CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.

ff n studiebreak

Online een chick scoren, je liefde laten zien op Whatsapp en digitale kusjes sturen. Zonder een blauwtje te lopen. Aanrader?

geef je mening

Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?



» resultaten poll

Geschreven door:

anoniem (4 vwo) [meer]

Datum ingestuurd:

11 april 2007

Taal:

Woorden:

8.050

Bekeken:

2914 keer (4 deze maand)

Waardering:

4.0/5 (38 stemmen)

Deel op:

Naam:


Klas/niveau:


E-mail:


Bericht:


Bestemd voor

Geheime code: 


 
Een nieuwe eeuw compleet:

Het gewelddadige begin van een nieuwe eeuw
Rond de eeuwwisseling: uitvinding auto, telefoon, elektrische verlichting, elektrische tram, metro en later het vliegtuig. Deze producten waren het gevolg van de tweede industriële revolutie, die was begonnen aan het einde van de 19e eeuw. Er ontstonden nieuwe industrieën: bijv. de chemische en elektronische industrie. Door het sneller en goedkoper geproduceerd worden, werd de levensstandaard verbeterd, maar de arbeidsomstandigheden bleven in het begin erg slecht en er bleef grote armoede bestaan. De gezondheid verbeterde: geleerden ontdekten bacillen die pest, tyfus, tetanus en difterie veroorzaakten; dit gingen ze bestrijden. Het sterftecijfer daalde en de bevolkingsomvang steeg.

Veel mensen hadden het volste vertrouwen in de toekomst en geloofden dat de menselijke vooruitgang niet meer te stuiten was. Er waren ook twijfels en spanningen over de gevolgen van de technische vooruitgang. Het milieu werd vervuild en de arbeider moest uren achtereen dezelfde simpele handelingen verrichten. De kloof tussen platteland en stad werd steeds groter. Ook de tegenstelling tussen de kleine groep van rijke fabriekseigenaren en de grote massa van armoedige arbeiders groeide. De industriële revolutie bracht niet iedereen in een jubelstemming, het gaf ook aanleiding tot onzekerheid en soms zelfs pessimisme. Deze mengeling van gevoelens heet ook wel de ‘Fin-de-siècle’-stemming genoemd. Het liep tenslotte tegen het einde van de 19e eeuw.

In de westerse landen ontstonden nieuwe sociale groepen: een nieuwe elite van rijke bankiers en industriëlen die grote invloed kreeg in de samenleving, de adel werd door hun uit hun positie verdrongen. Terwijl vroeger titels, bezit en invloedrijke voorouders automatisch allerlei voorrechten met zich meebrachten, werd nu de persoonlijke prestatie steeds belangrijker voor iemands sociale positie. Er ontstond ook een nieuwe lagere middenklasse. Doordat er steeds meer fabrieken, groothandelsbedrijven, verzekeringsmaatschappijen en banken bijkwamen, steeg de vraag naar administratief en toezichthoudend personeel. Deze groep, het lager kantoorpersoneel, groeide in veel landen uit tot de grootste sociale groep. Ook ontstond er een hogere middenklasse, het beter opgeleide kantoorpersoneel, het hoger technisch personeel en de vrije beroepen (professor, arts en specialisten). Een andere sociale groep was de grote massa fabrieksarbeiders (zij stonden het laagst op de maatschappelijke ladder). Slechte omstandigheden, lage lonen enz.

In de 19e eeuw ontstond er een arbeidersbeweging. Er werden vakbonden –verenigingen voor arbeiders- opgericht, die probeerden de arbeiders te organiseren om zo hun lot te verbeteren. Doelen: loonsverhoging, werktijdverkorting, afschaf kinderarbeid, invoering ouderdoms- en ziekteverzekeringen en algemeen kiesrecht. De macht van de vakbeweging werd door de overheid met behulp van wetgeving aan banden gelegd. Stakingen werden gebroken en werkgevers konden makkelijk nieuwe arbeiders vinden, dus makkelijk mensen ontslaan.

De vrouw met een beroep kwam op. De sociale status van de vrouw zou alleen echter nog lang ondergeschikt blijven aan die van de man. De stem van de vrouwen werd wel steeds luider, ze baseerden zich op de 19e-eeuwse liberale leer van gelijkheid van rechten voor elk individu. Ze eisten recht op onderwijs, recht op werk en vrouwenkiesrecht. In veel westerse landen kregen vrouwen kiesrecht in het begin van de 20e eeuw toegekend. Daarna ebde de eerste feministische golf weg. Maar dit betekende niet het einde van de vrouwenstrijd.

Grondgedachte van het liberalisme:
Iedereen is gelijk en het beste van de mens kan naar voren komen als hij zich vrij kan ontplooien, zowel economisch, politiek als in geestelijk opzicht.
Als iedereen de kans krijgt om naar eigen inzicht zijn geluk na te streven, zal dit uiteindelijk leiden tot een ideale, harmonieuze maatschappij. De staat moet zich zo min mogelijk bemoeien met de samenleving en de mensen in hun streven naar geluk niet belemmeren met allerlei wetten en regels. In het bedrijfsleven betekent het: vrijheid om te concurreren, voor de wetenschap vrijheid van onderzoek en voor kunstenaars en schrijvers vrijheid om te experimenteren zonder morele dwang of beperkingen. De parlementaire democratie was de ideale bestuursvorm: op basis van vrijheid, gelijkheid en redelijkheid zou men met elkaar overleggen, waarbij de bevolking door een parlement zou worden vertegenwoordigd.
De ideeën van het liberalisme klopten niet helemaal. Door iedereen vrij te laten was geen harmonieuze samenleving ontstaan, maar scherpe sociale tegenstellingen. Een kleine groep ondernemers werd steeds maar rijker, terwijl de massa van de bevolking in bittere armoede leefde. De discussie die rond 1900 ontstond over wat er gedaan kon worden aan de slechte werk- en leefomstandigheden van de arbeiders heet ook wel de sociale kwestie.
Ze gingen toen uit medeleven voor de arbeiders en angst voor het communisme pleitten voor een grotere bemoeienis van de staat met de samenleving. Er moesten sociale wetten komen en dat iedereen goed onderwijs kon volgen. Ze waren ook voor uitbreiding van het kiesrecht. In NL kwamen onder het links-liberale-kabinet-Pierson verschillende sociale wetten tot stand. Een ongevallenverzekeringswet, een woningwet en een leerplichtwet.

