Geschreven door: | anoniem (4 havo) [meer] |
Datum ingestuurd: | 11 december 2007 |
Taal: |  |
Woorden: | 2.000 |
Bekeken: | 13929 keer (122 deze maand) |
Waardering: |
|
Deel op: |
|
Basisstof 11.
Nummer Naam van het deel Functie van het deel
1 Zaadleider Vervoeren van de zaadcellen.
2 Zwellichaam Als er een erectie optreedt, vult het zich met bloed.
3 Penis Wordt gebruikt bij geslachtsgemeenschap en urine lozen.
4 Urinebuis Lozen van urine.
5 Eikel Zorgt voor een erectie door middel van prikkels.
6 Zaadblaasje Voegt vocht toe bij de zaadcellen en maakt zaadcellen actief.
7 Prostaat Voegt vocht toe bij de zaadcellen dat voeding bevat voor de zaadcellen.
8 Bijbal Daar worden de zaadcellen tijdelijk opgeslagen.
9 Teelbal Daar worden zaadcellen gemaakt.
2. 1. Teelbal → bijbal → zaadblaasje → prostaat → urineleider.
2. Omdat het over de blaas gaat.
3. Dan kan hij geen kinderen meer krijgen.
4. De balzak warm houden.
5. Omdat ze het dan te warm hadden.
6. Omdat de blaas dan te weinig ruimte kan hebben.
7. Omdat er een zaaddodend stofje in de urine zit.
Basisstof 23.
Nummer Naam van het deel Functie van het deel
1 Eileider Vervoeren van de eicel of embryo.
2 Eierstok Ontwikkelen van de eicellen.
3 Baarmoeder Embryo laten innestelen.
4 Vagina Geboortekanaal en laat de penis inbrengen.
5 Clitoris Een orgasme krijgen met behulp van prikkels.
6 Kleine schaamlip Plooiingen met aan de bovenzijde de clitoris en de onderzijde de vagina.
4. 1. De eisprong.
2. Door samentrekkende spieren en trilharen.
3. De eileider.
4. Omdat er om de eicel een bevruchtingsmembraan zit.
5. Het wordt afgebroken.
6. Ongeveer 500 keer.
7. De 1e twaalf uur.
8. Omdat het daar pas de ruimte heeft.
9. Omdat de eicellen steeds ouder worden.
Basisstof 35. 1. Hormoonklieren maken hormonen en andere klieren niet.
2. Follikels stimulerend hormoon, luteďniserend hormoon en corpus luthium.
3. Testosteron, bij de testis.
4. Constante productie.
5. Progesteron, uit de follikel.
6. Primair is vanaf de geboorte en secundair komt in de puberteit.
7. De balzak en de penis.
8. Borsthaar, rughaar, schaamhaar, bredere schouders en baard in de keel.
9. Testosteron.
10.
Proces Hormoon Hormoonklier
Een jongen ontwikkelen de secundaire geslachtskenmerken zich. Testosteron Testis
In de teelballen komt de vorming van de zaadcellen op gang. Spermatogenese Testis
In de teelballen wordt de vorming van zaadcellen voltooid Sertolicellen Hypofyse
In de teelballen wordt het mannelijke geslachtshormoon geproduceerd. Testosteron Testis
6. 1. Luteďniserend hormoon.
2. Het wordt dikker.
3. Het wordt afgebroken.
4. Ongedaan maken van de voorbereidingen van de zwangerschap.
5. Omdat een ei niet zolang vruchtbaar blijft.
6. Dan is er geen ruimte meer voor het kindje.
7. Progesteron, gele lichaam en H.C.G.
8. De vagina.
9. Dikkere onderhuidse vetlaag, schaamhaar, borsten en wijdere bekken.
10. Progesteron.
7.
