CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.

ff n studiebreak

Het mooiste crimiboek van 'onze' agent Don Heins? Die over de ontvoering van Alfred Heineken. Type in-één-ruk-uit.

geef je mening

Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?



» resultaten poll

Geschreven door:

Sunset (5 vwo)

Datum ingestuurd:

14 juli 2006

Taal:

Woorden:

2.850

Bekeken:

1434 keer (1 deze maand)

Waardering:

2.3/5 (11 stemmen)

Deel op:

Naam:


Klas/niveau:


E-mail:


Bericht:


Bestemd voor

Geheime code: 


 
Regionale beeldvorming

1. Beeldvorming en gebieden.

De mens komt aan kennis over een gebied door:

- Bronnen van interne informatie (kennis en ervaring die je al hebt).
- Bronnen van externe informatie (media, mensen om je heen).

Referentiekader = De aanwezige kennis en ervaring van waaruit een regio wordt bekeken.

Nieuwe informatie kan:

- Gegevens toevoegen aan je wereldbeeld.
- Je bestaande ideeën over je omgeving versterken.
- Je wereldbeeld veranderen.

Perceptie = De manier waarop je verschijnselen waarneemt en daaruit een beeld vormt van de werkelijkheid (objectief & subjectief).

Stereotype = Een eenzijdig en vaak sterk vertekende, algemeen aanvaarde opvatting over een groep mensen of over een gebied. Een karakterisering waarbij de nadruk ligt op een beperkt aantal kenmerken.

Promotie = het aantrekken van consumenten door:

- Je product te verbeteren.
- Te werken aan een beter imago.

Citymarketing = Alle inspanningen die erop gericht zijn om de (economische) ontwikkeling van een stad te ondersteunen en ervoor te zorgen dat een plaats kan concurreren met andere steden.

Regiomarketing is hetzelfde maar dan over een groter gebied genomen.

Belangrijke elementen als reclamewapens zijn:

- Infrastructuur en bereikbaarheid.
- Bezienswaardigheden.
- Burgers als (geschoolde) arbeidsmarkt en (koopkrachtige) afzetmarkt.
- De kwaliteit v/d leefomgeving.

Gericht op:

- Bedrijfsleven.
- Toeristen
- Eventuele nieuwkomers

In reclame vindt er selectie van gegevens plaats door:
- Accent te leggen op het bijzondere van een gebied.
- Te selecteren op grond van leeftijd en inkomen.

Hoe verder je van de vakantiebestemming afwoont, hoe minder informatie je erover nodig hebt. Dit noemt men Afstandsverval.

Collectief beeld = Een beeld/gedachte dat door een grote groep mensen wordt gedeeld. (Bijv. een stereotype).

Etnocentrisme = De neiging van mensen om een andere cultuur te beoordelen vanuit de normen en waarden van hun eigen cultuur.

Xenofobie = Vreemdelingenhaat, afkeer v/h onbekende.

Manieren van manipulatie door reclame:

- Foto’s, films, teksten of tekeningen (bepaalde positieve selectie. Bijv: Mooi weer in reisbrochures).
- Kaarten (elementen weglaten en/of vergroten).
- Afstand en ligging.
- Cijfermateriaal (grootte van steekproef en representativiteit worden vaak niet gemeld).
- Weergave van cijfermateriaal en klassengrenzen.

2. Geografische beeldvorming.

Mental map = het kaartbeeld van een gebied/plek dat je in je hoofd vormt vanuit je eigen perceptie.

Een mental map kun je op een vel papier uittekenen, bij een ruimtelijk beeld of ruimtelijk imago gaat het om een breder beeld dat iemand van een gebied heeft.

Buitenlanders weten over een bepaald gebied of land:

- Dingen die anders zijn dan wat men gewend is.
- Zaken die de eigen interesse of het eigen belang raken.
- Onderwerpen die veel in de actualiteit zijn.

