CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.

ff n studiebreak

Klasgenoten stonden vroeger als hongerige hyena's om Jorieke heen. Klaar om het jonge hertje aan te vallen dat nog scoubidoutouwtjes had.

geef je mening

Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?



» resultaten poll

Geschreven door:

rutger de jongh

Datum ingestuurd:

29 maart 2007

Taal:

Woorden:

3.150

Bekeken:

24160 keer (289 deze maand)

Waardering:

3.0/5 (45 stemmen)

Deel op:

Naam:


Klas/niveau:


E-mail:


Bericht:


Bestemd voor

Geheime code: 


 
gedicht: 1

H. Andreus

‘Bloemen leven lichtzinnig’
.

Bloemen leven licht-zinnig in hun bladeren.

Dieren lopen vanzelfsprekend; ze zwijgen

Van wat ze zouden kunnen zijn; hun daden

Gebeuren altijd nu; dieren zijn eigen.
.

Mensen doen alsof. Bestaan in ijskoude,

Denken, denken, denken dat ze bestaan.

Geen mens kènt een mens. Men wil zich vasthouden.

Angst laat niet los. Men kijkt zijn spiegel aan.
.

En hangt zich op aan winterse systemen

of takken van geloof. Maar dood is dood.

Men neemt zich mee en is niet mee te nemen.
.

En ik ben eenzelfde. Maar leg mij bloot,

Omdat ik zien wil wie ik toch nog ben.

Ik moet toch een mens zijn die ik herken.
.

Analyse van:
Strofenbouw
Het is een sonnet, het gedicht bestaat dus uit vier strofen, twee van 4 regels en 2 van 3 regels. Twee kwatrijnen en twee terzinen dus.

Beeldspraak en stijlfiguren
IJskoude betekent volgens mij, stijf, koel, in zichzelf gekeerd.
Bestaan is in deze context leven, leven zoals dieren. Eerlijk en open.
Takken van geloof is de hoop die gelooft geeft. Men denkt dat geloof hen zal helpen en alles rechtvaardigt.
En zo staan er nog een paar voorbeelden in de tekst.
Stijlmiddelen worden niet zoveel gebruikt, de zinnen worden wel vreemd afgebroken. En tussen lichtzinnig staat een streepje. Voor de rest zijn er niet echt stijlfiguren.

Metrum
Er zit geen metrum in dit gedicht want je kunt het niet op een bepaalde toon lezen.

Rijm
Er zit een keer herhaling in, in de tweede strofe staat drie keer denken achter elkaar.
Verder zit er alleen maar eindrijm in.
Zoals: bladen – daden, zwijgen – eigen etc.

En hangt zich op aan winterse systemen
Of takken van geloof.
De zin stopt in de tweede strofe opeens met een punt en gaat verder in de derde strofe.
Verder is er geen gebruik gemaakt van enjambementen.

interpretatie:
Het gedicht gaat over het verkeerde in de mens. In de eerste strofe wordt gesproken over dieren en bloemen. “Bloemen leven altijd licht-zinnig”, en dieren doen wat ze doen. Dieren leven dus volgens hun instinct. “Dieren zijn eigen”, hiermee bedoelt hij dat dieren echt zijn. Ze zijn zoals ze zijn en ze doen wat ze moeten doen.

gedicht: 2

Gerrit Achterberg

‘Moeder’
.

Mijn moeder is een grijze vrijdagmorgen:

zij moet de kamer doen; stof beeft;

dan dweilen, voor het eten zorgen,

zien wat van gisteren overbleef.
.

Ik ben in haar liefde geborgen,

die elk verraad der wereld overleeft;

wie ik ook werd, wij eten overmorgen

de koek die zij gebakken heeft.
.

Wanneer de zondagmorgen is ontloken

staat heel haar wezen in de blijde bloei,

waarin mijn wezen moet zijn aangebroken,
.

omdat ik dan niet meer gevoel

hoe door de dood is aangestoken,

wat bij een andere vrouw begon.
.
Analyse van:
Strofenbouw
De eerste twee srofen zijn kwatrijnen (strofen die uit vier regels bestaan) en de tweede helft van het gedicht bestaat uit terzines (strofen van drie regels).

