sluitspier, die de maaginhoud gescheiden houdt van die van de dunne darm totdat dat nodig is. Als het voedsel eenmaal bewerkt is in de maag wordt het beetje bij beetje losgelaten in de dunne darm.
Het onderste deel van het spijsverteringskanaal (darmen)
Darmen is een algemene term die verwijst naar de dunne en dikke darm.
De dunne darm
Deze kan verdeeld worden in de twaalfvingerige darm, de nuchtere darm en de kronkeldarm. De twaalfvingerige darm is 20-25 cm lang; de nuchtere darm is rond de 3.5 meter lang en de kronkeldarm 4.5 meter. De nuchtere darm en kronkeldarm liggen opgevouwen in bochten en spiralen.
De dikke darm
De dikke darm is het laatste deel van het spijsverteringskanaal. Hij is 1.5 meter lang en bestaat uit 6 delen, de blindedarm, de opgaande dikke darm, de dwarse dikke darm, de neergaande dikke darm, het sigmoïd en het rectum. Het rectum eindigt bij de anus, waardoor de ontlasting naar buiten komt.
De anus heeft twee sluitspieren, de interne en de externe. De interne sluitspier wordt gecontroleerd door het onvrijwillige (automatische) autonome zenuwstelsel. Over de externe sluitspier heeft men controle. De reksensoren in de darmwand die verbonden zijn met het lagere ruggenmerg geven signalen af als er ontlasting in het onderste deel van de darm zit, zodat het gevoel van aandrang ontstaat.
Rol van het spijsverteringssysteem
Het spijsverteringssysteem speelt enkele belangrijke rollen:
• Voedselopname
• Voedselvertering (spijsvertering) als voorbereiding voor absorptie in het lichaam
• Absorberen van voedingsstoffen die het lichaam nodig heeft voor groei en energie (absorptie)
• Verwijdering van overblijfselen en afvalproducten (uitscheiding).
Het bovenste deel van het spijsverteringskanaal is grotendeels verantwoordelijk voor opname en spijsvertering, terwijl het onderste deel verantwoordelijk is voor absorptie en uitscheiding.
De spijsvertering
Het spijsverteringsproces begint wanneer voedsel gekauwd en vermengd wordt met speeksel. Het speekselenzym amylase of ptyaline start de afbraak van voedselkoolhydraten en zet die om in simpelere substanties.
Kauwen bereidt het voedsel voor op de vertering die dieper in het kanaal plaatsvindt. Het zet het voedsel om in een pasta die door de tong en tanden tot een bal gevormd wordt en naar de keel bewogen wordt wat een reactie teweeg brengt; het slikken.
Slikken is een proces wat men peristalsis noemt, waarbij de gespierde wand van het spijsverteringskanaal zich vóór de voedselbal ontspant en achter de voedselbal samentrekt om de bal door de slokdarm naar de maag te bewegen. Dit type gecoördineerde spieractiviteit komt voor in het gehele spijsverteringskanaal en wordt geïllustreerd in de afbeelding ‘Peristaltiek’. Slikken bestaat ook uit andere reflexacties die het binnengaan van voedsel in de luchtpijp tegengaan en lucht in de slokdarm voorkomen.
Het tegenovergestelde van slikken kan ook voorkomen, wanneer de achterkant van de keel wordt aangeraakt of ruw gekieteld wordt bijvoorbeeld als men een visgraat inslikt. Het kokhalseffect kan voedsel uit de slokdarm terug in de mond brengen.
Wanneer voedsel de maag binnenkomt produceren de maagklieren in de maagwand een mix van verterende enzymen en zuur (maagsap) om het voedsel af te breken. Een van die enzymen, pepsase, breekt de eiwitten in het voedsel af. Het maagzuur helpt het enzym zijn werk doen en doodt schadelijke bacteriën. De spieren in de maagwand trekken samen om het voedsel goed te mixen met het maagsap.
Maagsap is erg corrosief. De maagwand produceert slijm en voorziet.zichzelf daarmee van een beschermend laagje
Tijdens de vertering wordt er bloed aangevoerd vanuit andere lichaamsdelen naar de maag Dit wordt geregeld door het zenuwstelsel. Dit extra bloed levert stoffen voor de maagsapproductie en stelt de maagwand in staat zichzelf te vernieuwen. Het voert ook geabsorbeerde voedingsstoffen af via de maagwand. Door die extra bloedtoevoer kan schade aan de maagwand ernstige, levensbedreigende bloedingen veroorzaken.
