geef je mening

Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?



» resultaten poll

ff n studiebreak

Bankhangende Justine steekt loom haar duim op voor niet-sportende jongeren. Want wie sport er tegenwoordig nou nog?

CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.

Geschreven door:

bmth<3 (4 havo)

Datum ingestuurd:

23 januari 2008

Taal:

Woorden:

1.750

Bekeken:

3585 keer (9 deze maand)

Waardering:

3.8/5 (16 stemmen)

Deel op:

Naam:


Klas/niveau:


E-mail:


Bericht:


Bestemd voor

Geheime code: 


 
ARBEIDSMARKT

Hoofdstuk 1 De arbeidsmarkt op

§1.1 Op zoek
Doorlezen

§1.2 Het aanbod van arbeid
Aanbod van arbeid = De Beroepsbevolking = werknemers + werklozen + zelfstandigen =
bestaat uit alle mensen tussen de 15 en 65 jaar die willen, kunnen en mogen werken.

Beroepsgeschikte bevolking = Potentiële beroepsbevolking = beroepsbevolking + niet-beroepsbevolking =
bestaat uit alle mensen tussen 15 - 65 jaar.

Niet- beroepsbevolking =
bestaat uit mensen tussen 15 – 65 jaar die en niet werken en niet op zoek zijn naar werk.

Deelnemingspercentage = Participatiegraad = beroepsbevolking x 100
beroepsgeschikte bevolking

Groei beroepsbevolking door:
Demografische groei; - meer mensen
- bevolkingssamenstelling
Maatschappelijke opvattingen; - grotere deelname vrouwen (jonge + herintreders)
Stand van de economie; - goede economie Aanzuigeffect =
de arbeidsmarkt trekt mensen die willen en kunnen werken
- slechte economie Ontmoedigingseffect =geen kansen, mensen bieden zich minder aan.
Wetgeving; - leerplichtwet
- pensioenleeftijd
Organisatie van het arbeidsproces; - betere kinderopvang
- mogelijkheden deeltijdwerk

§ 1.3 De vraag naar arbeid
door: - bedrijven + overheid = werkgevers
zelfstandigen
openstaande vacatures

De totale vraag naar arbeid bestaat uit: werknemers + zelfstandigen + openstaande vacatures.

En wordt beďnvloedt door: - groei van de economie
- technische ontwikkelingen
- hoogte loonkosten

§ 1.4 De Arbeidsmarkt
Concrete markt = een plek waar vragers en aanbieders van een bepaald product elkaar ontmoeten. Vb. supermarkt.

Abstracte markt = omvat het geheel van vraag en aanbod zonder dat er een plaats is waar vragers en aanbieders elkaar ook echt ontmoeten. Vb. de huizenmarkt.

Werkgelegenheid = alle werknemers + zelfstandigen

Arbeidsjaar = een volledige baan

Hoogte van het loon afhankelijk van vraag en aanbod:
vraag > aanbod → krappe arbeidsmarkt → loon stijgt
vraag < aanbod → ruime arbeidsmarkt → loon daalt

§ 1.5 De arbeidsmarkt in de praktijk
Kans op een baan afhankelijk van:
opleiding
vrouw / allochtoon zijn

Hoofdstuk 2 Loondienst of zelfstandig

§ 2.1 De ene baas is de andere niet
Ondernemingsvormen:
De Eenmanszaak
1 eigenaar
prive aansprakelijk voor eventuele schulden
voordelen: * eenvoudig zelf te beginnen
* zelf beslissingen nemen
* winst voor jezelf
- nadelen: * prive aansprakelijk
* voortbestaan kan in gevaar komen

VOF = Vennootschap onder firma
meerdere eigenaren
eigenaren hoofdelijk aansprakelijk met hun prive vermogen

BV = Besloten Vennootschap
NV = Naamloze Vennootschap
rechtspersoon = juridisch zelfstandig → bedrijf is aansprakelijk
aandeelhouders zijn de eigenaren

