geef je mening

Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?



» resultaten poll

CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.

ff n studiebreak

Annemieke blikt terug op dat dagenlange surfen van vroeger. Tegenwoordig ben je binnen een half uur klaar.

Geschreven door:

Bloempje (4 vwo) [meer]

Datum ingestuurd:

5 juni 2006

Taal:

Woorden:

3.050

Bekeken:

5170 keer (26 deze maand)

Waardering:

2.8/5 (8 stemmen)

Deel op:

Naam:


Klas/niveau:


E-mail:


Bericht:


Bestemd voor

Geheime code: 


 
Inleiding wetenschap

1. Je weet waar wetenschap zich mee bezig houdt, m.n. natuurwetenschap.
Natuurwetenschap is letterlijk de wetenschap die de natuur probeert te verklaren. Ze proberen hun waarnemingen te verklaren.
2. Je weet wat de drijfveren van wetenschappers zijn om aan wetenschap te doen.
Ze wilden bijzondere waarnemingen verklaren à nieuwsgierig. Maar ook uithoudingsvermogen en het moeten weten.
3. Je weet met welke voordelen en nadelen wetenschappers in hun vak te maken hebben.
Voordeel: Het kunnen oplossen van mysteries.
Nadelen: Het mislukken van veel pogingen vooraf.
Je waarnemingen niet kunnen verklaren.
4. Je kunt onderzoeken in verschillende vakgebieden van de natuurwetenschap plaatsen.
Biologie: gezondheid, levende natuur.
Geologie: bouw en ontwerpen.
Sterrenkunde: bouw van het heelal.
Natuurkunde: Dode natuur, stoffen veranderen niet (natuurverschijnsel).
Biofysica: Theorieën en methoden uit de natuurkunde, toepassen in de biologie.
Geofysica: natuurkundige processen in en op de aarde.
Medische biologie: Medicijnen, oorzaken ziekten onderzoeken.
Milieukunde: milieu onderzoeken.
Meteologie: het weer en het klimaat.
Bodemkunde: biologische en scheikundige processen in de bodem.
Bos- en natuurbeheer: in stand houding van de natuur.
Fysische geografie: Natuurkundige verschijnselen bij de aardbouw.
Geodesie: plaatsbepaling op land en zee (oliebronnen, continenten en verschuivingen).
Hydrografie: onderzoek naar waterstromen op aarde.
Scheikunde: onderzoek naar eigenschappen van stoffen en het maken van nieuwe stoffen (dode natuur, wel veranderen).
5. Je weet globaal hoe de natuurwetenschap zich ontwikkeld heeft en je weet de rol van de mythologie hierin.
Hoe de eerste geneeskunde eruitzag, is erg moeilijk om te bepalen. Schriftelijk bewijs is er niet, en dat maakt alles natuurlijk een stuk lastiger. Deskundigen menen echter dat de geneeskunde is ontstaan uit magische en priesterlijke rituelen. Voor ieder ding dat de mens niet kon verklaren, had men een God. Zo ontstonden er wel honderden Goden. Maar in de renaissance ging men dingen onderzoeken. Goden bleken niet langer het goede uitgangspunt te zijn, mensen gingen de waarnemingen onderzoeken, ontdekten dingen en vonden dingen uit. Ook tijdens de jaren van de VOC werd er veel uitgevonden en ontdekt.
6. Je kent de begrippen uitvinding, ontdekking, rationalisme en empirisme.
Uitvinding: Iets nieuws maken (bestond nog niet)
Ontdekking: Iets nieuws vinden (bestond al)
Rationalisme: Zintuigen niet vertrouwen, alleen verklaren met verstand: redeneren.
Empirisme: Wel vertrouwen zintuigen, proberen met waarnemingen te verklaren.

