Geschreven door: | loren en renske (5 havo) |
Datum ingestuurd: | 14 april 2008 |
Taal: |  |
Woorden: | 3.650 |
Bekeken: | 5507 keer (46 deze maand) |
Waardering: |
|
Deel op: |
|
Samenvatting Nectar hoofdstukken 15 tot en met 18Hoofdstuk 15Het hart: Bestaat uit 2 helften, linker + rechter helft.
Elke helft is opgebouwd uit een kamer en een boezem.
Beide helften zijn gescheiden door een tussenschot.
Linker kamer heeft een dikkere wand. (grotere weerstand)
Rechter harthelft is kleine bloedsomloop (door de longen)
Linker hartheft is grote bloedsomloop (rest van het lichaam)
Bloedsomloop: Bloed uit je organen komt in het hart door de onderste/bovenste holleader (zuurstofarm).
Dit verzameld zich in de rechterboezem en dan naar de rechterkamer (via hartklep).
Rechter kamer pompt het bloed de longslagader in die in 2 takken splitst.
1 gaat naar linker en 1 naar rechter long. Hier neemt bloed zuurstof op en staat co2 af.
Via longaders terug naar het hart en verzameld in de linker boezem.
Vanaf de linkerboezem stroomt het naar linkerkamer (via hartklep) en dan de aorta in.
Aorta vertakt zich naar de organen. Bloed geeft zuurstof af en neemt co2 op.
Vanuit organen stroomt het bloed terug naar het hart.
Ontstaan van het geluid wat je hoort als je naar iemands hart luistert:
Het openen en sluiten van hartkleppen en slagaderkleppen.
Hartminuutvolume:De maat voor de pompwerking van je hart. Het is de hoeveelheid bloed die één kamer in één minuut wegpompt. Je kan het berekenen door:
Hoeveelheid bloed die een kamer in één hartslag wegpompt (slagvolume) x aantal keren dat je hart per minuut klopt (hartslagfrequentie)
Embryonale bloedsomloop:Longen werken nog niet, dus er stroomt weinig bloed door longhaarvaten. Er is een verbinding tussen de rechter en linker boezem en tussen de longslagader en aorta.
Wand van slagaders en aders:3 lagen, een dunne binnenlaag dekweefsel, een middenlaag gladspierweefsel, buitenlaag van bindweefsel.
Wand van haarvaten:Slecht één laag dekweefselcellen. Ze zitten niet goed tegen elkaar aangesloten en is dus ‘een vergiet’. Dit maakt hen geschikt voor hun functie: uitwisselen van stoffen.
Wand van de aorta en andere grote slagaders:Elastische wand, waardoor hij bij elke hartslag uitrekt en terugveert. Dit vangt de grootste klap op.
Bovendruk: Verhoging van de druk van het bloed door het bloed dat je kamers de slagaders in persen.
Onderdruk: Je hoort niets, bloed stroomt ongehinderd.
Stroomsnelheid:Hangt af van wrijving langs de bloedvatwand en de gezamenlijke diameter van de bloedvaten.
Bloeddruk aders:Haarvaten gaan over in aders, de bloeddruk is laag. De pompende werking van het hart is ver weg. Bloed moet omhoog tegen de zwaartekracht in. Kleppen in de aderen verhinderen de terugstroom ook bewegingen van spieren helpen het bloed naar het hart terug te krijgen. Deze bewegingen duwen de aders open en dicht.
Herverdeling van het bloed in je lichaam:Spiertjes in je slagaders kunnen de doorsnee van de slagaders veranderen.
Bloedplasma:Bestaat vooral uit water met hierin stoffen als zouten, voedingsstoffen, hormonen en antistoffen.
Bloedcellen:Worden gevormd in het rode beenmerg van je platte botten. Je hebt rode, witte en bloedplaatjes.
Rode bloedcellen:Platte, ronde cellen met aan beide kanten een deuk in het midden. Ze hebben geen kern. Ze bevatte hoge concentratie hemoglobine (eiwit). Dit geeft de kleur en zorgt voor vervoer zuurstof en co2.
