CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.

geef je mening

Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?



» resultaten poll

ff n studiebreak

Meiden, laser je binnenste schaamlippen lekker weg joh. Want je vriendje wil een playboypoesje.

Geschreven door:

Flesjewater (6 vwo) [meer]

Datum ingestuurd:

7 juli 2006

Taal:

Woorden:

4.750

Bekeken:

7686 keer (26 deze maand)

Waardering:

2.9/5 (42 stemmen)

Deel op:

  • Door peter op 28-11-2010
    Echt bagger ik kan het zelf beter en ben economie student!
  • Door manouk op 05-11-2007
    echt een heel goed werkstuk =D wij hebben um zo ingeleverd =D
1. Inleiding

1.1 Voorwoord

Als wij over China spreken, spreken wij over de huidige Volksrepubliek China, dus inclusief Macao en Hong Kong. Onder de Chinese bevolking verstaan we dat deel van de bevolking die Chinees praat, in China woont of de Chinese nationaliteit heeft.

1.2 Deelvragen

Dit zijn de deelvragen die wij aan het begin van onze praktische opdracht hadden bedacht.

Hoe staat China er op dit moment voor?
Wat is de geschiedenis van China?
Hoe is de handelsrelatie tussen Europa en China van vroeger tot nu geweest?
Hoe staat China in de wereldeconomie?
Hoe is China gegroeid?
Wat zijn de voordelen en de nadelen voor Europa?
Wat zijn de voordelen en nadelen voor China?
Wat zou Europa tegen het ‘komen’ van de Chinezen moet doen volgens anderen?

2. Introductie van China

2.1 Staatkundige en demografische gegevens

China is een bijzonder groot land, zowel economisch als geografisch. Het heeft een oppervlakte van 282 keer Nederland, dus dat is 9956960 km2. De CIA-schatting staat op een inwoneraantal van 1,3 miljard, dat betekent 130 inwoners per vierkante kilometer. Er zijn een aantal levensfilosofieën en –religies in dit land, namelijk het confucianisme, het boeddhisme en het taoďsme. Ook zijn er nog kleine moslim- en christenminderheden. De officiële taal is het Mandarijn, maar dat kent vele lokale dialecten. Tevens zijn er verscheidene etnische niet-Chinese dialecten. China kent drie officiële feestdagen:
- Het Chinese Nieuwe Jaar: datum wisselend in de winterperiode.
- Dag van de Arbeid: op 1 mei.
- Nationale Dag: op 1 oktober.

Er is een zeer divers klimatologische gesteldheid, van tropisch in het zuiden tot subarctisch in het noorden van China. Ook kent het land zeer hevige wervelstormen en overstromingen. Dan nu wat interessante staatkundige gegevens: het staatshoofd is president Hu Jintao van de SG Chinese Communistische Partij, de premier is Wen Jiabao. De minister van Buitenlandse Zaken Is Li Zhaoxing en de staatsvorm is een republiek, Het parlement bestaat uit een kamer Nationaal Volkscongres met 2979 gedelegeerden, gekozen voor een periode van vijf jaar.
De natuurlijke bevolkingsgroei is 0,6% per jaar (een schatting voor de periode van 2002-2015) en het geboorteaantal per 1000 inwoners is 13,14 en het overlijdensaantal 6,94 (ook beiden CIA-schatting). De levensverwachting is laag, namelijk 68,8 jaar voor de man en 73,2 jaar voor de vrouw.