BV: - aandelen op naam en in handen van 1 of enkele groot
aandeelhouders
leiding = directeur
failliet → aandeelhouders zijn alleen het ingelegde geld kwijt

NV: - aandelen niet op naam, vrij verhandelbaar op de effectenbeurs
aandeelhouders = eigenaren
leiding = directie ( werknemers van de NV )
aandeelhouders worden vertegenwoordigt door Raad van Commissarissen → controleert Raad van bestuur ( = directie )

§ 2.2 De Arbeidsovereenkomst = een overeenkomst tussen een werkgever en een
werknemer.

Individuele → loon en arbeidstijd vastgelegd.

CAO = hierin staan de rechten en plichten van de werkgevers en werknemers zwart op wit. Zoals vakantie; pensioen; overuren; data loonsverhoging.
o meestal per bedrijfstak ( bijv. bouw )
o soms per bedrijf ( bijv. Philips )
CAO onderhandelingen:
vakbonden = werknemersbonden = vakverenigingen
werkgeversbonden of bedrijf zelf

Arbeidsvoorwaarden:
Primaire arbeidsvoorwaarden = loon; normale arbeidstijd
Secundaire arbeidsvoorwaarden = vakantieregeling; duur middagpauze;
reiskostenvergoeding; kinderopvang; scholing.

§ 2.3 Het centraal akkoord → najaarsoverleg
Rijksbegroting = overzicht van verwachte inkomsten en verwachte uitgeven van de overheid.

Miljoenennota = een soort samenvatting van de Rijksbegroting.

Vakcentrale’s voorbeelden: FNV; ABVA-KABO; CNV; MHP
Werkgeverscentrale’s voorbeelden: VNO-NCW; MKB

Vertegenwoordigers van de centrale’s overleggen samen in de Stichting van de Arbeid. ( werkgevers en werknemers = sociale partners ).
Als de vertegenwoordigers van werknemers en werkgevers met elkaar praten in de Stichting van de Arbeid = centraal overleg.
over hoofdlijnen van de arbeidsvoorwaarden.

Deze worden vervolgens uitgewerkt bij de CAO-onderhandelingen.

Hoofdstuk 3 De strijd om de poen.

§ 3.1 Loon in de ogen van de werknemers
Inflatie = stijging van het algemeen prijspeil.

3 soorten loonstijgingen:
Prijscompensatie = een loonstijging die procentueel gelijk is aan de inflatie.
Initiële loonstijging = een loonstijging die voortvloeit uit een stijging van de
arbeidsproductiviteit. ( gemiddelde landelijke stijging van de
arbeidsproductiviteit )
Incidentele loonstijging = bijv. loonstijging door promotie / periodieke stijging,
niet voor iedereen gelijk.

1 + 2 = afgesproken in een CAO

Arbeidsproductiviteit = productie per werknemer per tijdseenheid

Stijging arbeidsproductiviteit:
Technische ontwikkeling ( mechanisering/automatisering )
Arbeidsverdeling / specialisatie
Scholing

§ 3.2 Loon in de ogen van de werkgevers
Voor bedrijven zijn lonen kosten.
Hoge lonen → lage winsten.

Totale Opbrengst = Omzet = de verkochte hoeveelheid x verkoopprijs

Kosten: loonkosten; rentekosten; huurkosten; afschrijvingskosten; machinekosten; transportkosten; kosten van grond –en hulpstoffen en energie.