Witte bloedcellen:Kunnen van vorm veranderen. Hebben wel een kern en zij spelen een rol bij de afweer tegen ziekteverwekkers.
Bloedplaatjes:Zijn erg klein, zijn ontstaan door het uiteenvallen van andere cellen. Ze spelen een rol bij bloedstolling.
Werking van bloedstolling:Spiervezels in de wand trekken samen. Er komt vaatvernauwing zodat bloedverlies verminderd.
Tromboplastine komt vrij uit de beschadigde cellen en geven een signaal tot reparatie. Dit signaal wordt opgepikt door bloedplaatjes en stollingseiwitten. Bloedplaatjes worden kleverig aan gaan aan de rand van de wond plakken. Bij bloedvaten is dit genoeg anders wordt er nog een bloedstelpende prop gemaakt waar bloedplaatjes basis van vormen.
Stollingeiwitten raken geactiveerd (o.a. fibrinogeen) Fibrinogeen wordt fibrine. Fibrine draden vormen een netwerk verstevigings draden de draden trekken samen en knijpen het vocht eruit. (serum)
Waarom meer rode bloedcellen bij hoogte:Toename van rode bloedcellen compenseert de geringe hoeveelheid zuurstof.
Filtratie:De bloeddruk in de haarvaten zorgen ervoor dat bloedplasma de weefselvloeistof ingeperst wordt.
Resorptie:Door verschil in osmotische waarde (minder eiwitten in weefselvloeistof) stroomt weefselvloeistof ook terug naar het bloed.
Actief transport:Bewegen van stoffen waarbij het energie kost. (via de celmembraan)
Lymfevaten:Beginnen als kleine buisjes in de buurt van de haarvaten. Ze vormen naast het bloed een tweede afvoerweg voor weefselvloeistof.
Belangrijke organen in het lymfesysteem zijn lymfeknopen zoals de amandelen en de milt. Stroming van de lymfe komt vooral tot stand door de samentrekking van spieren. Kleppen verhinderen terugstroming.
De wand van een lymfevat:Opgebouwd uit een laag dekweefselcellen met kleine tussenruimten.
Atherosclerose: Ontstaat door aangekoekte cholesterol (plaque) die steeds verder doorgroeit.
Het veroorzaakt vernauwing van de bloedvaten. Het vergroot de kans op een hart/herseninfarct.
ECG:Elektrocardiogram
Kransslagaders:Wijdvertakt. Kans op atherosclerose is hier groot doordat ze sterk vertakt zijn
Infarct:Op het moment dat er geen bloed meer door een kransslagadertje kan, ontstaat in het weefsel achter de dichtgeslipte plek zuurstoftekort. Het weefsel sterft af.
Dotteren:Chirurg brengt ballonnetje in de kransslagader.
Bypassoperatie:Omweg om de dichtgeslibde kransslagader.
Trombose:Bloedprop. Weinig lichaamsbeweging verhoogt de kans.
Hoofdstuk 16Voedingsstoffen:Vetten, eiwitten, mineralen, koolhydraten, vitamines en water.
Waardoor zijn grote moleculen wel goed opneembaar?Door de vertering in je mond, maag en darm ontstaan kleinere moleculen. Via bloedvaten komen ze bij de cellen.
Verschillende koolhydraten:Monosachariden – bijv glucose kunnen cellen van darmwand passeren
Disacharide – verbinding van twee monochariden bijv. suiker in thee te groot om cellen van
darmwand te passeren.
Polysacharide - aantal dezelfde monosacharidemoleculen aan elkaar gekoppeld.
Polypeptide ketens:opgebouwd uit een groot aantal aminozuren
Essentiele aminozuren:Aminozuren die je lichaam niet zelf kan maken en dus uit je voedsel moeten komen.
Afbraak eiwitten:Eerst ontstaan polypeptide ketens daarna aminozuren. Deze worden via het bloed naar spieren vervoerd.
