Geschreven door: | |
Datum ingestuurd: | 5 juni 2006 |
Niveau: | 4 vwo |
Woorden: | 3080 |
Opvragingen: | 1737 (29 deze maand) |
Waardering: |
ANW Hoofdstuk 9 Geheimtaal van het leven
9.1 De jacht op het DNA
1. Je weet wie Gregor Mendel was en welke rol hij speelde bij veranderlijke inzichten in de 19e eeuw.
Gregor Mendel was een Oostenrijkse monnik. In 1860 ontdekte hij door een expiriment dat je een eigenschap in zijn geheel erft of helemaal niet.
2. Je weet wat de begrippen chromosoom, gen, allel, dominant, recessief, fenotype en genotype inhouden en je kunt deze termen toepassen. Je weet waarin geslachtscellen verschillen van gewone cellen.
Chromosoom: opgerolde sliert met genen. Je hebt 46 chromosomen en dat is 23 paar. 1 Chromosoom is hetzelfde, maar een paar kan verschillend zijn.
Gen: deel van een chromosoom voor 1 eigenschap/eiwit.
Allel: verschijningsvorm van een gen.
Dominant: Het sterkste allel (dus eigenschap nakomelingen) Hoofdletter
Recessief: Zwakste allel (alleen voor nakomelingen als er alleen recessieve allelen voorkomen) kleine letter
Fenotype: De uitingsvorm (rond hoekig)
Genotype: De uitingsvorm in letters (R/r)
Geslachtscellen hebben maar 23 chromosomen om bij de bevruchting weer 23 paar te vormen (46 chromosomen).
3. Je weet hoe het dubbele helixmodel van DNA is opgebouwd.
Hydrogen Bond = Waterstofburg
Het Helixmodel van DNA is opgebouwd uit Thymine, Adenine, Guanine en Cytosine. Dit wordt vaak verkort tot: T, A, G en C. Een AT paar is even breed als een GC paar.
DNA is drager van de genen. Elk gen is de code voor een eiwit dat noodzakelijk is om die genetische eigenschap tot stand te brengen.
4. Je weet wie Watson, Crick en Franklin waren en je kent hun bijdrage aan het DNA-model.
Watson: studeerde biochemie. In 1951 had hij een stageplaats op het Cavendish laboratorium op de universiteit van Cambridge. Hij werkte samen met Crick. Hij bedacht samen met hem dat ze modellen zouden bouwen tot het klopte. Na een ruzie met Rosalind kwamen ze Wilkins tegen die de kopie van Rosalind Franklins DNA opnamen aan Watson gaf. Watson zag dat het een spiraalvorm was. Op 21-02-1953 was de puzzel compleet. In 1962 kregen ze de Nobelprijs.
Crick: studeerde natuurkunde en werkte samen met Watson en Franklin (1920-1958), scheikundige. De laatste werkte in het laboratorium van King’s college in Londen. Haar collega was Maurice Wilkins. Ze had röntgen opnamen van de schaduw van het DNA, dit werd vervolgens door Wilkins doorgespeeld. Franklin zag daar niets in en keurde het idee van een spiraal met 3 ketens van Watson en Crick af.
5. Je weet hoe DNA-replicatie plaatsvindt en waarom.
A - T A - T A - T
T - A T - A T - A
T - A T - A T - A
A - T A - T A - T
A - T A - T A - T
G - C G - C G - C
T - A T - A T - A
C - G C - G C - G
G - C G - C G - C
Als de DNA keten opengaat kopieert het DNA zichzelf door de vaste partner eraan vast te plakken.
6. Je weet hoe eiwitten in elkaar zitten en dat de volgorde van aminozuren bepalend is voor het soort eiwit.
DNA is de bouwstof van genen, elk gen is de code voor een eiwit dat noodzakelijk is om die genetische eigenschap tot stand te brengen. Alle eiwitten zijn opgebouwd uit zo verschillende bouwstenen (=aminozuren).
(7. Je kunt uitleggen hoe DNA de code voor de aminozuurvolgorde bevat.)