Het socialisme kwam in het midden van de 19e eeuw in opgang. Ze kwamen nog sterker voor de arbeiders op. Karl Marx zorgde ervoor dat het socialisme aan populariteit en invloed won. Volgens hem zouden in de kapitalistische, industriële samenleving steeds meer kleine bedrijfjes worden opgeslokt door grote ondernemingen. De klasse van de bezitloze arbeiders (proletariërs) zou dan zo groot worden, dat de levensomstandigheden ondraaglijk werden, zodat ze in een wereldrevolutie de heersende klasse omver zou werpen en de productiemiddelen in bezit zou nemen. Het proletariaat zou eerst een dictatuur uitvoeren en dan werd het een klasseloze samenleving waarin iedereen gelijk was. Dit was het communistische stadium, waarin de staat ophield te bestaan. Om dit te bereiken moesten alle arbeiders zich overal ter wereld verenigen. Aan het eind van de 19e eeuw begon een deel van de socialisten te twijfelen aan de voorspellingen van Marx. De arbeiders leefden in beroerde omstandigheden, maar hun levenstandaard was toch hoger dan vroeger. De sociale wetgeving zou ook voor verdere verbetering zorgen. Er kwam een splitsing. Sommige socialisten wilden vasthouden aan de leer van Marx en anderen meenden dat een revolutie niet nodig was. Zij dachten dat een socialistische maatschappij ook kon ontstaan door invoer van het algemeen kiesrecht. In Rusland ontstond er o.l.v. Lenin een aparte stroming: het bolsjewisme. Ze zagen een spontane revolutie door de arbeiders niet in. Ze streefden naar een revolutie die geleid zou worden door een politieke groep van beroepsrevolutionairen. Dat zou plaats vinden in 1917.
Volgens Marx moesten de arbeiders zich niet verbonden voelen met de staat, maar met alle arbeiders ter wereld. Het lied van de socialisten was dus ook: ‘De Internationale’. In werkelijkheid bleken de arbeiders net zo nationalistisch te zijn als anderen.

Door de regeringen werd vaak het nationalisme bewust aangewakkerd om een gevoel van eenheid onder de bevolking te creëren. Soms leidde het nationalisme tot racisme. Het nationalisme speelde een belangrijke rol in het moderne imperialisme: Westerse landen strijden om het bezit van de meeste koloniën. Dankzij producten van de industriële revolutie, zoals stoomschepen, nieuwe wapens en treinen, hadden ze een groot militair-technisch overwicht. De race om koloniën leidde tot grote rivaliteit en was een oorzaak van het
uitbreken van WOI.
Aan het einde van de 19e eeuw groeiden de spanningen tussen de grote Europese staten (GB, Fra, Dui, Ru en O-H). Het moderne imperialisme speelde hierbij een rol, maar ook het nationalisme en de groeiende onderlinge concurrentie als gevolg van de industrialisatie. Een andere oorzaak was de veranderde machtsverhouding in Europa. In 1871 versloeg Duitsland Frankrijk toen vielen Elzas en Lotharingen in Duitse handen (keizer Wilhelm II, volgens velen leed hij aan grootheidswaanzin). Engeland voelde zich bedreigd toen Wilhelm II rond 1900 besloot zoveel oorlogsschepen te bouwen dat de Duitse vloot even sterk zou worden als de Engelse. Engeland ging toen ook zijn vloot uitbreiden. Er ontstond een wapenwedloop. Europa raakte steeds meer bewapend.

Duitsland sloot een bondgenootschap met Oostenrijk-Hongarije en Italië: de Triple Alliantie. Frankrijk, Engeland en Rusland vormden de Triple Entente.
in de 19e eeuw begon het Turkse rijk in verval te raken. In dat rijk woonden verschillende volken met een eigen nationaliteit. Doordat de Turkse macht verslapte, slaagden sommige erin onafhankelijk te worden. Binnen deze staten kwam een nationalistische beweging op die alle Slaven van de Turkse overheersing wilde bevrijden en verenigen in een Zuid-Slavisch rijk. Rusland steunde dit, maar Oostenrijk-Hongarije niet. Rusland en Oostenrijk-Hongarije hoopten te profiteren van het Turkse machtsverval. Dit zorgde ervoor dat er makkelijk een conflict op de Balkan kon uitbreken.

De directe aanleiding van WOI was de moord op Franz Ferdinand, kroonprins van Oostenrijk-Hongarije, door een nationalistische Bosnisch-Servische scholier. Oostenrijk-Hongarije beschuldigde Servië ervan op de hoogte te zijn geweest van de moordplannen. Servië ontving toen een ultimatum, maar die verwierp Servië, omdat het rekende op Russische steun. Vervolgens verklaarde Oostenrijk-Hongarije op 28 juli 1914 de oorlog aan Servië. Binnen de kortste keren waren Rusland, Frankrijk, Engeland, Servië, Montenegro en België (de geallieerden) in oorlog met Duitsland en Oostenrijk-Hongarije (de Centralen). Ondanks de Tripple Alliantie sloot Italië zich in 1915 aan bij de geallieerden. De Centralen kregen steun van het Turkse rijk en ook even van Roemenië. In 1916 liep Roemenië over naar de geallieerden, maar toen kregen de Centralen Bulgarije als bondgenoot erbij. Er was veel enthousiasme in de oorlog wat gebaseerd was op de overtuiging dat de oorlog, net als de oorlogen in de 19e eeuw, een korte strijd zou worden, een vergissing. Er waren veel gevechten en die strijd mondde uit in een starre loopgravenoorlog, waarbij vele soldaten hun leven verloren. In 1917 stapte Rusland uit de strijd, er was daar een revolutie uitgebroken. O.l.v. Lenin hadden de bolsjewieken de macht gegrepen. Ze gaven voorrang aan de socialistische revolutie en sloten daarom een wapenstilstand met Duitsland, de vrede van Brest-Litovsk. Toen sloot de VS zich bij de geallieerden aan. In 1918 gaven de Centralen zich gewonnen. De Duitse keizer trad af en er werd een socialistische regering gevormd.

Op 28 juni 1919 werd het Verdrag van Versailles ondertekend. Het was voor veel landen onbevredigend, dat ze zich er maar moeilijk bij neer konden leggen.
In januari 1918 had president Woodrow Wilson van Amerika in Veertien Punten uiteengezet hoe de toekomstige vrede er volgens hem uit moest zien. De vredesovereenkomst moest rechtvaardig zijn, het bewapeningsniveau moest worden teruggebracht, er moest een volkenbond worden opgericht, een democratisch bestuur in alle landen en de landgrenzen moesten in Europa getrokken worden op basis van het zelfbeschikkingsrecht.
De Franse premier Clemenceau wilde Duitsland zo hard aanpakken dat het nooit meer in staat zou zijn Frankrijk aan te vallen. Duitsland was de enige schuldige en moest een groot bedrag aan schadekosten betalen. Ook moest het Elzas-Lotharingen teruggeven en al zijn koloniën afstaan, net als delen van het eigen grondgebied. Ook moest Duitsland als enige zijn leger sterk inkrimpen.
Duitsland en de overige verliezers mochten alleen het eindresultaat zien en ondertekenen. De Duitsers spraken van een dictaat. De landsgrenzen werden drastisch gewijzigd in Europa. Door het zelfbeschikkingsrecht ontstonden geheel nieuwe staten. Joegoslavië ontstond, Oostenrijk werd van Hongarije gescheiden, Tsjechoslowakije kwam als nieuwe staat naar voren. Ook Polen, Estland, Letland, Litouwen en Finland werden zelfstandige staten. Oostenrijk en Duitsland mochten zich niet verenigen. De volkenbond zou beperkt blijven want immers Duitsland en Rusland mochten niet meedoen. Amerika werd ook geen lid. Amerika ging een periode in van isolationisme: het hield zich afzijdig in de internationale politiek en richtte de aandacht voornamelijk op binnenlandse aangelegenheden.

