Geschreven door: | anoniem (3 vwo) [meer] |
Datum ingestuurd: | 14 juni 2007 |
Taal: |  |
Woorden: | 2.050 |
Bekeken: | 2148 keer (6 deze maand) |
Waardering: |
|
Deel op: |
|
Wat moet je kennen/kunnen voor het proefwerk ‘Nazi-Duitsland’Proefwerkstof: Lesboek: blz. 6-13 (par. 1 t/m 4) + blz. 18-19.
Werkboek: opdracht 2, 6, 9, 10 en 12
Video ‘The Wave’
Alle aantekeningen bij H1
Je moet kennen/kunnen:1. De tien kenmerken van het fascisme/nazisme herkennen en uitleggen met behulp van bronnen.
Het fascisme:
1. legt de nadruk vooral op waar men tegen is.
2. is nationalistisch
3. gaat uit van de ongelijkheid van de mensen.
4. kent het leidersbeginsel.
- Aan het hoofd staat 1 leider, hij is de beste van alle en weet daarom wat goed is voor het volk. Alle mensen moeten de leider gehoorzamen.
5. is totalitair.
- De staat moet het hele leven van ieder mens regelen en controleren.
6. gaat meer uit van het gevoel dan van het verstand.
- Niet alles hoeft bewezen te worden. De leiden heeft altijd gelijk.
7. verheerlijkt de daad van geweld.
- In een parlementaire democratie wordt alleen maar gepraat. In een fascistische staat moet gehandeld worden: geen woorden, maar daden.
8. geeft aan de vrouw een ondergeschikte plaats.
Aparte kenmerken voor het Duitse fascisme:
9. Het Duitse volk moest ‘raszuiver’ gehouden worden.
10. Het Duitse volk heeft leefruimte nodig.
2. De rolverdeling tussen rijkspresident, rijkskanselier en rijksdag in de Republiek van Weimar beschrijven.
Rijkspresident: Staatshoofd
Rijkskanselier: Minister-president
Rijksdag: Het Duitse parlement
3. Drie partijen opschrijven die vaak een coalitie vormden tijdens de Republiek van Weimar.
socialisten
katholieken
vooruitstrevende liberalen
4. De vier redenen opschrijven voor de zwakte van de Republiek van Weimar.
1. De socialisten en de katholieken wantrouwden elkaar.
2. De vooruitstrevende liberalen wilden met de socialisten samenwerken, maar de behoudende liberalen wilden dat niet.
3. De conservatieven waren tegen de parlementaire democratie. Zij wilden het keizerrijk herstellen. Zij gaven de schuld van de nederlaag aan de socialisten. Volgens hun had het Duitse leger nog wel verder kunnen vechten.
4. De communisten waren ook tegen de parlementaire democratie. Zij wilde een samenleving zoals in Rusland.
5. Beschrijven wat de economische wereldcrisis van 1929 (en de jaren’30) inhield.
De economische crisis begon in de VS, en sloeg over naar Europa. Europa had na de Eerste Wereldoorlog veel geld geleend van de VS. Toen de VS het geld in eigen land nodig had werden er geen leningen meer verstrekt en wilden ze het geleende geld terug. Hierdoor kwamen veel bedrijven in financiële problemen en gingen failliet. Hierdoor groeide het aantal werklozen in Duitsland van 2 tot 4 miljoen.
6. Uitleggen waardoor deze economische crisis in Duitsland extra hard aankwam.
Ze waren al heel arm door alle beperkingen van het Verdrag van Versailles(geld boetes). Er waren nu nog minder inkomsten in Duitsland.
7. Een verband beschrijven tussen de crisis en de opkomst van twee niet-democratische partijen in Duitsland.
Hitler beloofde het Duitse volk om van Duitsland weer een machtig land te maken.