Beeldspraak en stijlfiguren
Achterberg maakt duidelijk wel gebruik van beeldspraak, in de eerste zin bijvoorbeeld. Een vergelijking zonder ‘als’: Hij vergelijkt zijn moeder met een grijze vrijdagmorgen, saai, normaal, niks bijzonders maar niet vervelend.
Ook zegt hij dat het stof voor haar beeft, naar mijn mening bedoelt hij daarmee dat ze het soort huisvrouw was dat erg goed schoonmaakt, wat dus een metafoor is.
Hij zegt dat hij in haar liefde is geborgen, die alle verraad overleeft, ook een metafoor. Ik denk dat hij hiermee bedoelt dat zijn moeder heel veel van hem hield/houdt.
In regel 10 zegt hij dat haar hele wezen in bloei staat op zondagmorgen (nog een metafoor), dit zal wel zijn omdat ze op zondag eindelijk een dag vrij heeft van het grootste gedeelte van het huishouden.
De laatste strofe snap ik niet echt, ik neem aan dat het ook beeldspraak is, maar ik begrijp niet helemaal wat hij ermee bedoelt.
Stijlfiguren: Er zit een soort tegenstelling in, eerst is zijn moeder een grijze vrijdagmorgen, maar op zondag komt ze tot bloei.

Metrum
Ik denk dat het metrum jambe is, als ik het hardop zeg klinkt dat in elk geval beter dan de andere mogelijkheden.

Rijm
In de eerste 3 strofen is het rijmschema abab, en in de laatste zit geen eindrijm. Ook is het meestal volrijm, bijvoorbeeld morgen-zorgen.
Duidelijke assonanties heb ik niet kunnen ontdekken, behalve ‘grijze vrijdagmorgen.’
Er zitten alleen alliteraties in de zinnen ‘wie ik ook werd, wij eten overmorgen’ ‘heel haar wezen’ en ‘door de dood.’

Interpretatie
Hij denkt terug aan zijn moeder, die een echte huisvrouw was. Ze maakte schoon en hield van haar kind(eren). Hij wil graag terug naar die tijd, toen hij klein was en alles makkelijk leek. Iemand anders die hij kent ligt op sterven en daar heeft hij het moeilijk mee.
Hij verlangt terug naar de tijd toen hij nog onschuldig was. Misschien heeft hij het over de hospita die hij heeft neergeschoten.

gedicht: 3

Anna Enquist

‘Mijn zoon’
.

Mijn zoon stormt door het huis,

een roffel op de trap. Hij is

zichzelf een motor. Het lied

dat in hem leeft ontsnapt hem

soms. Ik hoor hem zingen

op de gang en zwijg.
.

‘s Nachts is hij bang, hij twijfelt

aan zichzelf, aan ons, de wereld.

Ik neem hem in mijn arm

en zonder spreken vaag ik

de oorlog weg en kinderkanker

mijn eigen dood, het monster van de tijd.
.

Ik lieg hem voor en red hem

tot wij beiden slapen in gesloten veiligheid
.

Analyse van:
Strofenbouw
Dit gedicht heeft geen traditionele versvorm, de eerste 2 strofen bestaan uit 5 regels en de laatste uit 3. hier heb ik geen benaming voor kunnen vinden in het literatuurboek.

Beeldspraak
Beeldspraak: een vergelijking zonder als is ‘hij is zichzelf een motor’ hieruit leid ik af dat het nog een jongetje is, met veel energie. Dit vind ik ook terug in de personificatie ‘het lied dat in hem leeft’ hij is vrolijk. In de tweede strofe staat dat de moeder al zijn zorgen wegvaagt. Ik denk dat hiermee wordt bedoeld dat ze hem gerust stelt. En de laatste woorden ‘gesloten veiligheid’ duiden erop dat het haar is gelukt om zijn zorgen weg te vagen en dat die zorgen ook niet bij hen kunnen komen als ze bij elkaar zijn.
Stijlfiguren: er zitten twee opsommingen in, waar het zoontje aan twijfelt en welke zorgen de moeder wegvaagt. Ook is de laatste strofe een soort anticlimax, het leven is weer veilig, voor een tijdje tenminste.