Vrede, hoop en nieuwe dreiging
Na WOI ging het vooral economisch slecht met Europa, pas toen er in 1924 een soepelere betalingsregeling voor Duitsland werd ingesteld (het Dawes-plan) en Duitsland Amerikaanse leningen ontving, bloeide de economie van Europa weer op. Na 1925 heerste er een sfeer van optimisme in Europa, nieuw vertrouwen in de toekomst. In 1929 brak een economische crisis uit, de hele westerse wereld werd zwaar getroffen. Ondernemingen gingen failliet en de werkeloosheid nam toe. De regering wist zich geen raad en nam soms averechtse maatregelen. De internationale handel werd verstoord, omdat de landen hun importtarieven opschroefden om de eigen industrie en landbouw te beschermen, protectionisme. Er werden grote projecten voor werkverschaffing opgezet om de werkeloosheid te lijf te gaan. In Duitsland ging de overheid sterk in de wapenindustrie investeren.

Een groot deel van de bevolking profiteerde van de snelle groei van de productiviteit in de jaren na WOI, ze kochten radio’s, stofzuigers, grammofoons, fietsen of auto’s. Om zoveel mogelijk te kunnen verkopen, lieten bedrijven klanten vaak op afbetaling kopen, de consumptiemaatschappij ontstond. De productieverhoging had geleid tot hogere lonen en tot kortere arbeidstijden.

De jaren ’20 heten ook wel de ‘roaring twenties’, vanwege de economische opleving. Alles leek in die tijd mogelijk. Berlijn was tot 1933 het centrum van grote culturele bloei en trok talrijke schilders, schrijvers, acteurs en componisten. Uiteindelijk was voor een klein deel van de bevolking de jaren ’20 werkelijk ‘fabulous’. Velen leefden nog altijd in armoede. Toch deed de crisis van 1929 de toegenomen welvaart niet teniet. De meerderheid van de bevolking die haar baan behield, ging er in de jaren ’30, na een korte inzinking, nog steeds op vooruit.

Na WOI leek de parlementair democratische regeringsvorm te zegevieren. De arbeiders konden nu een grotere invloed uit te oefenen op de politiek. De stemmen gingen meestal naar de christelijke of socialistische partijen. In de praktijk streefden de meeste socialisten ernaar om via het parlement veranderingen tot stand te brengen. Radicalere socialisten, die een revolutie wilden, splitsten zich af in kleinere communistische of anarchistische partijen.

In Oost-Europa duurde de democratie kort, de macht kwam weer in hand van alleenheersers. Ook in West-Europa kwam de democratie onder druk te staan. Er ontstonden anti-liberale bewegingen, zoals het fascisme en het communisme. Ze richtten zich tegen de liberale samenleving en alles wat daarmee samenhing, zoals het individualisme, het kapitalisme en de parlementaire democratie. Door de crisis steeg de populariteit van deze bewegingen. Het fascisme en het nationaal-socialisme riepen op tot saamhorigheid in plaats van individualisme, en een sterk leiderschap i.p.v. een parlementaire democratie (bijv. de NSB). ‘Er is maar één manier om de democratie te verbeteren en dat is haar vernietiging!’ in frankrijk kregen de anti-liberale stromingen niet de overhand, maar in Italië en Duitsland slaagden de nationaal-socialisten erin de democratie omver te werpen.

De VS was na WOI rijker dan ooit tevoren, het keerde zich in het isolationisme.
Wilson had tijden de vredesonderhandelingen opgeroepen tot tolerantie en verdraagzaamheid, maar dat was in de VS ver te zoeken. Onder de bevolking heerste een krachtig nationalisme dat zich tegen alles en iedereen richtte die niet ‘echt Amerikaans’ was (echte Amerikanen waren vaderlandslievende protestanten van West-Europese afkomst). In 1920 werd de productie en verkoop van alcoholhoudende dranken bij de wet verboden. De regering hoopte hiermee de verslaving, geldverkwisting en misdaad terug te dringen. Op economisch gebied ging het de VS voor de wind, alleen niet voor de boeren. Ze hadden tijdens de oorlog extra geproduceerd voor de Europese markt. Na de oorlog kwam de Europese productie weer op gang. De prijzen van agrarische producten daalden en de Amerikaanse export van landbouwproducten nam sterk af. De Amerikaanse overproductie in de landbouw en in bepaalde takken van de industrie een van de oorzaken van de economische crisis. Amerika werd zwaar geraakt, president Hoover meende dat de crisis uit moest zieken. Hij was een liberaal van de oude stempel, de overheid moest een zo klein mogelijke invloed hebben in de samenleving. Er kwam geen einde, maar wel veel ‘Hoovervilles’: krottenwijken.

In 1932, toen de democraat Franklin Roosevelt president werd, kwam er een eind aan de passieve houding van de overheid. Met zijn programma ‘de New Deal’, probeerde hij de agrarische en industriële productie te verminderen en daarmee de prijzen te stabiliseren. Banken onder controle en sociale wetten. Kinderarbeid werd verboden en een werkweek van 35 uur werd ingesteld. Ook een verplichte verzekering voor werkeloosheid en voor oudedagsvoorzieningen. De ‘welfare state’ (verzorgingsstaat), de staat wil door sociale wetgeving de bevolking voor de ergste armoede beschermen. Er ontstond ophef, een deel van de Amerikanen vond dat de overheid zich teveel met de samenleving bemoeide. Volgends de traditionele Amerikaanse opvatting moest ieder voor zichzelf zorgen en was Amerika juist sterk geworden door de vrije concurrentie en de beperkte overheidsinvloeden. Roosevelt slaagde er niet in om Amerika uit de crisis te trekken. Volgens sommige historici vormde WOII pas de echte New Deal. Toen bloeide de Amerikaanse economie, dankzij de oorlogsindustrie namelijk sterk op.

Op 25 oktober 1917 wierp Lenin (bolsjewiek) met Trotski en andere partijgenoten zonder veel moeite de zittende regering in Rusland omver. In februari 1917 was tsaar Nicolaas II al van zijn troon gestoten. Hij had te maken gekregen met grote onrust onder de bevolking. WOI had ellende en ontevredenheid meegenomen. De tsaar was hier niet tegen opgewassen, de liberale leden van de volksvertegenwoordiging, de Doema, namen de macht over. Maar zij konden ook niet de orde in het land herstellen. Lenin greep zijn kans.

Na de machtsovername sloten de bolsjewieken met Duitsland de vrede van Brest-Litovsk. De bevolking kreeg nog steeds niet wat ze wilden. Er ontstond namelijk een bloedige burgeroorlog tussen het bolsjewistische Rode Leger en de tegenstanders van het nieuwe bewind, het Witte Leger (had steun van westerse landen, die bang waren voor het communisme). In 1921 werd de oorlog in het voordeel van de bolsjewieken beëindigd.
Na de dood van Lenin in 1924 volgde een jarenlange machtsstrijd, die Stalin won, de partijsecretaris. Onder zijn bewind ontwikkelde de SU zich tot een totalitaire staat. Hij streefde ernaar om de samenleving in al haar aspecten, in haar totaliteit, te beheersen. Hij wilde niet alleen het bestuur van het land helemaal onder controle krijgen, maar ook de gedachtewereld en de wil van de bevolking. Onder Stalin werd het idee van de wereldrevolutie van het proletariaat op de lange baan geschoven. Eerst moest het eigen land op orde gebracht worden en zou het ‘socialisme in één land’ gevestigd worden.
Na de burgeroorlog stond het communistische regime tijdelijk nog enige speelruimte toe aan particuliere ondernemingen. In 1928 maakte Stalin aan deze Nieuwe Economische Politiek (NEP) een eind. Hij besloot in een vijfjarenplan het land in versneld tempo te industrialiseren. De boeren moesten efficienter gaan produceren en werden gedwongen om een groot deel van hun opbrengst tegen zeer lage prijzen aan de staat te verkopen. Ze werden bijeengedreven in collectieve bedrijven, de kolchozen. Veel boeren verzetten zich hier tegen. Op het gebied van de zware industrie slaagde Stalin er na verloop van tijd inderdaad in om Rusland op te werken tot een van de koplopers in de wereld.
Staatsvijanden van Stalin werden d.m.v. terreur en showprocessen om het leven gebracht en gedeporteerd. Ook onder de legerleiding werd flink gezuiverd, ondanks het feit dat de internationale situatie dreigender werd en rekening moest worden gehouden met het uitbreken van een nieuwe oorlog.