Informatievoorziening -> ruimtelijk gedrag:

Doelstelling zender -> Beeld van een regio, dat wordt gegeven (subjectief) -> Bestaand beeld van een regio (mental map) -> Beeld, dat ontstaat bij de ontvanger -> Totaalbeeld, dat ontstaat bij de ontvanger -> Ruimtelijk handelen.

Aardrijkskunde = het bestuderen van gebieden en de spreiding van verschijnselen.

Kenmerken om te controleren of een beeld van een regio/plaats geografisch verantwoord is:

- De ligging.
- Landschappelijke kenmerken.
- Bevolkingskenmerken.
- Interne en externe relaties.

Bij de absolute ligging gaat het om een objectief vast te stellen plaatsbepaling. (NB, ZB, OL en WL in graden).

De relatieve ligging is de ligging in relatie met andere ruimtelijke verschijnselen. Omgeving (bijv. Bos of zee) en bereikbaarheid.

Landschappelijke kenmerken:

- Fysisch milieu (natuurlijke omgeving: Bodem, grondsoort en klimaat).
- Ingerichte ruimte (cultuurlandschap, verkaveling en bodemgebruik).

Bevolkingskenmerken:

- Culturele kenmerken (taal, godsdienst, normen en waarden en geschiedenis).
- Demografische kenmerken (bevolkingsdichtheid, -aantal en -spreiding, leeftijdsopbouw).
- Economische kenmerken (bestaansmiddelen, werkloosheid, BRP, in- en export).
- Politieke aspecten
- Rationele kenmerken (gebieden zijn niet op zichzelf staande grootheden. Er zijn interne en externe relaties tussen regio’s).

3. Regionale beelden en ruimtelijk gedrag.

Periferie = Randgebied

De pleasure periphery verschuift.

1e periferie = begin 19e eeuw. Mensen gingen met de koets naar badplaatsen als Brighton, Oostende, Nordeney en Scheveningen kwamen ‘in’.

2e periferie = begin rond 1950. Rijke mensen gingen op vakantie naar de gebieden rond de Middellandse Zee.

3e periferie = begin rond 1960. Ook minder rijke mensen krijgen de mogelijkheid op vakantie te gaan. Turkije en de Canarische eilanden kwamen in trek.

4e periferie = begin sinds enkele jaren. Azië en Zuid-Amerika zijn in trek. Vliegen is voordeliger en dus gaan meer mensen per vliegtuig.

De wens van de rijke mensen om zich sociaal te onderscheiden leidt tot ruimtelijke segregatie. Deze mensen gaan dus naar privé en heel-ver-weg dingen toe.

Toeristengebieden verschuiven:

1. Geen toerisme in het gebied.
2. Betrokkenheid in het gebied (mensen gaan het gebied ontdekken en oorspronkelijke bewoners zijn er dicht bij betrokken).
3. Ontwikkeling in het gebied (het gebied gaat zich richten op de massatoerist).
4. Consolidatie in het gebied (de grote groei is voorbij maar er komen nog veel mensen).
5. Stagnatie in het gebied (mensen komen niet meer).
6. Verjonging/Afnemende groei/Stabilisatie/Neergang/Snelle neergang.

Wonen en werken raakt uit elkaar door mobiliteit, digitalisering en de toegenomen welvaart.

4. De kaart als hulpmiddel.

Er zijn 3 soorten kaarten:

1. Landkaarten (algemeen beeld van een oppervlak).

- Topografische kaarten (veel details)
- Overzichtskaarten

2. Navigatie- en Oriëntatiekaarten (bijv. stadplattegronden, wegenkaarten, zeekaarten).
3. Thematische kaarten (bijv. historische kaart).

Gradennet op de aardbol:

- Breedtecirkels lopen Oost - West.
- Lengtecirkels lopen Noord – Zuid.
- Parallellen en meridianen staan loodrecht op elkaar.
- Alle meridianen zijn even lang.
- De parallellen hebben naar de polen toe een kortere omtrek.

