Geschreven door: | anoniem (4 vwo) |
Datum ingestuurd: | 19 september 2007 |
Taal: |  |
Woorden: | 1.150 |
Bekeken: | 4377 keer (5 deze maand) |
Waardering: |
|
Deel op: |
|
Thema 1. Wat is biologie?
Basisstof 1.
Alle organismen vertonen levensverschijnselen.
Als een organisme geen levensverschijnselen meer vertoont noemen we het organisme dood,
dingen die nooit geleefd hebben zoals zuurstof, koolstofdioxide en gesteenten noemen we levenloos.
De levensverschijnselen van organismen zijn:
Stofwisseling, hieronder verstaan we alle chemische reacties in een organisme.
Groei.
Ontwikkeling
Voortplanting
Basisstof 2.
Heel lang is men uitgegaan van generatio spontanea, volgens deze theorie konden organismen vrij plotseling ontstaan uit levenloze of dode materie. Deze theorie dateert al van voor de jaartelling,
Aristoteles was van mening dat allerlei levenloze materialen en dode organismen sluimerende levenskrachten hadden. Als de omstandigheden dan gunstig waren zouden deze krachten ontwaken en zou er leven ontstaan.
Latere onderzoekers die in generatio spontanea geloofden, waren van mening dat uit een individu een bepaalde soort organismen van een geheel andere soort konden ontstaan.
Deze theorie had tot in de 19e eeuw aanhangers.
De onderzoeker van helmont had zelfs een recept ontwikkeld om uit vul wasgoed en graankorrels muizen te laten ontstaan.
Een van de eerste onderzoekers die twijfelde aan de generatio spontanea was Redi.
Hij bedacht dat de maden uit rottend vlees misschien ontstaan waren uit de eieren van vliegen.
Toen van leeuwenhoek met zijn eenvoudige microscopen veen eencelligen in water ontdekte kreeg de generatio spontanea nog meer aanhang
Needham voerde het experiment met bouillon uit.
Spallanzani herhaalde de proef en liet de bouillon iets langer doorkoken en smolt de kolf dicht, nu bleef de vloeistof helder.
Pasteur leverde het bewijs in 1860 dat de theorie niet juist was. Hij toonde aan dat overal in de lucht, water en bodem micro-organismen zijn, maar dat op eenvoudige wijze mogelijk een oplossing vrij te houden van bacteriën. Door te koken maak je een oplossing steriel.
Fasen van een natuurwetenschappelijk onderzoek:
- Observatie
- Probleemstelling
- Hypothesevorming
- Experimentele fase
- Resultaten
- Conclusie
Het verslag:
- inleiding
- werkplan
- resultaten
- conclusie en discussie
- literatuur
basisstof 3.
De meeste veelcellige organismen zijn opgebouwd uit verschillende organen.
Een orgaan is een deel van een organisme met een of meer functies
Een groep samenwerkende organen heet een organenstelsel
Organen hebben vaak een vorm die past bij hun functie. Ook bij de lichaamsvorm van organismen is vaak het verband te zien tussen vorm en functie.
Waterdieren bijvoorbeeld hebben in het algemeen een lichaamsvorm die weinig weerstand ondervind in het water, we noemen deze lichaamsvorming gestroomlijnd(kop gaat over in romp en romp in staart)
Organen zijn opgebouwd uit cellen.
In een orgaan kunnen cellen voorkomen die heel verschillend van vorm zijn.
Ook bij cellen hangt de vorm samen met functie.
Meestal liggen cellen met dezelfde vorm en dezelfde functies in groepen bij elkaar, we noemen zoon groep cellen een weefsel.
Bij veel weefsels liggen de cellen niet tegen elkaar aan maar komt er tussencelstof voor. Tussencelstof bestaat uit dood materiaal. In sommige weefsels is tussencelstof hard, en in andere zacht.
Basisstof 5.
Elk deel van een cel met een eigen functie word een organel genoemd
Een cel bestaat uit cytoplasma en kernplasma . in het cytoplasma komen verschillende typen organellen voor. Tussen organellen bevind zich grondplasma, een stroperige vloeistof die bestaat uit water met allerlei opgeloste stoffen.
De buitenste laag van het cytoplasma is een dun vlies, het cel membraan.
De celkern bestaat uit kernplasma. De buitenste laag van het kernplasma is het kernmembraan.
De celkern regelt de stofwisselingsprocessen die in de cel plaatsvinden.
In het cytoplasma kunnen vacuolen voorkomen. Een vacuole is een blaasje gevuld met vocht, een vacuole is omgeven door een vacuolemembraan. bij oudere plantaardige cellen zijn de vacuolen samengevloeid tot 1 grote centrale vacuole. Het cytoplasma ligt dan in een dunne laag tegen de celwand aan. We noemen dat wandstandig cytoplasma.