Om dit risico te verminderen heeft de maag enkele beschermingsmechanismen, zoals de slijmlaag waar we het al eerder over hadden. Daarnaast bevat de maagwand dicht op elkaar gepakte cellen zodat schadelijke stoffen niet kunnen doordringen. De cellen zelf worden snel vervangen bij beschadiging om de wand intact te houden. Bij een lege maag stopt de maagzuurproductie om onnodige blootstelling aan het maagsap te vermijden.
Het onderste deel van het spijsverteringskanaal
Wanneer het voedsel eenmaal vermengd en gedeeltelijk verteerd is in de maag, passeert het naar de dunne darm als een dunne pasta genaamd: chijm. Peristaltische bewegingen duwen het chijm in kleine hoeveelheden van de maag naar de twaalfvingerige darm.
De binnenkant van de twaalfvingerige darm produceert verteringsenzymen. De alvleesklier (een klier dichtbij de maag) en de galblaas (een blaas aan de lever) geven ook verteringsenzymen en andere chemicaliën af aan de twaalfvingerige darm. Deze enzymen en stoffen neutraliseren al het overgebleven zuur snel en breken vetten, koolhydraten en overgebleven eiwitten in het chijm af tot een voor het lichaam te absorberen vorm. Deze voedingsstoffen worden door de dunne darmwand geabsorbeerd in het bloed. Peristaltische bewegingen in de dunne darm mixen het chijm voortdurend met deze verteringsenzymen en bewegen het voedsel langzaam naar de dikke darm. Die voortdurende bewegingen kunnen klinken als gorgelen, door een stethoscoop op de onderbuik. Dit zijn de darmgeluiden.
De dikke darm is hoofdzakelijk een tijdelijk opslagorgaan. Alleen water, vitaminen en enkele mineralen worden hier geabsorbeerd. De inhoud bestaat uit ruwe vezels en onverteerbaar materiaal overgebleven van het spijsverteringsproces. Doordat water weer opgenomen wordt in de dikke darm verdikt dit materiaal tot de bekende ontlasting. Speciale bacteriën in de dikke darm breken de afvalstoffen verder af waarbij er als bijproduct vitamine K en B-complex geproduceerd worden.
De peristaltiek vermindert behoorlijk in de dikke darm. In plaats daarvan zijn er enkele stevige samentrekkingen per dag, gewoonlijk net na het eten. Deze reactie van de dikke darm, op het binnenkomen van voedsel in de maag en twaalfvingerige darm noemt men de gastrocolische reflex.
De ontlasting
Het onverteerbare materiaal hoopt zich op in de dikke darm en het rectum totdat de reksensoren de behoefte tot ontlasten veroorzaken via de sacrale spinale reflexen (S2 tot S4 van het ruggenmerg). We worden als kind geleerd om controle te krijgen over deze reflex. Wanneer we bewust de anus dichtknijpen omdat het niet uitkomt op dat moment dan verdwijnt het aandranggevoel voor een tijdje. Op een geschikte plaats en moment kunnen de interne en externe sluitspier bewust worden ontspannen. De ontlasting wordt naar buiten gedrukt via een krachtige peristaltische samentrekking van de dikke darm en het rectum onder onvrijwillige (parasympathetische) zenuwstelsel controle.
Dit proces kan begeleidt worden door training en inspanning van de onderbuik en door druk op de dikke darm te zetten om de ontlasting sneller eruit te drukken..
Zenuwcontrole van het spijsverteringssysteem
Afgezien van het kauwen, het slikken en de controle over de interne en externe sluitspieren wordt het spijsverteringsproces bijna geheel automatisch gecontroleerd door het autonome zenuwstelsel. Het autonome zenuwstelsel is verdeeld in het parasympathische zenuwstelsel en het sympathische zenuwstelsel. Het parasympathische zenuwstelsel bestuurd de routinefuncties van het lichaam, terwijl het sympathische zenuwstelsel meer een alarmerend systeem is en de zaken waarneemt wanneer dit nodig is. Het spijsverteringsproces wordt bijna geheel gerund door het parasympathische zenuwstelsel, alhoewel het sympathische systeem ook wat controle hierover heeft. Omdat een dwarslaesie vaak schadelijker is voor het sympathische zenuwstelsel wordt de spijsvertering niet zo sterk beïnvloedt als andere lichaamsfuncties.