8. Vijf oorzaken opschrijven voor het succes van de nazi’s rond 1930.
1. Hun moderne manier van propaganda voeren. Zoals radio, films en grammofoonplaten
2. De persoonlijkheid van Hitler. Hij maakte een diepe indruk op mensen, en mensen zagen hem als hun grote leider.
3. De beloften van de nazi’s. Bijna alle mensen werd beloofd wat zij graag wilden(werk, geld bescherming).
4. De partijlegers van de NSDAP straalden kracht en zelfvertrouwen uit. Dat trok veel mensen aan, maar schrok ook veel mensen af, zij durfden zich niet meer openlijk tegen de nazi’s uit te spreken.
5. De nazi’s zorgden voor een zondebok, de Joden. Zij gaven hen alle schuld van de nederlaag.
9. Uitleggen waarom veel Duitsers woedend waren over de Vrede van Versailles.
Er werden hun te veel beperkingen opgelegd, zoals boeten en afname van veel land.
10. Uitleggen hoe de nazi’s gebruik maakten van de volkswoede over dat vredesverdrag.
Door het volk te beloven wat ze wilden, bijvoorbeeld werk.
11. Uitleggen waarom het in 1932 onmogelijk was geworden om een democratische coalitie te vormen in de Republiek van Weimar.
Geen van de partijen had een meerderheid behaalt.
12. Uitleggen waarom president Von Hindenburg in januari 1993 niet veel anders kon doen dan ‘Hitler een kans geven’.
Hij was de grootste niet-democratische partijleider, hij moest dus wel met deze partij samenwerken.
13. Uitleggen waarom in maart 1933 nieuwe Rijksdag verkiezingen werden gehouden.
Hitler wilde een meerderheid van de stemmen behalen. Von Hindenburg gaf hem toestemming om deze verkiezingen te organiseren omdat hij dacht dat Hitler dan veel minden stemmen zou krijgen.
14. Beschrijven hoe Hitler dankzij de Rijksdagbrand in februari 1933 zijn macht kon uitbreiden.
Hierdoor had hij een reden voor een “communistische oorlog”. Hij zei dat de communisten een oorlog aan het voorbereiden waren. Daarom liet hij kort daarna honderden communisten oppakken, waarom veel partijleiders.
15. Beschrijven hoe de verkiezingscampagne in februari/maart verliep.
Deze verkiezingen verliepen oneerlijk. Er waren meerdere redenen:
- De communisten mochten niet meedoen.
- Er mocht geen eerlijke propaganda gevoerd worden, de noodtoestand was uitgeroepen.
16. Uitleggen hoe de machtigingswet in maart 1933 een eind maakte aan de parlementaire democratie in Duitsland.
Ze geloofden wat Hitler allemaal beloofde en stemden voor de wet. Hiermee gaven ze alle macht uit handen.
17. Uitleggen waarom veel rijksdagleden/partijen voor de machtigingswet stemden.
Vooral veel stemmers waren onder de indruk van de rijen SS’ers waar ze tussendoor moesten om bij het gebouw te komen, en eenmaal in het gebouw werden ze ‘bedreigd’ door alle SA leden die in rood uniform door het gebouw liepen. De meeste stemmers waren bang om tegen Hitler te stemmen.
18. Opschrijven welke partij tegen de machtigingswet stemde, en waarom.
De SPD stemde tegen de machtigingswet. Het antwoord van Otto Wels was:
Met geweld kan niks goeds worden bereikt. Een regering moet geweld verhinderen. Maar deze regering vervolgt tegenstanders. Een regering moet gecontroleerd worden door het parlement. En vrije pers is noodzakelijk. Geen wet geeft u het recht deze onverwoestbare ideeën te vernietigen.
19. Beschrijven hoe Hitler een einde wist te maken aan de werkloosheid in Duitsland.
Hitler voerde in 1935 de dienstplicht weer in waardoor veel jongens weer werk hadden.
20. Uitleggen waarom Hitler meer Lebensraum voor het Duitse volk wenste, en waar hij die macht dacht te vinden.
Hij wilde van Duitsland weer een groot en machtig land maken. Hij dacht dat land te vinden in Oost-Europa.
