CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.

geef je mening

Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?



» resultaten poll

ff n studiebreak

Maandag begint de nieuwe Weg Over Rozen! Hier vast al het tergende, romantische, schokkende, suïcidale en strontvervelende uit seizoen 1 op een rij.

Geschreven door:

Tim Boer (5 vwo) [meer]

Datum ingestuurd:

21 december 2006

Taal:

Woorden:

2.500

Bekeken:

2802 keer (1 deze maand)

Waardering:

4.1/5 (19 stemmen)

Deel op:

Naam:


Klas/niveau:


E-mail:


Bericht:


Bestemd voor

Geheime code: 


 
HOOFDSTUK 1

§1
De ecologische benadering:

Bij de ecologische benaderingswijze kijk je dus naar de manier waarop reliëf, grondsoort, atmosfeer, bodem, water, flora en fauna en de mens elkaar beïnvloeden en zo het uiterlijk en de werking van het landschap bepalen. De onderdelen van een ecologisch systeem in een landschap zijn verdeeld in 3 groepen bouwstenen: Abiotische wereld, biosfeer(flora en fauna) en de Noösfeer (mensenwereld).
Genetische benadering:
Bij de genetische benaderingswijze bestudeer je de ontstaansgeschiedenis van het landschap: Welke processen hebben het landschap zo gevormd?

§2
Geologie en geomorfologie:

De geologie bestudeert hoe natuurlijke of geologische processen in de loop der tijd zorgden voor afzettingen in het landschap. De wind de zee de rivieren en het ijs hebben allerlei afzettingen of sedimenten achter gelaten(grind, zand, keileem)
De geomorfologie bestudeert welke landschapsvormen er zijn ontstaan, dus hoe het landschap eruit ziet. Door water wind en ijs ontstonden er in het landschap heuvels, dalen en vlakten.
De periode vóór het Kwartair:
Het Nederlandse landschap is vooral gevormd tijdens het Kwartair, 2,5 miljoen jaar geleden tot en met heden. Nederland heeft tal van klimaten gekend in de tijd dat vele processen het landschap van Nederland vormden.
Het Pleistoceen
Pleistoceen ook wel ijsperiode genoemd. IJstijden of glaciaal zijn koude perioden met een gemiddelde zomertemperatuur lager dan 10 graden. Deze worden afgewisseld met interglacialen. De afzettingen van het Pleistoceen vormden de ondergrond van laag Nederland. Het Pleistoceen is opgedeeld in 3 tijvakken:
Preglaciaal: Afwisseling glacialen en interglacialen. De grote rivieren zorgden voor dikke lagen zand, klei en grind in Nederland. Omdat ze door de rivier zijn afgezet noem je ze fluviatiele sedimenten.
Glaciaal: In deze periode bereikte het landijs Nederland. Deze periode wordt glaciaal of Saalien genoemd. Het landijs zorgde voor ijstongen. Het fluviatiele zand uit het preglaciaal werd opgestuwd tot stuwwallen. Onder druk van de dikke ijsmassa werd zand en grind tot keileem gemalen. Samen met de meegevoerde zwerfkeien zijn dit glaciale sedimenten. Fluvioglaciale sedimenten is materiaal die afgezet zijn door smeltwater van het landijs. Zo ontstond een spoelzandvlakte of sandr. Toen het landijs wegging schoof de glaciale afzetting keileem op tot keileembulten.
Postglaciaal:
In het Postglaciaal volgde een korte warme periode, het Eemien. De rivieren en de zee legden zand en klei neer. Daarna begon de laatste ijstijd, het Weichselien. Dek zand en löss zijn windafzettingen of eolische sedimenten.
Het Holoceen:
Het Holoceen waar we nu in leven is een interglaciaal. In het Holoceen heeft de mens ook grote invloed. In het Holoceen waren er regressieperioden met langzame zeespiegelstijging. En transgressieperioden met een snelle zeespiegelstijging. In moerassen vormde zich laagveen. Hoogveen ontstond in gebieden met een slecht doorlatende ondergrond.
Zand en zavel(mengsel van klei en zand) werden door de rivier afgezet en dit zorgde voor oeverwallen. De komgronden liggen achter de oeverwallen en liggen lager. Ook neemt het volume van klei bij vochtverlies af: inklinking.



