CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.

geef je mening

Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?



» resultaten poll

ff n studiebreak

Meiden, laser je binnenste schaamlippen lekker weg joh. Want je vriendje wil een playboypoesje.

Geschreven door:

Mies (4 vwo) [meer]

Datum ingestuurd:

19 december 2005

Taal:

Woorden:

2.650

Bekeken:

1646 keer (6 deze maand)

Waardering:

3.8/5 (4 stemmen)

Deel op:

Naam:


Klas/niveau:


E-mail:


Bericht:


Bestemd voor

Geheime code: 


 
Islam:

Hoe kon een islamitisch rijk ontstaan en hoe werd daarbinnen omgegaan met andere religies?
570 – Profeet Mohammed geboren in Mekka (Arabisch schiereiland).

Mohammed behoorde tot de stam koeraisj, die de macht hadden in Mekka.

Koeraisj had de macht wegens hun rol: beschermer van de haram, centraal vreedzaam plein in de stad waar verschillende stammen geweldloos handel konden drijven.

Op haram bevond zich ook de ka’ba: een zwarte meteorietsteen die door alle stammen werd vereerd.

Mekka was knooppunt in de handel van het Midden-Oosten.
Vanuit China en India werden luxegoederen met kamelenkaravanen via Mekka naar het Middellandse-Zeegebied vervoerd.

Mohammed (geboren als wees) had zich ontwikkeld tot een succesvol handelaar. In dienst van de rijke weduwe Chadiedja begeleidde hij enkele handelskaravanen naar Syrie.

In Syrie kwam Mohammed in contact met christenen en joden. Hij trouwde met Chadiedja en werd een welvarend man. Hij kreeg oog voor de tegenstelling rijk en arm in de harden stammenmaatschappij.

In de bergen van Mekka trok hij zich terug voor meditatie en zou hij visioenen hebben gehad. Daarin zou engel Gabriel zijn verschenen die de boodschap van god doorgaf met de opdracht die onder de arabieren te verspreiden.

Christendom: Gabriel is de engel die Maria verteld dat ze zwanger is van god.

Boodschap van god hield in:
- Allah (de god) is de enige en almachtige god.
- Hij heeft de mens geschapen.
- Hij heeft de mens geode zaken zoals kleding en voedsel gegeven.
- Allah heeft in zijn Wet (Sjarie’a) regels vastgelegd die dienen als richtsnoer voor het menselijk handelen.
- God vraagt de mens om dankbaarheid: gebed (Salaat).
- Zorg voor de armen.

Dit alles is de: Islam

Degenen die dit na leefden: paradijs
Degenen die dit negeren: hel

Volgens de moslims had god al eerder deze boodschap doorgegeven aan de christenen en joden via Jezus en Mozes. Maar omdat de arabieren nog niet over gods richtlijnen beschikten, zo god Gabriel naar Mohammed hebben gestuurd om de boodschap bekend te maken. Mohammed is daarom de profeet van god.
Verzameling van openbaringen die van god zijn ontvangen liggen samen vast in de: Koran. Een heiligschrift met de definieve en beste versie van Gods boodschap volgens moslims. Mohammed is dan ook de laatst mogelijke profeet van god.

Mohammed had enkele tientallen volgelingen maar door de solidariteit voor de armen kreeg hij weerstand van de leiders van Mekka. Omdat zij het als bedreiging zagen voor hun positie en onderlinge machtsverhoudingen.
Mohammed voelde zich gedwongen de stad te verlaten en ging in 622 met 70 volgelingen naar Medina. Dit wordt de Hidjra genoemd (migratie).
Het begin van de islamitische jaartelling.

Medina was blij met mohammed en hoopte dat hij een einde zou maken aan de stammentwisten.

Mohammed vormde in Medina eerste gemeenschap van moslims. De Oemma.
Regels Oemma:
Elkaar verdedigen bij conflicten met niet-moslims.
Onderlinge ruzies worden voorgelegd aan de profeet.

