Geschreven door: | Lizzl (4 vwo) [meer] |
Datum ingestuurd: | 22 juni 2006 |
Taal: |  |
Woorden: | 2.150 |
Bekeken: | 2070 keer (5 deze maand) |
Waardering: |
|
Deel op: |
|
Biologie samenvatting[HS1]- Motivatie: inwendige prikkel + uitwendige prikkel
- sleutelprikkel: één prikkel, waarop vast gedrag volgt
- supernormale prikkel: overdreven sleutelprikkel
- antropomorf: menselijke benadering van diergedrag
- ambivalent gedrag: twijfel tussen twee gedragssystemen
- overspronggedrag: een vreemd gedragseenheid binnen een gedragssysteem
- omgericht gedrag: gedrag dat is omgericht van het oorspronkelijke doel
- gedragssystemen: combinatie van handelingen
- gedragseenheden: verschillende aparte handelingen
(samengevoegd = gedragssysteem)
Ritueel: serie gedragingen die van te voren vaststaan – vaste gedragsketen met signalen spelen grote -> als doel voorbereiding op het eigenlijke gedrag rol
Manieren van leren:
- inprenten: leren in een korte periode
- gewenning: steeds minder sterk reageren op een prikkel
- imitatie
- inzicht: in je hoofd een voorstelling maken
- conditioneren: leren door midden van een beloning
(trial and error: negatieve ‘beloning’)
Oorzaken van gedrag
Inwendige prikkels
Motivatie
Dier Zintuigen
Gedrag Omgeving uitwendige prikkels
Opbouw van gedrag
A: gedrag
B: gedragssystemen
C: gedragseenheden (elementen)
Communicatie Ritueel
- Vindt plaats tussen 2 soortgenoten
- Vindt plaats in een groep
- Afhankelijk van motivatie
- Antwoord van de ander is van belang voor de voortzetting
- Sleutelprikkels gebruikt
- Inhoud van de boodschap is steeds hetzelfde
- Signalen gebruikt
[HS2]Levenskenmerken:
• Beweging
• Gaswisseling
• Waarneming
• Voeding
• Uitscheiding
• Voortplanting
Cytoplasma: hierin vinden processen voor
• onderhoud
• energievoorziening
• uitscheiding
plaats.
Communicatie tussen cellen:
• korte afstand -> celmembraancontact
• korte afstand -> weefselvloeistof
• lange afstand -> hormonenstelsel
• lange afstand -> zenuwstelsel
Membraan:
• fosfolipiden
• eiwitmoleculen
Transport:
• diffusie (passief): via fosfolipidenlaag (water, zuurstof en koolstofdioxide)
• actief: dmv. transportenzymen (alle andere stoffen)
• endocytose:de cel in
• exocytose: de cel uit
membraanbeweging: ->
Structuren cel worden voortdurend vervangen:
• celmembranen gesloopt&opnieuw opgebouwd
• celorganen vervangen
kost energie: ATP wordt aangemaakt ->
• door licht (planten, fotosynthese)
• door organische stoffen (dieren en bacteriën)
Turgor: druk v/d cel tegen de celwand
Plasmolise: celmembraan laat los v/d celwand
alleen bij plantencellen!! ->
Celorganel In plant In dier Functie
Celwand X Stevigheid v/d cel
Celmembraan X X Selecteren&actief opnemen&uitgescheiden stoffen
Kern X X Regelt alle processen
ER (vanuit kern membraan) X X “knipt” eiwitten dmv. enzymen
Golgi-systeem
(los van kern) X X Transport van eiwitten
Lysosoom X X Afbraak van stoffen& andere organellen dmv. enzymen
Mitochondrium (“dwarse streepjes”) X X Productie ATP (verbranding)
Vacuole (egaal) X Stevigheid cel
Chloroplast X Vorming glucose (fotosynthese)
Chromoplast X Kleurstoffen maken (planten&bloemen)
Amyloplast X Opslag&vorming zetmeel
Ribosomen X X Maken eiwitten
Glycogeenkorrels X Energiereserves
zetmeelkorrels X Energiereserves
[HS3]DNA:
• dubbele helix
• deoxyribose
• bestaat uit nucleotiden:
o fosfaatgroep
o suikermolecule
o stikstofbase:
Adenine (A)
Cytosine (C)
Guanine (G)
Thymine (T)
RNA:
• kopie van DNA
• 1 streng
• C-G en A-U -> geen thimine, maar uracil (U)
• kopie van 1 gen
• ribosie
Genoom: volledige set chromosomen uit een cel; bevat alle erfelijke info v/e individu
Gen: stukje DNA; bevat info voor één eiwit; 1 eiwit bepaald 1 eigenschap!