Metrum
Ik heb er geen metrum in kunnen ontdekken.

Rijm
In dit gedicht zit geen eindrijm of volrijm. Ik kan ook geen assonanties vinden, en er zitten ook weinig alliteraties in. Alleen: ‘ik hoor hem zingen. Er zit dus bijzonder weinig rijm in dit gedicht.

Interpretatie
Ik neem aan dat het over een moeder gaat die de zorgen van haar zoontje, die nog niet zo oud is, weg neemt omdat ze hem wil beschermen tegen de boze buitenwereld. Misschien is het zoontje ziek, aangezien er is staat dat ze ook kinderkanker wegvaagt, en eerder in het gedicht zwijgt ze als ze hem hoort zingen.

gedicht: 4

Neeltje Maria Min

‘Mijn moeder is mijn naam vergeten’
.

Mijn moeder is mijn naam vergeten,

mijn kind weet nog niet hoe ik heet.

hoe moet ik mij geborgen weten?
.

noem mij, bevestig mijn bestaan,

laat mijn naam zijn als een keten.

noem mij, noem mij, spreek mij aan,

o, noem mij bij mijn diepste naam.
.

voor wie ik lief heb, wil ik heten.
.

Neeltje Maria Min

Analyse van:
Strofenbouw
De eerste strofe is een terzine, de tweede strofe is een kwatrijn en de derde een soort distichon.

Beeldspraak
Beeldspraak: er zit een vergelijking met als in de vijfde regel, ‘laat mijn naam zijn als een keten.’ Ik denk dat ze graag erkenning wil, en dat ziet zij als hetzelfde dat men haar naam weet.
Ook zit er een metafoor in regel 7 ‘mijn diepste naam.’ Ik denk dat ze hiermee meer haar persoonlijkheid bedoelt, dat ze wil dat haar moeder haar echt kent.
Stijlfiguren: er is vooral heel veel gebruik gemaakt van herhaling, het hele gedicht door komen de ‘mij’ en ‘mijn’ terug. Ook staat er vier keer ‘noem mij’ in het gedicht.

Metrum
Ik denk dat het metrum trochee is, ik weet het niet zeker, maar dit klonk het beste.

Rijm
In de eerste strofe wordt gebruik gemaakt van omarmend eindrijm. In de tweede strofe is het rijm a b a a, en in de derde strofe zit geen eindrijm.
Qua assonanties zitten er vooral veel dezelfde klanken vlak na elkaar: ‘mij bij mijn’ bijvoorbeeld.
De enige echte alliteratie is ‘mijn moeder’ verder is er vooral veel gebruik gemaakt van de n en de m na elkaar, wat ook wel ongeveer dezelfde klank heeft.

Interpretatie
Het gaat erover dat haar moeder haar naam is vergeten, misschien hebben ze geen contact meer. Omdat niemand nu haar naam weet, aangezien ze ook nog geen kinderen heeft, weet ze niet hoe ze zich nu geborgen kan voelen.
Ook zou het kunnen zijn dat haar moeder dement is, en daardoor haar naam niet meer weet.

gedicht: 5

Michel van der Plas

‘Vader en zoon’
.

Vader. Waarom als iemand dat woord zegt

kijk ik nog steeds vooruit, niet achter mij?

ben ik niet, zoek ik? Het is toch voorbij?

jij bent toch in de regen weggelegd?
.

Wat verwacht ik dan: je hand op mijn hoofd?

Waar zou ik moeten komen? ben je daar

nog wel, warm woord? Of hebben ze je naar

het huis gebracht waarin je hebt geloofd?
.

Als ik het hoor is het of ik zelf riep.

Ik moet al antwoord geven en ik ken

nauwelijks de vraag die ik nog altijd ben
.

Ja, zeg ik, en kijk om. De nacht is diep.

Ik weet opeens waarvoor je hebt geleefd:

ik draag de naam van wie de dood doorgeeft.
.