Vetmolecuul:3 lange staarten (vetzuurmoleculen) vast aan één knop (glycerolknop). Door ze te scheiden ontstaan opneembare moleculen.
Onverzadigde vetten:Dubbele binding. Ze zijn beter voor je.
Speekselfuncties:Vochtige mond
Stimuleert smaak
Lost voedingsstoffen op
Helpt bij spreken
Helpt bij voorkomen van ontstekingen
Mechanische bewerking:Kauwen en kneden verkleinen het voedsel, ook werking van gal.
Chemische bewerking:Enzymen breken koolhydraat-, eiwit- en vetmoleculen af tot kleinere opneembare moleculen.
Substraat:Molecuul dat precies bij een enzym past.
Enzymen:Helpen bij chemische reacties in de levende natuur. Ze zijn gespecialiseerd in één taak. De vorm is essentieel, elk enzym past precies bij één bepaald molecuul. Het zijn eiwitten.
Enzym-substraat-complex:Als enzymmolecuul en substraatmolecuul botsen en binden.
Enzymreacties bij hoge temperatuur:De reactie gaat sneller hierdoor stijgt de kans op een botsing tussen enzymmolecuul en substraatmolecuul. (enzymactiviteit neemt toe.)
Hoe hoger de temperatuur des te minder werkzame enzymen je overhoudt.
Gedenatureerd: Door hoge temperatuur veranderd de molecuul van vorm. Dit is onomkeerbaar.
Vorm kan ook veranderen door verandering in de zuurgraad.
Uitgang –ase:Dan weet je dat het een enzym is. Het deel voor –ase gaat meestal over het substraat waarop het enzym past.
Amylase:Enzym dat in speeksel zit en zetmeel splitst in kleinere sachariden.
Peptase:Zit in maagsap en splitst de eiwitten in kleinere ketens.
Grote vetdruppels in twaalfvingerige darm:Veranderen in kleine vetdruppeltjes, dit gebeurt door inwerking van gal (emulgeren)
Opneem- en niet opneembare voedingsstoffen:Opneembare kunnen gemakkelijk door de darmwand ter beschikking voor cellen komen. De niet opneembare gaan naar de dikke darm en verdwijnen ze met de ontlasting.
Wand van verteringskanaal:Binnenkant een slijmvlieslaag (dekweefselcellen), daarna dubbele spierlaag.
Preristaltische bewegingen:Kringspieren achter voedselbrok trekken samen en die ervoor ontspannen.
Dunne darm:Sterk geplooid, die plooien bevatten uitstulpingen: darmvlokken. En bevatten ook microvilli
Dikke darm:Ook geplooid maar geen darmblokken en microvilli. Belangrijke taak is de resorptie van water naar het bloed.
Darmslagader:Vertakt steeds meer in kleinere slagadertjes en daarna in haarvaten van de darmvlokken.
Diffusie:Passief proces, kost cellen geen energie
Poortader:Vervoert bloed met opgeloste voedingsstoffen van het darmkanaal naar de lever. Bevat ook aminozuren.
Nieren:Verwijderen afvalstoffen uit je bloed en vormen urine.
Glycogeen:Voorraadsuiker die de lever opslaat van wat overblijft als de glucoseconcentratie precies goed is.
Schommeling in waarde glucoseconcentratie:Doordat de lever glucosemoleculen uit de suikervoorraad haalt en ze afgeeft aan het bloed.
Als de opslagplaatsen vol zijn:Je lever zet de glucosemoleculen die overmatig binnenkomen om in vetmoleculen. Dit komt via het bloed in vetcellen rond de organen en in het onderhuids bindweefsel.
Aminozuren:Nodig als bouwsteen.
Ureum:Ontstaat bij afbraak van niet bruikbare aminozuren door levercellen.
Gal:Levercellen breken hemoglobine van rode bloedcellen af hierbij ontstaat geelgroene kleurstof die in een galbuisje terecht komen. Hierin vermengt de kleurstof zich met galzouten en ontstaat gal.