Allel: genvariant
Mutaties: veranderingen in DNA
• puntmutatie: één base in de keten veranderd (er ontstaan meerdere allelen van 1 gen)
• chromosoommutatie: deel v/e chromosoom met meerdere genen gemuteerd
Aminozuren: bouwstenen voor eiwitmoleculen
Triplet: drie opeenvolgende basen / code voor één aminozuur
Telomeer: laatste stukje van elke DNA keten; wordt na elke deling korter; “teller”; stopt delingen uiteindelijk; geeft grens aan
Telomerase: enzym dat telomeer langer maakt; telomeer kan dan vaker delen
Celdood: bij grote beschadigingen aan de cel zet de cel zelf een “zelfmoord”proces
Celcyclus:
• M (mitose; kerndeling, chromosomen zichtbaar!)
• G1 (celgroei&stofwisseling)
• S (DNA verdubbeling)
• G2 (verdubbeling organellen&stofwisseling)
Celdifferentiatie: proces waarbij in het begin op elkaar lijkende cellen gaan veranderen (grootte&vorm)
Determinatie: specialisatie v/d cellen
Mastergenen: stukken DNA met regeleiwitten voor de differentiatie en determinatie
Inductie: invloed van omliggende cellen
kan tot geprogrammeerde celdood leiden: via signaal van buitenaf wordt het DNA aangezet tot “zelfvernietiging” ->
Regelgenen:
• tumorsuppressor-genen: remen celgroei
• proto-oncogenen: stimuleren celdeling
ontspoorde genen (oncogenen) kunne tumoren veroorzaken ->
Zelfmoordgen: extra beveiliging tegen ongewenst DNA; cellen met onherstelbare DNA-beschadigingen sterven
Carcinogene stoffen: kunnen kanker veroorzaken
• dierlijke vetten
• asbest
• benzeen etc.
• straling
• zelfs sommige virussen
Gezwel/tumor:
Goedaardig:
• langzame groei (gereguleerd/remming onderliggende cellen)
• onveranderde weefselbouw
Kwaadaardig:
• oudere cel; meerdere mutaties
• hoge celdeling (snel) -> ongevoelig voor stoffen die deling remmen
• weefselbouw veranderd
• uitzaaiingen (metastase)
Genezing:
• operatief verwijderen
• bestralen
• nadeel: remt ook gezonde cellen -> cytostatica (cellen die deling remmen )
[HS5]Voortplanting:
• ongeslachtelijk: nakomelingen volkomen identiek aan ouder
• geslachtelijk: elk individu heeft een unieke combo allelen (van pa&ma)
voordelen: ->
• minder competitie -> andere mogelijkheden
• immuniteit tegen ziektes -> genen passen aan
MAAR! ziektekiemen -> & gene vicious circle!!
Polygaam: mannetje met meerdere vrouwtjes; bij veel zoogdieren; mannetjes groter dan vrouwtjes
Monogaam: mannetjes + vrouwtjes even groot, gibbons bijv.
Seksueel gedrag: sociale spanningen verminderen (bij dieren), bijv. bonobo’s
[HS6]Mannelijke geslachtsorgaan
Onderdeel Functie
Bijballen Opslag zaadcellen
Eikel orgasme -> Opvangen prikkels
Penis Inbrengen zaad in vagina
Prostaat Productie zaadvocht
Teelballen Productie zaadcellen
Urinebuis buiten -> Transport zaadcellen
Zaadblaasjes Productie zaadvocht
Zaadleiders Voortstuwen zaadcellen
Zwellichamen In erectie brengen penis
* Sperma = zaadcellen + zaadvocht
* Bijballen: zaad = bewegingloos
cellen actief -> + vocht zaadblaasjes (basisch) ->
+ vocht prostaat (voedingsstoffen) ->
Vrouwelijke geslachtsorgaan
Onderdeel Functie
Eierstokken (ovaria) Ontwikkeling eicellen (oöcyten)
Eileiders Opvangen eicellen + bevruchting/resorptie eicel
Clitoris orgasme -> Prikkels opvangen
Baarmoeder Groei/ontwikkeling embryo
Vagina Opvangen zaadcellen
Kleine schaamlippen • afsluiting vagina
• penetreren vermakkelijken -> productie vocht
Zaad naar buiten:
urinebuis -> zaadleiders -> zaadballen
Weg die zaad aflegt naar eileiders:
eileiders -> baarmoederholte -> baarmoederhals -> baarmoedermond -> vagina
Bevruchting:
• zaadcellen dringen door follikellaag heen
• zaadcellen hechten aan celmembraan
• enzymen zaadcellen breken stukje celmembraan af
• celmembranen versmelten
• celkernen versmelten
Plaats Proces Naam Functie
eileider Eicel + zaadcel
bevruchting
Zygote
Klievingsdelingen
Morula
• trofoblast
• embryoblast • bescherming
• innesteling
baarmoeder innesteling
Trofoblast
chorion ->
(buitenste vruchtvlies)
chorionvlokken (villi) ->
Embryoblast
amnion ->
amnionholte ->
(binnenste vruchtvlies)
dooierzak (voeding) ->
a: eerste deling; na ongeveer 30 uur
b: productie HCG; vanaf 5 dagen (trofoblast)
c: vorming amnionholte; 7 dagen, na innesteling
d: embryo bestaat uit 100 cellen; na 5 dagen (120 uur)
e: in baarmoeder; na 5 dagen (120 uur)
f: innesteling; 168 uur
g: dooierzak; 168 uur
Mitose: celdeling
Meiose: reductiedeling (geslachtscellen!!)