§3
Functies van Natuur en landschap:

Natuur en landschap vervullen de volgende vier functies voor de mens:
- Productiefunctie: Natuur en landschap leveren grondstoffen die verwerkt kunnen worden tot voedsel en goederen.
- Draagfunctie: De natuur en het landschap kunnen de mens ruimte bieden voor zijn activiteiten. Alle bouwwerken hebben ruimte nodig.
- Informatiefunctie: De mens doet kennis op door de natuur te bestuderen.
- Regulatiefunctie: Natuur en landschap hebben het vermogen om de invloed van vervuiling en aantasting binnen bepaalde grenzen te herstellen.

Het zandlandschap:
In het zandlandschap vind je essen, dit zijn hoger gelegen stukken grond in het landschap. Een kavel is een stuk grond dat eigendom is van 1 boer. Men herverdeelde de kavels onder de boeren, zodat ze een groter aaneengesloten stuk grond kregen met een regelmatiger vorm, dit noem je ruilverkaveling. Ook natuur, recreatie en verkeer worden bij de plannen betrokken deze heet landinrichting.

Het rivierkleilandschap:
In rivierkleilandschappen vind je lineaire nederzettingen, dit houdt in dat mensen als een lint op de dijk gaan bouwen. Als de dijk was doorbroken en water bleef achter in een diep gat en daarom heen werd een dijk gelegd, dat noem je een wiel. Het gebied tussen de rivier en de winterdijk noem je uiterwaarden wat regelmatig overstroomd.

Het zeekleilandschap:
Zeeklei wordt altijd afgezet op kwelders. Deze overstromen allen bij extra hoge vloedstanden. Ze ontstaan in een waddengebied. Dit is een ondiep zeegebied dat door eilanden met duinruggen min of meer afgesloten is van de open zee. Als het water bezinkt door een dalende stroomsnelheid vormen zich tussen de wadgeulen zandplaten die bij eb droogvallen: wadden.
Omdat zand na ontwatering minder zakt dan klei, liggen de kwelders wat hoger in het landschap. Dan spreek je van kreekruggen. Zeeklei van 5000 jaar oud is oude zeeklei, 3000 jaar oud is nieuwe zeeklei.

Het duinlandschap:
Het zand dat op onze duinen ligt is afkomstig van de bodem van de zee. Het is door golven op het land gebracht. De wind brengt het verder landinwaarts. Als zoutminnende planten met hun wortels het zand gaan vasthouden dan begint de duinvorming. Als een duinenrij hoog genoeg is en water tegenhoud dan spreek je van een zeereep. Een kust groeit constant aan daarom is er ook sprake van oude en jonge duinen. Duinen zijn niet stabiel. Zand van de duinen kan opnieuw verstuiven naar andere plaatsen. Hierdoor kunnen laagten ontstaan die dicht bij het water liggen. Dit soort gaten noem je duinvalleien.

Het veenlandschap:
Op elke natte plaats in de natuur waar stilstaand water is gaan veenplanten groeien. Als de planten afsterven, dragen ze bij aan de opbouw van een laagje veen. Dit soort veen dat binnen het bereik van grondwater ligt heet laagveen. In West-Nederland komt dit nog steeds in grote delen voor. Op natte voedselarme plaatsen groeit veenmos. Dit ligt meters boven het grondwater daarom wordt het hoogveen genoemd.

Het lösslandschap:
Löss bestaat uit fijne stofdeeltjes. Deze stofdeeltjes zijn erg erosie gevoelig. Omdat ze zo licht zijn worden ze bij een matige wind al opgenomen, en zo over grote afstanden verplaatst. Löss is zeer vruchtbaar.

HOOFDSTUK 2

§1
Ecologisch denken:

Bij ecologisch denken is het de bedoeling om de afname van de landelijke diversiteit tegen te gaan. Duurzaam en beter. Duurzame ontwikkeling is hierbij een belangrijk begrip.
Ecologische problemen:
De nadelige effecten op onze leefomgeving, de natuur en het landschap noemen we ecologische of milieuproblemen. Daarbij kun je 3 groepen problemen onderscheiden:
- Verontreiniging
- Uitputting
- Aantasting

Verontreiniging:
De mens brengt afvalstoffen in het milieu. Het ecologische evenwicht wordt dan verstoord en de natuur is niet in staat dit te herstellen. Voorbeelden van verontreiniging zijn: Vermesting: Men loost teveel voedingsstoffen in den bodem, zodat in het grondwater en in het oppervlakte water en in de bodem een overschot aan deze stoffen ontstaat. Eutrofiëring is het voedselrijker worden van de bodem.
Verzuring: Hierbij worden zure stoffen in den lucht uitgestoten. Via neerslag komt dit om de grond en of oppervlaktewater. De veroorzakers van deze problemen zijn de landbouw, industrie, energiebedrijven en het verkeer.
Verspreiding: Hierbij komen giftige niet-afbreekbare afvalstoffen in het milieu en hopen zich daar op.