GB en Fra hadden na de oorlog ieder een groot deel van het voormalige Turkse rijk toegewezen gekregen als mandaatgebied (ze mochten deze gebieden namens de Volkenbond besturen). Jordanië, Irak en Palestina kwamen onder engels bestuur en Frankrijk kreeg Libanon en Syrië.
Palestina was een wespennest. In 1917 had de Britse minister van Buitenlandse Zaken, Balfour, verklaard de oprichting van een ‘joods tehuis’ in Palestina te steunen. De joodse bevolking voelde zich gesterkt door de verklaring. Maar de stroom joodse immigranten leidde tot fel verzet onder de plaatselijke Arabische bevolking. De strijd tussen joden en Arabieren werd steeds scherper en de Britten hadden de grootste moeite om de orde te handhaven. Ook in India lukte het niet. Gandhi, een kleine, tengere Hindoestaan, riep op tot geweldloos verzet tegen de Britse overheersing. Engeland wist ook niets te doen tegen de Ierse onafhankelijkheidsbeweging, die wel geweld gebruikte. In 1921 gaf Engeland zich gewonnen. Ierland werd de Ierse Vrijstaat en kreeg volledig zelfbestuur.

Ook de Fransen kregen in hun koloniën te maken met onafhankelijkheidsbewegingen. Maar ook in het land zelf ontstond een gezagsstrijd, er kwamen na de oorlog verschillende fascistische partijen op. Zij organiseerden demonstraties tegen het parlementaire systeem en riepen om een sterkere regering. De socialisten, communisten en liberalen waren bang voor het voortbestaan van de Franse democratische republiek. Ze gingen een politieke samenwerking aan in een Volksfront, om gezamenlijk op te komen voor het behoud van de democratie. Ze behaalden in mei 1936 een glorieuze overwinning, waardoor Léon Blum de 1e socialistische premier van Frankrijk werd. Meteen hervormingen  40-urige werkweek en vakantiedagen werden doorbetaald. De regering hield niet lang stand. Ondernemers moesten niets hebben van het beleid van Blum, ze belegden hun geld liever in het buitenland. Hierdoor ontstond een tekort op de betalingsbalans, daalde de productie en stegen de prijzen. De regering van Blum weigerde ook steun te geven aan de geestverwante Volksfrontregering in Spanje, die in 1936 in oorlog was geraakt met een deel van het Spaanse leger. In 1937 kwam het kabinet van Blum ten val en kwam er een conservatieve regering.

Eind oktober 1922 trokken mannen gekleed in zwarte hemden op naar de hoofdstad. De fascist Benito Mussolini, had opgeroepen tot deze demonstratieve ‘mars naar Rome’. Hij wilde de regering onder druk zetten om de macht af te staan aan zijn fascistische partij. Op 28 oktober naderden ze Rome. Koning Victor-Emmanuel III raakte in paniek. Hij gaf Mussolini de opdracht een regering te vormen. Hij brak toen geleidelijk de parlementaire democratie af. Vanaf 1926 had hij alle macht in handen (Italië bevond zich in een miserabele situatie, economie ontwricht en gigantische werkeloosheid). De bevolking had behoefte aan een sterk leider, die de problemen aan zou pakken. Mussolini presenteerde zich als de aangewezen persoon, hij beloofde Italië ook roem, macht en grootheid terug te brengen van het Romeinse Rijk.

Pas halverwege de jaren ’20 begonnen de politieke verhoudingen te verbeteren. GB, Fra en VS besloten Dui iets vriendelijker te behandelen. In 1924 stelden ze het Dawes-plan op: de Duitse oorlogsschuld werd verlaagd en de betalingen beter gespreid. De VS ging ook leningen verstrekken om de economie weer op gang te brengen. In 1925 ontstond een opgewekte stemming toen het verdrag van Locarno werd afgesloten, hierin bevestigde Duitsland nogmaals zijn nieuwe grenzen met Frankrijk en België. Duitsland legde zich erbij neer en leek zich beter te gedragen, dus mocht het lid worden van de Volkenbond. De Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Kellogg deed een poging om de vrede voor altijd veilig te stellen. In 1928 stelde hij alle landen voor om lid te worden van het Briand-Kellogg-pact en elkaar te beloven nooit meer oorlog te voeren.

In 1936 trok Hitler met zijn troepen het Rijnland in. De Fransen en Britten durfden een confrontatie met Hitler niet aan. Een triomf voor Hitler. Mussolini wilde Ethiopië veroveren. De Volkenbond probeerde hem tegen houden, maar dat mislukte. In 1936 sloten Duitsland en Italië een bondgenootschap, de zogenaamde As Rome-Berlijn. Ook in Spanje kwamen de mogendheden tegenover elkaar te staan. Toen het Volksfront, een coalitie van republikeinen, socialisten en communisten, in 1936 een verkiezingsoverwinning behaalde, brak een militaire opstand uit o.l.v. de conservatieve generaal Franco  bloedige burgeroorlog. Hitler en Mussoline steunden Franco, en Stalin het Volksfront. GB haalde Fra over om zich er niet mee te bemoeien. De voorzichtige en verzoenende politiek van de Britten in de jaren ’30 heet ook wel appeasement-politiek. GB keek ook een andere kant op bij de ‘Anschluss’ van 1938. Oostenrijk werd gedwongen bij Duitsland aan te sluiten. Op 13 maart 1938 werd de staat Oostenrijk opgeheven. Hitler kreeg opnieuw zijn zin toen hij tijdens de conferentie van München in 1938 volhield dat het Tsjechische Sudetenland bij Duitsland gevoegd moest worden. GB en Fra hoopten dat Hitler nu eindelijk tevreden zou zijn. Maar hij bezette in het voorjaar van 1939 ook de rest van Tsjechoslowakije. Toen wilde hij ook de Poolse stad Danzig hebben, nu was de maat vol. De Fransen en Engelsen garandeerden de Polen militaire steun als Hitler zich aan hun land zou vergrijpen. In augustus 1939 sloot Hitler een niet-aanvalsverdrag met Stalin. In het verdrag was een geheime clausule opgenomen met afspraken over de wederzijdse invloedssferen in Oost-Europa. Polen zou tussen beide landen verdeeld worden. Dit verdrag vormde de opmaat tot WOII.