Paragraaf 3.1 Ziek en gezond
1. Je kent voorbeelden die duidelijk maken dat de grens tussen ziek en gezond zijn subjectief is. Je weet wat de rol van het geloof hierin is.
Dokters vinden meestal iemand pas ziek, als ze de afwijking objectief kunnen zien, voelen of meten. Maar pijn en duizeligheid zijn subjectief en toch ben je ziek. De grens tussen ziek en gezond zijn is niet scherp te definiëren en hangt af van hoe iemand zijn ziekte beleefd.
2. Je kent de 3 factoren die met gezondheid te maken hebben en je kent hier voorbeelden van.
Je eigenschappen
. Erfelijke ziekte (fout in DNA)
. Aangeboren ziekte (Bij de geboorte aanwezig, zit niet altijd in DNA)
Je omgeving (zie 3)
Je leefstijl (zie 3)
3. Je weet hoe de fysieke en maatschappelijke omgeving en leefstijl, ziekte en gezondheid beïnvloeden.
Als je omgeving ongunstig is, gaat dit ten koste van je gezondheid.Een vochtige woning en luchtvervuiling, zijn voorbeelden van ongunstige fysieke (lichamelijke) omgevingsfactoren. Gebrek aan vrienden en familieruzie, zijn voorbeelden van ongunstige maatschappelijke (geestelijke) omgevingsfactoren.
Elke dag een krat bier en een pakje shag, zijn niet zo best voor je gezondheid.
4. Je kunt uitleggen welke ziektegroepen er zijn en wat ze inhouden. Je kunt van elke groep voorbeelden noemen.
. Kankers: darmkanker
. Psychische ziekten: Psychose en een depressie
. Hart- en vaatziekten: Aderverkalking
. Infectieziekten: Bof, griep, mazelen en polio
. Verslavingen: Nicotineafhankelijkheid
. Auto-immuunziekten: Aids en reuma
. Chronische ziekten:
. Vergiftiging:
5. Je weet wat de belangrijkste ziekten in de wereld zijn en welke de meeste doden eist.
TBC, AIDS en kanker, zijn de belangrijkste ziektes in de wereld en eisen de meeste doden. In Nederland is het de ziekte CARA (Astma), Frankrijk van de leverziekte (alcohol!) en in Amerika overheerst de angst voor virussen en bacteriën.
6. Je kunt het verschil tussen de Oosterse en Westerse/natuurwetenschappelijke visies op ziekte en genezing duidelijk maken. Je weet dat de Oosterse visie van een holistische (gehele) filosofie uitgaat.
De westerse geneeswijze gaat uit van dingen die uit verschillende delen bestaan.
In de Oosterse geneeswijze kijken ze naar een geheel en als je je ziek voelt zijn Yin en Yang uit balans. Yin, is vrouwelijk passief en ontvangend (water) en Yang is mannelijk, actief en creatief (vuur). De Oosterse geneeswijze is alternatief, een voorbeeld hiervan is acupunctuur.
7. Je kent het verschil tussen de mechanistische en vitalistische benaderwijze van ziekte en gezondheid en je kunt deze visies ook in historisch perspectief plaatsen.
Mechanisme: techniek, machine (alles is een apart onderdeel dat op zichzelf alles doet en dus op zichzelf geholpen wordt).
Vitalisme: meer dan een ziel, ontastbaar, onaanraakbaar.
8. Je kunt van de verschillende visies op ziekte en genezing aangeven wat ze inhouden.
Alchemie: een manier om te perfectioneren, wat de natuur aan imperfecties had achtergelaten.
Winti: een Afro-amerikaanse godsdienst, waarin gepersonifieerde bovennatuurlijke wezens, die bezit van een mens kunnen nemen centraal staan in het geloof (bovennatuurlijke ziektes). Andere ziektes worden met kruiden behandeld (Natuurlijke ziektes).
9. Je weet iets over alternatieve geneeswijzen, waaronder acupunctuur.
De alternatieve geneeswijzen die in opkomst zijn, zijn vaak op die Oosterse ideeën gebaseerd. Deze wijze van genezen wordt vaak gebruikt om ziektes tussen de oren te genezen, de mensen voelen zich dan geholpen. Bij acupunctuur wordt het evenwicht tussen Yin en Yang hersteld, door het aanprikken van de huid, op nauwkeurig omschreven plekken (Hoofdmeridianen).
10. Je kunt uitleggen wat epidemiologisch onderzoek is en de valkuilen daarbij met een voorbeeld duidelijk maken.
Epidemiologisch onderzoek is onderzoek –zonder één patiënt te zien- waarbij belangrijke conclusies worden getrokken uit dorre cijfers. Een epidemioloog is een onderzoeker die epidemieën onderzoekt. De meest voorkomende valkuil is de vraag: ‘Nadat of omdat?’ Als eerst A gebeurt en dan B, wil dat nog niet zeggen dat B het gevolg van A is.
11. Je weet wat prionen/prionziekten zijn en enkele voorbeelden van prionziekten noemen.
Prionen zijn eiwitten die van nature in het lichaamvoorkomen. Hun functie is onbekend. Als er een afwijkende ruimtelijke structuur voorkomt, heb je een prionziekte. Scrapie is de oudste en bekendste prionziekte. Andere voorbeelden zijn: BSE (runderen) en FSE (katten).
12. Je kunt uitleggen wat de Hypothese van Prusiner inhoudt.
Het eiwit Prp-Sc kan via voedsel iemands lichaam binnendringen (het is ongevoelig voor eiwit verterende enzymen à darmkanaal passeren). Met het contact met de structuur van Prp-c, veranderd de structuur van Prp-c in Prp-sc. Prp staat voor: Prionic particle.
13. Je weet waarom ons afweersysteem niets onderneemt tegen prionen.
Prp-sc is ongevoelig voor eiwit afbrekende enzymen (peptidasen). Ons afweersysteem herkent geen prionen en doet er dan ook niets tegen.
14. Je kunt aangeven waar geneesmiddelen vroeger en tegenwoordig van gemaakt werden/worden.
Vroeger werden geneesmiddelen gemaakt van kruiden, een aftreksel van kruiden. Deze moest je eten, drinken, insmeren of erin baden.