Analyse van:
Strofenbouw
De eerste twee strofen zijn kwatrijnen, en de laatste twee zijn terzines.

Beeldspraak & stijlfiguren
Beeldspraak: in de tweede zin vraagt hij zich af waarom hij achteruit kijkt, in het verleden dus. De metafoor: ‘Je bent in de regen weggelegd’ zal waarschijnlijk een begrafenis betekenen. Ik denk dat hij met de vraag ‘of hebben ze je naar het huis gebracht waarin je hebt geloofd?’ de hemel bedoelt, het huis is een metafoor voor de kerk, die weer de hemel symboliseert. En ik denk dat hij in de derde strofe zich afvraagt wie hij zelf eigenlijk is. Tot slot denk ik dat hij met de laatste strofe bedoelt dat de zin van zijn vaders leven is geweest om zijn naam, zijn genen door te geven en nieuw leven voort te brengen.
Stijlfiguren: de schrijver maakt vooral veel gebruik van retorische vragen waar hij zelf het antwoord ook niet op weet, hierdoor maakt het gedicht een ietwat verwarde indruk.
In de laatste strofe geeft hij als het ware een antwoord op zijn eigen vraag, en geeft het gevoel dat hij nu door kan gaan met zijn eigen leven.

Rijm
In de eerste twee strofen wordt gebruik gemaakt van omarmend eindrijm. In de laatste twee strofen wordt ook gebruik gemaakt van eindrijm, maar met de vorm abb.
Assonanties heb ik niet kunnen vinden, wel zitten er een paar alliteraties in: ‘warm woord’, ‘het huis’, ‘het hoor’, ‘al antwoord’, ‘de dood doorgeeft’

Metrum
Ik denk dat het metrum jambe is.

Interpretatie
het gedicht gaat over een man die een tijdje geleden zijn vader heeft verloren en zich afvraagt waarom hij het gevoel heeft dat zijn vader en nog is. Ook vraagt hij zich af waar zijn vader nu is, wie hij zelf is en waarom zijn vader heeft geleefd. Aan het eind van het gedicht beseft hij dat de zin van zijn vaders leven was dat hij weer ander leven voortbracht.

Gedicht: 6

M. Nijhoff

‘De moeder de vrouw’
.
Ik ging naar Bommel om de brug te zien.

Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden

die elkaar vroeger schenen te vermijden,

worden weer buren. Een minuut of tien

dat ik daar lag, in Œt gras, mijn theee gedronken,

mijn hoofd vol van het landschap wijd en zijd-

laat mij daar midden uit de oneinigheid

een stem vernemen dat mijn oren klonken.
.

Het was een vrouw.Het schip dat zij bevoer

kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren,

zij was alleen aan dek, zij stond bij Œt roer.
.

en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.

O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer.

Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren.
.

Analyse van:
Strofenbouw
3 strofen: een van 8 regels en twee van 3 regels,
met witregels er tussen

Beeldspraak & stijlfiguren

Beeldspraak regel 2: twee t/m buren, is een personificatie.
regel 6: mijn t/m zijn, is een synesthesie.
regel 8: een stem t/m klonken, is ook een synesthesie.
Stijlfiguren geen

Rijm
Rijmschema: ABBA, CDDC, EFE, FEF

Metrum jambe
Ik ging/ naar Bom/ mel om /de brug/ te zien

interpretatie

Het gedicht gaat over een man die naar Bommel gaat om naar de nieuwe brug te
kijken. Hij raakt helemaal overweldigd door de natuur en ontroerd door het gezang
van een vrouw die hem aan zijn moeder doet denken door het veilige gevoel en het
mooie landschap.

Gedicht: 7

Joke van Leeuwen

‘Het gedicht heeft geen titel. Uit het gedeelte Kind in Brussel.’
.
Ik was veel kleiner dan de stad

en schrok nog van de bedelaars

waar altijd iets niet meer aan zat.

De winkels waren hemelhoog met

witte bergen onderbroeken, waarin

gegraaid werd van het zoeken tot

handen hadden. Ik vergat de weg

die ik niet had geleerd en

liep verkeerd. Een vrouw, gerimpeld

van bestaan, vroeg of ik met haar op

wou gaan, want anders viel zij om.