Alcohol:Komt overal in je lichaam terecht en verwijdt bloedvaten in je spieren en huid. Hersens raken bedwelmd. De lever doet er anderhalf uur over 1 glas alcohol behoudende drank af te breken.
Urineleiders:Brengen urine naar de urineblaas waarna het via de urinebuis het lichaam verlaat.
Nier:Buitenste laag heet nierschors, verder naar binnen ligt het niermerg. Verder naar binnen liggen de nierbekken.
Nierbekken:Kleine verzamelplaats voor urine.
Nefronen: Afzonderlijk werkende niereenheden
Kapsel van Bouwman:Ligt in nierschors
Nierkanaaltjes:Voor grootse deel in het niermerg
Glomerulus:Kluwen haarvaten waarvan de wanden zijn opgebouwd uit een laag dekweefsel.
Ultra-filtratie:Hoge bloeddruk in het glomerulus perst een deel van het bloedplasma naar buiten (de voorurine)
Werking bij de nier:Er komt ultra-filtratie waarbij de voorurine ontstaat dit komt terecht in de holte van het kapsel van Bouwman.
De voorurine gaat via een nierkanaaltje naar een verzamelbuisje dat uitmondt in de nierbekken. Wat na de terugresorptie overblijft is de urine.
Terugresorptie:De bruikbare stoffen in de urine worden door de wanden van de nierkanaaltjes uit de urine gehaald en terug gegeven aan het bloed.
Hoofdstuk 17Regelkring:Voortdurend bepaal je met je ogen en hersenen de richting en stuur je bij met je spieren.
Norm:De gewenste koers in een regelkring
Effectoren:Spieren die je gebruikt
Receptoren:Wat voortdurend de afwijking meet van de norm (ogen)
Negatieve terugkoppeling:Herstellen van een afwijking van de norm met een tegengestelde beweging.
Waarom is weefselvloeistof interne milieu van je lichaam?Voor cellen is dit een leefomgeving. Ze nemen er zuurstof en voedingsstoffen uit op en staan afvalstoffen af.
Zweten:Voordeel: Je koelt af
Nadeel: je interne milieu verandert, je cellen functioneren niet meer goed
Homeostase:Zintuigen, zenuwstelsel en hormoonstelsel werken samen om te voorkomen dat de samenstelling van je interne milieu niet te ver afwijkt.
Gezichtsbedrog:Als je hersenen van de informatie uit je ogen een beeld maken dat, achteraf gezien, niet klopt.
Grootte van je pupil:Vergroten: Komt door samentrekken van straalsgewijze spiervezels
Verkleinen: Door samentrekken kringspieren
Wat breekt het licht dat op je oog valt?Hoornvlies en je ooglens
Ooglens:Zijn elastisch, vorm varieert van bol naar bijna plat. Bevat net als Iris kringspiertjes.
Accommodatie:Vormverandering van de ooglens.
Bolle lens:Dichtbij kijken, lensbandjes verslappen spiertjes in straalvormig lichaam spannen aan.
Platte lens:Ver weg kijken, straalvormig lichaam trekt met behulp van lensbandjes de lens plat.
Bijziend:Je kan dichtbij goed zien en veraf zie je wazig. Lichtbreking in je oog is dan eigenlijk te sterk of je oogbol is te lang.
Verziend:Je kan wat veraf is wel goed zien en wat dichtbij is niet. De lichtbreking is te zwak of de oogbol te kort.
Leesbril:Oudere mensen krijgen dit vaak omdat hun elasticiteit afneemt hierdoor bollen de ooglenzen niet goed genoeg.
Staar:Ziekte waarbij de ooglens troebel wordt.
Gele vlek:Gele vlek bevat uitsluitend kegeltjes, gedeelte recht achter de lens op het netvlies.
Kegeltjes:Receptor cellen met een lichtgevoelig pigment. Er zijn 3 type
Pigment voor rood, pigment voor groen of voor blauw licht.
Impulsen:Elektrische signalen.