Winst = Omzet – Kosten

Loonstijging > stijging arbeidsproductiviteit → stijging loonkosten per product

Gevolgen stijging loonkosten per product:
prijzen verhogen
of 2. winst laten dalen
of 3. productie verplaatsen naar lage lonenlanden
of 4. arbeidsbesparende machines inzetten

§ 3.3 Kosten of koopkracht?
Vakbonden strijden voor: 1. goed loon
2. voldoende werkgelegenheid

Loon twee kanten:
Kostenpost voor bedrijven
Hogere loonkosten → werkgelegenheid daalt door:
* arbeid vervangen door kapitaalgoederen
* verplaatsen productie buitenland
* hogere prijzen → verslechtering concurrentiepositie
* dalende winst

2. Bron van bestedingen
Hoger loon → koopkracht stijgt als lonen meer stijgen dan de prijzen.

§ 3.4 Loonstijging in de praktijk
loonstijging > prijsstijging + arbeidsproductiviteit → winst verhouding daalt
loon

arbeidsproductiviteitsstijging > loonstijging → loonkosten per product dalen
arbeidsproductiviteitsstijging < loonstijging → loonkosten per product stijgen

Hoofdstuk 4 Wie doet het werk?

§ 4.1 Werkgelegenheid in Nederland
4 sectoren: 1e + 2e + 3e + 4e

§ 4.2 Verschuiving in de werkgelegenheid
Productie = werkgelegenheid x arbeidsproductiviteit

Werkgelegenheid = productie : arbeidsproductiviteit

Arbeidsproductiviteit = productie : werkgelegenheid

§ 4.3 Mens of machine
Investeren = het kopen van kapitaalgoederen door bedrijven

Kapitaalintensief = meer kapitaal in verhouding tot arbeiders
Arbeidsintensief = meer arbeid in verhouding tot kapitaal

Diepte investering = een arbeidsvervangende investering → arbeidsproductiviteit stijgt

Breedte investering = het kopen van een kapitaalgoed van dezelfde kwaliteit →
arbeidsproductiviteit blijft gelijk
vervanging of uitbreiding

Schaalvoordelen → kosten per product dalen als de productieomvang stijgen.

§ 4.4 Hier of daar
hoge loonkosten: * werkgelegenheid daalt, mensen worden vervangen door machines
of
* productie verplaatst naar buitenland

vestigingen sluiten in Ndl. → openen in het buitenland, vaak door Multinationals.
bedrijf wordt weggeconcurreerd door bedrijven in lage lonenlanden.

Concurrentiepositie afhankelijk van:
 prijs
 kwaliteit
 infrastructuur

§ 4.5 Hoge lonen, meer bestedingen
Vragers naar goederen/diensten: - gezinnen
- andere bedrijven
- de overheid
- het buitenland

Hoofdstuk 5 Werkloosheid

§ 5.1 Werkloosheid in Nederland
kun je op verschillende manieren meten.

§ 5.2 Werkloosheid gemeten
Officiële werkloosheid: - mensen van 16 t/m 64 jaar
- niet of minder werken dan 12 uur per week
- werk zoeken voor tenminste 12 uur p/w
- ingeschreven bij het CWI
- binnen 2 weken aan de slag kunnen

Werkloze beroepsbevolking : - mensen van 15 t/m 64 jaar
- tenminste 12 uur p/w willen werken
- beschikbaar

Verborgen werkloosheid: - mensen die wel willen werken maar niet staan ingeschreven bij
het CWI.
- bij goede economie → verborgen werkloosheid neemt af →
aanzuigeffect.
- economische teruggang → verborgen werkloosheid neemt toe
→ ontmoedigingseffect.

Verborgen werkgelegenheid = werkgelegenheid niet in de officiële cijfers.
Vb. zwart werk; vrijwilligerswerk

§ 5.3 Oorzaken van werkloosheid
Frictiewerkloosheid
- de korte werkloosheid tussen twee banen in.
Seizoenwerkloosheid
Kwalitatieve Structuurwerkloosheid
vraag en aanbod sluiten niet op elkaar aan → er zijn zowel vacatures als werklozen
verschil in opleiding / capaciteit ( eigenschappen werknemer )
Kwantitatieve Structuurwerkloosheid
= te weinig kapitaalgoederen t.o.v. aangeboden arbeid door:
- diepte-investering
- reorganisaties
- verplaatsing productie naar lage lonenlanden
- minder winsten, potentiële starters beginnen niet
- product wordt niet meer verkocht
- productie te duur, verdwijnt

Conjunctuurwerkloosheid
= door te weinig bestedingen → mensen worden ontslagen
= economisch gezegd: wordt veroorzaakt doordat de effectieve vraag < de
productiecapaciteit.