I
II
Klier Hormonen Vrouw Man
Hypofyse FSH + LH follikelgroeistimulering zaadproductiestimulering
Ovaria Oestrogeen • Groei baarmoederslijmvlies
• groei secundaire geslachtskenmerken
X
Progesteron • Groei baarmoederslijmvlies
Remming FSH en LH
X
testes Testosteron X Ontwikkeling secundaire geslachtskenmerken
Mitose Meiose I Meiose II
Voorafgaand aan de deling vindt verdubbeling van het DNA plaats + +
Chromosomen liggen paarsgewijs in het equatorvlak +
Cellen na deling: identiek erfelijk materiaal +
Cellen na deling: verschillend erfelijk materiaal + +
Deling: chromosomen gesplitst in chromatiden + +
Kernmembraan afgebroken + +
Menstruatiecyclus: 28 dagen; 3 fasen:
1) Folliculaire fase: aanmaak FSH
groei eicel ->
andere rijpende eicellen sterven af ->
LH ->
2) Ovulatiefase: eisprong
innesteling ->
3) Gele lichaam zorgt voor productie progesteron
Na 10 dagen geen bevruchting?
productie progesteron stopt ->
baarmoederslijmvlies + bloed naar buiten ->
[HS7]Locus: plaats van een gen in het chromosoom (mv = loci)
Recombinatie: nieuw individu bevat andere combinaties van erfelijke eigenschappen
leidt tot diversiteit ->
Chromosomen zichtbaar: karyogram/chromosomenportret
Kruisingen:
P (parentus) = ouders, F (filli) = nakomelingen ->
* Doel: bepalen wat de kans is op een nakomeling met een bepaald eigenschap
bijvoorbeeld vachtkleur ->
* Gensymbool: letters om het opschrijven makkelijker te maken
bijvoorbeeld: A,a,B,b ->
AA = homozygoot, Aa is heterozygoot ->
grote letter = dominant, klein = recessief ->
maar! codominatie (of onvolledige dominantie): recessief allel komt toch enigszins tot uiting! ->
Intermediar: beide allelen even sterk
Monohybride: één eigenschap (Aa x aa bijvoorbeeld)
Dihybryde: twee eigenschappen (AaBb x aabb bijvoorbeeld)
[8]Bloedgroepen:
• A; Antigenen A; IAIA / IAi
• B; Antigenen B; IBIB / IBi
• AB; Antigenen A+B; IAIB
• 0; géén antigenen; ii
Superovulatie: bepaalde hormonen toedienen bij een dier, waardoor er zo’n 10 tot 20 eicellen rijpen en vrijkomen
Kunstmatige Inseminatie (KI): het bewaren en verspreiden van spermacietjes (sperma speciale -> dat onderzocht is op kwaliteit, verdund en verdeeld wordt) inseminator brengt sperma in baarmoeder in met een buisje
embryo’s worden uitgespoeld en bekeken onder microscoop ->
ingebracht in baarmoeders van draagsters; Embryotransplantatie (ET) ->
Klonen: ongeslachtelijke voortplanting met maar één ouder
• Embryosplitsing; embryo in 4 of 5 stukjes snijden en ze dan invriezen of implanteren in draagster
• Kerntransplantatie; uiercel wordt over gebracht in leger eicel
hongerbehandeling; moeilijk -> &kost veel tijd
Recombinant-techniek; stukje DNA (of RNA) met informatie voor een gewenste eigenschap in het DNA van een ander organisme ingebouwd
transgeen individu (genetisch gemodificeerde organismen) ->
Celfusie; samensmelten van twee gewone cellen
Risico’s bij het maken van transgene organismen:
• als ’t ontsnapt verstoort evenwicht en veroorzaakt ecologische ramp
• voedsel gemaakt ervan is nieuw; kan allergische reacties opwekken
• organismen produceren goed in de Westerse wereld; Derde wereld komt nog verder achterop
• (gevoelens van angst / hoop)
[9]Afweer: bescherming tegen voornamelijk ziekteverwekkers;
• productie giftige stoffen -> bacteriën
• maakt cellen kapot -> virussen
