geef je mening

Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?



» resultaten poll

CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.

ff n studiebreak

Experiment: geen Twitter, mail en Whatsapp meer voor Nina. Wel faxen, brieven in enveloppen en ouderwetsch bellen.

Geschreven door:

Joëlle (4 vwo) [meer]

Datum ingestuurd:

19 april 2007

Taal:

Woorden:

1.400

Bekeken:

967 keer (3 deze maand)

Waardering:

3.7/5 (3 stemmen)

Deel op:

Naam:


Klas/niveau:


E-mail:


Bericht:


Bestemd voor

Geheime code: 


 
Carl Gustav Hempel (1905-1997) werd geboren in Oraniënberg in Duitsland. Hij studeerde wiskunde en filosofie in Göttingen, Heidelberg en Berlijn, waar hij in 1934 de doctorsgraad in de filosofie behaalde. Dat jaar verliet hij Duitsland, deed tot 1937 onderzoek in Brussel, waarna hij overstak naar de Verenigde Staten. Daar werd Carl Hempel docent aan de Yale University en later in Princeton. Zijn werkterreinen waren logica, filosofie van de wiskunde en wetenschapsfilosofie. Hoewel hij geen lid van de Wiener Kreis was, waren zijn ideeën verwant aan de kring rond Moritz Schlick, één van de oprichters van de Wiener Kreis en analyseerde hij vooral de ideeën van de logisch positivisten.

Eén van Hempels bekendste werken is het essay ‘Filosofie van de natuurwetenschappen’ over de zogeheten deductief nomologische verklaring, dat hij samen met zijn medefilosoof Oppenheim in 1948 publiceerde. Een wetenschappelijke verklaring van een feit is deductief afgeleid vanuit een algemene uitspraak (de explanandum) en beschrijft het feit dat we willen verklaren. De premissen (explanans genoemd) zijn wetenschappelijke wetten. De premissen moeten waar zijn om een acceptabele conclusie te verkrijgen. Dit werkt Hempel uit door middel van een redenering die hij modus tollens noemt.

De modus tollens is een de manier van redeneren in de vorm: “als…, dan …”. Hempel gebruikt dit bijvoorbeeld in het geval van het onderzoek van Semmelweis naar de oorzaak van kraamvrouwenkoorts: als de vrouwen op hun zij liggen tijdens de bevalling, dan zal het sterftecijfer onder deze vrouwen omlaag gaan. Er is bij deze redeneervorm sprake van een hypothese (H) en een testimplicatie van de hypothese (I), ofwel een uitspraak die de te verwachten waarneembare gebeurtenissen beschrijft.

Hempel past hierbij toe dat als de testimplicatie onwaar is, de hypothese verworpen wordt.
In een schema ziet dat er als volgt uit:

Als H waar is, dan is I ook waar
Uit de gegevens is gebleken dat I niet waar is.

H is niet waar

Deze modus tollens is deductief geldig, dat wil zeggen dat als de premissen (uitspraken 1&2) waar zijn, de conclusie (3) ook waar is en andersom geldt ook weer, dat als de testimplicaties onjuist blijken te zijn, de hypothese verworpen moet worden.

Deze deductieve methode is volgens Hempel zowel toepasbaar op de natuurwetenschappen als op de geschiedenis. De geschiedenis zou zich volgens hem moeten toeleggen op het verklaren van gebeurtenissen door ze te herleiden tot een algemene wetmatigheid. Hij zegt echter niet dat algemene wetten in de geschiedenis net zo begrepen moeten worden als natuurwetten. De geschiedenis verloopt niet volgens een vast plan en heeft ook geen diepere betekenis of een uiteindelijk doel. Historische wetten zijn volgens Hempel ‘algemene en observeerbare sociologische, economische en politieke patronen die kunnen verklaren waarom een bepaalde gebeurtenis zich voordeed. Je wilt bijvoorbeeld verklaren waarom Lodewijk XIV impopulair was. Je zou daarvoor bijvoorbeeld de algemene wet kunnen gebruiken: regeerders die een beleid nastreven dat nadeling is voor de belangen van de burgers worden impopulair. Lodewijk XIV was zo’n regeerder, voldoet dus aan de eisen en werd dus impopulair.

Naast de modus tollens behandelt Hempel ook een andere redeneervorm, namelijk de zogeheten ‘drogreden van de bevestiging van de consequens’. Deze methode is in tegenstelling tot de modus tollens deductief ongeldig: ook als de premissen waar zijn, kan de conclusie onjuist zijn. Zelfs als er meerdere testimplicaties zijn, die allemaal waar blijken te zijn na toetsing, is nog niet bewezen dat de hypothese ook waar is. Wel is het zo dat, hoe meer testimplicaties je hebt, des te groter de kans is dat de hypothese waar is, ofwel; des te betrouwbaarder de hypothese wordt.