Proces Hormoon Hormoonklier
In de eierstokken rijpen follikels. L.H. Hypofyse
Bij een meisje ontwikkelen de secundaire geslachtskenmerken. F.S.H. Hypofyse
In de eierstokken rijpen follikels. L.H. Hypofyse
Na een menstruatie wordt het baarmoederslijmvlies dikker. Oestrogeen Ovaria
In een eierstok treedt ovulatie op. Progesteron Ovaria
In een eierstok wordt een geel lichaam gevormd. F.S.H. Hypofyse
Klieren in het baarmoederslijmvlies scheiden stoffen af voor een eventueel embryo. Oestrogeen Ovaria
In de borsten ontwikkelen zich melkklieren. Oestrogeen Ovaria
9. 1. 26 januari.
2. Het ongedaan maken van de voorbereidingen van de zwangerschap.
3. 26 januari.
4. 9 februari.
5. Ongeveer 23 februari.
6. Eind oktober of begin november.
Basisstof 410. - Homoseksuele mensen moeten overal voor hun homoseksuele geaardheid ui kunnen komen.
- Dan moet je ook zeggen dat je niet overal voor je heteroseksuele geaardheid mag uitkomen.
- Je kunt aan iemand meteen zien of hij of zij homoseksueel is, want soms kunnen ze dat heel goed verbergen of weten ze het zelf nog niet.
11. - De verschillen tussen jongens en meisjes worden gemaakt door de opvoeding want als een meisje bijvoorbeeld heel sportieve ouders heeft dan wordt zij heel sportief op gevoed.
- De 1e, de 2e, de 4e en de 5e, want het ligt allemaal aan de opvoeding en het karakter.
12. - Ik ben het met geen van alle eens.
- De 1e, de 2e en de 4e, want een jongen moet gewoon van je afblijven, tenzij hij toestemming krijgt en het lucht alleen maar op uiteindelijk als je erover praat.
Basisstof 513. 1. Je kunt ze alleen krijgen door intiem lichamelijk contact.
2. Het zit toch al in het lichaam.
3. Slijm en etter uit de penis of vagina en urineren doet pijn.
4. Zweertje op de geslachtsorganen, mond, tong en anus.
5. Waterige afscheiding uit de urinebuis of vagina en bloedverlies uit de vagina.
6. Sommigen hebben geen verschijnselen.
7. Je bent vatbaarder voor alle andere ziekten.
8. Dat je antistoffen hebt voor HIV.
9. Onveilige geslachtsgemeenschap en drugsgebruikers die elkaars spuiten en naalden gebruiken.
10. Altijd een condoom op zak, de condoom gebruiken bij vaginaal en anaal contact, anale geslachtsgemeenschap speciale condoom gebruiken, bij orale geslachtsgemeenschap condoom of beflapje gebruiken en alleen eigen attributen gebruiken.
11. Zoenen, knuffelen, strelen, masseren en masturberen.
12. Als je zeker weet dat hij of zij niet vreemd gaat of geen aids heeft zou het kunnen.
13. Feit, want het is wetenschappelijk bewezen.
14. Omdat zij vatbaarder zijn.
15. Bij vrouwen zit het direct in de baarmoeder en bij mannen zit het niet direct in het lichaam.
Basisstof 614. 1. Omdat het anders niet klopt.
2. Sommige vrouwen krijgen een spontane ovulatie tijdens de geslachtsgemeenschap.
3. Omdat je dan kan uitreken wanneer de ovulatie komt.
4. Omdat er bij het voorvocht ook al zaadcellen zitten.
5. Oestrogeen en progestageen.
6. Minder hevige menstruatie en regelmatig.
7. Misselijkheid, hoofdpijn, gespannen borsten, gewichtstoenamen.
15. 1. Het maakt meer oestrogeen aan, meer progesteron aan en meer progestageen.
2. Gebleken is…vergroten. (regel 22 t/m 25)
3. U zet…pauze. (regel 81 t/m 83)
4. Nee, er zijn medicijnen die de doeltreffendheid van de pillen verminderen.
5. Nee.
6. 8
7. Als u…beschermd. (regel 78 t/m 80)
8. 36 uur.
9. Doorgaan met innemen en een niet-hormonaal voorbehoedsmiddel de rest van haar cyclus.
10. De arts raadplegen.
16.