Effectieve vraag = de totale vraag naar alle goederen en diensten die een land produceer bij elkaar opgeteld.

§ 5.4 Het bestrijden van werkloosheid
Werkloosheid: - gebrek aan inkomen
- geen sociale contacten

Maatregelen tegen conjunctuurwerkloosheid door de overheid:
overheid meer besteden
bijv. aanleg wegen / bouw scholen / hogere ambtenarensalarissen
verlagen van de belastingen of verstrekken van subsidies
bijv. investeringssubsidies aan bedrijven

Maatregelen tegen kwalitatieve structuurwerkloosheid:
= door de arbeidsmobiliteit te vergroten = als het aanbod van arbeid zich aanpast aan de
veranderingen in de vraag naar arbeid.
arbeidsmobiliteit tussen beroepen
- door omscholing
- baan op lager niveau accepteren
2. regionale arbeidsmobiliteit
- reiskosten –of verhuiskostenvergoeding
3. arbeidsmobiliteit tussen werken en niet werken
- meer niet werkenden stimuleren een baan te zoeken
bijv. goede kinderopvang

Maatregelen tegen kwantitatieve structuurwerkloosheid:
= door verlagen van de loonkosten nl.:
lagere prijzen → betere concurrentiepositie
winstgevendheid omhoog → uitbreiding mogelijk
minder aantrekkelijk mensen vervangen voor mensen
minder aantrekkelijk productie verplaatsen naar buitenland

Loonkosten beperken door:
- verlaging brutolonen + gelijktijdig belasting verlaging → netto blijft gelijk.
Andere manieren:
- het verschuiven van belasting op arbeid naar belasting op kapitaal
- innovatie bevorderen → verbeterde productieprocessen kunnen kosten laten dalen.
- ATV = arbeidstijdverkorting

WIG = Loonkosten – Nettoloon
Nettoloon = Brutoloon – belastingen en sociale premies
Loonkosten = Brutoloon + werkgeverslasten

Maatregelen tegen seizoenswerkloosheid: bijv. “De Kuip”, gebruiken voor zomerconcerten

Maatregelen tegen frictiewerkloosheid: beter arbeidsbemiddeling

§ 5.5 Deeltijd, ATV en Flexibilisering
Deeltijd = werkgelegenheid in arbeidsjaren verandert niet, maar wel de werkloosheid in
personen (daalt).

ATV = Arbeidstijdverkorting = als iedereen in een bedrijfstak/bedrijf minder gaat werken.
Vb. ATV dagen; rooster vrije dagen; studieverlof; verkorting werkweek
Afhankelijk van de herbezetting stijg de werkgelegenheid.

ATV bij gelijkblijvend loon → arbeidskosten per product stijgen

Bedrijfstijdverlenging voordeel → machines draaien langer → machinekosten per product dalen

Flexibilisering = aantal uren per week ligt niet vast
Vb. : * versoepelen ontslagrecht
* loslaten van vast werktijden/werkdagen
* oproepkrachten
Lagere arbeidskosten want:
* werknemers in vast dienst zijn duur:
vaak hoger loon
werknemers werven = duur
* aanpassen personeelsbestand aan de productieomvang gaat gemakkelijker

Soorten arbeidsovereenkomsten:
Arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
= vast dienstverband
Arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd
Bijv. 1 jaar
Uitzendkrachten

Uitzendbureau: - commercieel
- bemiddelt in tijdelijk werk
- uitzendbureau betaalt werknemer

CWI = Centra voor Werk en Inkomen: - niet commercieel nl. overheidsinstantie
- bemiddelt voor vast werk
- biedt opleiding of cursus mogelijkheden aan

Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.