Uitputting:
In een hoog tempo worden delfstoffen, energiebronnen, bodem en organisch materiaal zoals hout, vissen en andere dieren verbruikt door de mens. De natuur kan dit niet op de zelfde snelheid aanvullen, gevolg is uitputting.
Aantasting:
Bij aantasting gaat de kwaliteit van de leefomgeving achteruit doordat door menselijke activiteiten de natuur en het landschap onherstelbaar worden beschadigd. Voorbeelden zijn:
Verdroging en verzilting: In grote delen van Nederland vindt drinkwaterwinning, irrigatie en het verlagen van de grondwaterspiegel voor de landbouw plaats. Hierdoor verdwijnen de waterminnende platen en dieren. In zand en duinlandschap treedt verdroging op en in veen en zeekleilandschappen treedt verzilting op.

Verstoring:
Verstoring treedt meestal op in de directe leefomgeving van de mens in de vorm van stank- en geluidsoverlast, vooral in de grote steden.
Ruimtelijke Schaalniveaus:
Er zijn vijf ruimtelijke schaalniveaus waarop milieuproblemen zich kunnen voordoen:
- Lokaal Niveau – in stad of bos
- Regionaal Niveau – meer plaatsen, provincie
- Fluviaal Niveau – stroomgebieden van een rivier
- Continentaal Niveau – vervuiling in de atmosfeer, landen
- Mondiaal Niveau – wereld, broeikaseffect.

§2
Zonering:

Zonering, Nederland is ingedeeld in vier soorten deelgebieden met een specifieke functie of combinaties van functies.
1. Gebieden gericht op akkerbouw en veeteelt. Tussen landbouw en natuur komen bufferzones voor.
2. Gebieden gericht op de intensieve niet-gebonden landbouw.
3. Gebieden gericht op natuurontwikkeling en behoud.
4. Gebieden gericht op een combinatie van landbouw, recreatie, bosbouw en natuur.

Om deze zonering te realiseren kan de overheid bepaalde gebieden aanwijzen als:
Nationaal Park: natuurterrein van minimaal 1000 ha, komt nauwelijks landbouw voor.
Natuurreservaat: Vergelijkbaar met Nationaal park maar kleiner dan 1000 ha.
Beheersgebied: klein gebied waarop de boeren hun bedrijfsvoering afstemmen op het behoud van natuur en landschap.
Nationaal landschap: Gebied van tenminste 10.000 ha, natuurgebieden met zowel agrarische landschappen.
ROM-gebied is een gebied waar plannen voor de ruimtelijke ordening en van beheer van het milieu op elkaar word afgestemd.
Contourenbeleid:
In de contourennota onderscheidt men 3 typen gebieden:
Rode contouren: Rondom bebouwde gebieden en gebieden waar plannen voor bebouwing in de toekomst zijn vastgelegd.
Groene contouren: Rond gebieden met een bijzondere natuurwaarden, cultuurhistorisch of archeologische waarden.
Balansgebieden: De gebieden buiten de rode en groene contouren behoren tot de balansgebieden. Hierin mag meer gebouwd worden dan in de groene.

§3
Natuur en landschapswaarden:

Het doel van natuur- en landschapsbeleid is het tegengaan van de afname van de landschappelijke diversiteit in Nederland. Landschapswaarden zijn:
- Fysische of aardkundige waarden, gericht op het behoud van de natuurlijke vormen van het aardoppervlak.
- Ecologische waarden, gericht op het behoud v/d soortenrijkdom van planten/dieren
- Cultuurhistorische waarden, gericht op het behoud van overblijfselen van menselijke activiteiten in het landschap.
- Belevingswaarden, gericht op het behoud van landschappen met een emotionele of toeristische betekenis.
Bescherming van ecologische waarden:
De biodiversiteit neemt snel af door: de verslechtering van de kwaliteit van het natuurlijke milieu(oppervlakte/grondwater, atmosfeer, licht, geluid en stankoverlast) en door de versnippering van het landschap.
De Ecologische Hoofdstructuur:
De EHS bestaat uit de volgende deelgebieden:
- Kerngebieden: gebieden van min. 500 ha die belangrijke ecosystemen vormen(Wadden)
- Natuurontwikkelingsgebieden: Gebieden die in de meeste gevallen aansluiten bij kerngebieden.
- Verbindingszones: Gebieden meestal in de vorm van water(wegen) of stroken bos, die kerngebieden of natuurontwikkelingsgebieden met elkaar verbinden.
Grensmilieus:
Overgangsgebied tussen ecosystemen of landschappen met verschillende kenmerken.
De eilandtheorie:
Een theorie die de biodiversiteit aan planten en dieren op eilanden, ecosystemen, landschappen probeert te verklaren.
Internationaal natuur- en landschapsbeleid:
Mondiaal, luchtstromen en waterkringlopen. Op continentaal en fluviaal niveau, staan natuurgebieden in verschillende landen met elkaar in contact via rivieren, beken, grondwaterstromen en grens overtrekkende bossen.


