ff n studiebreak

Meiden, laser je binnenste schaamlippen lekker weg joh. Want je vriendje wil een playboypoesje.

geef je mening

Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?



» resultaten poll

CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.

Geschreven door:

Gansje (5 vwo) [meer]

Datum ingestuurd:

27 oktober 2005

Taal:

Woorden:

2.750

Bekeken:

1363 keer (10 deze maand)

Waardering:

4.2/5 (5 stemmen)

Deel op:

Naam:


Klas/niveau:


E-mail:


Bericht:


Bestemd voor

Geheime code: 


 
GS hoofdstuk 5: De weg naar de hemelse vrede.
China als totalitaire staat.

Oriëntatie
• Mao Tse Toeng en zijn comm. Partij eisten van bevolking totale inzet en kritiekloos enthousiasme voor hun plannen, om een paradijs om aarde te creëren. De onderdrukking die daarmee gepaard ging, kostte tientallen miljoenen Chinezen het leven.
• Totalitarisme = (bijv. CPC) gaat uit van toekomstdroom. Blauwdruk van nieuwe samenleving is voor hen de enige juist en geldt als de waarheid.
• Relatie WO2 en onderzoek totalitarisme: men zocht naar een verklaring voor de gruwelijkheden die in nazi-DLD hadden plaatsgevonden. O.i.v. Koude Oorlog vielen overeenkomsten tussen nazi-DLD en communistische Sovjet-Unie al gauw op.
• In totalitaire samenleving wordt individu ondergeschikt gemaakt aan belangen van partij of staat. Dezen bemoeien zich ingrijpend met privé-leven.