Van Grote Alliantie naar Koude Oorlog
Volgens Hitler had Duitsland meer ‘Lebensraum’ nodig en op 1 september 1939 trokken zijn troepen Polen binnen. Engeland en Frankrijk verklaarden Duitsland op 3 september de oorlog, maar deden eerst niets. Rusland viel op 16 september Polen aan. In het voorjaar van 1940 ging Hitler verder met veroveren: Denemarken, Noorwegen, België en Nederland bezweken onder de overmacht van tanks en vliegtuigen van Duitsland. In de 2e helft van mei moest Frankrijk eraan geloven. In juni 1940 werd Frankrijk tot overgave gedwongen. Engeland stond er alleen voor, maar Winston Churchill was niet van plan de strijd op te geven. Engeland hield dat inderdaad 1 jaar vol.
In 1941 kreeg Engeland er twee bongenoten bij. De Russen en de Amerikanen. De Russen, omdat Duitsland in juni de aanval had geopend op Rusland en de Amerikanen (december), omdat Japan, de bondgenoot van Duitsland, een aanval uitoefende op Pearl Harbour. Amerika, Engeland en Rusland vormden de Grote Alliantie. Vanaf eind 1942 wonnen ze geleidelijk terrein. In Noord-Afrika werden de Duitsers en Italianen verslagen bij El Alamein. In de SU in februari 1943 liep Duitsland een nederlaag bij Stalingrad. In juli 1943 voerden de geallieerden een succesvolle invasie op Sicilië uit. De Amerikaanse economische kracht en de technische uitvindingen van de geallieerden op het gebied van decodering en communicatie waren eveneens essentieel om Duitsland te kunnen verslaan. Op 7 mei 1945 gaf Duitsland zich onvoorwaardelijk over. Japan bleef in Azië doorvechten. Eind 1942 beheerste Japan Mantsjoerije, Oost-China, Indo-China, Thailand, Burma, Nederlands-Indië, de Filippijnen enz. Amerika drong Japan steeds verder terug. Pas toen de atoombom, in augustus 1945 Nagasaki en Hiroshima bombardeerden, capituleerde Japan.

In het begin van de Duitse bezetting werden alleen maatregelingen genomen te isoleren. Ze moesten in aparte wijken wonen en mochten niet naar cafés, restaurants, de markt of bioscoop. Later werden ze zelfs niet meer aan de rand van de samenleving getolereerd. Ze werden opgepakt en afgevoerd naar concentratiekampen.

Het is opvallend hoe weinig tegenstand werd geboden tegen het wegvoeren van de joden. Onder de bevolking heerste vooral in het eerste bezettingsjaar een passieve houding. Veel mensen dachten dat het beter was om zich neer te leggen bij de situatie.
In de eerste paar maanden gedroegen de nazi’s zich vrij netjes, geleidelijk aan werd het Duitse beleid echter grimmiger. De persvrijheid werd afgeschaft, politieke partijen werden verboden en artsen en kunstenaars moesten zich aansluiten bij nazi-organisaties. Je werd ook gedwongen om in Duitsland te gaan werken. De verzetsbeweging hiertegen hield zich vooral bezig met spionage, sabotage en hulp aan onderduikers. In het laatste oorlogsjaar toonden de nazi’s zich in al hun barbaarsheid. Hun optreden werd steeds gewelddadiger en uit wraak voor een spoorwegstaking in september 1944 legden ze de toevoer van voedsel bijna helemaal stil. Door deze strenge oorlogswinter kwamen veel Nederlanders om.

Op 25 april 1945 vielen de Rus Alexander Silvashko en de Amerikaan William Robertson elkaar vol vreugde in de armen. Ze behoorden tot de eerste soldaten die elkaar ontmoetten toen het Amerikaanse leger de sovjetlinies ten zuiden van Berlijn bereikte. Deze broederschap duurde maar kort. De ideologische verschillen kwamen weer naar boven.
De Russen verafschuwden nog altijd het westerse kapitalisme, ook dachten ze dat het Westen uit was op de vernietiging van de communistische staat. Want in de burgeroorlog hadden de geallieerden meegevochten met het Witte Leger tegen de bolsjewieken. Ook tijdens WOII hadden de Engelsen en Amerikanen lange tijd geweigerd om een tweede front tegen Duitsland
te openen en zo de strijd van de Russen aan het oostfront te verlichten. De Russen dachten dat de fascisten en de communisten elkaar af moesten maken van de geallieerden. De geallieerden beschouwden het communisme als een gevaarlijke ideologie, die ellende en onderdrukking met zich meebracht. De Westerse landen waren bang dat Rusland gebruik wilde maken van de oorlog om hun invloed in Oost-Europa te versterken.

Na de oorlog werden Duitsland en Berlijn in vieren verdeeld en bezet door Engeland, de VS, Frankrijk en de SU. In 1949 ontstonden 2 afzonderlijke staten: de Bondsrepubliek Duitsland in het westen en de Duitse Democratische Republiek in het oosten. In 1961 bouwde de SU een muur om zijn zone in Berlijn. Inmiddels had de SU haar grip op Oost-Europa verstevigd. West-Europa, Amerika en Canada gingen samenwerken en sloten in 1949 een militaire alliantie, de NAVO (Noord-Atlantische Verdragsorganisatie). De SU sloot met de Oost-Europese landen ook een militair verdrag: het Warschaupact. Het vijandschap werd toen al snel de ‘Koude Oorlog’ genoemd. Beide blokken gingen zich steeds sterker bewapenen. In 1949 beschikte ook de SU ook over een atoombom.
In 1950 viel Noord-Korea (onder Russische invloed) Zuid-Korea binnen. Op initiatief van de VS stuurden de VN een troepenmacht om de Noord-Koreanen terug te dringen. Noord-Korea kreeg steun van de SU en China. Pas in 1953 werd er een wapenstilstand gesloten. De gevaarlijkste periode in de Koude Oorlog was de Cubacrisis. Op 16 oktober 1962 ontdekten de Amerikanen dat de Russen bezig waren om op Cuba kernraketten te installeren. De Amerikaanse president Kennedy reageerde onmiddellijk. Hij liet een blokkade om Cuba oprichten en dreigde met oorlog. De SU bond in en de crisis werd bezworen. Na deze oorlogsdreiging besloten ze zich voorzichtiger te gedragen. De Koude Oorlog was nog niet ten einde.

Door de Koude Oorlog werd het functioneren van de VN, de opvolger van de Volkenbond, ernstig belemmerd. De VN waren in 1945 opgericht en hadden ook als doel de vrede te bevorderen door internationale samenwerking. Om in conflictsituaties snel te kunnen reageren, werd een veiligheidsraad ingesteld, waarin de VS, de SU, GB, Fra en China een permanente zetel kregen. Ook kregen ze het vetorecht, waarmee ze besluiten tegen konden houden. Omdat de VS en de SU het haast nooit eens waren, blokkeerden ze voortdurend elkaars besluiten.

Na WOII was de hele Amerikaanse economie tot grote bloei gekomen. De SU was na de oorlog sterk verwoest. Om de schade enigszins te dekken eiste de SU herstelbetalingen van Oost-Europa. Soms kwam dit neer op plunderingen.

