CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.

ff n studiebreak

Experiment: geen Twitter, mail en Whatsapp meer voor Nina. Wel faxen, brieven in enveloppen en ouderwetsch bellen.

geef je mening

Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?



» resultaten poll

Geschreven door:

anoniem (5 vwo)

Datum ingestuurd:

5 februari 2006

Taal:

Woorden:

1.400

Bekeken:

1979 keer (1 deze maand)

Waardering:

3.5/5 (16 stemmen)

Deel op:

Naam:


Klas/niveau:


E-mail:


Bericht:


Bestemd voor

Geheime code: 


 
Par. 1
Revolutie: grote verandering in de samenleving, die in korte tijd plaatsvindt. Een bevolkingsgroep neemt daarbij, meestal met geweld, de macht van een andere bevolkingsgroep over.

Fasen:
1) regering wordt verdreven; gematigde hervormers grijpen de macht. (niet te snel; weinig geweld)
2) gematigde hervormers verdreven; radicale hervormers grijpen macht . (snel; veel geweld)
3) chaos door geweld radicalen; sterke man grijpt de macht, wordt geholpen door leger.

In een revolutie groeit het nationalisme onder de bevolking-> trots op vaderland. Ze willen hun ideeën in het buitenland verspreiden door andere landen te veroveren.

18e eeuw: absolutisme: de koning had alle macht; hij was door God aangesteld om zijn onderdanen te besturen. (autocratische regeringsvorm)
De onderdanen waren verplicht de koning (absoluut vorst) te gehoorzamen.

Er waren 3 standen:
- geestelijken
- edelen
- gegoede burgers in de steden; gegoede boeren (bourgeoisie)
De arme bevolking werd niet meegeteld.

Einde 18e eeuw: Koning Lodewijk XVI(16) kwam in moeilijkheden en een revolutie was het gevolg. Oorzaken van de Franse Revolutie:
- geestelijkheid en adel hebben het veel beter
- ontevredenheid onder andere bevolkingsgroepen
- het land wordt slecht bestuurd
1) - land was oneerlijk verdeeld
- adel en geestelijkheid hoefde bijna geen belasting te betalen
- alleen adel en geestelijkheid konden functies krijgen in leger, kerk en het bestuur ve land
2) - boeren wilden meer grond en eerlijkere belastingen
- boeren wilden een werk meer doen voor de heer
- in de nijverheid moest men te lang en te hard werken; onder onveilige omstandigheden; kregen slecht loon
- rijke burgers wilden ook functies bij de regering, kerk en leger
- rijke burgers vonden het niet eerlijk dat ze wel belasting moesten betalen en adel en geestelijkheid wel
- rijke burgers wilden vrijheid meningsuiting en vrijheid drukpers
3) - regering had grote schulden-> Franse koningen hadden teveel oorlog gevoerd
- rechtspraak was oneerlijk (3e stand zwaarder gestraft)
Koning deed er weinig aan om dit alles te verbeteren.

Par. 2
Staten-Generaal: vergadering van de 3 standen onder leiding van de koning (werd per stand gestemd).
Koning en edelen hadden discussie over belastingen en in 1789 werd de Staten-Generaal bijeen geroepen.
De 3e stand ging onverwachts apart vergaderen in de Nationale Vergadering. Ze wilden dat Frankrijk een grondwet kreeg. Dan heeft de koning minder macht en er zouden rechten en plichten van alle inwoners in worden opgenomen. Nat. Verg. kregen steun van lage geestelijken en enkele edelen.

Koning trok verbod om Nat. Verg. bijeen te laten komen terug, maar liet wel troepen naar de rand van Parijs komen. De Parijse bevolking dacht dat die soldaten er waren om boeren te verboden en ze waren bang. Ze gingen de Bastille bestormen om aan wapens te komen.
In andere steden kozen burgers de zijde van de Nat. Verg. De koning verhuisde van Versailles naar Parijs. De koning keurde uit angst alle besluiten goed.