Paragraaf 3.2 Ziekte als raadsel
1. Je weet in grote lijnen wat Semmelweis deed om de oorzaak van kraamvrouwenkoorts te achterhalen.
Semmelweis vond het een probleem dat vrouwen stierven aan de kraamvrouwenkoorts, maar zeker dat er op zijn afdeling meer stierven, dan op de andere afdeling. Hij ging het onderzoeken en kwam met verschillende hypotheses. Een voorbeeld hiervan is: als vrouwen op hun rug bevallen, dan krijgen zij geen kraamvrouwenkoorts. Hij kwam erachter, doordat hij zat te redeneren, dat zijn vriend was gestorven door bloedvergiftiging. Hij ziet dat de organen van zijn vriend op dezelfde manier zijn aangetast als bij de vrouwen op wie hij sectie heeft verricht na het overlijden aan kraamvrouwenkoorts.
2. Je weet wat Hippocrates voor de geneeskunde heeft gedaan en wat de eed van Hippocrates inhoudt.
De Griekse arts Hippocrates van Kos ging er bij de behandeling van ziekten van uit dat het lichaam zelf de middelen tot herstel in zich had. (De natuur is de beste heelmeester.) De filosofie van Hippocrates is gebaseerd op de sappenleer. In het lichaam zitten vier soorten sappen: bloed, slijm, gele en zwarte gal. Als deze sappen in evenwicht waren, was de gezondheid goed, en waren ze uit hun evenwicht of bedorven, was de persoon ziek. Als de persoon vochtig is, wordt er droog eten voorgelegd enz. De eed van Hippocrates is: Een arts is verplicht elke patiënt te genezen.
3. Je kunt uitleggen hoe onderzoek volgens de natuurwetenschappelijke methode verloopt.
4. Je kunt de begrippen van de natuurwetenschappelijke methode toepassen.
Probleem: Zwangere vrouwen sterven aan de kraamvrouwenkoorts. Hypothese: Als we voortaan onszelf grondig reinigen na ieder onderzoek, dan daalt het aantal vrouwen met kraamvrouwenkoorts. Voorspelling: Er zullen minder vrouwen aan kraamvrouwenkoorts sterven, als we ons na ieder onderzoek, grondig reinigen.
Experiment: 50 vrouwen behandelen zonder reiniging, 50 vrouwen behandelen met reiniging. Resultaat: Bij de 50 vrouwen die zonder reiniging zijn behandeld, zijn er meer doden à hypothese bevestigd.
5. Je kunt uitleggen hoe dubbelblind onderzoek gebeurt en wat de zin daarvan is.
Echt medicijn en een ‘’nep’’ medicijn (placebo) onwillekeurig aan patiënten geven, om te kijken of het medicijn werkt (en evt. om te zien of de ziekte tussen de oren zit).