In de communistische regimes in Oost-Europa kwamen op het economische, politieke en culturele leven onder streng toezicht van Moskou te staan. De vrijheid van de bevolking werd ook ingeperkt. Andersdenkenden werden vervolgd en naar strafkampen of psychiatrische instellingen gestuurd. Ideeën en culturele invloeden vanuit het kapitalistische Westen werden zoveel mogelijk geweerd. Om een modern militair apparaat op te bouwen kreeg de zware industrie alle aandacht. Er ontstond een groot gebrek aan consumptiegoederen. Toch was hij bij een groot deel van de bevolking populair. In 1956, toen Stalin al 3 jaar dood was, kwam er een einde aan zijn persoonsverheerlijking. De nieuwe leider, Chroesjtsjov, leverde kritiek op Stalin. In de periode van ‘destalinisatie’ die volgde, werd de knellende greep van de staat op de samenleving iets losser, het had wel grenzen. Toen Hongarije in 1956 van de destalinisatie gebruik wilde maken om zich uit het Oostblok te bevrijden, werden de Hongaarse opstandelingen hardhandig neergeslagen. Joegoslavië, dat na de oorlog geen Russische troepen op zijn bodem had, was onafhankelijk gebleven en gaf o.l.v. Tito een eigen invulling aan het communisme.

Ook China weigerde zich aan Rusland te onderwerpen. Er was een burgeroorlog geweest die de communisten o.l.v.Mao Zedong hadden gewonnen in 1949. De nationalisten o.l.v. Tjiang Kai-sjek vluchtte naar Taiwan, waar hij werd beschermd door de Amerikaanse vloot. De nieuwe Chinese Volksrepubliek werd bestuurde door de Chinese Communistische Partij o.l.v. Mao. Hij voerde landhervormingen door en nationaliseerde de handel en industrie. Hij maakte grondbezitters uit voor kapitalisten. Mao’s Grote Sprong Voorwaarts, een economisch ontwikkelingsprogramma dat in 1958 werd afgekondigd, liep uit op een totale mislukking. Misoogsten waren het gevolg en miljoenen mensen verhongerden. De relatie tussen de SU en China liep vaak stroef. Grensgeschillen, maar ook ideologische geschilpunten speelden een rol. Mao keurde de destalinisatie af en verweet Rusland af te dwalen van het ware communistische pad. In 1960 kwam het tot een openlijke breuk tussen beide landen. Het werd voor de VS makkelijker om toenadering tot China te zoeken.

Europa bood in 1945 een trieste aanblik; behalve het immense leed had de oorlog ook enorme materiële schade veroorzaakt. Steden lagen in puin, fabrieken waren vernield, wegen en spoorwegen waren vaak onbruikbaar. Europa leek niet in staat om zijn economie op eigen kracht te herstellen. Amerika besloot daarom in 1947 steun te bieden d.m.v. het Marshallplan. Dit plan was niet alleen bedoeld om de ellende en armoede te bestrijden, maar ook om te voorkomen dat de communisten in West-Europa door interne chaos de macht zouden grijpen. Stalin verbood Oost-Europa om de Marshallhulp aan te nemen, want hij beschouwde het als een vorm van economisch imperialisme.
Opmerkelijk is dat Duitsland niet zwaar werd afgestraft, zoals na WOI. De mogendheden hadden hun les geleerd. Amerika begreep dat het herstel van Europa onmogelijk was als Duitsland een economisch wrak bleef. Een groot deel van de hulp was dan ook bedoeld voor de opbouw van het Duitse industriegebied. Ook Japan kreeg steun om zijn economie overeind te helpen. De Amerikanen hadden Japan bezet en omgetoverd tot een westerse, liberaal-democratische staat. Het ging geweldig, Japan zou in de jaren ’70 de 2e industriële natie en de 3e handelsnatie ter wereld worden. Na de communistische machtsovername in China werd Japan een strategische waarde voor Amerika.

In ruil voor de Marshallhulp moest Europa economisch wel gaan samenwerken. De wederopbouw zou sneller verlopen en het communisme kreeg zo minder kans. Ook veel politici vonden dit wenselijk, omdat ze meenden dat het nationalisme een belangrijke oorzaak was geweest voor de oorlogen van de 20e eeuw. De samenwerking zou de vrede bevorderen. In 1951 werd de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) opgericht. Hieruit ontstond in 1957 een Europese Gemeen-schap van 6 landen: de Bondsrepubliek Duitsland, Frankrijk, België, Luxemburg, Italië en Nederland. Later ook andere landen. De economische samenwerking was succesvol, maar de politieke integratie bleek moeilijk tot stand te brengen.

Coca-cola werd na de oorlog wereldwijd het symbool van de ‘American way of life’, die stond voor vitaliteit, democratie en ongekende mogelijkheden voor iedereen die bereid was hard te werken. Kenmerkend voor de Amerikaanse levensstijl was ook de overvloed aan consumptiegoederen. Na de oorlog verdienden arbeiders een hoog loon. Veel burgers konden een huis kopen en meer gezinnen kregen een televisietoestel. Maar er bleef ook een grote minderheid dat onder het bestaansminimum leefde.
Een opmerkelijk verschijnsel begin jaren 50 was de jacht op communisten o.l.v. senator McCarthy. Hij vermoedde een reusachtige samenzwering vanuit Moskou en ontdekte overal communistische infiltranten: onder intellectuelen, in de filmindustrie, maar ook in het overheidsapparaat (anticommunisme).
Door de Russische strijd tegen de nazi’s en doordat veel communisten actief waren geweest in het verzet bestond er lange tijd juist wel sympathie voor de SU. Vlak na 1945 konden de communistische partijen in Frankrijk en Italië daardoor sterk groeien.
Toen in West-Europa de lonen gingen stijgen en meer belasting geheven kon worden, werd in bijna allee West-Europese landen een verzorgingsstaat opgebouwd. Er werd een systeem van sociale voorzieningen gecreëerd, waar burgers in geval van nood op terug konden vallen. Er kwam in de jaren 50 een Werkeloosheidswet (WW), een Algemene Ouderdomswet (AOW) en een Algemene Weduwen- en Wezenverzekering (AWW) ingesteld. Het doel hiervan was de bescherming van de sociaal zwakkeren in de samenleving.

Na WOII werden alle koloniale rijken in sneltreinvaart ontmanteld. De meeste overheerste volken kregen hun onafhankelijkheid. Dit had verschillende oorzaken: het nationalisme, dat tijden WOII in stroomversnelling was geraakt. De Japanse zegtochten hadden ervoor gezorgd dat de bevolking zag dat de vorige overheersers niet onoverwinnelijk waren. Na de Japanse nederlaag hadden de Europeanen de grootste moeite om hun machtspositie te herstellen. Ook de afkeur van het kolonialisme door de VS en SU droeg bij tot de snelle dekolonisatie. Allebei hoopten ze bondgenoten te vinden onder de nieuwe zelfstandige staten. Tenslotte droeg de verdeeldheid binnen de Europese landen zelf bij tot de dekolonisatie, steeds meer mensen wezen de overheersing van het ene volk door het andere af en pleitten voor afschaffing van de koloniale verhoudingen.