Kaartanalyse:

- Ordenen van gegevens op een kaart.
- Op zoek gaan naar verbanden tussen twee of meer verschijnselen.

5. Australië: ‘down under’.

Australië bestaat uit:

1. Het Westelijk Plateau.
2. Het Centrale Laagland.
3. Het Oostelijk Bergland.

85% van de bevolking woont in de steden. 40% van de bevolking leeft en werkt binnen de stedelijke gebieden van Melbourne en Sydney.
Dit omdat hier het beste klimaat te vinden is.
De mensen trokken uit het platteland weg omdat:

1. Door de mechanisatie steeds minder arbeidskrachten nodig waren.
2. De groei van de werkgelegenheid in de industrie- en dienstensector van de steden mensen aantrok.

40.000 jaar geleden kwamen de eerste immigranten in Australië aan, vanuit Zuid-Oost Azië: De aboriginals.
Aan het eind v/d 18e eeuw kwamen de Engelsen, die het een strafkolonie maakten voor hun gevangenen. Hierna kwamen ook gewone mensen die zich vestigden in het binnenland om zich te richten op de extensieve veeteelt en aboriginals werden tweederangsburgers.
Vlak na de W.O. II kwamen veel mensen, gesubsidieerd door hun eigen regering, naar Australië.

Door hoge transportkosten, wisselende prijzen voor agrarische producten op de wereldmarkt, en door toenemende concurrentie van andere landen ging het vanaf 1980 bergafwaarts met de economie. Nu richt Australië zich meer op Azië.

6. Noord-Afrika en Zuidwest-Azië: godsdienst en olie.

Islamitische wereld: van Marokko tot Oost-Turkije en Noord-Iran.

In Noord-Afrika en Zuidwest-Azië liggen belangrijke vindplaatsen van aardolie en aardgas. De gevolgen van de winning & het exporteren van olie zijn:

- De landen in het gebied hebben een hoog BNP.
- De haven- en hoofdsteden zijn door de investeringen van winsten uit olie-export
gemoderniseerd (hierdoor zijn zichtbare tegenstellingen tussen de traditionele en
moderne wereld ontstaan).
- Gedeeltes van de winst zijn geïnvesteerd in olieraffinaderijen en petrochemische
industrie.
- Migranten trekken naar de oliewinningsgebieden vanwege de vraag naar
arbeid daar.
- Migranten buiten de oliewinninggebieden zijn aangetrokken voor het werken in de
dienstensector.
- Grote tegenstellingen tussen gebieden met en zonder aardolie zijn ontstaan.
- Er worden veel buitenlandse investeringen gedaan => internationalisering.

De combinatie van een groeiende bevolking met een behoefte aan economische ontwikkeling in een droge omgeving leidt tot veel milieuproblemen zoals ontbossing, verzilting en verwoestijning (het gevolg daarvan is druk op de natuur).

De regio Noord-Afrika en Zuidwest-Azie is het kerngebied van de Islam => in sommige regio’s leidt islamitisch fundamentalisme tot problemen of er zijn etnische conflicten tussen bepaalde bevolkingsgroepen.
Het belangrijkste conflict is tussen Israël en de Arabische landen.
Israël heeft bij verschillende oorlogen flinke gebieden veroverd, deze zijn inmiddels voor een groot deel weer teruggegeven aan de Arabische buurlanden.
Sinds het uitroepen van de staat Israël in 1948 werden de Palestijnen een volk zonder staat, velen zijn gevlucht naar Arabische buurlanden, maar ze zijn hier niet geïntegreerd => leven in vluchtelingenkampen.

7. Europa: eenheid in verscheidenheid.

Je kunt niet spreken van één Europese cultuur.
Je kunt twee ontwikkelingen waarnemen in de beweging v/d Europese cultuur:

- Enerzijds is er sprake van het vervagen van cultuurverschillen in Europa (dit wordt gedeeltelijk veroorzaakt door internationaliseringprocessen. Men wil streven naar politieke en economische eenwording of integratie).
- Anderzijds is er sprake van verdieping van culturele verschillen. Deze hebben vaak een nationalistische basis; taal, historisch erfenis, religie, economische achterstelling en etniciteit. Deze elementen zorgen voor verbrokkeling of desintegratie.