Paragraaf 1: de erfenis van het verleden.
• Familie (ruime kring bloed- en aanverwanten) erg belangrijk in traditionele China. Kenmerken Chinese familie:
1. Meergeneratiegezin: ideaal waarbij vader, moeder, zonen, ongetrouwde dochters en schoondochters in 1 huis woonden. Zelfden bereikt, maar 5 generaties onder 1 dak was waar je als familie naar streefde.
2. Vijf Menselijke Relaties: gedragsregels die familieleden een vaste plaats gaven binnen familie en staat. Ter voorkoming van ruzies tussen familieleden. Ieder wist op deze manier aan wie hij gehoorzaamheid of respect verschuldigd was. Er gold een confucianistisch streven naar harmonie: er behoorden geen conflicten tussen familieleden te zijn.
a. Heerser-onderdaan;
b. Vader-zoon;
c. Oudere broer-jongere broer;
d. Man-vrouw;
e. Vriend-vriend.
3. Relaties zeer formeel. Respect voor ouderen (zowel levend als dood) was erg belangrijk. Want: individu was niet meer dan schakel in lange geschiedenis van familie.
4. Alleen jongens/mannen aanzien: zijn zetten familielijn voort. Vrouwen onbelangrijk, zij moest thuis zijn en geen onderwijs buitenshuis, want meisjes werden uitgehuwelijkt en gingen bij schoonfamilie wonen. Alleen enig aanzien door zonen baren en oud worden (dan werd 5-generatiegezin mogelijk).
• Confucianisme = sociale gedragsleer (geen godsdienst). Mens is tot goede gelenigd, als hij juiste opvoeding krijgt, goede voorbeeld en zichzelf blijft opvoeden. Geďnspireerd door natuur: als verhoudingen verstoord werden, kon in de war raken. Keizer bemiddelaar tussen hemel en aarde. Door menselijke gebeurtenissen verantwoordelijk te maken voor natuurverschijnselen, kon verklaard worden waarom een keizer te val kwam en een nieuwe dynastie aan de macht kwam. Het ‘hemels mandaat’ was hem ontnomen. Een goede keizer moest land net zo regeren als vader zijn familie.
• Tot 1911 konden keizers het omvangrijke rijk besturen omdat zij steunden op ambtenaren die benoemd werden op basis van hun deskundigheid op het gebied van confucianisme. Confucianisme bindende factor in China.
Kloof tussen elite (landeigenaren, geleerden en ambtenaren) en volk was enorm. Deze werd ook moeilijk kleiner: voor het verkrijgen van een hoge positie was lange studie nodig. Voor boer vrijwel onmogelijk.
• Sinocentrisme = China zag zichzelf als het middelpunt van de wereld, de rest waren barbaren. Daarom wilden de keizers zo weinig mogelijk contact met buitenland; geen buitenlandse producten, weinig/geen handel.
• Redenen grote continuďteit:
1. bureaucratie
2. confucianisme
3. buitenlandse invloeden inpassen in eigen beschaving.
Hierdoor verstarring: bijna onmogelijk van binnenuitte moderniseren.
• Westerse landen waren op zoek naar nieuwe afzetmarkten en Engeland dwong in 2 opiumoorlogen (China wilde Britse import Opium stoppen) opstelling van China af. Hierna kwamen er ook Fransen, Russen, Duitsers en Japanners. Deze landen dwongen langs de kust verdragshavens af: havens waar westerlingen hun eigen rechtspraak invoerden. Dit ervoeren Chinezen als grote vernedering.
• Maatschappelijke ladder:
1. Keizer. Allergrootste heerser, bemiddelaar tussen hemel en aarde.
2. Ambtenaren en geleerden. Kwamen voort uit landbezitters. Nodig om land te besturen en bezaten kennis.
3. Boeren. Volgens confucianisme belangrijk. In praktijk zeer arm, leefden onder zware druk en moesten dwangarbeid verrichten.
4. Ambachtslieden. Maakten alle spullen voor het land. De enige reden dat ze op de 4e plaats staan is omdat ze niet op 5 staan, want:
5. Kooplieden. Profiteurs, want verdienden geld aan werk van ambachtslieden.