Oemma was een belangrijke ontwikkeling, de oude stammenpolitiek werd doorbroken.

Mohammed was zich ervan bewust: het nieuwe geloof zou niks worden zonder bekering van de leiders van Mekka.
Gevolg: Moslims startte vanuit Medina een heilige oorlog om Mekka te veroveren. (Djihaad).
Door bondgenootschappen in de omgeving van Medina te sluiten.
Handelskaravan te overvallen die op weg naar Mekka waren.
Zo verzwakken van Mekka.
Na jaren van strijd en diplomatiek: Mekka geeft zich over. Meeste inwoners werden moslim.

Mohammed verwijderde alle afgodsbeelden bij de Ka’Ba en benoemde deze plek tot centraal heiligdom van de islam.

Mohammed stierf in 632. Zijn levenswijze en uitspraken (Soenna) spelen een belangrijke rol bij uitleg van de Koran.

Veel mensen op het arabisch schiereiland hadden zich al aangesloten bij de Oemma. Vooral politieke eenheid sprak hen aan , maar dit betekende niet dat de stammen het nieuwe geloof ook actief beleden.

Toenemende bevolkingsdruk en onvruchtbaarheid van het arabische schiereiland zorgde ervoor dat de arabieren opzoek gingen naar vruchtbaarder gebieden. Onder leiding van de nieuwe leider van de oemma (Kalief) richtte zij hun aandacht op Syrie, Egypte, Irak en Iran.

Syrie en Egypte behoorden tot het Byzantijnse Rijk. Leiders van dit rijk waren Grieks sprekende christenen.
Er was daar veel onvrede over belastingen. Onvrede stimuleerde de groei van regionale christelijke groeperingen. Vooral op het platteland vonden zij aanhang. Steden zagen hen als gevaar voor politieke eenheid van het Rijk.

Byzantijnse Rijk was in strijd met het Perzische rijk.

Conflict: Wie had de handelsroute van het Verre Oosten naar het Middellandse-Zeegebied.

Iran en delen van Irak: Perzische Rijk.
Stedelijke gebieden hadden de macht. Hier ook nieuwe christelijke groeperingen op komst.

Door politieke en religieuze verdeeldheid in beide Rijken konden de Arabische moslimstrijders vaak zonder veel verzet lokale gebieden veroveren. Moslims werden soms zelfs als bevrijders beschouwd.

In een kleine dertig jaar veroverden de islamitische kaliefen grote delen van Iran, het hele midden-oosten, het arabische schiereiland en Egypte.
Veroverd door militaire veldslagen en met Arabische staatsbezitting.
Er was een streng onderscheid tussen arabieren en niet-arabieren. Alleen zuivere arabieren konden hoge plaatsen bekleden.
De onderworpen volken werden niet gedwongen tot de Islam over te gaan, maar wel sterk gestimuleerd. Zo hadden moslims bijvoorbeeld lagere belastingstarieven.

Overwonnen volken namen de Arabische taal over en bekeerde zich tot de Islam. Arabisch had als taal van de adel veel prestige en was handig voor de handel en bestuur.
Verbreiding van Islamitische geloof was verbonden met de Arabische taal. Dat was immers de taal waarin god men had toegesproken.
Arabisch kreeg een goddelijk karakter.

In Iran was de weerstand sterker. Veel mensen namen de nieuwe religie wel aan maar niet de nieuwe taal.

In Noord-Afrika was er veel weerstand tegen het nieuwe geloof van de oorspronkelijke berberbevolking. Arabieren probeerde te veroveren vaak met plunderacties. Berbers probeerden Arabieren te verdrijven. Hoewel Berbers geleidelijk tot de Islam overgingen bleven ze hun eigen taal spreken.

In Europa kwamen de moslims ook. Via Spanje bereikten ze in 732 Poitiers in Frankrijk. Daar werd hun opmars gestopt door de Karolingische vorsten.
In het oosten bereikte de islam: China, India, Indonesië.