In Europa is veel verscheidenheid in zowel menselijke als natuurlijke omstandigheden:

Sociaal-geografisch: aanzienlijke verschillen in bevolkingsdichtheid.
Politiek: Er zijn vele staten. Duitsland, Oekraïne, Monaco en Liechtenstein zijn voorbeelden.
Sociaal-economisch: er zijn grote verschillen in ontwikkelingspeil. Zo is het oosten van Europa veelal arm en het westen van Europa veelal rijk.
Cultureel: Er zijn ook grote culturele verschillen in bijv. taal, uitgaan en godsdienst.
Geografisch: verschil in klimaat, breedteligging, reliëf en bodemgesteldheid.

Europa is te verdelen in 4 grote regio’s:

1. De Noord-Europese Laagvlakte.
2. Het Alpiene Plooiingsgebergte (Pyreneeën, Apennijnen, Alpen en Karpaten).
3. De Oude Middelgebergten (Harzgebergten, Vogezen, Midlands Kolen).
4. De Westelijke Hooglanden.

Ontbossing vormt steeds meer een bedreiging voor het landschap.
In de bergen ontstaat erosie en mensen verlaten de gebieden vanwege de moeilijke leefomstandigheden.
In de mediterrane streken is watertekort in warme perioden een groot probleem.
Het Oostblok kampt met nog veel grotere problemen, de omgeving is verouderd en oude kerncentrales kunnen voor levensgevaarlijke situaties zorgen.
De milieuproblemen in Oost-Europa zijn niet gemakkelijk op te lossen vanwege:

- Het tekort aan mogelijkheden om de milieukwaliteit op orde te brengen voor het Oostblok vanwege tekort aan geld.
- Westerse investeerders durven hun geld nauwelijks in verontreinigde industrieterreinen te steken omdat ze bang zijn dat ze de bodems dan moeten schoonmaken.
- Het ontbreekt aan milieuwetgeving en controle.
- Voor het oplossen van veel milieukwesties is samenwerking tussen de staten nodig.

In West-Europa is een relatief hoog sterftecijfer vanwege de vergrijzing. Veel Oost-Europeanen komen naar West-Europa in de hoop op werk en betere leefomstandigheden.

8. Noord-Amerika: krachten van buitenaf.

Voornamelijk op economisch gebied is de samenwerking tussen landen de afgelopen jaren sterk toegenomen.
Een belangrijke oorzaak hiervan is de ontwikkeling van de moderne technologie.
De belangrijkste multilaterale instellingen zijn de GATT en de WTO (sinds 1995). Zij gaan ervan uit dat ieder land moet produceren waarin hij het beste in is.
Dit proces van internationalisering wordt gekenmerkt door een groeiende productie, distributie en marketing van goederen en diensten.
Sinds 1 januari 1994 bestaat de NAFTA. Dit is een economisch samenwerkingsverband tussen Mexico, Canada en de VS met het doel de tariefmuren tussen deze landen af te breken.
De deelname van Mexico is opvallend omdat ontwikkelingslanden en ontwikkelde landen nooit eerder voor elkaar de markt geopend hadden.
De positieve kanten zijn:

- De werkgelegenheid zal toenemen.
- Er zal efficiënter gewerkt worden.
- Het inkomen zal omhoog gaan.
- Voor de VS: De stroom migranten naar de VS vanuit Mexico zal afnemen.
- Voor Mexico: economische groei.