• voedingsstoffen afpakken -> kleine dieren
• maakt cellen kapot -> eencelligen
• voedingsstoffen afpakken -> schimmels
1e afweermechanisme; huid (binas 87A)
• hoornlaag, beschermt tegen:
o infecties
o beschadigingen
o uitdroging (gaat verdamping tegen)
• kiemlaag, beschermt tegen:
o UV, pigment
• lederhuid, beschermt tegen:
o opwarming
o waarneming+reageren
o haren
o zweten
o onderhuids bindweefsel, beschermt tegen:
o vet isoleert -> afkoeling
Warmbloedigen: constante lichaamstemperatuur, balans tussen:
• productie;
o stofwisseling
o activiteit
• afgifte;
o verdamping/zweten
o stroming
o weinig geleiding, water geleidt veel warmte) -> geleiding ( vet isoleert
o straling
2e afweermechanisme; slijmvlies
• slijmproducerende cellen
• trilhaarcellen ( transport)
activatie afweersysteem: -> 3e afweermechanisme; binnengedrongen ziekteverwekkers
• lymfeknopen
• beenmerg
• thymus
• milt
specifieke afweer tegen:
• lichaamsvreemde stoffen
• tegen 1 stof gericht
plek waar alle bloedcellen geproduceerd worden;
rode beenmerg,
• uiteinden pijpbeenderen
• wervels
• platte beenderen
• (schedel, bekken, ribben)
Fagocyten: aspecifieke afweer d.m.v. fagocytose
etter/snot -> Fagocyten + ziekteverwekkers sterven af ->
Granulocyt: kunnen bloed verlaten
etter/snot -> granulocyt + ziekteverwekkers sterven af ->
Monocyt: ontwikkelt zich tot macrofaag, blijft in het bloed
rol bij specifieke afweer! ->
Macrofaag ruimt dode lichaamcellen op. ->
Specifieke afweer: hoe herkent een lymfocyt een ziekteverwekker?
antigenen op celmembraan bestaan uit eiwitten -> ziekteverwekker
receptor die het antigen herkend -> lymfocyt (fagocyt)
Elk type receptoreiwit bindt zich aan slechts 1 type antigen
lichaamsvreemd antigen bindt aan o.a. macrofaag ->
Macrofaag: antigen presenterende cel (APC)
APC komt via lymfe + bloed naar lymfoïde organen (milt, thymus, beenmerg)
T-lymfocyten: thymus
lymfevatenstelsel: -> B-lymfocyten: lymfeklieren
• lymfevocht = weefselvocht
• vergelijkbaar met bloed:
• zonder rode bloedcellen,
• met witte bloedcellen
Activeren lymfocyt:
T-lymfocyt ontwikkelt zich tot:
• T-helpercel: geeft cytokinen af, stimuleren ontwikkeling van:
o Tc-cellen
o B-lymfocyten
• Tc-cel (cytoxische T-cel): verlaat lymfoïde organen & vernietigd alle geïnfecteerde lichaamcellen (herkend door APC antigen)
• T-geheugencellen: inactief bij infectie, herkennen antigenen bij volgende infectie
snellere afweer ->
B-lymfocyten ontwikkelt zich tot:
• plasmacellen
o immunoglobinen -> vormen antistoffen (eiwitten)
o elke = specifiek, maakt 1 type antistof
• B-geheugencellen
B-lymfocyt T-lymfocyt
Lymfeklieren Thymus
Doden door antistoffen Doden door gif
Verlaat bloedbaan niet Verlaat bloedbaan wel
Natuurlijke immunisatie: reactie op ziekteverwekkers
Kunstmatige immunisatie: spuit;
vaccin, actief, verzwakte ziekenverwekkers ->
serum, passief, antistoffen ->
* Als er in het bloed v/d acceptor geen antistoffen aanwezig zijn, tegen de antigenen v/d donor is er verlaagd risico.
Eventuele antistoffen in het bloed van de donor worden door de transfusie zo verdund dat ze geen schadelijke klontering veroorzaken.
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen.
Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten.
Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.