We liepen samen krom,

als een gezinnetje van zotten.

Zij wist de weg, ik droeg haar oude botten.
.

Analyse van:
Strofenbouw
sonnet. Ik kom tot deze conclusie doordat dit gedicht 14 regels bevat

Beeldspraak & stijlfiguren
In het gedicht bevindt zich een vergelijking zonder voegwoord of voorzetsel: Een vrouw, gerimpeld van bestaan. De vrouw is het object en het gerimpeld van bestaan is het beeld.

rijm
Ik kom in het gedicht een volrijm tegen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de woorden zotten – botten (glijdend) en geleerd – verkeerd (mannelijk).

Metrum
Het gedicht is opgebouwd uit een octaaf en een sextet.

Interpretatie
Het gedicht gaat over een kind dat de weg kwijt is. Het kind is angstig, want alle gebouwen lijken zo groot voor het. Maar toen kwam het kind een oud vrouwtje tegen, die wel wat hulp kon gebruiken. En toevallig wist het oud vrouwtje de weg. En waren de problemen dus opgelost.
De regel, “zij wist de weg, ik droeg haar oude botten”, spreekt mij het meest aan, omdat deze regel laat zien hoe ze elkaar voorhelpen. Het kind ondersteunde het vrouwtje en het vrouwtje hielp ze de weg naar huis te vinden.
Het gedicht geeft een verlangen weer, namelijk het verlangen naar huis. Het kind is de weg kwijt en is heel bang in de grote stad Brussel.

Gedicht: 8

Joke van Leeuwen

‘Dit gedicht heeft geen titel. Uit het gedeelte Kind in Brussel’
.
Ik ging daar naar een winkel om

iets wat bestond te kopen.

Ze konden mij daar niet verstaan,

Dus wees ik kleur aan, zweeg hoe hol,

boog ik hoe rond, trilde hoe licht,

bewoog ik hoog, lengte, breedte.

Ze zeiden: wiewie wiewiewie

en legden heel hun toonbank vol

met veel wat ik niet wilde.

Ik moest naar huis terug. Ik moest

er woorden bij. Maar hoe te weten

of wat ik in mij woorden zei

en zij in hun taal anders ook

in hun taal net zo heette.
.

Analyse van:
Strofenbouw
Wanneer ik kijk naar de vorm van het gedicht is het sonnet. Dit gedicht heeft namelijk 14 regels

Beeldspraak & stijlfiguren
Ik kom in dit gedicht geen beeldspraakvormen tegen.

Rijm
Ik kom in het gedicht een volrijm tegen. Dan kan ik bijvoorbeeld zien aan de woorden verstaan – aan (mannelijk) en hol – vol (mannelijk).

Metrum
Het gedicht is opbouwt uit een sextet en een octaaf.

Interpretatie
Het gedicht gaat over het kind dat in een winkel iets wil kopen. Maar het winkelpersoneel verstaat niet wat het kind zegt. Het kind doet alle moeite om zich verstaanbaar te maken, maar toch lukt het niet. Als conclusie besluit het kind om woorden erbij te gaan leren, maar het kind weet niet welke.
In het gedicht wordt een gevoel weergegeven, namelijk de machteloosheid. Het kind kan zich niet verstaanbaar maken en voelt zich machteloos.
De regel die mij het meeste aanspreekt is: Ik moest er woorden bij. Ik heb voor deze regel gekozen, omdat het laat zien hoe machteloos het kind zich voelt. Ze moet er woorden bij voordat ze nog ergens heen gaat, maar welke is dan de vraag.

Gedicht: 9

J.C. Bloem

‘De Dapperstraat’
.
Natuur is voor tevredenen of leegen

En dan: wat is natuur nog in dit land?

Een stukje bosch ter grootte van een krant,

Een heuvel met wat villatjes ertegen.
.

Geef mij de grauwe, stedelijke wegen,

De in kaden vastgeklonken waterkant,

De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand

Door zolderramen, langs de lucht bewegen.
.

Alles is veel voor wie niet veel verwacht.