Ze zijn duizenden aan een gekoppelde aminozuren lang. Het DNA bevat de code voor eiwitten.
8. Je kent de functie van mRNA en je weet het verschil met DNA.
Het DNA (+code) zit in de celkern, maar het aaneenkoppelen van aminozuren tot eiwitten gebeurt in de celvloeistof. Het mRNA (messenger - RNA) brengt de DNA - code van de kern naar de vloeistof buiten de celkern. Alleen de T wordt vervangen door de U.
9. Je weet hoe mRNA wordt gevormd en hoe eiwitten gevormd worden.
mRNA wordt gemaakt met de letters A - U - G - C. De DNA keten wordt geopend, door een enzym, bij het benodigde gen. Tegenover de DNA - basen wordt een mRNA streng gemaakt, deze keten heet transctiptie. Als deze klaar is gaat het uit de kern.
10. Je kunt met behulp van een schema de aminozuurvolgorde noteren die bij een DNA-code hoort.
3 bijeenhorende basen heet een triplet.
tRNA = transport RNA?
Voor het schema zie de verdieping.
11. Je weet hoe DNA op een eenvoudige manier kan worden geïsoleerd uit cellen.
Zie proef kiwi.
9.2 Weten of niet weten
1. Je kunt enkele erfelijke ziektes noemen.
Hemofilie (niet stollen van bloed)
Syndroom van Down (3e 21e chromosoom à mongooltjes)
Taaislijmziekte (het slijm is abnormaal dik en belangrijke doorgangen in het lichaam raken verstopt)
Huntington (afwijkend gen op het 4e chromosoom, pas op latere leeftijd, bepaalde delen van de hersenen worden aangetast)
Kanker (ongeremd delen van cellen)
Aids (aantasten afweersysteem)
2. je weet wat mutaties zijn en je weet dat ze spontaan kunnen optreden.
Mutatie in het DNA: verandering in het DNA van een gen, het kan erfelijk zijn. Maar het kan ook ontstaan door een toevallige kopiefout of door invloeden van buitenaf (bv. UV-licht)
3. Je kunt uitleggen hoe een mutatie tot een erfelijke ziekte kan leiden.
Als het DNA van een zaadcel of eical muteert, kan dit leiden tot een erfelijke ziekte, want uit de bevruchte eicel komen allemaal cellen met het gemuteerde DNA.
4. Je kunt een aantal mutageen stoffen en factoren noemen.
Straling (UV)
Carcinogeen (kankerverwekkend)
5. Je kunt aan aantal erfelijke ziekten noemen en hoe ze ontstaan.
(Zie vraag 1) De meesten ontstaan door het erven van ouders en door de mutaties die in de vragen 2 en 3 beschreven staan.
6. Je weet waar men erfelijkheidsonderzoek kan laten verrichten en wat men dan doet.
In een Klinisch Genetisch Centra (KGC), daar wordt het DNA gelezen. Soms alleen maar door het aantal chromosomen te tellen.
7. Je kent de diverse methoden van prenatale diagnostiek.
Vlokkentest (Bij de vlokkentest neemt de gynaecoloog enkele chorionvlokken uit het vruchtwater weg voor onderzoek naar een eventuele chromosoomafwijking.)
Vruchtwater punctie (Bij een vruchtwaterpunctie wordt via een naald vruchtwater uit de baarmoeder afgenomen. Cellen uit het vruchtwater worden onderzocht op een eventuele chromosoomafwijking.)
8. Je weet wat het Huntington-dilemma is en je kunt hierin zelf beargumenteerd standpunt innemen.
Als je opa overleden is aan de ziekte van Huntington heeft de moeder 50% kans op de ziekte, maar ze wil het niet weten en wacht af. Haar dochter wil het weten en heeft een kwart kans. Als de dochter de ziekte heeft, heeft haar moeder het ook en zal het lastig zijn voor de dochter om dit voor zich te houden. Maar als de dochter het niet heeft is er nog geen zekerheid voor de moeder. Ik zou ieders mening accepteren en het wel willen weten, zodat ik het niet door kan geven aan mijn kinderen. Als mijn ouders het niet willen weten, zou het lastig zijn, mocht ik het wel hebben, maar ik zou het niet vertellen.