De darmen hebben een extra zenuwstelsel, een netwerk van onafhankelijke zenuwen rondom de darmen zelf die geen signalen behoeven vanuit het ruggenmerg of de hersenen. Deze reageren automatisch op uitzetting van de darmen met ontlasting ter stimulering van peristaltische bewegingen. Door dit onafhankelijke systeem blijven sommige darmfuncties onaangetast na beschadiging van het autonome zenuwstelsel zoals hierboven beschreven.
De huid is uit verschillende lagen opgebouwd. Van buiten naar binnen zijn de lagen :
- de opperhuid ( epidermis )
- de lederhuid ( dermis of corium )
- onderhuidsbindweefsel ( subcutis = hypodermis )
De opperhuid is een laagje maar daartussen zitten toch nog een aantal andere laagjes. De 2 belangrijkste zijn :
- de slijmlaag
- de hoornlaag
De binnenste laag van de slijmlaag is de moederlaag ( matrix of kiemlaag ) deze laag grenst aan de lederhuid .
de opperhuid heeft geen bloedvaten , daarom worden de cellen van de moederlaag vanuit de lederhuid voorzien van zuurstof en voedingsstoffen .
vanuit de moederlaag groeit de opperhuid aan. In de cellen van de moederlaag is een kleurstof aanwezig , deze bepaald samen de kleur van de lederhuid en de mate van de bloeddoorstroming de kleur van de huid.
De buitenste laag van de opperhuid is de hoornlaag. Die bestaat uit platte dode cellen met hoornstof ( keratine ). Wanneer de hoornlaag dik is noemen we dat eelt.
De lederhuid is opgebouwd uit bindweefsel en heeft 2 lagen:
- papillairlaag
- netvormige laag
de papillairlaag ligt aan de moederlaag van de opperhuid
In de lederhuid liggen verschillende klieren, cellen en vaten :
- bloed –en lymfevaten
- zintuigcellen
- zenuwuiteinden
- haarwortels met talgklieren
- gladde spiervezels
- zweetklieren
- ( evt grote zweetklieren ( apocriene klieren of geurklieren ) )
- en cellen met afweerfunctie
de afvoerbuizen van de zweetklieren en de talgklieren lopen door de opperhuid heen.
De functie van de huid is :
- bescherming
- warmteregulatie
- uitscheiding ( excretie )
- zintuiglijke waarneming
Spierstelsel
het spierstelsel zorgt voor beweging , voortbeweging , fixatie( staan en ziten ) en bescherming.
Spieren zijn een bron van warmteproductie.
Iedere dwarsgestreepte spier bestaat uit een aantal spierbundels. Om elke spierbundel zit bindweefsel. Iedere spierbundel heeft spiercellen.
Om een spier zit een fascie , een stevig omhullend bindweefselvlies.
Een pees ( tendo ) is een koordvormig bindweefsel , tussen een spier en een bot. Om een pees zit een bindweefselkoker daarin kan de spier heen en weer glijden.
Via impulsen uit het zenuwstelsel word ervoor gezorgd dat de bewegingen goed uitgevoerd kunnen worden. Spieren zijn dus verbonden met zenuwen.
Doordat er door heel je lijf spieren aan zenuwen zitten kun je bewegen.
Spijsvertering
de spijsverteringsorganen nemen het voedsel op , zei bewerken het dan zo dat de koolhydraten , vetten en eiwitten door enzymen worden gesplist. Via de darmwand moet het verteerde voedsel worden opgenomen in het bloed – en lymfevaten .
ook is het de taak van de spijsvertering om de onverteerde voedselresten via de dikke darm te verwijderen.