In 19e eeuw bloeide er veel nationalisme op in Europa. In Oost-Europa leidde dit vaak tot antisemitisme: joden werden als vreemde beschouwd en werden in Rusland en Oekraine slachtoffer van pogroms.

Veel joden  emigreren naar Amerika of Palestina (land dat god hen beloofd had).
Joden streefden ook naar eigen staat: zionisme.

Palestina lag in het Ottomaanse Rijk. 1880 telde de bevolking 600 000 zielen.
480 000 Arabische Moslims.
60 000 Arabische Christenen.
35 000 Joden.

Migratie van Europese joden naar Palestina was verboden, maar door havenambten enz. om te kopen konden toch veel joden uit Europa zich in Palestina vestigen.

1914: Joden aantal gegroeid tot 85 000.
Joodse immigranten: Jonge mensen die vastbesloten waren om een welvarende joodse gemeenschap op te bouwen. Ze kochten grond van Arabische grootgrondbezitters. Arabische boeren verloren zo hun pachtrecht en kwamen bij de joodse kolonisten in dienst.
Aangezien joden de arabische taal en gewoontes niet kenden waren er veel onenigheden.
Arabische christenen met vrije beroepen zagen joodse immigranten als concurrenten.

Het werd pas echt spannend toen de Britten kwamen in de 1e wereldoorlog.
Zij maakten afspraken:
- De arabieren zouden een groot onafhankelijke staat krijgen. (de arabieren dachten dat Palestina hier ook bij zou horen).
- Joden zouden een nationaal tehuis in Palestina krijgen.
- Fransen en Britten verdeelde in het geheim het hele Midden-Oosten over elkaar.

Na afloop van de oorlog kreeg Frankrijk: Syrie en Libanon.
Engeland: Irak en Palestina.
Ook kwam er ontwikkeling van een joods nationaal huis.

Arabieren voelde zich verraden. Zij hadden geen onafhankelijkheid en waren bang voor de joodse zionistische overheersing.
Geregeld kwamen er botsingen tussen joden en Arabieren.
Britten stellen voor in 1936 het gebied op te delen. Arabieren zijn woedend en joden, Britten en Arabieren bestoken elkaar met terreuracties.

In 1947 vroegen de Britten de VN om hulp. Die stellen weer een delingsplan voor. Hoewel de zionisten het hier mee eens zijn, zijn de arabieren er fel op tegen en dreigen met militair ingrijpen.
Toen de Britse troepen in 1948 Palestina verlieten, riep David Ben Goerion, de leider van de zionisten, de staat Israël uit.
Ondanks het numerieke overwicht van het Arabische leger werd de oorlog in 1948 in het voordeel van Israël beslist.
Door de nieuwe staat Israël kwam er een historisch drama. De helft van de Arabische inwoners van het gebied moesten door de oorlog vluchten naar Libanon, Syrië, Jordanië, Egypte en het aan de arabieren toegekende deel van Palestina.
Het Palestijnse vluchtelingenvraagstuk en het Arabisch-Israëlisch conflict waren geboren.

De oorlogen van 1956, 1967, 1973 tussen Israël en de Arabische landen brachten de Palestijnen weinig goeds.
Israel kreeg in 1967 meer grondgebied. De Israelische autoriteiten legden de Palestijnse bewoners in die bezette gebieden allerlei beperkingen op.
Palestijnen zetten eigen bevrijdingsorganisatie op: Palestinian Liberation Organization o.l.v. Yasser Arafat.
De gebeurtenissen in Palestina hadden gevolgen voor de politieke situatie in de Arabische wereld.