Bij zijn onderzoek naar het bevestigen (confirmatie) ontdekte Hempel paradoxen. Hij formuleerde een tegenstelling tussen de inductieve logica en de intuïtie. Als voorbeeld noemt hij de uitspraak ‘alle raven zijn zwart’. Elke keer dat je een raaf ziet en deze zwart blijkt te zijn, wordt de waarschijnlijkheid van deze stelling groter. Toch is er een probleem. Deze uitspraak is logisch gelijkwaardig met ‘alle niet-zwarte dingen zijn niet-raven’. Immers, alle raven waren zwart, dus kan iets dat niet zwart is sowieso geen raaf zijn. Vervolgens neemt Hempel als voorbeeld een rode appel. Een rode appel is een niet-zwart ding én het is een niet-raaf, dus de uitspraak klopt. Door het inductieprincipe kunnen we dus zeggen dat het observeren van een rode appel ons geloof in de stelling dat alle raven zwart zijn verhoogt. Met andere woorden, elk willekeurig zwart object dat geen raaf is, of het nu een andere vogelsoort is of iets dat totaal niets met raven te maken heeft, bewijst de stelling. Dit gaat tegen de intuïtie in.

Hempel beschreef dus de manier en zijn kritiek op de methode waarop hypothesen worden getoetst, maar ook behandelde hij de vraag hoe men eigenlijk aan zulke hypothesen komt. Er zijn volgens Hempel vier stadia van (perfect) wetenschappelijk onderzoek:

1. waarneming en vastlegging van alle feiten
2. analyse en classificatie van deze feiten
3. inductieve afleiding van generaliseringen daaruit
4. verdere toetsing van de generaliseringen

Wetenschap zoals het hier beschreven wordt noemt Hempel de eng inductivistische opvatting van wetenschappelijk onderzoek. Volgens hem kun je echter nooit op deze manier wetenschap bedrijven, omdat je nooit alle feiten kunt weten (het inductieprobleem, uit een aantal waarnemingen valt geen algemene uitspraak af te leiden) en je in het eerste stadium dus al een subjectieve keuze maakt door te selecteren. Dat betekent dat je maar een aantal feiten analyseert en classificeert, dat de generalisering die je er vervolgens uit afleidt alleen waarschijnlijk genoemd kan worden en niet zeker, en dat toetsing van die generalisering dus ook niet werkt omdat je met een niet-zekere uitspraak werkt. Deze visie is de ruim inductivistische opvatting van wetenschappelijk onderzoek. Hypothesen en theorieën worden dus niet alleen afgeleid uit waargenomen feiten door middel van inductieregels, maar er komen ook gelukkige gissingen bij kijken: creativiteit en vrij denken

Regels voor deductie en inductie zijn alleen criteria voor de geldigheid van redeneringen. Het zijn geen ontdekkingsregels die tot ‘de ‘conclusie of ‘het’ bewijs leiden. Je kunt alleen spreken van de waarschijnlijkheid van een hypothese of theorie, echte zekerheid heb je nooit.

Mening

Hempel beschrijft in zijn theorie dat een wetenschap met alleen zekere kennis onmogelijk is. Je kunt nooit alle feiten weten, selecteert dus maar een aantal feiten en dat maakt de wetenschap per definitie al subjectief en dus onzeker. Maar moet je daaruit meteen concluderen dat de hele wetenschap zinloos is? Wij vinden van niet. Ook op waarschijnlijkheden kun je een theorie bouwen en dat is precies wat er nu ook gebeurt. De wetenschap doet ontdekkingen, zorgt voor nieuwe ontwikkelingen, kortom: de wetenschap maakt voortuitgang. Wel moet een wetenschapper zich er van bewust zijn dat het onderzoek dat hij doet niet waardevrij of objectief is en dat de stellingen waarop hij zijn theorie bouwt geen feiten zijn, maar alleen (in sommige gevallen aan zekerheid grenzende) waarschijnlijkheden.

Verder heeft Hempel het over het bestaan van historische patronen die gebeurtenissen zouden kunnen verklaren. Ook al geeft hij toe dat de geschiedenis niet volgens een vast plan verloopt, toch probeert hij algemene wetten te verzinnen en ziet hij deze wetten als de manier waarop de geschiedenis zou moeten verklaren. In onze ogen is het zinloos om hiervoor algemene wetten te gebruiken. Het is inderdaad mogelijk om een algemene wet te maken van bijvoorbeeld een historische gebeurtenis, zoals in het voorbeeld met Lodewijk XIV gebeurt. Zo’n algemene wet zal dan echter maar op één geval toepasbaar zijn. Omstandigheden in de geschiedenis zullen namelijk nooit weer exact hetzelfde zijn. Er zal nooit nog een keer precies zo’n zelfde Lodewijk XIV, of precies zo’n zelfde volk die exact datzelfde zoekt in een regeerder. Met andere woorden, deze wet is maar op één geval van toepassing. Daarom zijn zulke wetten volgens ons zinloos. Wetten hebben een praktisch nut: je kunt er voorspellingen mee doen. Maar een historische wet is zo specifiek dat zo’n voorspelling niet mogelijk is. Bovendien, als iets toch nooit weer gebeurt, waarom zou je je dan met een voorspelling bezig houden?

Hempels redeneringen lijken waterdicht te zijn en hierin hebben we ook geen onvolkomenheden kunnen ontdekken. Een aantal elementen van zijn theorie zijn alleen in de praktijk niet bruikbaar (de ruim inductivistische opvatting van het onderzoek) of hebben geen praktisch nut (de historische wetten). Daarom zijn wij het toch niet geheel met Hempel eens.

Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.