Volgens confucianisme moesten mogelijke conflicten worden opgelost met alles behalve geweld. Daarom soldaten geen plaats op maatschappelijke ladder. Toch kwam vrijwel elke nieuwe keizerlijke dynastie mbv. Legers aan de macht. Dit is een verschil tussen ideaal en werkelijkheid, ook te zien bij positie van boeren.
• Verzwakking rijk veroorzaakt door:
1. binnenlandse opstanden
2. buitenlandse druk
3. bureaucratisch en corrupt regeringsbestel.
Uitroepen reubliek 1911 met Sun Yatsen als voorlopig president als gevolg van kolossale opstand van legerofficieren. Sun Yatsen was leider van Guomindang, Nationalistische partij. Hij wilde China moderniseren, maar mislukte. China viel uiteen in vrijwel onafhankelijke provincies geregeerd door militaire dictators (opstand legerofficieren!), warlords. Deze bestreden vooral elkaar, gefinancierd door westerse mogendheden.
• In WO1 had DLD gebieden in China. Japan veroverde dit. Na WO1 hoopte China op teruggave van gebieden (bij Vrede van Versailles), maar met goedkeuring van westerse mogendheden bleef van Japan. China voelde dit als verraad van westen.
Dit bleek via demonstraties en stakingen van Chinese intellectuelen, anti-westerse en anti-Japanse gevoelens. Tegelijkertijd lieten zij zich inspireren door westerse ideeën als nationalisme en gelijkheid. Ook wilden ze dwingende familiebestel en voetbinden bij vrouwen afschaffen. Deze verwesterde intellectuelen begrepen van China alleen kon moderniseren (zoals Sun Yaten dat ook wilde, maar wat dus niet lukte) en industrialiseren als volk onderwijs kreeg, waardoor Chinese taal werd vereenvoudigd.
• Oók vanuit westen kwamen communistische ideeën. Vooral door teleurstelling in Vrede van Versailles en uitbreken van Russische Revolutie maakten communisme aantrekkelijk. Russen wilden samenwerking tussen GMD en de in 1921 opgerichte communistische partij CPC, want volgens hen moest China eerst industrialiseren, daarna pas revolutie.
Paar communisten, ook Mao Tse Toeng, wilden boerencommunisme: comm. Soldaten hielpen boeren, comm. Org. Opgericht, eenvoudige boeren geschoold en begin landverdelingen. CPC groeide snel, vooral na besluit in 1934 om op boerencomm over te gaan. Vanaf toen was Mao de leider van de CPC.
• CPC kwam aan de macht door:
1. Westen: anti-westerse ideeën, contact met communisme
2. Japan en WO2: teleurstelling van Vrede van Versailles
3. GMD: beleid van partij, corruptie en wreedheid
4. CPC: overgaan op boerencomm
• Na dood Sun Yatsen (1925) Chiang Kaishek leider GMD. Tussen 1923 en 1945 GMD en CPC 3 keer samengewerkt tegen Japen, maar steeds zette GMD hun moderne leger in tegen CPC. Door beleid GMD verloor band met volk, Chiang werd dictator.
• In 1937 ontstond er oorlog tussen Japan en China, omdat Japan gebieden veroverde waar zij rechten had (van WO1). Dit was voor China begin WO2. GMD werd gedwongen tot oorlog met Japan, maar vond comm. grotere vijand. Hij wilde 2 oorlogen: met Japan en CPC. Maar mislukte, veel soldaten liepen over naar CPC omdat:
1. zij beter streden dankzij guerillatactiek
2. zij goed georganiseerd waren
3. zij niet corrupt waren.
Na overgave Japan was 4 jaar burgeroorlog. GMD had meer wapens en mensen, maar CPC won, omdat:
1. Tussen GMD-gebieden en –steden te lange communicatielijnen
2. Communisten hadden veel platteland, wat zorgde voor veel aanhang van boeren bij landhervormingen.
Chiang Kaishek vluchtte naar Taiwan, begon daar zijn nationalistische China en 1 okt. 1949 riep Mao Tse Toeng de Volksrepubliek China uit.