Staafjes:Kunnen niet vertaald worden in kleur maar wel in grijstinten. Staafjes werken in groepen daardoor is het beeld minder scherp dan bij kegeltjes. Je ziet beweging maar niet wat het is.
De blinde vlek:Dit is op de plek waar je oogzenuw het oog verlaat en waar bloedvaten door het netvlies gaan. Hier zitten geen lichtreceptoren. Je ziet een deel van je omgeving dus niet.
Centraal zenuwstelsel:Hersenen en ruggenmerg, omdat hier de verwerking van informatie plaats vindt.
Perifeer zenuwstelsel: De aan- en afvoerende zenuwen.
Zintuigen:
Gespecialiseerd in het registreren van één bepaalde verandering in je omgeving. (de adequate prikkel)
Voor andere prikkels zijn ze ongevoelig.
Prikkeldrempel:Zintuigcel reageert pas op een prikkel wanneer die een minimale sterkte heeft dat is de prikkeldrempel.
Keten van gebeurtenissen:Zintuigcellen zetten prikkels om in impulsen. Sensorische zenuwcellen leidden de impulsen naar je hersenen, schakelcellen leidden de impulsen naar verschillende hersengebieden.
Vanuit je hersenen starten nieuwe ketens, schakelcellen geven impulsen door aan motorische zenuwcellen. Je maakt een reactie.
Dendrieten:Uitlopers die impulsen ontvangen en doorgeven naar het cellichaam.
Axon:De uitlopen die de impuls doorgeeft aan andere zenuwcellen of effectoren.
Zenuw:Lange uitlopers van meerdere zenuwcellen bij elkaar in een dikke kabel.
Merschede:Isolerende en voedende laag om de meeste zenuwvezels. Deze laag maakt hoge snelheden in het zenuwstelsel mogelijk.
Synaps:Plaats waar twee zenuwcellen contact met elkaar maken. Hier bevind zich de synapsspleet.
Aan het einde van het Axon bewaart de zenuwcel een speciale overdrachtsstof in kleine blaasjes als een impuls bij een synaps aan komt loost de cel deze stof in de synapsspleet.
Autonome zenuwstelsel:Regelt de functies van organen.
Orthosympathische zenuwen:
Coördineren de werking van je organen tijdens actie.
Parasympathische zenuwen:
Stimuleren processen die zorgen voor rust, herstel en opbouw.
Animale zenuwstelsel:
Regelt je houding, beweging en contact met buitenwereld.
Hersenstam:Hier bevinden zich onder andere het temperatuurcentrum en centra voor bloeddruk, hartslag en ademhaling.
Motorprogramma’s:Ontwikkel je door te oefenen, reeksen van opeenvolgende handelingen.
Reflexen:Voer je altijd onbewust uit als vaste reactie op een prikkel. Ze gaan razendsnel omdat er onderweg geen synapsen zijn.
Hersenschors:Hersencentra in de buitenste laag van je hersenen. Hier verwerk je de informatie uit de verschillende zintuigen in aparte bijbehorende centra.
Secundaire motorische centra:Bevatten het motorisch geheugen voor vaardigheden. (spreken, schrijven).
Reflex: Pijnreceptoren – dendriet – cellichaam – schakelcel – cellichaam – axon – spier.
Hormonen:Chemische boodschappen die via je bloed overal terecht komen.
Op welke manier kan een hormoonklier op afstand de werking van cellen beïnvloeden:Cellen met de juiste receptoren kunnen de boodschap ontvangen en er op reageren. Bijvoorbeeld als je pijn hebt, loost de hypofyse het hormoon ACTH in je bloed. Daarop reageert je bijnier met het afgeven van een ander hormoon dat de pijn onderdrukt.
Hormonale regeling verloopt in 2 stappen:Eerst zet het schildklierstimulerend hormoon (TSH) van de hypofyse de schildklier aan tot het maken van thyroxine. Daarna (stap 2) verhoogt thyroxine de snelheid van de stofwisseling in je cellen.