Besluiten Nationale Vergadering:
- afschaffing voorrechten van de adel en de geestelijkheid
- openstelling van alle ambten in regering, kerk en leger voor iedereen
- rijke burgers en boeren mochten grond kopen die afgenomen was van de kerk
- verbod voor arbeiders om te staken en vakverenigingen op te richten
- beperking van de macht van de koning
- scheiding van wetgevende, uitvoerende, rechtsprekende
- beperkt kiesrecht (macht vooral voor gegoede burgers)

20 juni 1791: Lodewijk XVI vlucht naar het buitenland (daar waren Franse edelen troepen verzameld en er was buitenlandse steun)
De meeste regeringen in Europa waren de Franse Revolutionaire regering niet gunstig gezind.
April 1792: Frankrijk verklaard de oorlog aan Oostenrijk
Oostenrijk en Pruisen vielen Frankrijk binnen.
Januari 1793: Lodewijk werd afgezet en werd tot de dood veroordeeld.
Jacobijnen Girondijnen
Radicaal (armen) Gematigde parlementsleden
Robespierre
Wilden nog: stemrecht, loonverhoging Er was genoeg veranderd
en prijsverlaging.

Radicale wilden 29 Girondijnen gevangen nemen. Ze waren de baas en voerden een terreur o.l.v. Robespierre (guillotine).
Radicale organiseerde leger en staat goed; voerden dienstplicht in. Na enige tijd was niemand meer veilig voor de terreur en er kwam een opstand. Leiders afgezet en onthoofd.

1799: Napoleon grijpt de macht. Werd bij slag bij Waterloo definitief verslagen.
Veroverden veel landen en voerden daar Code Napoléon in (ideeën verlichting)
- gelijkheid voor de wet
- niemand mocht gevangen worden genomen zonder dat er een rechtspraak op volgde
- grondwetten in de meeste Europese landen

Door de grondwet is Frankrijk een parlementaire regeringsvorm geworden.

Par. 3
Industriële Revolutie: landbouw verdrongen door de industrie. Het is een langdurig proces, begonnen in Europa en loopt over de hele wereld verder. Er waren veranderingen in de landbouw, industrie en dienstensector.

Industriële samenleving: meeste goederen worden in fabrieken gemaakt en de meeste mensen wonen in steden.
Industrialisatie: van een agrarische samenleving naar industriële samenleving.

1750: Groot-Brittannië
1800: België
1800-1900: VS en andere West-Europese landen
Eind 19e eeuw: Oost-Europa en Japan
Later werden ook koloniën geïndustrialiseerd.

18e eeuw: Economische ontwikkelingen Europa:
- ontstaan nieuwe industrieën
- ontstaan nieuwe energiebronnen en verbetering oude
- uitvinding nieuwe communicatiemiddelen
- toename productie in landbouw en industrie
- ontstaan industiële kapitalisme
- snelle bevolkingsgroei

Sociale ontwikkelingen:
- grote veranderingen in arbeidsomstandigheden, gelaagdheid en sociale mobiliteit
- snelle groei in aantal en omvang van steden

Par. 4
Grote tentoonstelling: uitvindingen in de industrie (grondstoffen, machines, producten)
In Crystal Palace. Sommige mensen vonden dat industrie de aandacht afleidde vd godsdienst.
Tijdens de Ind. Rev. uitvindingen gedaan op gebied van techniek: ontwerpen + verbeteren.
Na industrie veranderde techniek vooral op gebied van communicatie en vervoer.

Katoen kwam door Engelse Oost-Indische Compagnie vanuit Azië naar Europa. Katoen was goedkoper en handiger in het gebruik. Was veel vraag naar; vanaf de 18e eeuw werd er meer en goedkoper geproduceerd. Spinmachines eerst op waterkracht en later op stoomkracht.

1793: Eli Whitney vond een machine uit om zaadjes uit de ruwe katoenplant te halen.
1850: Engeland produceerde helft van de kleding in Europa

Staal was duurder dan smeed- en gietijzer. Staal is harder, lichter, geschikter voor machines.
Henry Bessemer vond een manier uit om goedkoper staal te maken en de kwaliteit van ijzere producten te verbeteren.
Er ontstonden grote staalindustrieën in West-Europa en de VS.