§4
Nationaal Milieubeleidsplan:

Milieubeleid is het geheel van maatregelen dat gericht is op het behoud of de verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving. Gestreefd wordt naar een milieu met een:
- gebruikswaarde, leefmilieu met verschillende activiteiten.
- Toekomstwaarde, duurzaam gebruik van het milieu.
- Belevingswaarde, prettige woon en leefomgeving voor bewoners en gebruikers.
Stand still principe is dat de kwaliteit van het leefmilieu niet verder achteruit mag gaan dan in 1990.
De vervuiler betaald:
Bij milieubeleid kun je onderscheid maken tussen:
-Effectgericht milieubeleid: bestrijden van nadelige gevolgen van de mens.
-Brongericht milieubeleid: voorkomen van nadelige gevolgen voor het milieu.
Om dit te kunnen uitvoeren beschikt de overheid over allerlei instrumenten:
-milieuwetten en vergunningen
-financiële middelen
-informatieverstrekking
Integraal ketenbeheer:
Milieubeleid waarbij geprobeerd wordt om de nadelige milieueffecten van alle fasen van de productie consumptieketen te verminderen of te voorkomen.
Bewustmaking:
Via voorlichtingen probeert de overheid dit milieubewustzijn bij de mensen te versterken.
‘Een beter milieu begint bij jezelf’.

HOOFDSTUK 3

§1
Structuur en werking van ecosystemen:

De elementen en de relaties tussen levende en niet-levende elementen die kunnen veranderen door invloeden vanuit de omgeving, noem je een ecosysteem. Het gebied waarin een ecosysteem voorkomt, noem je een ecotoop. Ecosystemen verschillen in: biodiversiteit, complexiteit en natuurlijkheid. Complexiteit: hoeveel relaties tussen abiotische en biotische elementen, hoe meer hoe complexer. Natuurlijkheid: de mate waarin de mens het ecosysteem niet heeft beïnvloed. In een ecosysteem zoals een bos is er een voortdurende kringloop van voedingsstoffen en energie. Streven naar een stabiele situatie ondanks veranderingen binnen het ecosysteem en invloeden vanuit de omgeving word ecologisch evenwicht genoemd.
Verschillende ruimtelijke schalen:
Ecosystemen kunnen op 5 ruimtelijke schalen voorkomen:
-Lokaal Niveau, zoals een bos, sloot of vijver
-Regionaal Niveau, zoals het natuurgebied van de Veluwe, waddengebied.
-Fluviaal Niveau, zoals het stroomgebied van een rivier(rijn)
-Continentaal Niveau, zoals het tropische oerwoud van heel Zuid-Amerika
-Mondiaal Niveau, Alle ecosystemen tezamen op deze aardbol.
De invloed van menselijke activiteiten op ecosystemen:
Als bij verstoring van het dynamisch/ecologische evenwicht de maximale draagkracht wordt overschreden, treedt er verval of degradatie op. En dan kunnen een aantal planten en dieren in het ecosystemen verdwijnen.
Milieuproblemen in 3 categorieën:
-Verontreiniging, vermesting/verzuring/verspreiding.
-Uitputting, roofbouw
-Aantasting, het landschap wordt onherstelbaar gevormd.