9. Je kunt zowel redenen noemen waarom je wel op de hoogte wou willen zijn van het hebben van erfelijke ziektes als redenen waarom niet.
Wel op de hoogte: in een korter leven ga je andere dingen doen. Je gaat bewuster beslissingen nemen, en het is een minder harde klap als je ziek wordt.
10. Je kunt uitleggen waarom verzekeraars zeer geïnteresseerd zijn in iemands genetische achtergrond.
Ze weten dat als je gezond bent, ze niet veel geld aan je kwijt zijn, als je het om de gezondheid gaat. Als je wel ziek bent of vatbaarder voor ziektes bent zullen ze veel geld aan je kwijt zijn.
11. Je weet aan welke regels werkgevers gebonden zijn bij het laten verrichten van een medische keuring.
Een werkgever mag alleen maar keuren als dat nodig is voor het werk dat je gaat doen, ook mag de werkgever niet vragen of je kans hebt op een erfelijke ziekte.
Verzekeraars mogen geen erfelijkheids onderzoek eisen. Bij het afsluiten van een levensverzekering onder de 300.000 gulden en een arbeidsongeschiktheidsverzekering onder de 60.000 gulden mag de verzekeraar niet vragen naar erfelijke ziekten.
De verzekeraar mag niet vragen naar een eerder verricht erfelijkheidsonderzoek.
9.3 Genetische manipulatie
1. Je kent het verschil tussen klassieke en moderne biotechnologie en je kunt van beide voorbeelden noemen.
Klassieke biotechnologie is gebruik maken van eigenschappen, die een organisme van nature heeft, in een productieproces. Bij moderne biotechnologie is er iets in het DNA van een organisme veranderd, waardoor het organisme iets anders doet dan van nature.
Voorbeelden van klassieke biotechnologie: productie van wijn en bier met behulp van gist.
Voorbeelden van moderne biotechnologie: Micro-organisme zijn veranderd zodat ze insuline voor suikerpatiënten maken.
2. Je weet dat genetische manipulatie hetzelfde is als genetische modificatie en waarom hierin toch onderscheid wordt gemaakt en door wie.
Het is allebei het veranderen van de genen, maar onderzoekers die daarmee werken vinden manipulatie negatief klinken en daarom noemen zij het modificatie.
3. Je kunt uitleggen hoe een meercellig organisme genetisch gemodificeerd wordt en je kunt het belang van de verschillende stappen uitleggen
Er wordt een cel geïsoleerd en daaruit wordt het DNA gehaald. Deze wordt aangepast waar men het nodig vindt en teruggeplaatst in een cel die zich gaat delen.
???
4. Je kunt uitleggen wat een transgeen organisme is.
In een transgeen organisme zijn in het DNA genen opgenomen van een andere soort.
5. Je kunt uitleggen waarom milieugroeperingen bezwaar maken tegen steeds meer transgene planten.
Als bijvoorbeeld ingebouwde genen in de vrije natuur terechtkomen, kan onkruid straks niet meer in toom gehouden worden door insecten of onkruidverdelgers.
6. Je weet hoe het resistent maken van planten tegen verdelgingsmiddelen nadelig kan zijn voor het milieu.
Als er per ongeluk resistent planten in de vrije natuur terechtkomen, kan onkruid straks niet meer in toom gehouden worden door onkruidverdelgers.
7. Je weet wie Herman was en je kunt uitleggen waarin hij verschilde van een gewone stier.
Herman werd in 1990 geboren en was een stier met het gen voor het menselijke eiwit lactoferrine. De nakomelingen van Herman produceren ook melk met het menselijke eiwit lactoferrine. Maar mensen vinden het niet oké en alle nakomelingen van Herman werden afgemaakt.
8. Je kunt ethische bezwaren noemen die voor veel mensen aan genetische manipulatie van dieren kleven.
Dieren zijn ook levende wezens en het is niet eerlijk tegenover die dieren om ze hun leven af te pakken en met de genen te gaan lopen rotzooien.