Paragraaf 3.3 Ziektekiemen
1. Je kent 3 verschillen tussen verschillende ziekteverwekkers, waaronder de wijze van ziek maken.
Virus: Afbreken lichaamseigen cel, heeft een gastheercel nodig, laat alles doen, klein.
Bacterie: Scheiden afvalstoffen uit die giftig zijn, verstoren processen, alles zelf, groot.
Schimmel: Uitscheiden giftige stoffen.
Microscopische diertjes: Vernieling cellen of uitscheiden gifstoffen.
2. Je weet wat bedoeld wordt met de Generatio Spontanea-theorie van Aquino en je weet in welk tijdperk deze theorie aangedragen werd.
Bij het Generatio Spontanea ontstonden lagere dieren spontaan (ineens), dus daar was geen oorzaak voor. Thomas Aquino leefde rond 400 na Chr. Maar het kwam ook al voor bij Aristotales (rond 400 voor Chr.): paling ontstond uit modder.
3. Je kunt aangeven wat de rol van Van Leeuwenhoek, Pasteur en Koch was in de ontdekking (de rol van) bacteriën. Van elk van deze wetenschappers weet je wanneer ze ongeveer leefden.
Van Leeuwenhoek (1700 na Chr.) heeft de microscoop uitgevonden, zo kon hij kleine dingen zien die voor het oog onmogelijk te zien waren.
Pasteur (1860 na Chr.) Heeft de bacteriën aangetoond en door hem kwamen de eerste injecties.
Koch (1876 na Chr.) Iedere ziekte, aparte bacterie, aparte medicijnen (toen: TBC).
4. Je kent de postulaten van Koch en je weet met welk doel hij zijn postulaten formuleerde.
. Op de zieke plek is het verdachte micro-organisme in ongewoon grote hoeveelheden aanwezig.
. Het micro-organisme kan bij elke patiënt met deze ziekte worden gevonden.
. Het micro-organisme is uit de zieke delen te isoleren en in zuivere vorm verder te kweken.
. Als een proefdier met het gekweekte micro-organisme wordt besmet, krijgt het dezelfde ziekte als de patiënt.
Het doel was om te laten zien dat 1 ziektekiem, maar 1 soort ziekte veroorzaakt en om te laten zien dat die ziektekiemen (bacteriën) een oorzaak van de ziekte waren.
5. Je kunt uitleggen hoe de ontdekking van bacteriën de geneeskunde en de gezondheidszorg veranderde.
Binnen 30 jaar waren bijna alle verwekkers van de levensbedreigende besmettelijke ziekten ontdekt. Joseph Lister vond het kiemvrij opereren uit, vanaf 1892 opereerden chirurgen met gummihandschoenen en daarna kwamen er nog veel middelen om de ziektekiemen bij operaties te vermijden.
6. Je weet wat het gevolg was van de ontdekking van ziektekiemen m.b.t. hygiëne.
Toen alles en iedereen veel hygiënischer was, werd de levensverwachting veel hoger.
7. Je weet dat bacteriën zich gemakkelijk verspreiden en waarom steriel werken bij onderzoek van belang is.
Als je niet steriel werkt dan bevatten de instrumenten ziektekiemen die zich snel in het weefsel kunnen vermenigvuldigen en van plaats tot plaats kunnen worden overgebracht.
8. Je weet hoe je steriel kunt werken en welke methoden er tegenwoordig worden gebruikt om steriel te werken (zie practicum steriel werken en bacteriedodende stoffen).
Alle operatie-instrumenten, verband en operatiekleding worden gesteriliseerd, gummihandschoenen en mondkapjes worden gedragen.