§2
Wat is de milieugebruiksruimte:

De beschikbare hoeveelheid natuurlijke hulpbronnen op aarde vormt de milieuvoorraad. De beschikbare milieuvoorraad maakt deel uit van de milieugebruiksruimte. Daarmee bedoelen we de hoeveelheid energie, grondstoffen, water en landbouwgrond die we op een duurzame manier kunnen gebruiken. Natuurlijke hulpbronnen die een langdurig ontstaansproces hebben, waarvan de snelheid van vorming niet of nauwelijks door de mens is te beïnvloeden noem je niet-vernieuwbare hulpbronnen/hulpbronnen met een voorraadkarakter. Natuurlijke hulpbronnen die zich na verloop van tijd op natuurlijke wijze kunnen herstellen van benutting noem je vernieuwbare grondstoffen. Als je milieugebruiksruimte gaat bestuderen let je altijd op 5 componenten:
-de beschikbaarheid van water
-de bodemvruchtbaarheid
-de aanwezige energiebronnen
-de aanwezige grondstoffen
-de beschikbare oppervlakte voor menselijke activiteiten.
De beschikbare milieugebruiksruimte neemt af door:
-de groei van de wereldbevolking
-de welvaartsstijging en verandering van leefstijl
-de toenemende vervuiling.
Ontwikkelingen waardoor de milieugebruiksruimte weer groter word:
-de ontwikkeling in kennis en techniek
-de vergroting van de omvang van de winbare hulpbronnen.
Niet in mijn achtertuin:
Het tekort aan milieugebruiksruimte in de rijke landen wordt gecompenseerd door natuurlijke hulpbronnen, en daarmee de milieugebruiksruimte, van ontwikkelingslanden te benutten. Nadelige milieueffecten, zoals uitputting, verontreiniging en aantasting, verplaatst men daarmee naar andere gebieden. Dit noem je ruimtelijke afwentelingprocessen. Als we nadelige gevolgen voor het milieu naar de toekomst door schuiven, is er sprake van temporele afwentelingprocessen.

§3
Op weg naar duurzaamheid:

Duurzame ontwikkeling is op een zodanige manier gebruikmaken van natuur en landschap dat deze behouden blijven voor toekomstige generaties. Voorwaarden om de milieugebruiksruimte op peil te houden zijn:
-niet-vernieuwbare hulpbronnen mogen niet sneller worden verbruikt worden dan zij vervangen kunnen worden door duurzame hulpbronnen.
-Vernieuwbare hulpbronnen en bodems mogen niet sneller verbruikt worden dan zij kunnen worden aangevuld of zich op natuurlijke wijze kunnen herstellen(regeneratie)
-vervuiling mag niet sneller gaan dan het tempo waarin het natuurlijke milieu de vervuillende stoffen kan afbreken.
Hulpbron Water:
Water kan tot de vernieuwbare als de niet-vernieuwbare hulpbron gerekend worden. Er wordt ongeveer elf keer zo veel water aangevoerd dan er wordt verbruikt in Nederland.
Milieuproblemen met water:
-Verontreiniging, De boeren strooien met mest, de industrie loost olie en chemische producten. De vervuiling komt op lokale, regionale en fluviale schaal voor.
-Aantasting, In het westen wordt soms te veel rivierwater onttrokken, daardoor kan zout zeewater makkelijker via de monding van de rivier het binnenland bereiken. Verdroging, verzilting en thermische verontreiniging komen op lokale of regionale schaal voor.
-Uitputting, Het oppervlakte water is een vernieuwbare bron, maar bij te intensief verbruik wordt de kringloop verstoord en dreigt er uitputting.
Waterproblemen in ontwikkelingslanden:
-Verontreiniging, 80% van alle ziekten en eenderde van alle sterfgevallen wordt in ontwikkelingslanden veroorzaakt door verontreinigd water.
-Aantasting, Er wordt teveel gesproeid, de grondwaterspiegel stijgt, daardoor verdampt er meer en de zouten blijven achter, dit leidt tot verzilting.
-Uitputting, In de landbouw wordt veel verspild daardoor ontstaan er verscheidene conflicten.
Duurzaam gebruik van water:
Op wereldschaal zal men een waterbeheersplan op moeten stellen om te voorkomen dat in 2025 4 miljard mensen te weinig goed drinkwater hebben.
Hulpbron bodem:
Bodem is een belangrijk deel van de milieugebruiksruimte omdat daar de landbouw op wordt uitgeoefend en dus voedsel levert voor de mens.
Milieuproblemen in de bodem:
Het grootste milieuprobleem voor wat betreft de bodem is in Nederland echter de verontreiniging, deze wordt veroorzaakt door de landbouw en de industrie.
Milieuproblemen in de bodem van ontwikkelingslanden:
De bodem wordt ook in die landen door de landbouw en industrie verontreinigd. De grond wordt op een onefficiënte manier te intensief gebruikt.

Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.