ff n studiebreak

Bankhangende Justine steekt loom haar duim op voor niet-sportende jongeren. Want wie sport er tegenwoordig nou nog?

geef je mening

Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?



» resultaten poll

CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.

Geschreven door:

anoniem (3 vwo) [meer]

Datum ingestuurd:

23 juni 2007

Taal:

Woorden:

750

Bekeken:

3583 keer (32 deze maand)

Waardering:

3.8/5 (16 stemmen)

Deel op:

    Hoofdstuk 5
    Taal
    Academici = mensen die een studie aan de universiteit hebben afgerond
    Affiniteit = betrokkenheid
    Alternatieven = andere mogelijkheden
    Altruïstische = niet op eigen belang gericht
    Anticiperen = rekening houden met dat naar verwachting gaat gebeuren
    Arbitrair = het gebonden zijn door een baan
    Dienstverband = willekeurig // zoals het toevallig uitkomt
    Geëngageerde = betrokken bij maatschappelijke problemen
    Hoogconjunctuur = welvaart
    Ideële = gezegd van organisaties die helpen zonder winst te maken
    Inspraak = gelegenheid om je mening te laten horen
    Investeren = tijd en aandacht aan iets besteden
    Op non-profitbasis = niet bedoeld om winst te maken
    Op projectbasis = voor korte tijd met bepaalde werkzaamheden bezig zijn
    Paradox = uitspraak die niet lijkt te kloppen // schijnbare tegenstrijdigheid
    Participeren = deelnemen
    Prestigieuze = aanzien hebbende
    Principes = vaste overtuigingen
    Professionalisering = tot een beroep maken
    Recessie = teruggang in de welvaart

    Spelling
    Een koppelteken (verbindingsstreepje) komt voor:
    1. in woorden die anders onoverzichtelijk worden (doe-het-zelzaak, kop-en-schotel, peper-en-zoutstel…)
    2. in samenstellingen, tussen klinkers die je ook samen kunt uitspreken (na-apen, auto-ongeluk, zo-even, maar à koffieautomaat, politieagent)
    3. bij letters, cijfers, andere tekens en St of Sint (50-plusser, $-teken, CDA-lid…)
    4. bij aardrijkskundige namen of woorden die daarvan afgeleid zijn (Zuid-Engeland…)
    5. in woorden met ex-, non-, niet-, pseudo-, semi-, quasi-, loco-, vice-, oud-, en privé- (ex-vrouw, non-verbaal, niet-roker pseudo-wetenschappelijk, vice-premier…)
    Een weglatingsteken gebruik je als je een deel van een woord weglaat; in- en uitvoer, huisvaders en –moeders, maar niet als je een heel woord weglaat; korte en lange treinen.
    Een trema gebruik je om te voorkomen dat twee klinkers samen worden uitgesproken. Het trema komt altijd aan het begin van de nieuwe lettergreep: kopiëren, financiële, reëel, reële, reünie, ruïne, geëist, geïllustreerd, geüniformeerd. Maar: buiig, begroeiing, geantwoord, geordend, gekopieerd, financieel.
    Let op: je gebruikt het trema niet bij samenstellingen, daar gebruik je het koppelteken!
    De apostrof gebruik je:
    1. als weglatingsteken (’s-Gravenhage, ’s avonds, Max’ zusje…)
    2. in meervouds- en bezitvormen die verkeerd uitgesproken kunnen worden (logo’s, Carla’s rok)
    3. in afleidingen (baby’tje, cd’tje, 50’ers, CDA’ers…)
    4. in meervouden van afkortingen (nv’s, cd’s…)
    Woorden als enkele(n), weinige(n), sommige(n), alle(n) schrijf je met –n: als ze personen aanduiden én zelfstandig gebruikt worden, en anders zonder n. Let op in dit geval; De meeste reizigers waren op tijd, maar enkele hadden de trein gemist. Dan is het woord ‘enkele’ niet zelfstandig gebruikt.
    Telwoorden als tientallen en duizenden hebben altijd een –n.
    Zelfstandig gebruikte bijvoeglijke naamwoorden duiden altijd personen aan; ze eindigen ook op –en.

    Hoofdstuk 6
    Taal
    Archaïsmen = woorden of zinnen die ouderwets zijn
    Babylonische spraakverwarring = toestand waarin iedereen langs elkaar heen praat en niemand de ander begrijpt
    Chauvinisme = overdreven liefde voor het vaderland
    Essentie = het belangrijkste // de kern
    Etnische = van een bepaald volk
    Etymologie = wetenschap die onderzoekt waar woorden en betekenissen vandaan komen
    Jargon = vaktaal of groepstaal
    Lacunes = ontbrekende gedeeltes // hiaten
    Leenwoorden = woorden die overgenomen zijn uit een andere taal
    No-nonsense = zakelijk // zonder poespas
    Pictogrammen = eenvoudige afbeeldingen waarmee iets wordt aangeduid
    Prestige = aanzien // overwicht
    Provocerend = uitdagend
    Puristen = mensen die een taal zuiver willen houden
    Reducties = afkortingen
    Taalvervuiling = het lelijker of slechter maken van de taal
    Turbotaal = korte en krachtige taal
    Typografie = verzorging van een gedrukte tekst
    Vocabulaire = alle woorden die iemand kent // woordenschat
    Voertaal = taal die dagelijks wordt gesproken en geschreven

    Spelling
    Samenstellingen zijn gemaakt van 2 woorden en worden aan elkaar geschreven. Soms zit er niets tussen (deurbel), en soms één of meer tussenletters:
    - en: krantenbezorger
    als het 1e deel van een samenstelling een zelfstandig naamwoord is dat alleen een meervoud op –en heeft, gebruik je –en ((boerenbedrijf, bramenjam)).
    - e: gerstenat
    Je schrijft een e als tussenletter:
    a) als het 1e deel geen zelfstandig naamwoord is ((wittebrood))
    b) als het 1e deel geen meervoud heeft ((benzinegeur))
    c) als het 1e deel verwijst naar iets waar er maar één van is ((maneschijn, Koninginnedag))
    d) als het 1e deel (ook) een meervoud op –s heeft ((groente(n/s) = groenteboer))
    e) als het woord niet meer als samenstelling herkenbaar is ((elleboog, paddestoel))
    - s: verzekeringsagent
    als je een s hoort schrijf je die ook ((jongensfiets)), maar soms is het lastig te horen. Vervang dan het 2e deel van het woord door iets anders, en als je hem dan nog hoort schrijf je hem ook ((oorlogsspel à oorlogsverklaring)). Soms zijn beide manieren goed; spelling(s)toets, geluid(s)overlast.

    Als één woord schrijf je in ieder geval:
    1. woorden die aan elkaar gekoppeld zijn met de verbindingsletters -s-, -e- of -en- ((vervoersbedrijf, lachebek, ganzenmars)).
    2. twee delen van een splitsbaar werkwoord die in dezelfde volgorde naast elkaar staan als in de infinitief ((ze keek niet om, terwijl ik wel omkeek)).
    3. woorden als ervoor, hierlangs, waarom die gemaakt zijn van er, hier, daar of waar plus een voorzetsel ((daarover wil ik het vandaag met u hebben)).
    Je moet ook de uitdrukkingen uit hoofdstuk 5/6 leren!!

    Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.