Nummer Methode van anticonceptie Werking Betrouwbaarheid Eventuele voordelen Eventuele nadelen
1 Periodieke onthouding met temperatuurmeting Geen geslachtsgemeenschap tijdens de vruchtbare periode. Erg onbetrouwbaar. Geen hulpmiddelen nodig. Ovulatie is moeilijk precies te bepalen, erg omslachtig.
2 Coďtus interruptus Onderbroken geslachtsgemeenschap. Erg onbetrouwbaar. - Veel zelfbeheersing nodig en er kunnen al zaadcellen bij het voorvocht zitten.
3 De pil Elke dag een pilletje innemen. Zeer betrouwbaar. Minder hevige menstruatie en regelmatig. Misselijkheid, hoofdpijn, gespannen borsten, gewichtstoena-me.
4 Condoom Een rubberen hoesje dat om de penis of in de vagina gaat. Betrouwbaar met zaaddodend middeltje. Bescherming tegen overdraag-bare aan-doeningen. Geslachtsge-meenschap moet worden onderbroken.
5 Pessarum Een rubberen koepeltje dat in de vagina moet. Betrouwbaar met zaaddodend middeltje. - Zit een hele grote gebruiksaanwij-zing bij.
6 Zaaddodende middelen Vormt een barričre voor zaadcellen. Niet erg betrouwbaar. Wel met condoom of pessarium. - Het werkt pas na ongeveer een kwartier en is na een uur al uitgewerkt.
7 Spiraaltje (ankertje) Arts brengt het in en kan 5 jaar blijven zitten. Betrouwbaar Je kunt het niet vergeten. Menstruatie heviger, kunnen makkelijker infecties aan de geslachtsorga-nen optreden en het kan uitgestoten worden.
17. 1. Dan heeft het nog niet geholpen.
2. Het spiraaltje.
3. Het mirena-spiraaltje.
4. Dat ze het een keer zijn vergeten.
5. Ja, want je haalt een stukje uit de eileiders en niet uit de vagina, de baarmoeder of de baarmoedermond.
6. Het condoom.
7. Nee, want bij een anticonceptiemiddel zorg je ervoor dat je niet zwanger wordt en bij een overtijdbehandeling maak je de zwangerschap ongedaan.
8. De morning-afterpil.
Basisstof 718. 1. De buitenste laag cellen scheiden enzymen af die het baarmoederslijmvlies plaatselijk oplossen, waardoor het klompje cellen er als het ware in zakt. Het baarmoederslijmvlies groeit daarna over het klompje cellen heen.
2. Omdat het dan pas de ruimte heeft.
3. Om het klompje cellen vormen er bloedholtes en daar haalt het klompje cellen de voedingsstoffen en het zuurstof uit.
4. Dat wordt het vruchtvlies met vruchtwater erin.
5. Beschermt het embryo tegen schokken en uitdroging en zorgt ervoor dat de embryo zich kan bewegen.
19. 1. De navelstreng.
2. Van het embryo.
3. De placenta.
4. Omdat het schadelijk kan zijn voor het embryo.
5. Doordat de moeder zich verslaafd had aan drugs.
6. Dat zorgt ervoor dan de voorbereidingen van de zwangerschap niet ongedaan worden gemaakt.
7. Het gele lichaam.
8. De placenta.
9. De longen na de geboorte, maar de dijspieren en de nieren al voor de geboorte.
21. 1. Niet genoeg progesteron.
2. Als een eicel niet in de eileider wordt bevrucht.
3. Je kunt dan te veel bloed verliezen, waardoor je in levensgevaar komt.
4. Ja, want die zijn veel kleiner.
5. Door bepaalde ziekten.
22. 1. 2 eicellen en 2 zaadcellen.
2. 1 eicel en 1 of 2 zaadcel(len).
3. 1eiige drieling, 2eiige drieling of 3eiige drieling.
4. Voor de innesteling.
5. Als ze zich splitsen na de innesteling.
6. Elk hun eigen foetussen en vruchtvliezen.
Basisstof 823. 1. Dat de kans kleiner wordt om kinderen te krijgen.