Paragraaf 3.4 Vaccineren
1. Je weet hoe Jenner als eerste het vaccin ontwikkelde en je weet hoe een vaccin werkt.
Een boerenmeisje had hem verteld dat zij geen pokken zou krijgen omdat ze al koepokken had gehad. Jenner besloot te testen of dat waar was en entte in 1796 James Phillips (12) in met koepokken en later opzettelijk met smetstof die afkomstig was van een pokkenlijder. En er gebeurde niets. Met een vaccin krijg je verzwakte ziekteverwekkers ingeënt.
2. Je weet globaal hoe het afweersysteem de mens beschermt tegen infectieziekten. Je kent de termen macrofagen, lymfocyten, antistoffen, geheugencellen, exposure, natuurlijke en kunstmatige immuniteit.
Macrofaag: witte bloedcellen die alle non-self antigenen aanvallen (aspecifieke afweer).
Lymfocyt: bloedcellen die 1 soort cel aanvallen en maken een antilichamen/-stoffen.
Antistof: deze passen op 1 antigeen (specifiek) en schakelen indringer uit.
Geheugencel: zorgt voor een veel fellere reactie bij 2e contact met hetzelfde antigeen.
Exposure: virusgeïnfecteerde celàvirusantigenen op opp. aanàlaat zien: geïnfecteerd.
Natuurlijke immuniteit: Zelf ziekteverwekkers inspuiten en immuun worden.
Kunstmatige immuniteit: ziekteverwekkers inspuiten en immuun worden.
3. Je kunt duidelijk maken wat het afweersysteem met auto-immuunziekten te maken heeft.
Deze ziekten tasten het afweersysteem aan, zodat die het werk niet goed meer kan doen.
4. Je kunt uitleggen hoe kunstmatige actieve en passieve immunisatie in zijn werk gaat. Je kunt daarbij de termen vaccin, geheugencellen en antigeen gebruiken.
Kunstmatige actieve immunisatie: Er wordt antigif gemaakt en er worden geheugencellen gevormd: je lichaam is actief.
Kunstmatige passieve immunisatie: Het antigif wordt ingespoten en er worden geen geheugencellen gevormd: je lichaam is passief.
5. Je weet wat het doel van vaccinatie is.
Bij een vaccinatie wordt een dode of verzwakte ziekteverwekker ingespoten, met als bedoeling dat je niet ziek wordt van de echte ziekteverwekker.
6. Je weet wat het begrip kinderziektes inhoudt en tegen welke ziektes BMR en DKTP gericht zijn.
De geheugencellen voor kinderziekten, blijven levenslang aanwezig. De ziekteverwekkers komen zeer veel voor in ieders omgeving, dus je krijgt zo’n ziekte meestal in je jeugd.
BMR: Bof, mazelen en rode hond.
DKTP: Difterie, kinkhoest, tetanus en polio.
7. Je kunt uitleggen waarom vaccinatie tegen griep en verkoudheid slecht werkt en tegen aids helemaal niet.
De antigenen van griep en verkoudheid, veranderen om de zoveel tijd: er komt steeds weer een nieuwe variant.
Bij aids veranderd het antigeen continue en aids tast het afweersysteem aan.
8. Je kunt 2 redenen noemen waarom mensen niet aan een vaccinatieprogramma deelnemen en wat de gevolgen daarvan kunnen zijn voor de volksgezondheid.
. Vanwege het geloof (God brenge over mij wat Hij over mij bescheiden heeft).
. Geloven dat het vaccin de natuurlijke afweer verzwakt en is onveilig.
Ze zouden de ziekte kunnen krijgen, maar deze kans is nihil en het zou niets met de mensen om hun heen kunnen doen: die zijn ingeënt.
9. Je kent moderne technieken die ziekten zichtbaar kunnen maken, zoals MRI, CT, röntgenstraling, PET en echo.
. MRI-scan: Sterke magnetische golven vanuit lichaamsstralenàfoto.
. CT-scan: doorsnede van het lichaam (hersenen onderzoeken).
. Röntgenstraling: kijken of de botten niet beschadigd zijn, botten weerkaatsen het licht.
. PET-scan: kankerscanàwaar zitten de tumoren. Positiron (positief elektron) Emissie (uitzenden) Tomografie (bijeenbrengenàbeeld). Radioactieve stof in het lichaam gespoten, de straling staat komt op de foto.
. Echografie: kijken of de organen in orde zijn.