De immigratieperiode na Columbus naar de VS kun je in 4 perioden indelen:

1. De eerste periode (1790-1820): Er kwamen veelal Engelsen, Schotten, Fransen, Ieren en Duitsers. Er waren economische motieven maar ook politieke motieven zoals het niet vrij kunnen uitoefenen van een godsdienst waren redenen voor hun vertrek.
2. De tweede periode (1820-1880): Er kwamen veel migranten uit Noord- en West-Europa. Door de industriële revolutie waren veel boeren hun bestaan kwijtgeraakt. In Ierland was zelfs hongersnood.
3. De derde Periode (1880-1930): Positieve berichten van de nu Amerikanen maakten andere mensen ook naar de VS te vertrekken. De meeste mensen gingen daarheen om een boerenbedrijf te beginnen of om goud te zoeken of om a/d spoorwegen te werken. Bovendien werd de relatieve afstand korter door de uitvinding van het stoomschip. De meeste mensen kwamen uit Zuid- en Oost-Europa. Er woonden nu al 27 miljoen mensen.
4. De periode van 1930-1965 kun je niet echt van migratiegolven spreken. Rond de oorlog waren er wel wat pieken maar pas in 1965, met de invoering van het nieuwe toelatingsbeleid kwam de laatste golf op gang. Nu ging men niet meer uit van de nationaliteit die iemand had, maar de nadruk werd gelegd op de familieband. Personen met bepaalde kunsten kregen voorkeur. Nu komen er nog veel studenten, toeristen en zakenlieden in de VS binnen.

Amerika is een ‘melting pot’, een samensmelting van culturen.
In Amerika is een grote kans op natuurgeweld. Er zijn relatief vaak orkanen, tornado’s en aardbevingen.

9. Zuidoost-Azië: kruispunt van culturen.

In Azië is een grote verscheidenheid in landschappen en culturen. Er zijn zo eilanden, amar ook is er vasteland. Er zijn veel verschillende talen, religies en tradities.
Er zijn grote verschillen tussen arm en rijk. Brunei en Singapore zijn erg rijk, mar Indonesië en Cambodja bijvoorbeeld zijn erg arm.
Toch zijn er wel gemeenschappelijke kenmerken te vinden.
Zo zijn alle landen gekoloniseerd door een Europese Grootmacht. Ook liggen de landen allemaal aan zee, behalve Laos.
De kerngebieden, de centra’s zijn veelal hoogontwikkeld, terwijl de periferieën, de randregio’s, achtergebleven zijn.
Bodemuitputting, erosie en overstromingen zijn de bijkomende oogst van de houtkap van tropisch hardhout.

In Azië bevinden zich primate cities; hele grote steden die allerlei economische activiteiten aantrekken, waarop vele mensen afkomen. Een gevolg hiervan is dat noodzakelijke voorzieningen als infrastructuur en aanleg van riolering en waterleiding achterblijven.

De ASEAN was opgericht om een muur op te werpen tegen het dreigende communisme, maar nu is de aard v/h samenwerkingsverband vooral economisch.

Toen veel landen rond de jaren ’50 en ’60 in Azië onafhankelijk werden, steeg de economie.
In de jaren ’90 daalde deze echter in Indonesië en dit uitte zich in voedselschaarste, politieke problemen en etnische spanningen.
In Thailand was vanaf de jaren ’80 echter ene explosieve groei waar te nemen.
Het land begon een politiek van importsubstitutie; ze begonnen hun eigen producten te maken i.p.v. ze te importeren.

De nadelen van de ontwikkeling van de Thaise economie zijn:

- Buiten de stad Bangkok is nog grote armoede, omdat met name het noordoosten niet meetelde in de stijgende welvaart.
- Hierdoor vertrekken vele mensen naar de stad waar de mannen slecht betaald werk vinden. De werkomstandigheden zijn slecht en veel meisjes en vrouwen noodgedwongen in de prostitutie terecht komen, met als gevolg aids en druggebruik.
- Het milieu wordt aangetast.
- Omdat de economie op de internationale handel rust, is deze kwetsbaar.
- Kinderarbeid
- Slechte werkomstandigheden, lange werktijden, hoog werktempo en schamel loon, zonder uitkering bij ziekte of werkloosheid en geen of nauwelijks pensioensvoorzieningen.

Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.