9. Je kunt voorbeelden noemen van toepassingen van genetische manipulatie, zowel bestaande als toekomstige.
Tegenwoordige: Varkens kweken met een menselijk hart en dit vervolgens bij een mens erin transplanteren.
Toekomstige: Het maken van “perfecte” mensen en dat je alles (oog/haarkleur enz.) zelf kunt bepalen.
10. Je kunt 3 typen weefsel- of orgaantransplantatie onderscheiden.
1. Autotransplantatie: Transplantatie binnen één organisme.
2. Allotransplantatie: Transplantatie van het ene organisme naar een ander organisme.
3. Xenotransplantatie: Transplantatie tussen verschillende soorten.
11. Je weet het verschil tussen allo- en autotransplantatie.
Bij autotransplantatie gaat het om een transplantatie binnen één organisme en bij allotransplantatie gaat het om transplantatie van het ene organisme naar het andere organisme (beide organisme zijn wel soortgenoten)
12. Je kunt 2 manieren noemen waarop men probeert afstotingsverschijnselen te voorkomen.
- Immunosuppressie: dmv medicamenten wordt de afweer van de ontvanger plat gelegd.
- Matching: Men probeert zoveel mogelijk overeenkomsten tussen de oppervlakte-eiwitten van het transplantatie orgaan en de ontvanger.
13. Je weet op welke wijze genetische manipulatie kan bijdragen aan het voorkomen van afstoting.
De oppervlakte-eiwitten van een orgaan kunnen zo gemanipuleerd worden dat ze overeenkomen met de oppervlakte-eiwitten van de ontvanger.
14. Je kunt zowel ethische als medische bezwaren tegen xenotransplantatie noemen.
Ethische bezwaren: Alle organisme zijn levende wezens en ze mogen dus niet alleen gebruikt worden voor het leveren van organen.
Medische bezwaren: Als er iets fout gaat, kan het ernstige gevolgen hebben. Er kan bijvoorbeeld een nieuwe gevaarlijke ziekte ontstaan.
15. Je weet wat gentherapie is en je kunt enkele toepassingen daarvan noemen.
Bij gentherapie wordt het zieke gen door een gezond gen vervangen. De praktijk is weerbarstig, want het nieuwe gen moet in miljarden cellen worden ingebracht.
Enkele voorbeelden waarbij gentherapie toegepast kan worden: cystic fibrosis en taaislijmziekte.
16. Je kunt duidelijk maken waarom moderne biotechnologie in het algemeen veel ethische vragen oproept.
Veel mensen hebben een diepgevoelde weerzin tegen ''het overschrijden van natuurlijke grenzen''. Zoals bij: het kweken van een menselijk oor op de rug van een muis, of een kikker zonder hoofd. Sommige vinden dat nuttig voor de wetenschap, maar velen vinden dat je niet zo ''ver'' moet gaan.
17. Je weet hoe kennis over het maken van virussen kan worden misbruikt.
Er kunnen biologische wapens van de kennis worden gemaakt.
18. Je kunt voordelen en nadelen opnoemen van het maken van poliovirussen.
Voordelen:
- Je kunt een middel tegen polio ontdekken en veel mensen genezen.
- Als je weet hoe het gemaakt wordt, kan je het ook kapot maken.
Nadelen:
- Biologische wapens.
- Virussen worden resistent en er ontstaan antivirussen.
9.4 Een nieuwe eeuw
1. Je weet wat het doel is van het HGP en op welke wijze en door wie het uitgevoerd is.
HGP staat voor Human Genome Project. Het doel van deze internationale organisatie is het hele menselijke genoom te ontrafelen. De onderzoekers nemen aan dat de resultaten van dit project zullen leiden tot het op jonge leeftijd ontdekken van erfelijke aandoeningen en er dat nieuwe manieren voor diagnose en behandeling zullen komen. Tegenstanders van dit project vrezen daarentegen dat er nadelige gevolgen voor de toekomst van de mens, biologisch en maatschappelijk, aan vast zitten. Het wordt uitgevoerd door HUGO een universiteit in New York(?).