Paragraaf 2: geloof in een nieuw China.
• CPC was in 1949 aan de macht gekomen, omdat zij enige was die eind kon maken aan de economische achterlijkheid en sociale ongelijkheid. Beloofde comm. partij, uitbuiting en onderdrukking zouden gelijkheid, menselijke waardigheid en welvaart voor iedereen worden.
• Landhervorming = Verdeling van het land onder de boeren. Ze werden zelf eigenaar van de grond, daarom steeg de productie. Economisch succes.
• Collectivisatie = Land moest gemeenschappelijk bezit worden, anders zou er een nieuwe rijke klasse van boeren ontstaan. Dat paste niet binnen comm.
Anderen waren tegen snelle collectivisatie, en wilden dus geleidelijke collectivisatie, omdat ze bang waren dat de boeren (net als de Sovjet-Unie) deze zouden saboteren. Ook wilden zij eerst mechanisatie van de landbouw. Voor mechanisatie was industrialisatie nodig: de industrie moest op grote schaal machines kunnen leveren.
Uiteindelijk werd het geleidelijke collectivisatie: het land dat boeren in bezit hadden gekregen, werd collectief eigendom, maar ze mochten een klein stukje houden. Het land moest gezamenlijk worden bewerkt, opbrengst ging naar de staat.
De boeren moesten weer socialistisch gemaakt worden door:
1. Propaganda
2. Politieke bewustwording
3. Druk
De partij hoopte op deze manier de landbouwopbrengsten te verhogen.
• Om de beloofde ‘welvaart voor iedereen’ te realiseren, was snelle industrialisering nodig. Daarnaast wilde China een machtspositie in de wereld opbouwen en niet meer afhankelijk zijn van het westen en Japan. Omdat China weinig ervaring had met industrialisatie, volgden ze het Sovjet-model, dmv. Vijfjarenplannen waren in de Sovjet-Unie, het enige land waar comm. in praktijk was gebracht, grote industriesteden gebouwd. Het eerste Vijfjarenplan werd uit de opbrengsten van landbouw betaald.
• De Vijfjarenplannen waren op lange termijn ongeschikt voor China omdat:
1. Industrialisatie leidde tot (te) snelle bevolkingsgroei in de steden
2. De bevolking te groot werd voor de voedselopbrengsten
3. Nauwelijks mogelijkheden landbouwareaal uit te breiden
4. Boeren lage prijzen kregen voor hun voedselleveranties en niet geďnteresseerd waren in hogere opbrengsten voor land
5. Hoge prijs Sovjet-hulp
6. Sovjet-model gaat uit van mechanisatie van landbouw, wat in China zou leiden tot werkloosheid onder groeiende bevolking
• CPC koos voor voorlopige samenwerking met niet-communisten. Er werd coalitieregering gevormd onder leiding van partij. Iedereen die zich tegen CPC keerde was klassenvijand en werd uitgeschakeld. Liberalen en linksen wilde niks met GMD te maken hebben, dus gingen ze samen met CPC.
Macht werd verdeeld over partij, regering en Volksbevrijdingsleger (in deze volgorde). Er is een parallelle machtsstructuur:
1. Staatsinstellingen (Nationale Volkscongres, Staatsraad)
2. Partij-instellingen (Nationale Partijcongres, Centraal Comité).
Partij bepaalt politieke koers én heeft macht over regeringsorganen. Mao werd president en voorzitter van partij.
• Massaorganisaties = Organisaties zoals vakbonden en vrouwen- en jeugdorganisaties die enorme afstand tussen regering, comm. leiders en volk overbruggen; worden gebruikt om zeer ingrijpende veranderingen door te voeren in een groot land als China en om veel mensen te beďnvloeden en ze onder de duim te houden.