Hypofyse:Staat in de regeling van hormonen centraal. Beïnvloed veel andere organen. Hypofyse ontvangt signalen uit de hypothalamus.
Insuline:Werkt als een soort sleutel die poorten voor glucose in het celmembraan van je cellen opent. In je lever stimuleert insuline de omzetting van glucose in glycogeen.
Adrenaline:Komt uit het bijniermerg in je bloed bij angst, schrik en stress. Het versnelt de afbraak van glucagon. Hierdoor komt er meer glucose in je bloed.
Hoofdstuk 18Spierpijn: Teken dat spieren licht beschadigt zijn. Als de pijn verdwijnt hebben de spieren zich hersteld.
Trainen:Helpt je prestaties te verbeteren.
Spieren:Kunnen alleen samentrekken, niet verlengen. In je lichaam werken spieren meestal in paren.
Antagonisten:Spieren die in tweetallen werken en een tegengesteld effect veroorzaken.
Skeletspier:Bestaat uit bundels spiervezels, bij elkaar gehouden door bindweefsel. Aan het uiteinde gaat dit bindweefsel over in pezen waarmee je spieren aan je geraamte vast zitten.
Ze heten dwarsgestreepte spieren omdat de spierfibrillen en spiervezels een streepjespatroon hebben doordat het strak gerangschikt is.
Bezit twee typen spiervezels: rode en witte.
Spierfibrillen:Komt in het cytoplasma van een spiervezel voor en zijn allemaal net zo lang als de spiervezel. Elke spierfibril bevat twee typen langgerekte eiwitmoleculen: actine en myosine.
Actine en Myosine:Verschuiven langs elkaar waardoor de spiervezel samentrekt. Hij wordt hierbij kort en dik.
Motorische eenheid:Alles spiervezels die met hetzelfde motorisch neuron verbonden zijn.
Krachtige spieren:Door spieren kort en zwaar te belasten ontstaan er actine- en myosine-eiwitten in de spiervezels. Door splitsing komen er extra spiervezels bij. Aantal spieren blijgt gelijk.
Myoglobine:Bindt, net als hemoglobine in je rode bloedcellen, zuurstof.
Veel myoglobine in spiervezels betekend rood. Weinig betekend wit.
Rode en witte spiervezels:Rode spiervezels kunnen door extra zuurstofvoorraad een inspanning langer volhouden. Ze trekken wel trager samen dan witte.
Hartspier:Net als skeletspier dwarsgestreept.
Functie: samentrekken om het bloed zo efficiënt mogelijk rond te pompen.
Spieren die niet te trainen zijn:Gladde spieren. Er is hier geen streeppatroon
ATP:Oplaadbaar energie molecuul, de bron van energie. ATP geeft zijn energie af als dat nodig is.
3 systemen om ATP weer op te laden:(1) Spieren hebben in het celplasma een noodaccu in de vorm van moleculen CP. CP draagt zijn energie over aan ATP.
ATP + CP = fosfaataccu. Dit bevat voldoende energie voor max. inspanning van 10 sec.
(2) Je spieren krijgen extra energie uit het melkzuursysteem.
(3) aërobe dissimilatie
Anaërobe dissimilatie:Geen zuurstof voor nodig, levert minder moleculen op dan aërobe.
Aërobe dissimilatie:Verbranden van glucose
Zuurstofschuld:Zuurstof die nodig is om dat melkzuur weg te werken.
Longblaasjes:Wanden zijn filter dun, maar één cellaag dik.
Gaswisseling:Door middel van diffusie via de dunne wanden van de longblaasjes
Middenrif:Belangrijkste ademhalingsspier. Koepel vormige plaat van spieren en pezen net boven je maag en je lever.
Bij rusige inademing:Gebruik je het middenrif en je uitwendige tussenribspieren.
Ventilatie:In- en uitademing
Bij snel en diep ademhalen:Inwendige tussenribspieren trekken snel en krachtig samen. Ribben gaan omlaag.