Het leven houdt zijn wonderen verborgen

Tot het ze, opeens, toont in hun hoogen staat.
.

Dit heb ik bij mijzelven overdacht,

Verregend, op een miezerigen morgen,

Domweg gelukkig, in de Dapperstraat.
.

Analyse van:
Strofenbouw
Vier strofen: twee keer een quatrijn, is een octaaf. En twee keer een terzine is een sextet (14 regels).
Tussen het octaaf en het sextet zit een verandering van inhoud. Het is een sonnet (klinkdicht).

Beeldspraak & stijlfiguren
Beeldspraak
vergelijking met als (niet)
vergelijking zonder als regel 3: natuur is een stukje bosch ter grootte van een krant.
personificatie regel 6: kaden vastgeklonken
regel 10: leven houdverborgen
Stijlfiguur
herhaling regel.9: veel...veel
tegenstelling natuur en stad
hyperbool regel.3: bosch ter grootte van een krant

Metrum
Ik heb er geen metrum in kunnen ontdekken.

Rijm
Ik kom in dit gedicht voornamelijk volrijm tegen
Rijmschema ABBA, ABBA omarmend rijm, octaaf
CDE, CDE sextet
Assonantie regel 1: tevreden, leegen
Alliteratie regel 6: kaden, klonken, kant

Interpretatie
Het gaat er over dat iemand vind dat de natuur in Nederland niets voorstelt.
Maar hij vindt dat eigenlijk helemaal zo erg niet, want hij houdt van de stad.
Hij vindt de natuur des te mooier als deze in gekaderd is. Want als je niet veel
verwacht valt het altijd mee.
Hij kan zich dus heel goed en zeer gelukkig voelen in een armoedige straat
midden in Amsterdam (zoals bv de Dapperstraat).

Gedicht: 10

E. du Perron

‘Sonnet van burgerdeugd’
.
De trammen tuimlen door de lange straten ,

al Œt leven buiten en de ramen dicht,

wat thee voor ons en de avond te verpraten,

de lamp streelt rustig ons voornaam gezicht.
.

Inbrekers, wurgers, rovers en piraten,

en de eerste zondvloed en het laatst gericht,

elke onrust heeft ons deugzaam hart verlaten,

O thee! o vriendschap! o kalmerend licht!

Straks Œt balsemende donker, morgen lopen
.

Wij opgefleurd te kopen of verkopen;

God levert de eerzucht en het daaglijks brood.

Genoeg vermoeienis om s¹nachts te slapen,

alle overgangen tussen lach en gapen,

en aan het eind , de liefderijke dood.
.

Analyse van:
Strofenbouw
Drie strofen: een van vier regels en twee van vijf regels.

Beeldspraak & stijlfiguren
Beeldspraak
personificatie: de lamp streelt
elk onrust heeft ons deugdzaam hart verlaten
Stijlfiguur
opsomming: Inbrekers, wurgers, rovers en piraten
herhaling : O thee! o vriendschap! o kalmerend licht!
tegenstelling: kopen en verkopen, lach en gapen
ironie het hele gedicht is eigenlijk ironisch
hyperbool het hele gedicht is ook een beetje overdreven.

Metrum
Ik heb er geen metrum in kunnen ontdekken.

Rijm
Rijmschema ABAB, ABABC, CDEED
Assonantie: tuimelen, buiten
Alliteratie: trammen, tuiumelen
Volrijm

Interpretatie
Het gedicht gaat over een kleine, zogenaamd voorname burgelijke man, die gelukkig is met het kunnen drinken van thee en kletsen met vrienden bij het licht van een lamp. Hij heeft alles buitengesloten en kent geen onrust. Hij is nergens bang voor, want hij gelooft en vertrouwt op God. Het hele gedicht is ironisch bedoeld tegenover de burgelijkheid.
Du Perron is opgegroeid in Indie. Later maakte hij samen met Menno ter Braak het tijdschrift Eorum. Zij waren tegen het mooie en de expressie in kunst. Zij waren van de nieuwe zakelijkheid, maar het moest wel persoonlijk zijn. (Niet de vorm maar de vent)

Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.