• Massacampagne = Middel waarmee veranderingen tot uitvoer werden gebracht. Meest opvallende kenmerk van Chinees comm.
• Verloop massacampagne:
1. Groep (factie) die op dat moment binnen de CPC meeste macht heeft, stelt bep. richtlijn vast.
2. Partij besluit dat deze richtlijn door de bevolking op nationale schaal moet worden uitgevoerd.
3. Kamerleden partij, regering en leger worden op de hoogte gebracht.
4. Kaderleden van massaorganisaties moesten de richtlijn tot uitvoer brengen. Zij moeten de mensen indoctrineren, in beweging brengen en controleren tijdens de beweging.
5. Door alle massamedia in te zetten wordt de richtlijn onder bevolking bekendgemaakt, meestal in vorm van krachtige slogan.
6. Bevolking wordt gevraagd de richtlijn te bediscussiëren en kritiek te geven. Op deze manier zou de regering de mening van de massa horen. In de praktijk mocht de bevolking uitsluitend instemmen met de nieuwe richtlijn.
7. Als de mensen op de hoogte zijn van de nieuwe richtlijn begint de eigenlijke campagne met enthousiaste en spontane inzet van iedereen.
• In begin richtten campagnes zich op ‘restanten van oude maatschappij’, mensen die veel geld of invloed hadden gehad voor communisme. Zoals ambtenaren van GMD en bazen van bedrijven, ze werden beiden aan de dijk gezet en bedrijf werd staatseigendom.
• Laat honderd bloemen bloeien-campagne = campagne die nogal uit de hand liep. Intellectuelen werden gevraagd kritiek uit te oefenen op tekortkomingen in de partij, omdat Mao vond dat de nieuw opgeklommen partijkaders zich teveel als nieuwe bazen gedroegen. Hierop kwam een stroom van kritiek op de dictatoriale methoden van de partij.
Halverwege greep de partijtop in. Intellectuele en partijfunctionarissen werden het doelwit van de antirechtsencampagne. Heel veel mensen raakten hun baan kwijt, werden rechts genoemd. Als gevolg van deze campagne werden 1,2 miljoen stedelingen naar het platteland gestuurd om daar gedachtehervorming door arbeid te ondergaan. Ook comm. moesten oppassen.
• Periode tussen 1949 en 1953 heet ook wel ‘wittebroodsweken’ van Chinese revolutie. Enthousiasme en vertrouwen in CPC. Op sociaal gebied in GMD-periode veel veranderd: voorouderverering, voetbinden en trouwen met bijvrouwen afgeschaft. Instemming van beide partners voor huwelijk, scheiden en vrouwen kregen erfrecht. Vernieuwingen alleen bij kleine sociale bovenlaag, want op platteland weinig aanhang.
Sociale verandering die wel aan iedereen bekend werd gemaakt was de huwelijkswet: man en vrouw waren gelijk voor de wet, huwelijkspartner kon zelf gekozen worden (dus geen uithuwelijking meer) en huwelijksleeftijd werd verhoogd.
• Door vele sociale vernieuwingen ontstond een zekere afkeer van de oude sociale orde: deze moest radicaal worden omgegooid. Iedereen kreeg een klassenstatus opgelegd, op basis van sociaal-economische positie. Zo waren er landheren, grote boeren, middenboeren, arme boeren, landarbeiders, arbeiders en kapitalisten. Ook na de landhervormingen (1950-1953) bleef de klassenstatus bestaan, er werden zelfs nieuwen aan toegevoegd, om vrienden en vijanden mee aan te duiden,
De communisten wilden de loyaliteit aan de familie (die eeuwenlang de basis van de maatschappij was geweest) vervangen door loyaliteit aan de staat.