2. Vermindering van sperma, slechtere kwaliteit sperma, later kinderen willen, hoe ouder de vrouw hoe minder kans op een goede geboorte en bepaalde stoffen in de omgeving.
3. Omdat de eicel en de zaadcel met behulp van een dokter bij elkaar komen.
4. Kunstmatige inseminatie of een IVF-behandeling.
5. De leeftijd, de omgeving en
6. Met een IVF-behandeling.
7. 32%
8. 13%
9. Omdat de kans heel groot is dat er 1 niet in nestelt.
24. 1. Je kunt er een ongeneeslijk ziek kind mee redden.
2. Het is toch een soort van broertje of zusje en ethische bezwaren.
3. Met geneesmiddelen, oké. Maar om ze als proefkonijn te gebruiken voor cosmetica vind ik niet goed. Dat is net zoiets als op dieren testen.
4. Met de ziektes is het juist goed om het onderzoek te verbreden, maar kijken of het een jongetje of een meisje word is onnodig. In het echt weet je dat toch ook niet van te voren.
5. Het is je eigen keuze als je draagmoeder wordt, maar je moet het kind wel gewoon afstaan aan de biologische ouders zonder er problemen over te maken.
Basisstof 925. 1. Het samentrekken van de baarmoederwand.
2. Dat het hoofdje van de foetus het onderste deel van de baarmoeder en de baarmoederhals wordt ingetrokken.
3. Dan komt het baby’tje klem te zitten.
4. Vruchtwater → foetus → vruchtvliezen → placenta.
5. Door een operatie via de buikwand komt het kind ter wereld.
6. Omdat het ervoor zorgt dat de baby niet ziek word.
7. Om het eventuele slijm uit de longen te laten lopen.
8. Doordat er geen bloed meer naar de placenta kan stromen, stijgt het koolstofdioxidegehalte van het bloed van de baby. Deze stijging vormt de prikkel waardoor bij de baby de ademhaling op gang komt.
9. Het stompje van de navelstreng dat aan de baby vast zit, droogt in ongeveer een week uit en valt er dan af. Wat er dan overblijft, is de navel.
Basisstof 1026. 1. Omdat een levenscyclus niet ophoud en een levensloop houdt wel op.
2. Het hoofd groeit het minst snel en de armen en benen groeien het snelst.
3. Baby, peuter, kleuter, schoolkind, puber, adolescent, volwassene en bejaarde.
4. Traplopen en tegen een bal schoppen.
5. Een torentje bouwen en met een lepel eten.
6. Fietsen en klimmen.
7. Veters strikken en tekenen.
8. Dan leert het kind om te gaan met andere kinderen.
9. De secundaire geslachtskenmerken en de voortplantingsorganen beginnen te werken.
27. 1. 33 jaar.
2. Omdat er meer mensen oud worden en er minder mensen geboren worden.
3. De achteruitgang van de geestelijke vermogens.
4. Omdat iedereen wel eens wat vergeet.
Verrijkingsstof 11.
2. 1. Vlinders, vliegen, bijen en kevers.
2. Sprinkhanen, krekels en wantsen.
3. Een larve verandert nog van vorm en grootte en het imago van een sprinkhaan niet.
4. Larven eten planten op.
5. Het juveniel hormoon.
6. Juveniel hormonen.
7. Die worden een pop.
8. Nee, want dan was het een larve.
3.
Kikkervisje Kikker
1. In welk milieu leeft het dier? Water. Land en water.
2. Waarmee beweegt het dier zich voort? Met zijn staart. Met zijn poten.
3. Waarmee haalt het dier adem? Met kieuwen. Met longen en de huid.
4. Wat voor voedsel eet het dier? Algen. Insecten en slakjes.
5. Is het darmkanaal in verhouding tot de lichaamslengte lang of kort? Lang. Kort.
4. 1. Uitwendige kieuwen → inwendige kieuwen → longen.
2. Voortbewegen en gaswisseling.
3. Worden ze heel snel een kikker en blijven ze kleiner.
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen.
Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten.
Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.