2. Je weet in hoeverre het HGP inmiddels voltooid is.
De genen kunnen nu voor een aantal erfelijke ziekten gecodeerd worden.
3. Je kunt enkele positieve gevolgen noemen die men als resultaat van HGP verwacht.
De informatie die ze met dit onderzoek krijgen, zal de kennis over ziektes vergroten en nieuwe diagnose- en behandelingsmethodes mogelijk maken. Bovendien zullen de resultaten informatie opleveren over de oorsprong van diverse bevolkingsgroepen en de evolutie van de mens.
4. Je weet wat een octrooi/patent is en welke ethische bezwaren spelen m.b.t. het octrooi op genen.
Als iemand een octrooi op iets heeft, vb op een naam. Mag niemand die naam gebruiken behalve als die persoon toestemming heeft van de eigenaar (persoon met octrooi).
5. Je kent het standpunt van de farmaceutische industrie en de milieubeweging in deze kwestie.
???
6. Je kunt uitleggen dat iemand zowel door genen als door milieufactoren gevormd wordt.
Als je een 1-eiïge tweeling op 2 hele verschillende plaatsen op de wereld laat opgroeien, zullen ze qua uiterlijk op elkaar lijken, maar heel anders denken en doen. Dat komt omdat de omgeving ook een rol speelt. Welke rol is nog niet duidelijk maar het is wel duidelijk dat het een rol speelt. Want een 1-eiïge tweeling heeft immers hetzelfde DNA en dus dezelfde genetische eigenschappen.
7. Je kunt uitleggen hoe je het aandeel van iemands genen in zijn eigenschappen kunt onderzoeken.
???
8. Je weet wat het verschil is (genetisch) tussen 1- en 2-eiïge tweelingen en je kunt aan de hand van dit verschil het ontstaan van beide typen verklaren.
Een 1-eiïge tweeling ontstaat doordat 1 bevruchte eicel bij de 1e deling zit weer in 2 losse cellen splitst die zich gaan delen tot 2 kinderen.
Een 2-eiïge tweeling ontstaat doordat er bij een vrouw bij de eisprong 2 eitjes ‘springen’ i.p.v. 1. Deze raken dan allebei bevrucht en zo komt er ook een tweeling.
9. Je kunt uitleggen wat kloneren is en wat klonen zijn.
Klonen is het DNA uit 1 cel isoleren en in een eicel doen. Dit zal als het goed is uitgroeien tot een kind met hetzelfde DNA van de enige ouder.
10. Je weet wie Dolly was en hoe zij gemaakt is.
Dolly was het 1e dier dat met succes gekloond is. Ze werd op 6-jarige leeftijd geboren en stierf 6 jaar later. Ze heeft 4 moeders:
Ze hebben een eicel leeggemaakt en daar het DNA uit de uiercel gehaald en in de eicel geplaatst. Daarna heeft het in de eileider van een 3e gezeten en vervolgens in de baarmoeder van een 4e schaap. Hierna klonen 'verboden'.
11. Je kunt een aantal voordelen van kloneren noemen.
- Het perfecte kind maken
- Voorkomen dat een kind ziek wordt en dus de ziekte genen eruit halen.
12. Je kunt uitleggen hoe de theorie van telomeren een verklaring geeft voor de problemen waarmee Dolly kampte.
Aan het uiteinde van een DNA streng zitten telomeren. Dit zijn strengetjes die afbrokkelen gedurende je leven. Er is een hypothese dat als de telomeren helemaal afgebrokkeld zijn, dat je dan dood gaat.
Bij Dolly was het DNA uit een 6-jarig schaap gehaald. Die had dus al 6 jaar aan telomeren verloren. De gemiddelde leeftijd van een schaap is 12 jaar. En Dolly was eigenlijk dus al 6 jaar toen ze geboren werd. Dat verklaart ook waarom ze op 6-jarige leeftijd al met ouderdomskwaaltjes te maken kreeg: haar DNA was al 12 jaar oud.