Het dekolonisatieproces was in 2 golven. In de 1e, vlak na WOII, verwierven de koloniën in Azië hun onafhankelijkheid. In de 2e, de koloniën in Afrika.
Engeland trok zich in 1947 vrijwillig uit India terug, maar Nederland, Frankrijk en Portugal verdedigden hun positie met geweld. Nederland moest in 1949 Indonesië opgeven; in 1954 verloor Frankrijk Indo-China (Vietnam, Laos en Cambodja) en 1962 Algerije. Portugal verleende Angola, Mozambique en Guinea in 1974/75 zelfstandigheid.
De staten waren nu wel politiek onafhankelijk, maar in economisch opzicht bleven ze ondergeschikt aan het Westen. De levenstandaard bleef er laag, omdat de winsten wegvloeiden naar Europa. Ook de bevolkingssamenstelling vormde soms een probleem. Door de willekeurigheid waarmee de Europese mogendheden tijdens het imperialisme de grenzen hadden getrokken, waren stammen en volken nu over verschillende landen verdeeld of werden ze gedwongen om in 1 staat samen te leven. Dit leidde vaak tot onenigheid en soms zelfs tot bloedige conflicten.

Ook in het Midden-Oosten verwierven de verschillende landen hun onafhankelijkheid. Engeland wist niet hoe snel ze weg kon komen uit Palestina, waar de situatie nog altijd hoogst problematisch was. Om de Arabische landen te vriend te houden, had het de immigratie van joden vlak voor WOII sterk beperkt. Ook tijdens de oorlog werden de grenzen niet opengesteld. In 1947 stelden de VN voor om Palestina in 2en te delen, de arabieren verwierpen het voorstel. In mei 1948 trokken de Engelsen zich terug. Onmiddellijk riepen de joden de staat Israël uit. De Palestijnse Arabieren en Arabische buurlanden vielen Israël gelijk aan. Israël won. Israël werd door de Arabische landen niet erkend en verschillende keren brak opnieuw oorlog uit. Israël wist zich te handhaven en zelfs flink uit te breiden, daardoor kregen het grote aantallen Palestijnen onder zijn bestuur. In 1987 brak er onder deze Palestijnen een opstand uit, de intifada. Er moest een oplossing komen, de joden hadden hun tehuis, maar de Palestijnen leefden nog steeds onder Israëlische bezetting. Begin jaren 90 kwamen er onderhandelingen op gang tussen de Palestijnse bevrijdingsorganisatie PLO (Palestinian Liberation Organization) en de Israëli’s. De onderhandelingen resulteerden in een voorlopige regeling waarbij de Palestijnen zelfbestuur kregen in de Gazastrook en op de Westelijke Jordaanoever. Er kwam geen definitieve oplossing voor het conflict. Er werden nog steeds terroristische aanslagen gepleegd. Bovendien ging Israël door met het bouwen van nederzettingen in de bezette gebieden. In de loop van 2000 brak een nieuwe intifada uit. De rechtse Israëlische premier Ariel Sharon reageerde met grof geweld op iedere Palestijnse terreuraanslag en weigerde nog langer te onderhandelen met PLO-leider Yasser-Arafat. Beide partijen staan nog steeds tegenover elkaar. De hoop op vrede is weer helemaal vervlogen.

Van flowerpower tot perestrojka
Publieke bijeenkomsten waarbij jongeren hun mening over de samenleving duidelijk maakten, werden ook wel happenings genoemd. De happenings van Robert Jasper Grootveld trokken altijd veel omstanders en liepen geregeld uit op confrontaties met de politie.
Jongeren zette zich af tegen de bestaande maatschappelijke orde. Hun ouders hadden de crisis van de jaren 30 en de ellende van de oorlog meegemaakt en waren nu tevreden met de verworven veiligheid en welvaart. De jongeren zagen duidelijk de gebreken van de samenleving. Ze protesteerden tegen zaken als woningnood, milieuvervuiling, armoede in ontwikkelingslanden en de oorlog in Vietnam. Ook keerden ze zich tegen de prestatiegerichtheid van de massaconsumptiemaatschappij en tegen de bekrompen burgerlijkheid van hun ouders. Ze vonden dat het politieke bestuur wel democratisch genoemd werd, maar dat in werkelijkheid alle mach in handen was van de oudere generatie. Ze maakte hun onvrede kenbaar door de overheid te provoceren en de politie uit te dagen.
Ze stelden ‘love and peace’ en ‘flowerpower’ tegenover de hardheid en kilheid van de westerse samenleving.
In 1968 leidden studentenopstanden in Parijs tot harde confrontaties met de politie. De franse president De Gaulle beloofde studenten en arbeiders uiteindelijk meer inspraak in universiteiten en bedrijven. In Duitsland en Italië gingen radicale bewegingen zelfs tot geweld over om hervormingen af te dwingen. In veel landen ging het protest gepaard met een stijgende populariteit van het marxisme.
In de jaren 60 en 70 was er de 2e feministische golf. De vrouwenemancipatie werd weer opgepakt en ze eisten volledige gelijkheid aan mannen op elk terrein. Ze wilden een leuke baan en hetzelfde salaris als mannen. Ook eisten ze het recht op abortus en vochten tegen huwelijkswetgeving die vrouwen nog steeds ondergeschikt maakte aan mannen.
Traditionele normen en waarden werden flink door elkaar geschud en aan een kritische blik onderworpen. De machtsverhoudingen veranderden, zowel binnen het gezin als op scholen en in bedrijven. Ook het gezag van de kerk werd aangetast. De toegenomen welvaart, de opkomst van de televisie en het hogere opleidingsniveau maakten mensen mondiger en droegen bij tot een snelle secularisatie.

In 1954 was Vietnam, een voormalige Franse kolonie, opgedeeld in communistisch Noord-Vietnam en een Westers-georiënteerd Zuid-Vietnam. In 1956 zouden vrije verkiezingen gehouden worden om Vietnam weer te verenigen. De regeringsleider van Zuid-Vietnam, Ngo Dinh Diem, weigerde aan de verkiezingen mee te werken. Hij werd gesteund door Amerika, dat bang was voor een communistische overwinning. De vele arme boeren en de communisten in Zuid-Vietnam waren voorstander van de aansluiting bij Noord-Vietnam. Ze verenigden zich in een communistisch bevrijdingsfront, de Vietcong, die gesteund werd door China, de SU en Noord-Vietnam. Amerika stuurde militairen. Frankrijk waarschuwde Amerika voor een te sterke betrokkenheid. Amerika verloor inderdaad veel militairen. Er werd steeds grover geweld gebruikt. Voor de jacht op Vietcong-guerrillastrijders werden hele bossen met chemische middelen ontbladerd. Vele akkers en dorpen werden verwoest. Het lukte Amerika niet de guerrilla’s te verslaan. In 1973 werd een akkoord bereikt en verlieten de Amerikaanse troepen Vietnam. Noord-Vietnam veroverde 2 jaar later Zuid-Vietnam en werd het land alsnog communistisch.