Het spijsverteringskanaal bestaat uit de volgende onderdelen :
- mondholte ( cavum oris )
- keelholte ( farynx
- slokdarm ( oesophagus )
- maag ( gaster )
- dunne darm ( intestinum tenue )
• 12 vingerige darm ( duodenum )
• nuchtere darm ( jejunum )
• kronkeldarm ( ileum )
- dikke darm ( colon )
• blindedarm ( caecum ) met wormvormig aanhangsel ( appendix vermiformis )
• karteldarm ( colon )
- colon ascendens : opstijgend deel
- colon transversum : dwarslopend deel
- colon descendens : dalend deel
- colon sigmoideum : S-vormig deel
• endeldarm ( rectum )
In de mondholte wordt door het kauwen het voedsel fijngemaakt en het wordt met speeksel vermengd. Speeksel wordt gemaakt door speekselklieren : oorspeekselklier , ondertongspeekselklier , onderkaakspeekselklier . daarna gaat het voedsel naar de keelholte (farynx ) die bestaat uit : nasofarynx ( neus keel holte ) , orofarynx ( mond keel holte ) laryngofarynx ( strottehoofd keelholte ). De keelspiertjes trekken samen daardoor gaat de keelholte dicht en het strottehoofd wordt een beetje omhoog getrokken de spijsbrok ( eten ) glijdt hierdoor naar de slokdarm. Na De slokdarm ( oesophagus ) gaat het voedsel naar de maag ( gaster ) de maag heeft 3 taken :
De maag is een opslagplaats zodat niet alles meteen naar de dunne darm gaat. De maag zorgt voor het mengen kneden en transport van het voedsel. En de maag verteerd het voedsel door middel van sappen. Via de maag komt het voedsel in de dunne darm ( intestinum tenue ) de dunne darm zorgt voor de eindvertering , de dunne darm vervoert het onverteerde voedsel naar de dikke darm. Via de dikke darm komt het voedsel bij de endeldarm en heb je ontlasting.
Samenvatting anatomie/fysiologie huid.
De huid is uit verscheidene lagen opgebouwd en omhult het gehele lichaam. De huid bestaat van buiten naar binnen uit:
- De opperhuid (epidermis),
- De lederhuid (dermis of corium) en
- Het onderhuids bindweefsel (subcutis = hypodermis).
De opperhuid (epidermis).
De opperhuid bestaat uit meerlagig verhoornend plaveiselepitheel. Er zijn een aantal laagjes te onderscheiden van de opperheid, hoewel hij erg dun is. De twee belangrijkste zijn de slijmlaag.
De binnenste laag van de slijmlaag is de moederlaag of kiemlaag, die grenst aan de lederhuid en hierin met kleine regelmatig gevormde uitstulpingen (papillen) binnendringt.
De lederhuid (dermis of corium).
De lederhuid is opgebouwd uit bindweefsel en bestaat uit twee lagen:
- De papillairlaag en
- De netvormige laag.
De papillairlaag grenst aan de moederlaag van de opperhuid, waardoor een hechte verbinding ontstaat tussen deze beide lagen. De papillen bestaat uit losmazig bindweefsel met collagene en elastische vezels en veel bloedvaatjes daaromheen.
De netvormige laag bevat veel collagene en elastische vezels; door de met elkaar verlochten bundels collagene vezels krijgt de huid zijn trekvastheid. Deze vezels verlopen volgens een bepaald patroon: de splijtlijnen.
Het onderhuidsbindweefsel (subcutis = hypodermis).
Het onderhuidsbindweefsel is losser van structuur dan de bovenliggende huidlagen. De collagene en elastische vezels van het onderhuids bindweefsel lopen door tot de netvormige laag van de lederhuid.
Functies van de huid zijn: bescherming, warmteregulatie, uitscheiding (excretie) en zintuiglijke waarneming.
In de huid kan men een aantal bijzondere vormels onderscheiden: de haren, nagels, zweetklieren, talgklieren, cerumenklieren, melkklieren en het kliefweefsel.
Samenvatting anatomie/fysiologie spieren.
Het spierstelsel zorgt voor beweging en voortbeweging, voor fixatie van het lichaam (staan en zitten) en voor bescherming: ze vormen een deel van de lichaamswand. Spieren zijn bovendien een bron van warmteproductie. Op grond van bouw en functie kan met drie typen spierweefsel onderscheiden.
- Glad spierweefsel; dit komt voor in de wand van holle organen zoals in de wand van het darmkanaal en van de bloedvaten (onwillekeurig spierweefsel).
- Dwarsgestreept spierweefsel; dit komt voor bij de skeletspieren. Willekeurige spieren, deze worden meestal onwillekeurig gebruikt zoals de ademhalingsspieren.
- Hartspierweefsel; de hartspiercellen zijn dwarsgestreept, maar de werking is onwillekeurig. De hartspiervezels bezitter per cel één centraal gelegen kern en vormen een vertakt netwerk. Het weefsel reageert snel en is toch onvermoeibaar doordat het telkens een kortdurende activiteit afwisselt met een kortdurende rustperiode.
Samenvatting anatomie/fysiologie spijsverteringskanaal.