Scheikundigen deden proeven met aardolie en steenkool. Ze vonden nieuwe grondstoffen uit: nylon en plastic.
1859: Edwin L. Drake: kwam erachter dat je veel aardolie kon winnen met boorinstallaties.
Rond 1900: olie als lichtbron en als smeermiddel voor machines.
Later: als brandstof voor motoren en als grondstof om andere producten te maken.

Par. 5
Tot 1750: mens kreeg hulp van dier, wind, stromend water. Brandstof was houtskool en turf.
Vanaf 1750: stoom, verbranding van olie en gassen, elektriciteit, kernenergie.
1770: James Watt verbeterde stoommachine.

Belangrijk werd als grondstof ijzer; als energiebron kolen. Mijnbouw breidde hierdoor uit.
1700: er kwam een stoommachine om grondwater uit mijnen weg te pompen
1800: veiligheidslamp om ontploffing mijngas te voorkomen
De toenemende productie in kolen en ijzer was een grote economische verandering.

19e eeuw: elektriciteit benutten als energiebron
1866: Siemens vond dynamo uit (grote hoeveelheden stroom opwekken)
1879: Edison vond de gloeilamp uit
1883: eerste elektriciteitscentrale in Rotterdam
1891: Anton Phillips: massafabricage gloeilampen
Een nadeel was dat je verbinding moest houden met de elektriciteitscentrale.

Par. 6
Communicatie: overdragen van berichten tussen mensen
Uitvinding van de moderne communicatiemiddelen:
- telegraaf
1837: Samuel Morse vond telegraaf uit
1844: in VS 1e telegraaflijn aangelegd
1865: telegraaflijn tussen VS en Europa
- telefoon en grammofoon
1876: Alexander Graham Bell vond telefoon uit
Bell en Edison hadden groot aandeel in de ontwikkeling van de phonograaf (eerste grammofoon)
Charles Cros: geluid vastleggen (op plaat).
- draadloze telegrafie en draadloze radio
1896: Guglielmo Marconi ontdekt draadloze telegrafie. Er kwam ook draadloze radio (geen code maar menselijke stem)
1897: draadloze uitzending over 5,5 km
1898: verbinding tussen Frankrijk en Engeland
1901: verbinding tussen Europa en de VS
Na WOI werd de radio op grote schaal gemaakt.
- film en televisie
1900: film aan groot publiek vertoond (gecombineerd met toneelvoorstelling)
1905: puur films vertoond; voor ontspanning en om te manipuleren
Tv werd na WOII een massaproduct
- nieuwe media
1955: computers op de markt gebracht
1980: PC deed zijn intrede
1985: computer in steeds meer woningen

Par. 7
Voor Ind. Rev. Verliep vervoer te voet, per kar, per paard, per zeilschip of trekschuit.
- Stoomlocomotief en spoorwegen
1803: in Londen paardentram ingesteld
Mogelijkheden spoorwegen:
o grondstoffen/producten snel en goedkoop over grote afstand vervoeren
o steden en dorpen langs spoorwegen konden makkelijker handelen en welvaart vergroten
o nieuwe fabrieken en steden konden op plekken worden gebouwd die voorheen moeilijk bereikbaar waren
o contact tussen mensen die ver van elkaar af woonden werd groter
- Stoomboot
1807: eerste dienst met een stoomboot op de rivier de Hudson door Robert Fulton
Stoomboten maakten mogelijk:
- zware, omvangrijke goederen over grote afstanden vervoeren
- overal waar grondstoffen of afzetgebieden waren kwamen havens tot bloei
- contact tussen verschillende werelddelen nam toe
- Auto
Eerst problemen omdat elektrische motor in verbinding met elektriciteitscentrale moest staan.
Eind 19e eeuw: eerste benzinemotor (voor olieraffinaderijen zeer gunstig)
- Vliegtuig
Voor WOI uitgevonden.
1903: broers Whright eerste die met vliegtuig boven de grond bleven
1909: Berliot vloog over het kanaal van Frankrijk naar Engeland
1930: vervoer van personen ook belangrijk

Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.