De Vietnam-oorlog was een traumatische evaring voor de Amerikanen, ook had de oorlog het imago van Amerika als idealistische, naar vrede strevende natie geschonden. De wreedheden van Amerika leidde in 1965 tot massale protestdemonstratie onder de bevolking. Er werd niet alleen kritiek geleverd op het optreden in Vietnam, maar ook op de dominante positie die ze na WOII in West-Europa had ingenomen. Frankrijk was vooral tegen Amerika, ze hield de toetreding van het pro-Amerikaanse Engeland tot de EG tegen, wees in 1966 de Amerikaanse NAVO-troepen het land uit en bracht De Gaulle een bezoek aan de SU. In 1967 verklaarde Frankrijk dat er ook kernraketten tegen de VS waren opgesteld. Hij trad in 1969 af.

In de jaren 60 wond een geweldige technische ontwikkeling plaats (computers, ruimtevaart enz.), ook was er een enorme productiestijging, de welvaart was nog nooit zo toegenomen. In het begin van de jaren 70 kwam een eind aan de economische groei, oorzaak was de oliecrisis in 1973. De Jom Kippoeroorlog was uitgebroken, waarbij Syrië en Egypte een onverwachte aanval op Israël hadden uitgevoerd. Israël won met Amerikaanse steun. De Arabische oliestaten kondigden een olieboycot tegen Amerika en Nederland af. De gevolgen van de boycot waren niet zo dramatisch als verwacht, de productiebeperkingen en de drastische prijsverhoging die de OPEC instelde waren dat wel. De olieprijs steeg met meer dan 400%. Een enorme klap voor de industrielanden.
Bedrijven kregen ook te kampen met steeds hogere productiekosten omdat lonen, belastingen en premies in de afgelopen jaren flink waren gestegen. Europa en Amerika kregen ook concurrentie vanuit Azië. Om hoge loonkosten te vermijden gingen de westerse industrieën meer automatiseren, dat leidde tot werkeloosheid. Dankzij de verzorgingsstaat bleef de ellende beperkt. De rijksinkomsten liepen terug, terwijl meer mensen vroegen om een uitkering. Het stelsel kostte te veel geld, daarom werd het in veel landen gedeeltelijk afgebroken. De crisis was niet goed voor de verdere economische integratie van de EG. De lidstaten waren druk met hun eigen problemen, dan met die van de Europese landen. Pas vanaf 1985 gingen de lidstaten van de EG weer nauwer samenwerken. In 1973 werden Groot-Brittannië, Ierland en Denemarken lid, in 1981 Griekenland, in 1986 Spanje en Portugal en in 1995 Oostenrijk, Finland en Zweden. In 2004 traden Polen, Tsjechië, Hongarije, Slowakije, Slovenië, Estland, Letland, Litouwen, Malta en Cyprus toe. In 1992 werd de EG de EU.

In 1972 werd een rapport gepubliceerd door de ‘Club van Rome’, een groep van industriëlen en geleerden. In het rapport werd beschreven hoe rampzalig de voortschrijdende industrialisatie was voor de natuur. De milieuvervuiling, de uitputting van grondstoffen en de snelle bevolkingsgroei bleken een ernstige bedreiging te vormen voor de toekomst.

De Westerse landen kwamen erachter dat de eigen rijkdom grotendeels te danken was aan de uitbuiting van het Zuiden, daarom werden hulpprogramma’s opgezet. Dit stelde weinig voor, omdat de derdewereldlanden al zo’n grote schuld hadden opgebouwd, dat alleen al het bedrag dat jaarlijks aan rente betaald moest worden een veelvoud was van het ontwikkelingsgeld dat zij ontvingen. De politieke macht van de ontwikkelingslanden nam in de jaren 70 enigszins toe. Omdat steeds meer staten onafhankelijk werden, kregen de derdewereldlanden meer stemmen in de VN. In 1964 organiseerden de VN een conferentie over handel en ontwikkeling. G77 (de ontwikkelingslanden) streefden naar een betere verdeling van het wereldinkomen. De grondstofprijzen zouden verhoogd moeten worden en het Westen moest zijn markt meer openstellen voor producten uit de ontwikkelingslanden. Pas na de oliecrisis toonde het Westen enige bereidheid om mee te werken. In 1974 hielden de VN een algemeen debat over een Nieuwe Internationale Economische Orde, waarbij een programma werd ingesteld voor de regulering van grondstofprijzen.
In de jaren 80 was de politieke kracht van de onderontwikkelde landen alweer afgezwakt. De westerse landen vonden hun eigen economische crisis belangrijker en ze wilden niet alle schuld in de schoenen krijgen van de armoede in de derdewereld. Met sommige landen ging het beter, zodat er geen goede eenheid meer gevormd kon worden.

In 1989 kwam een einde aan de Koude Oorlog.
Toen Reagan in 1980 de nieuwe president van de VS werd, leek een vrede tussen Rusland en Amerika uitgesloten. Hij wilde de bewapeningswedloop opvoeren. In 1983 lanceerde Amerika een futuristisch project, het Strategic Defense Initiative. Het zou een schild worden die raketten tegen kon houden. In Rusland brak paniek uit. In Rusland werd in de planeconomie het hele economische leven door de staat georganiseerd. Het had geleid tot een logge, slecht functionerende bureaucratie en een leger van ongemotiveerde arbeiders. De levenstandaard was nog steeds laag en er heerste een grote verborgen werkeloosheid. Om de mensen aan het werk te houden creëerde de staat allerlei banen, waar eigenlijk helemaal geen behoefte aan bestond.
In 1985 kwam Gorbatsjov aan de macht in de SU. Hij streefde naar ontspanning in de relatie met Amerika. Hij riep ook op tot perestrojka (meer economische vrijheid) en glasnost (meer politieke openheid). Er was toestemming om in beperkte mate eigen economische activiteiten te ontplooien en ook werd de vrijheid in de samenleving vergroot. Hij probeerde het sovjetimperium van de ondergang te redden. Hij had een spiraal in werking gezet, die niet meer stopte. Een belangrijke gebeurtenis uit dit proces was de verklaring van Gorbatsjov in 1989 dat de SU zich niet langer zou bemoeien met de binnenlandse zaken van de Oost-Europese landen. Dit betekende het einde van de Breznjev-doctrine waarmee de Russen zichzelf in 1968 het recht hadden gegeven om in Oost-Europa militair in te grijpen zodra het communisme werd bedreigd.
Er kwamen protestbewegingen en demonstraties tegen het communisme in Oost-Europa. Ze wilden meer welvaart en vrijheid. In 1989 werd de beitel in de Berlijnse muur gezet. Op 4 december 1989 ontmoetten Gorbatsjov en Bush (senior) elkaar in Malta waar zij officieel verklaarden dat de Koude Oorlog voorbij was. In 1991 viel de SU uit elkaar en ontstond een los samenwerkingsverband, het Gemenebest van Onafhankelijke Staten. Het was niet makkelijk om van 40jaar communistische dictatuur over te schakelen naar een planeconomie naar een vrije kapitalistische economie en van een dictatuur naar een democratisch stelsel, was niet makkelijk. De Duitse eenwording vond op 3 oktober 1990 plaats. Om Oost-Duitsland met de economie op Westers niveau te brengen werden de belastingen verhoogd, bezuinigd op sociale voorzieningen en defensie, en het begrotingstekort te laten stijgen.
In Oost- en West-Duitsland steeg de werkeloosheid en de onvrede leidde tot het ontstaan van rechts-extremistische en neonazistische groeperingen. Maar de nieuwe Bondsrepubliek was sterk genoeg om de moeilijkheden te overwinnen.

Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.