- Turkije werd onafhankelijke seculiere republiek o.l.v. Mustafa Kemal.
- Iran werd een constitutionele monarchie met als vorst Shah.
- Arabische gebieden in het Midden-Oosten en Noord-Afrika door verordening van de volkenbond onder tijdelijk Brits of Frans bestuur te staan.
Ze werden westers ingericht. Landen hadden: koning, grondwet, parlement, leger.
Gewone bevolking merkte niet veel van veranderingen. Macht lag in hadden van
mannen die meestal in het Ottomaanse Rijk ook al veel invloed hadden.

Binnen deze landen ontstond een groeiende groep van jonge legerofficieren uit de lagere klassen die zich stoorde aan: corruptie, sociale ongelijkheid en Europese overheersing. De nederlaag die Arabische landen in 1948 leden tegenover Israël was de druppel.

Egypte: 1952 pleegde de Egyptische legerofficier Gamal Abdel Nasser met zijn beweging van
vrije officieren een staatsgreep. Koning Faroek werd afgezet en Egypte werd een
republiek.

Toen Nasser aan de macht kwam, Arabisch nationalisme:
- Nationaliseerde grote industrieen.
- Voerde vergaande landhervorming door. (land van grootgrondbezitters verdelen over kleine boeren.)
- Europese overheersing van Arabische landen afschaffen.
- Onafhankelijke positie tegenover de VS en de Sovjetunie.

Arabisch nationalisme werd populair in meerdere Arabische landen.
In Syrie, Irak en Algerije:
- Kwamen na de onafhankelijkheid nationalistische regeringen aan de macht.
- Overheid speelt leidende rol in sociale en economische ontwikkelingen van het land.
- Arabische nationalisme gebaseerd op socialistische en seculiere utigangspunten.
- Islam was voor het privé-leven.
- Emancipatie: vrouw moest zich ontwikkelen in de natie, dus onderwijs kunnen volgen.
- Onderwijs voor alle lagen van de bevolking.

In de praktijk waren er veel belemmeringen voor emancipatie:
- Traditionele rollenpatroon bleef bestaan.
- Door bevolkingsgroei hadden maatregelen tegen armoede weinig resultaat.
- Lagere klassen waren vrouwe gedwongen naast het huishouden ook een baantje te hebben om het gezinsinkomen te verhogen.

De sluier werd gezien als obstakel voor de ontwikkeling van de vrouw, westerse kleding kwam in de mode.
Turkije en Iran: Openbaar dragen van een sluier verboden.

Ondanks moderne denkwijzen was er geen democratie in Arabische landen.
Hun leus: eenheid, vrijheid en socialisme had vooral betrekking op anti Europees of Amerikaans imperialisme.
Democratie zouden de politieke eenheid in gevaar brengen.

Nationalisme regimes  dictaturen.
Geheime politie voortdurend aanwezig om oppositie te straffen.

Belangrijkste doel van Arabische nationalisme: streven naar politieke eenheid bleek een illusie.
Golfoorlog 1991 was daar het bewijs van:

Irak bezette Koeweit in 1990.
Saudie-Arabië laat Amerikaanse troepen toe om te vechten tegen Irak.
Jordanië en Jemen kozen kant van Irak.

Ondanks politieke verdeeldheid zijn Arabische nationalistische leiders nog steeds aan de macht.

Jaren tachtig, Midden-Oosten:
Groeperingen met ideologie gebaseerd op islamitische wetten en leefregels in de politiek werden populair.
Het islamitisch fundamentalisme.
Niet alle fundamentalistische groeperingen waren even radicaal.
Degene die geweld leegde waren in de minderheid en waren vooral gericht op het verzwakken van eigen regering.
Terreurdaden Egypte: tegen toerisme, grootste inkomen van de staat.
Islamitische revolutie Iran 1979: Shah afgezet o.l.v. Ayatollah Khomeini, vertegenwoordiger van fundamentalistische stroming onder de sji’ieten.
Iran werd islamitische republiek.