13. Je kunt de ethische discussie rondom Dolly beschrijven.
Je moet dingen dus al meteen klonen bij de geboorte, maar dan weet je niet of die persoon goede of kwade eigenschappen heeft, dus heeft dat eigenlijk geen zin. Als je het DNA pakt van iemand die helemaal ontwikkeld is, zal de kloon minder oud worden, omdat die al zo oud is als zijn/haar oorspronkelijke kloon.
14. Je kunt duidelijk maken wat bedoeld wordt met ‘leven op bestelling’ en hierin een eigen standpunt nemen.
Je kunt een leven scheppen zonder daarvoor seks te moeten hebben. Als je 2 kinderen wilt dan kun je dat aanvragen en dan wordt er een reageerbuisbaby voor je gemaakt.
1.1 Recherchewerk
1. Je kunt uitleggen hoe de recherche bewijsmateriaal verzamelt bij zware misdrijven.
De plaats van de misdaad wordt afgezet en vervolgens wordt er daar:
- Foto’s gemaakt
- Gefilmd
- Sporen zoals het moordwapen, vingerafdrukken, bloedsporen, haren, vezels, drugs worden gezocht. Dit gebeurt met het behulp van poeder, wattenstaafjes enz.)
2. Je kunt met voorbeelden uitleggen dat niet elk bewijsstuk dezelfde bewijskracht heeft en dat soms de privacy in het gedrang kan komen.
De bloedgroep/schoenmaat kan een verdachte uitsluiten. DNA kan een verdachte aantonen.
3. Je kunt uitleggen wat het belang is van de verschillende in het boek genoemde bewijsmaterialen.
Vingerafdruk: zeer uniek
Bloedsporen: uitsluiten van verdachten door bloedgroep
Haren: DNA (junk-DNA) à uniek
4. Je weet wat er bedoeld wordt met typica.
Typica: details van huidlijn patroon (vingerafdruk).
- Het lijnpatroon is levenslang hetzelfde
- Het aantal patronen is zeer groot
- Vingerafdrukken kun je indelen in groepen
5. Je kent twee manieren waarop vingerafdrukken zichtbaar kunnen worden gemaakt.
- Laserlicht maakt de poederde, op folie overgebrachte afdrukken beter zichtbaar.
- Kleurstoffen gebruiken
- Speciale poeders laten de afdrukken oplichten in UV-licht.
- Goudlamp hecht aan plastic en niet aan de vingerafdrukken; met doorvallend licht worden de afdrukken zichtbaar.
- De damp van secondelijm reageert met het vocht van de afdruk en vormt daarop een wit laagje stof.
6. Je weet hoe een DNA-fingerprint wordt gemaakt en op welke wijze een DNA-fingerprint kan leiden tot het aanhouden van een dader of tot het aantonen van verwantschap.
Als je iets hebt gevonden zoals een bloedspetter, vingerafdruk, haar, kan je het DNA of de typica onderzoeken. Op grond daarvan kan je een dader aanhouden.
Maar DNA mag nooit alleen als bewijs dienen.
Wetswijziging 2005: Iemand die voor 4 jaar of langer de gevangenis in moet, moet verplicht DNA afstaan, voor de NFI-bank (NFI = Nederlands Forensisch Instituut).
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons dan weten.
a d v e r t e n t i e

Wat ga jij later doen voor je poen? Het liefst wil je een uitdagende baan met een goed salaris. Misschien iets met economie en biologie. Met mensen werken, in een team van experts of als zelfstandig ondernemer. Niet alleen op kantoor, maar ook buiten aan de slag. Wil je weten hoe? Check www.beleefbuiten.nl, doe mee met de actie en win een VIP-dag!
Zonder jouw bijdrage kan Scholieren.com niet bestaan. Help andere scholieren door je eigen samenvattingen en ander huiswerk op te sturen.
a d v e r t e n t i e

Absoluut geen mobieltjes en iPods meer in de les? Charlot: "Luister leraar: een mobiel of iPod is een vereiste in jouw les."