Paragraaf 5.1 Ontdekkingsreiziger en kaartenmaker
1. Je kent het verschil tussen inductie en deductie en je kunt deze termen toepassen.
Inductie: experiment à conclusie
Deductie: gegevens à conclusie (à controle)
2. Je kunt uitleggen waarin de moderne natuurwetenschappen verschillen van de klassieke en je weet wanneer deze overgang heeft plaatsgevonden.
In de klassieke wetenschappen werd alleen maar geredeneerd en alles aan de Goden toegekend. Dat veranderde toen de Renaissance kwam, mensen geloofden alles niet zomaar, ze moesten het zelf ondervinden/ontdekken, de moderne wetenschap is geboren.
3. Je kunt uitleggen wat er in de natuurwetenschap bedoeld wordt met een model en welke voor- en nadelen er kleven aan het werken met een model.
Een model is een vereenvoudigd beeld van de werkelijkheid.
Voordeel: Een stap(je) dichterbij de werkelijkheid.
Nadeel: Moeizame weg om vereenvoudigd beeld te scheppen. En het blijft een kaart, niet de werkelijkheid zelf, en dus altijd voor verbetering vatbaar.
4. Je kent de atoommodellen van Demokritos, Thompson, Rutherford/Bohr en Schrödinger en je weet hoe deze atoommodellen tot stand zijn gekomen.

Demokritos: materie bestaat uit kleine deeltjes à atomen à

J.J. Thompson: elektronen en +/- deetjes à krentenbolmodel à

Rutherford/Bohr: model van Thompson onjuist. Straling door goudfolie heen à atomen zijn bijna leeg à
Schrödinger: het idee van ‘baan van een elektron’ is losgelaten, waar wit is: daar
is een grote kans om een elektron aan te treffen.
5. Je kunt uitleggen waarom we in de natuurwetenschappen soms nog gebruik maken van achterhaalde modellen.
Omdat ze zo, de dingen wel kunnen verklaren, anders niet.

Paragraaf 5.2 Hoe vrij is een onderzoeker?
1. Je weet het verschil tussen fundamenteel onderzoek en toegepast onderzoek.
Fundamenteel onderzoek: vrij en onafhankelijk, (schijn:) geld nodig.
Toegepast: meer kennis met mogelijke toepassingen.
2. Je kunt voorbeelden geven van de invloed van de politiek, het bedrijfsleven en de maatschappij op natuurwetenschappelijk onderzoek.
3 geldstromen waarmee onderzoek op de universiteit gefinancierd wordt:
. Het algemene budget van de universiteit
. Betaald per project op verzoek van de universiteit
. Uitvoeren in opdracht van de overheid en bedrijven
Voorbeelden:
Politiek wil een laptop, speciaal voor scholieren
Een bedrijf wil een nieuwe machine om hetzelfde werk sneller en goedkoper te doen.
3. Je kunt met voorbeelden aangeven waarom natuurwetenschappelijk onderzoek soms ‘emotieloos’ wordt genoemd.
Het gaat over dode dingen, er wordt te weinig/geen rekening gehouden met de gevolgen van de gevonden dingen (vb. atoombom).

Paragraaf 5.3 De wetenschappelijke methode
1. Je kunt uitleggen wat met verificatie en falsificatie bedoeld wordt en je kunt deze termen toepassen.
Verificatie: eventuele waarheid hypothese
Falsificatie: eventuele onwaarheid hypothese
2. Je kunt van een hypothese aangeven of deze falsifieerbaar is of niet, en waarom.
. Roken is slecht voor de gezondheid
. De lichtsnelheid in water is groter dan in lucht
. Het gedrag van mensen wordt vooral bepaald door hun onbewuste
. De zon draait om de aarde.
Deze zijn allen goed falsificeerbaar, want je kunt ze goed onderzoeken.
3. Je weet wat een theorie is en hoe deze tot stand komt.
4. Je weet hoe een publicatie tot stand komt en wat het belang hierbij is van vakbladen.
Je maakt bekend wat je gevonden hebt en hoe je dat gevonden hebt, zo kunnen mensen controleren of het waar is. De vakbladen geven er hun mening over en als je hypothese dit allemaal doorstaat, is je hypothese bevestigd.

Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.