Bij plantencellen bestaat het vacuolevocht uit water met opgeloste stoffen, oa, zouten, glucose en andere reservestoffen , afvalstofen en kleurstoffen. Deze kleurstoffen geven bijvoorbeeld kleur aan bloemen en vruchten. De blauwe, paarse, rode of roze kleur word meestal veroorzaakt door de kleurstof anthocyaan.
In het cytoplasma van jonge plantencellen komen proplastiden voor, proplastiden zijn kleine korrels die zich tot plastiden kunnen ontwikkelen. Uit proplastiden kunnen chloroplasten, chromoplasten en leukoplasten ontstaan.
Plastiden komen niet voor in dierlijke cellen.
In chloroplasten(bladgroenkorrels) vind fotosynthese plaats.
Chromoplasten (kleurstofkorrels) bevatten gele en/of rode kleurstoffen.
Chloroplasten en chromoplasten kunnen in elkaar overgaan.
Leukoplasten zijn kleurloos. Leukoplasten kunnen zich ontwikkelen tot chloroplasten en chromoplasten en amyloplasten. In amyloplasten is zetmeel opgeslagen.
Het cytoplasma van een plantaardige cel vormt een stevig laagje om de cel heen, de celwand.
De celwand is tussenstof en behoort niet tot de cel.
De celwanden van naburige cellen sluiten vaak niet precies aaneen, tussen de celwanden komen dan kleine holtes; de intercellulaire ruimtes, deze holten zijn gevuld met lucht.
Basisstof 6.
Het endoplasmatisch reticulum is een ingewikkeld netwerk van dubbele membranen in het cytoplasma.
Doordat 2 membranen bijna tegen elkaar aanliggen, ontstaan afgeplatte holtes en kanaaltjes. De ruimten tussen de membranen staan met elkaar in verbinding. Het endoplasmatisch reticulum gaat over in het kernmembraan. Ook dit is een dubbel membraan.
Eiwitten in lysomen zijn enzymen
Enzymen kunnen chemische reacties versnellen.
Het cel membraan vormt de grens tussen een cel en zijn omgeving. Het transport van stoffen tussen de cel en zijn omgeving vind selectief plaats; het celmembraan laat bepaalde stoffen de cel ingaan, maar houd andere stoffen tegen.
Een celmembraan bestaat uit twee lagen foslipiden waarin eiwitten liggen ingebed.
Basisstof 7.
Een oplossing bestaat uit een oplosmiddel en een of meer opgeloste stoffen. Bij organismen is water het belangrijkste oplosmiddel. De concentratie geeft meestal de hoeveelheid opgeloste stof per volume-eenheid van de oplossing aan. De concentratie word altijd berekend ten opzichte van de totale oplossing.
Als iemand in de hoek van het lokaal de gaskraan even opendraait, is dit even later door de hele klas te ruiken. De gasmoleculen vermengen zich met de lucht en verspreiden zich over de hele ruimte. Dit verschijnsel heet diffusie.
Diffusie is de verplaatsing van een stof van een plaats met een hoge concentratie naar een plaats met een lage concentratie van die stof.
Diffusie leid tot een homogene(gelijkmatige) verdeling van moleculen over de beschikbare ruimte.
De nettoverplaatsing van een stof per tijdeenheid word diffusiesnelheid genoemd.
De diffusiesnelheid is afhankelijk ven een aantal factoren:
- van het diffusieoppervlak
- van de afstand waarover diffusie plaatsvindt
- van het drukverschil, of concentratieverschil
- temperatuur
- de aard an de diffuserende stof
- het medium waarin de diffusie plaatsvindt
diffusie kan ook optreden als vloeistoffen zijn gescheiden door een wand waar alle moleculen doorheen kunnen gaan. Zo’n wand noemen we latend of permeabel
sommige membrane hebben porien die zo klein zijn, dat alleen watermoleculen er doorheen kunnen aan. De moleculen van in hetwater opgeloste stoffen kunnen niet door deze membranen heen. Deze membranen noemen we halfdoorlatend of semi-permeabel.
Als twee oplossingen met een verschillende concentratie van elkaar zijn gescheiden door een semipemeabel membraan, treedt osmose op.
Er treedt een nettoverplaatsing op van de loplossing met de laagste concentratie naar de oplossing met de hoogste concentratie.
Osmose is te omschrijven als de verplaatsing van water door een semipermeabel membraan van een plaats met een lage osmotische waarde naar een plaat met een hoge osmotische waarde.
Basisstof 8.
Iedere individuele cel van een veelcellig dier wordt omgeven door een dun laagje vloeistof, de weefselvloeistof.
Basisstof 9.
Osmose speelt een belangrijke rol bij de stevigheid van kruidachtige planten.
Er stroomt door osmose water vanuit de celwanden de cel in, hierdoor wordt het volume van de cel groter, waardoor de cel druk gaat uitoefenen op de celwand. Deze druk wordt tugor genoemd. We noemen plantencellen met tugor turgescent.
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen.
Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten.
Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.