21. Tenminste zeven middelen beschrijven/uitleggen die de nazi’s gebruikten om de Volksgemeinschaft op te bouwen.
Ze wilde het volk bijeenbrengen dat deden ze door middel van allerlei nazi- organisaties.
1. De werkgevers en de werknemers werden in het Duitse Arbeitsfrond gereorganiseerd.
2. Kraft durch Freude (kracht door Vreugde) zorgde voor ontspanning bij alle Duitsers. Deze organisatie had veel succes.
3. De Hitlerjugend (HJ) werd de enige jeugdorganisatie. De Bund deutscher Mädel (BdM) was een aparte afdeling voor meisjes. De meeste jongeren werden vrijwillig lid van de HJ of BdM. In 1936 werd het lidmaatschap verplicht voor alle jongeren van 10 tot 18 jaar.
4. Na de HJ en BdM kwam de rijksarbeidsdienst: Alle 18 jarigen moesten een jaar ‘arbeidsdienst’ vervullen. Daarvoor werden grote arbeidskampen opgericht. Jongens moesten meestal helpen bij de oogst, bij ontginning of bij de aanleg van autosnelwegen; meisjes in ziekenhuizen of bejaardenhuizen.
Een ander middel tot gelijkschakeling was de beheersing van het onderwijs en de madia.
5. De scholen moesten de jeugd opvoeden in de geest van het nationaal-socialisme. Daarom werden er op scholen nieuwe boeken ingevoerd. ‘Onbetrouwbare’ leraren werden ontslagen.
6. Al in 1933 werd er een nieuw ministerie opgericht: het ministerie voor volksvoorlichting en propaganda. Joseph Goebbels werd de nieuwe minister. Onder zijn invloed slaagden de nazi’s erin om de massa sterk te beïnvloeden.
7. Goebbels stelde een Rijkscultuurkamer in. Iedereen die werkzaam was bij de media of in de kunst, moest hiervan lid zijn. Joden en ‘Onbetrouwbare’ personen mochten geen lid worden en konden daardoor hun beroep niet meer uitoefenen.
22. Uitleggen waarom verzet tegen Hitler voor Duitsers in 1939-1945 extra moeilijk was.
- Een zeer groot deel van de bevolking stond achter Hitler. Verzet had weinig kans op succes en was zeer gevaarlijk.
- In de oorlog zagen de meeste Duitsers die niet meer in het nationaal-socialisme geloofden, verzet tegen Hitler toch als landverraad.
23. Beschrijven wat (en hoe) Mr. Ross met zijn klas deed in The Wave, en uitleggen wat die leerlingen daarvan leerden.
Hij maakte duidelijk hoe makkelijk mensen beïnvloedbaar zijn door iemand met veel gezag.
Ook moet je de volgende begrippen en namen kennen:1. parlementaire democratie:
Regeringsvorm waarbij de gehele bevolking in staat is het beleid van de regering te bepalen.
2. grondwet
Wet die de grondbeginselen van de staat bevat.
3. noodwet/noodtoestand
Wet die bepaald das als het land in groot gevaar verkeerd, dat het staatshoofd alleen mag handelen zonder toestemming van de regering.
4. staatshoofd
Degene die in een staat met het hoogste bezag is bekleed.
5. regering
De personen aan wie het bestuur van een staat is opgedragen.
6. volksvertegenwoordiging
Een door de bevolking gekozen college van personen om die controle op het bestuur uitoefent.
7. coalitie
Verbond van twee of meer partijen om een regering te vormen.
8. rechtsstaat
Staat waarin het recht gehandhaafd wordt.
9. algemene verkiezingen
Verkiezingen voor iedereen met stemrecht.
10. dictatuur
Alleenheerschappij
11. totalitaire staat
Een staat waarin het hele leven van de mensen wordt geregeld en gecontroleerd.
12. propaganda
Het proberen de meningen en handelingen van een bepaald publiek te beïnvloeden.