Paragraaf 3: hoe Yoekong de bergen verzette.
• Aan einde van Vijfjarenplan (Sovjet-model), dat vooral voor industrie succesvol was, moesten 3 problemen worden opgelost:
1. Toenemende werkloosheid, vooral in de steden
2. Landbouw kon kosten van verdere industrialisatie niet opbrengen
3. Mao was bang dat net als in Sovjet-Unie ook in China de nieuwe bevoorrechte klasse van technisch geschoolden zou ontstaan (denk aan rijke boeren door landhervorming).
• Na Stalin was Chroetsjov aan de macht gekomen in Sovjet-Unie. Hij veroordeelde een aantal dingen die Stalin in naam van het comm. had gedaan, zoals gedwongen collectivisatie. Dit revisionisme beviel Mao helemaal niet, hij ervoer het als verraad van comm. en recolutie. Hij werkte niet langer volgend Sovjet-model, maar baande met China zijn eigen weg naar het ‘echte’ socialisme. Dit dmv. Een gigantische campagne: de Grote Sprong Voorwaarts.
• Grote Sprong Voorwaarts =
1. Gelijktijdige ontwikkeling van alle sectoren van economie, scheiding tussen zware industrie en landbouw werd afgeschaft, ook hoofd- en handenarbeid
2. Economische groei kon worden bereikt met eenvoudige technische hulpmiddelen en inzet van veel menskracht
3. Instelling van Volkscommunes
Door mensen in te zetten in landbouw en kleinschalige industrie zou werkloosheid in steden worden opgelost. Door geen onderscheid te maken tussen arbeider, boer en intellectueel zouden er geen nieuwe klassenverschillen ontstaan. Door veel kleinschalige industrieprojecten zouden niet zulke grote investeringen voor de industrie nodig zijn.
• Kenmerken Grote Sprong Voorwaarts:
1. Oventjes in achtertuin
2. Politieke bijeenkomsten tijdens werk
3. Inzet van zeer veel menskracht
4. Gebruik van eenvoudige technische hulpmiddelen.
• Platteland werd gereorganiseerd in 26000 volkscommunes: groepen van zo’n 5000 huishoudens waarbij landbouwgrond, mensen en diensten werden samengevoegd. Boeren konden worden vrijgesteld van werk op platteland, dezen werkten mee aan grote projecten als bouwen van stuwdam en graven van irrigatiekanalen. Doel van deze communes was realisatie van communistisch ideaal ‘ieder werkt naar vermogen en ontvangt naar behoefte’. Dit was aan de ene kant onbeperkt eten in eetzalen, aan andere kant onbeperkt werken tijdens campagne. In begin enthousiasme en inzet groot voor Grote Sprong Voorwaarts, men was trots mee te mogen doen aan het grote project en zo een bijdrage te kunnen leveren aan de opbouw van het socialisme.
• Mislukken grote sprong voorwaarts:
1. Strijd binnen partij
2. Rivaliteit tussen Sovjet-Unie en China
3. Campagnes en projecten die uiteindelijk niks opleverden, zoals ‘hoogoventjes in de achtertuin’, die waardeloos staal produceerden
4. Hongersnood, waarbij miljoenen mensen om het leven kwamen
• Redelijk snel keerde partij terug naar centrale planning van ec. Volkscommunes kleiner en ruimte voo prive-initiatief. Rond ’64 had ec. Zich hersteld van grote sprong voorwaarts. Hierna ontstond ec. Groei in industrie en landbouw. Geen welvaartsstiijging, omdat nog steeds weinig consumptiegoederen. Weinig te koop. Ook geboortecijfer hoog, steeds meer eten nodig. Mao was tegen geboortebeperking: veel Chinezen = sterk China. Na grote sprong voorwaarts werkloosheid onder jongeren, dus zij naar platteland gestuurd.
• In grote sprong voorwaarts voortdurende machtsstrijd in top van partij: gematigde lijn en radicale. Hierdoor ontstond zigzagkoers, jaren waarin gematigden macht hadden en dat radicalen macht hadden. Gematigden wilden economische ontwikkeling. Radicalen wilden niet dat economische ontwikkeling zou leiden tot nieuwe machtige groep.
Binnen partij strijd tussen alle facties: factiestrijd. Zelfs Mao was niet sterk genoeg om aan die top te staan, hij moest zwaargewichten achter zich krijgen en medestanders op strategische posities benoemen. Iedere koerswijziging van vooral radicalen werd ondersteund door massacampagnes, waarin van bevolking actieve deelname en uitvoer van nieuwe koers werd verlangd. Door bevolking in te schakelen versterkte de leidende factie zijn machtspositie.
• Gevolgen zigzagkoers partij en regering voor bevolking:
Korte termijn: in de war raken, onzekerheid
Lange termijn: verlies vertrouwen in partij en regering.
• Door Grote Sprong Voorwaarts Mao’s positie verslechterd. Hij bleef alleen partijvoorzitter, geen president. Degenen die zijn taken overnamen, zetten economische ontwikkelingen in, waardoor er klassenverschillen ontstonden. Dit wilde Mao niet, hij vond steun bij legerofficier met revolutiegeest. Hij gebruikte leger en jeugd om meer macht te krijgen. Hij maakte het rode boekje met daarin citaten over de Chinese communistische staat. Er ontstond persoonsverheerlijking en de Culturele Revolutie werd afgekondigd.
• Veel jongeren werden rode gardisten en steunden Mao. Ze keerden zich tegen alles wat oud, gevestigd en Westers was. Partijkaders en intellectuelen werden gedwongen tot zelfkritiek, vernederd en gebracht naar heropvoedingskampen. Onderwijs en staatsapparaat functioneerden nauwelijks. Toen uit de hand liep, keerde Mao zich tegen rode gardisten en stuurde ze naar platteland, om daar te leren van boeren.
• CPC streefde naar klassenloze maatschappij, geen verschil tussen arm en rijk, iedereen gelijk. Maar bracht juist nieuwe vormen van ongelijkheid: klassenstatus en plattelandsregistratie/stadsregistratie die je nooit meer kwijtraakte.
• Verklaringen voor uniformiteit en enthousiast gedrag:
1. Politiek denken is veel moralisme: staat bepaalt wat goed en slecht is. Er heerst conformisme ; men gedraagt zich zoals men zich hoort te gedragen. Misleidend voor buitenwereld: men denkt dat China paradijs op aarde is en vraagt zich af hoe het kan dat iedereen dezelfde antwoorden geeft.
2. Uiterlijk van mensen: men draagt zelfde kleding
3. Arbeid van mensen: men doet hetzelfde werk, ongeacht of je intellectueel of boer bent
4. Gedrag en gedachten van mensen: conformisme (zie 1).

Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.