De spijsverteringsorganen hebben tot taak het opgenomen voedsel zodanig te bewerken dat de in het voedsel aanwezige grote moleculen van de koolhydraten, vetten en eiwitten door middel van enzymen worden gesplitst (verteerd) in hun bouwstenen. Via de darmwand moet vervolgens het verteerde voedsel worden opgenomen in bloed- en lymfevaten: resorptie. Onverteerbare en onverteerde voedselresten worden via de dikke darm verwijderd uit het darmkanaal.
Het spijsverteringskanaal (tractus digestivus) bestaat uit de volgende onderdelen:
- Mondholte (cavum oris). Door het kauwen wordt het voedsel fijngemaakt en met speeksel vermengd.
- Keelholte (farynx).
- Slokdarm (oesophagus),
- Maag (ventriculus, gaster). Ligt grotendeels linksboven in de buikholte. De maag is een tijdelijk reservoir voor het voedsel, zodat de dunne darm niet te vel voedsel tegelijk te verwerken krijgt. Door middel van peristaltische bewegingen zorgt de maag voor het mensen, knede en het transport van het voedsel. Ook speelt de maag een belangrijke rol bij de vertering door middel van het door de maagsapklieren afgescheiden maagsap.
- Dunne darm (intestinum tenue). De dunne darm zorgt voor de eindvertering, de resorptie van het verteerde voedsel en voor het transport van het onverteerbare en onverteerde voedsel naar de dikke darm. In de dunne darm komt er pancreassap afkomstig van de pancreas, gal en darmsap bij de voedingsresten. De dunne darm heeft een lengte van ongeveer 6m, terwijl de diameter ongeveer 3 cm bedraagt. Hij is opgebouw uit deze drie onderdelen:
Twaalfvingerige darm (duodenum),
Nuchtere darm (jejunum),
Kronkeldarm (ileum).
- Dikke darm (intestinum crassum = ‘colon’). De dikke darm heeft een
totale lengte van ongeveer 1,5 m. De ligging i sintraperitoneaal behalve de delen colon ascendens en colon descendens en het rectum, dat subperitoneaal ligt. De functie van de dikke darm bestaat o.a uit de terugresorptie van water en zouten waardoor de onverteerde en onverteerbare resten verder worden ingedikt.
Blinde darm (caecum) met wormvorig aanhangsel
(appencix vermiformis).
Karteldarm (colon):
• Colon ascendens: opstijgende deel,
• Colon transversum: dwarsverlopend deel,
• Colon descendens: dalend deel,
• Colon sigmoideum (sigmoïd): S-vormig deel.
Endeldarm (rectum). De anus bestaat uit twee sluitspieren (sfincters) namelijk een uitwendige sluitspier (dwarsgestreept en dus willekeurig) en een inwendige sluitspier (gladde spier en dus onwillekeurig). We spreken van ‘aandrang’ wanneer de inwendige sluitspier geopend is, terwijl de uitwendige nog gesloten is. De feces bestaat uit de volgende bestanddelen: voedselresten, water, slijm, bacteriën, afgestoten darmwandcellen, galkleurstoffen (kleur) en zouten (o.a calciumzouten, fosfaten en ijzer). De vorm van de feces is normaal (bij volwassenen) worstvormig. Bandvormige en brijige feces zijn abnormaal.
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons dan weten.
a d v e r t e n t i e

Wat ga jij later doen voor je poen? Het liefst wil je een uitdagende baan met een goed salaris. Misschien iets met economie en biologie. Met mensen werken, in een team van experts of als zelfstandig ondernemer. Niet alleen op kantoor, maar ook buiten aan de slag. Wil je weten hoe? Check www.beleefbuiten.nl, doe mee met de actie en win een VIP-dag!
a d v e r t e n t i e
Win beltegoed met Cash
Cash helpt je slimmer met je geld omgaan. Zodat je minder snel zonder beltegoed komt te zitten. Probeer nu de tools van Cash! Met de Cashculator Mobiel ontdek je wat voor beller je bent. Of speel de Cash Battle op Hyves, daag je vrienden uit en maak kans op €500 beltegoed! De game duurt maar een minuutje!
Zonder jouw bijdrage kan Scholieren.com niet bestaan. Help andere scholieren door je eigen samenvattingen en ander huiswerk op te sturen.

Er komt een meisje huilend de klas uit lopen. Dan mag Femke. Leuk!