Fundamentalistische groepen kregen het idee: politieke overwinning was mogelijk.
Overheid leek niet in staat sociale voorzieningen te treffen voor de snelle bevolkingsgroei.
Veel plattelanders trokken naar de stad  in de steden te kort aan woonruimte, werk, gezondheidszorg en onderwijs.
Fundamentalisten verrichtte sociaal werk.
De bevolking kreeg vertrouwen in ze.

Veel afgestudeerde jongeren gingen na hun studie bij de overheid werken, maar stonden ook positief tegenover het islamisme.
In de jaren 80 ging het slecht met de economie, er moest bezuinigd worden.
De bevolking vond dat de overheid hen in de steek liet.
Tegen betaling kon je wel dingen gedaan krijgen van de overheid.
Fundamentalisme tegen corruptie van overheid sprak veel mensen aan.

Fundamentalisten waren ook tegen de seculiere oppositiegroepen met hun socialisme, liberalisme en communisme.
Ze zouden de armoede niet kunnen oplossen.
Ze vonden het te westers, en zagen het westen als lafaards en vijanden.

Islamieten zeggen: als je de regels van de islam goed naleeft geeft dat oplossingen voor de maatschappelijke problemen.
- Scheiding man en vrouw
- Islamitisch strafrecht
- Verafschuwen van westerse invloeden.
- Door zich islamitisch te kleden kon je dat bevestigen.
- Voorstander van onderwijs voor vrouwen maar wel gescheiden.

Iran: Sinds 1979 sluier dragen verplicht. Ook westerse vrouwen.
Saudie-Arabië: Westerse vrouwen hoeven geen sluier te dragen. Arabische vrouwen moeten volledig gesluierd zijn en mogen geen autorijden. Islam is zo zichtbaar door het wahhabisme, een zeer strenge versie van de Islam. Door de goede olie-inkomsten hoeft het land zich niks aan te trekken van het westen. Het onderhoudt goede contacten met het westen maar steunt ook fundamentalistische bewegingen in andere islamitische landen.

Onder de fundamentalisten bevinden zich ook vrouwen. Zij zien hun sluier als instrument om zich te bevrijden van de westen. Ze vinden dat de westerse vrouw te vaak als sekssymbool wordt gezien. De vrouw moet volgens hen wel kunnen werken en studeren maar dat mag niet ten koste gaan van hun rol als moeder en echtgenote.
Andere vrouwen strijden voor seculiere denkbeelden in het Midden-Oosten

Afghanistan: Sinds 1996 de extreemfundamentalistische Taliban aan de macht. Hun denkbeelden benadelen de vrouwen. Meeste moslims vinden hun opvattingen absurd en onislamitisch. De voorschriften van de Taliban staan namelijk niet in de Koran.

Jaren 90: meer politieke vrijheden door onvrede.
Algerije: In 1991 werd een stemverkiezing gehouden. FIS won, een fundamentalistische partij. Het zittende regime verklaarde de stemuitslagen ongeldig uit angst hun macht te verliezen.
Fundamentalisten waren woedend: gebruikte geweld tegen de regering en begon met aanslagen. De regering probeerde de fundamentalisten uit te roeien. Gruwelijke strijd, hele dorpen zijn uitgeroeid. In 1998 80 000 Algerijnen.

De grootste vraag is: kan fundamentalisme met democratie gecombineerd worden?
Fundamentalisten zouden hun radicale denkbeelden op moeten geven.
Zullen er dan politieke en culturele vrijheden zijn?
In Iran is er na 20 jaar politieke islam nog steeds geen sprake van vrijheid van meningsuiting maar uit economische noodzaak zijn ze toch niet meer antiwesters.

Opkomst van het fundamentalisme is een teken van onvrede over het politieke en economische beleid.
Door het optreden tegen fundamentalisten zal de onvrede niet weg worden genomen.
Maar de radicale denkbeelden van de fundamentalisten beloven weinig goeds voor vrijheid van meningsuiting.
Een rechtstaat is nog veel te ver weg. Het systeem van corruptie lijkt de grootste belemmering voor de democratie.

Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.