Om je longen zit het longvlies, en aan de binnenkant van je borst zit het borstvlies hiertussen zit een klein laagje weefselvloeistof waardoor ze aan elkaar vast kleven. Daardoor volgen de longen de beweging van de borstkas bij het ademhalen.
Voordelen door neus ademen:Neus verwarmt en bevochtigt de lucht beter dan je mond. Dit beschermd tegen kou en uitdroging.
Slijmvliezen in je neus werken als filter.
Witte bloedcellen in je slijmvliezen doden de meeste ziekteverwekkers.
Kringspiertjes rond de bronchiën en bronchiolen. Als die samentrekken kunnen ziekteverwekkers minder makkelijk binnendringen.
Trilharen:Haartjes in je neus die het slijmvlies gevangen deeltjes als op een lopende band richting de keelholte voeren.
Niezen en hoesten:Zorgen ervoor dat de bacteriën die nog niet zijn tegen gehouden door trilhaartjes met een snelheid van 100km p uur bij hoesten en 160 km p uur bij niezen snel je lichaam verlaten.
Kringspiertjes rond bronchiën en bronchiolen:Die trekken samen zodat je luchtwegen vernauwen en je het benauwd krijgt maar maken het de binnendringende ziektes minder makkelijk de dunne longblaasjes te bereiken.
Roet en teerVormen een laagje op het longepitheel en diffusie van O2 en Co2 gaat dan moeilijker en krijgen de haarvaten rond de longblaasjes zuurstof tekort en sterven ze af.
AsbestVeroorzaakt een ontsteking van het longweefsel, de asbestvezel wordt ingekapseld in een taaie slijmlaag, op termijn 20-30 jr kan dat tot kanker leiden.
AstmaKortademigheid, luchtwegen zijn dan vernauwd door een ontsteking en je krijgt zuurstof tekort.
COPDChronic Obstructive Pulmonary Diseases, verzamelnaam voor chronische bronchitis en longemfyseem. Het slijmvlies is opgezwollen en er wordt meer slijm geproduceerd bij chronische bronchitis wat leidt tot ontstekingen en de kleinste vertakkingen van luchtwegen beschadigen. Bij longemfyseem zijn de longblaasjes kapot.
LongcapaciteitAantal liter lucht die je in- en uitademt, wordt gemeten met een spirometer en de uitkomst wordt weergeven in een spirogram.
Diepe ventilatieEen gezond en getraind persoon kan meer lucht ventileren dan een ongetraind persoon.
Vitale capaciteitMaximale hoeveelheid lucht die je in 1 keer (maximaal inademen+ maximaal uitademen) kunt verversen.
Restvolume of ResiduLucht wat achterblijft na de maximale uitademing. Door het residu gaat de gaswisseling met het bloed tijdens een diepe uitademing gewoon door en wordt vorkomen dat de longen inklappen.
Het restvolume samen met de vitale capaciteit het de totale longcapaciteit, dat hangt samen met de leeftijd, lengte lichaamsbouw en getrainedheid.
AdemcentrumZit in je hersenstam en regelt dag en nacht het tempo van de ventilatie. Het krijgt voortdurend informatie uit je lichaam over de pH, Co2 en O2 gehalte van je bloed. Op basis van deze informatie past het ademcentrum het tempo van je ventilatie(ademhaling) aan. Deze worden gemeten door receptoren in je bloed.
HyperventilatieTe snel achter elkaar ventileren, je ademt dan in rust alsof je aan het hardlopen bent. Je hartslagfrequentie gaat omhoog en je bloed ontvangt te veel O2 uit je longen en geeft te veel Co2 af. Als je schrikt of flauwvalt is je ademhaling meestal weer normaal.
Bijwerkingen:- Vermoeide spieren
- Tintelende handen en voeten
- Concentratiestoornissen
- Dubbel zien
Je ademhaling onder controle krijgen:
- Concentreren op je ademhaling
- Ademsnelheid af remmen
- Meetellen
- Kleine opening tussen je lippen
- Handen voor je mond houden
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen.
Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten.
Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.