13. censuur
Keuring (van media) door een overheidsinstantie.
14. indoctrinatie
Systematische beïnvloeding met doel eigen ideeën kritiekloos te laten aanvaarden.
15. intimidatie
Bang maken, bedriegen.
16. gelijkschakelen
Het opbouwen van een ‘volksgemeenschap’ in Duitsland onder leiding van de Fürher door de mensen bijeen te brengen in nationaal-socialistische organisaties en door het beheren van het onderwijs en de media.
17. zondebok
Degene die altijd de schuld krijgt.
18. concentratiekamp
Gevangenenkampen bestaande uit houten barakken, omgeven door prikkeldraad en wachttorens.
19. vernietigingskamp
Concentratiekampen zoals Auschwitz en Sobibor die waren ingericht om zoveel mogelijk Joden te vermoorden.
20. Ariër
Benaming van de nationaal socialistisch voor de etnische groep van de blanken en volgens de nazi’s de beste.
21. Von Hindenburg
De rijkspresident in de tijd van Hitler.
22. Van Papen
Hij hielp Hitler aan de macht en was generaal in de 1e wereld oorlog
23. Hugenberg
Hielp Hitler aan de macht en was veldmaarschalk in de 1e wereld oorlog.
24. Ludwig Kaas
Leider van het `Zentrum`, zij stemden voor de Machtigingswet van Hitler.
25. Otto Wels
Leider van de `SPD` zij stemden tegen de machtigingswet van Hitler.
26. Marinus van der Lubbe
Communist die de Rijksdag in brand stak.
27. KPD / communisten
Communistische partij, ze wilden een Duitse Sovjet-Unie
28. SPD / socialisten
Sociaal Democratische Partij van Duitsland, zijn voor democratie.
29. DDP / vooruitstrevende liberalen
Duitse Democratische Partij van Duitsland, vooruitstrevende liberalen, zijn voor democratie.
30. Zentrum / katholieken
Katholieke partij, zijn voor democratie.
31. DVP / behoudende liberalen
Democratische Volks Partij van Duitsland, behoudende liberalen, zijn voor democratie
32. DNVP / conservatieven
Duitse Nationale Volks Partij van Duitsland, conservatief, ze willen een Duits Keizerrijk, ze willen een dictatuur
33. NSDAP / nationaal socialisten
Nationaal Socialistisch Deutsche Arbeit Partij, ze willen een dictatuur.
34. Derde Rijk
Benaming voor de periode waarin de nationaal-socialisten in Duitsland aan de macht waren(1933/1945). Onder het eerste rijk verstonden twee nazi´s het middeleeuws Duitse Keizerrijk, en onder het tweede het keizerrijk van 1870 tot 1918.
35. Joseph Goebbels
Hij was de minister van propaganda van Adolf Hitler.
36. Hitlerjugend
Nationaal-socialistische jeugdorganisatie waar jongens leerden te vechten en met wapens om te gaan.
37. Bund deutsche Mädel
Dit was een aparte afdeling voor meisjes, met het zelfde doel als de Hitlerjugend.
38. Rijksarbeidsdienst
Alle 18-jarigen moesten een jaar ´arbeidsdienst´ vervullen. Hiervoor werden grote arbeidskampen opgericht. Jongens moesten helpen bij de oogst, bij ontginning of bij de aanleg van autosnelwegen. Meisjes hielpen in ziekenhuizen of bejaardehuizen.
39. SA
(Sturm-Abteilung) Partijleger van de NSDAP. Sterke grote mannen die mensen bang moeten maken.
40. SS
(Schutz-Staffel) lijfwacht en belangrijkste organisatie van de nazi´s die onder andere de leiding had van de politie en de concentratiekampen.
41. Auschwitz
Concentratiekamp dat was ingericht om zoveel mogelijk Joden te vermoorden.
42. Sobibor
Concentratiekamp dat was ingericht om zoveel mogelijk Joden te vermoorden.
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen.
Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten.
Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.