2.2 Economische gegevens (bron: ANP)

BBP US$ 1681 miljard (2004)
Economische groei 9,3% (2003); 9,5% (2004, EIU schatting)
BBP per capita US $ 1215 (2004)
Inflatie 1,2% (2003); 3,9% (2004)
Beroepsbevolking per sector Landbouw (49%), industrie (22%), diensten (29%) (2003, CIA schatting)
Werkloosheid 9,8%, officiële Chinese cijfers, (inclusief platteland) voor 2003, 20%(2004, CIA-schatting)
Uitvoer US $ 593,4 miljard (2004)
- belangrijke producten Machines, transportmiddelen, elektronische producten, kleding en kledingaccessoires, computer- en telecommunicatieproducten
- belangrijkste partners Verenigde Staten, Hongkong, Japan, Zuid-Korea
Invoer US $ 534,4 miljard (2004)
- belangrijke producten Machines en vervoermiddelen, elektronische circuits, ruwe olie
- belangrijkste partners Japan, Taiwan, Verenigde Staten, Zuid-Korea,
Valuta Renminbi (Rmb)
Buitenlandse schuld US$ 227,2 miljard (2004, EIU schatting)
Debt-service ratio 3,7 % (2004, EIU schatting)
Saldo handelsbalans US$ 59,0 miljard (2004)
Lopende rekening betalingsbalans US$ 68,7 miljard (2004)

2.3 Gegevens over ontwikkeling (Bron: ANP)

Groeisectoren Infrastructuur, energie en transport
Energiesituatie Economische ontwikkelingen leiden tot snelle stijging in energiebehoefte in China, dat olie importeert sinds 1996. Energie wordt vooral opgewekt door sterk vervuilende steenkolencentrales. Alternatieve energiebronnen (aardgas, waterkracht, biomassa) worden ontwikkeld.
Human development index 0,745 (2002, 94e plaats)
Human poverty index 13,2 (24e plaats)
Gender-related development index 0,741 (71e plaats)
% inwoners dat leeftijd van 40 niet haalt 7,1% (2000-2005)
Alfabetisering 86,5% (v) – 95,1% (m) (2002)
% mensen met toegang tot veilig drinkwater 77% (2002, World Bank)
% mensen met toegang tot gezondheidszorg 80-94% (1999)
% kinderen tot 5 jaar met ondergewicht 11% (1995-2002)

2.4 Betrekkingen met Nederland (Bron: ANP)

Hr. Ms. Ambassadeur Tijdelijk Zaakgelastigde a.i. drs. K.J.G. van Oosterom
Geaccrediteerde ambassadeur in Nederland Mw.XUE Hanqin (sinds 10.09.2003)
Postennetwerk Ambassade te Peking, consulaten-generaal te Hongkong SAR, Shanghai en Guangzhou, 7 economische steunpunten (Chengdu, Jinan, Kunming, Nanjing, Shenyang, Tianyin, Wuhan)
Nederlandse gemeenschap, excl. Hongkong Ongeveer 900 personen
Chinese Gemeenschap in Nederland 41.694 (1e en 2e generatie, 2004 CBS)

2.5 Handelsbetrekkingen met Nederland (Bron: ANP)

2.6
Nederlandse uitvoer € 2,3 miljard (2004)
- belangrijke producten Elektrische apparaten, kunststof, machines, organische chemische producten
Nederlandse invoer € 14,2 miljard (2004)
- belangrijke producten Kantoormachines, toestellen voor telecommunicatie en audio, diverse gefabriceerde goederen, metaalwaren
Investeringen vanuit Nederland € 1,7 miljard (2003)
Investeringen in Nederland Onbekend

3. De geschiedenis van China

3.1 Wat zijn de hoofdlijnen van de geschiedenis van China?

De geschiedenis van China is op te delen in verschillende delen, die we kort allen zullen bespreken:
• Voorgeschiedenis (Oudheid en Middeleeuwen)
• De Jezuďetentijd (zestiende tot achttiende eeuw)
• Na de Opiumoorlog
• De twintigste eeuw

Voorgeschiedenis
Uit archeologische opgravingen is gekomen dat rond 1550 er in China de eerst bekende dynastie was, met een koning – die ook functioneerde als militair en religieus leider – aan het hoofd. Het schrift was al ver ontwikkeld, maar werd alleen nog in politieke kringen gebruikt. In die tijd waren de aristocratie, de boeren en de handwerkslieden de drie belangrijkste sociale groepen. Rond 772 voor Christus was de macht van het koningshuis miniem geworden en stond de vorst slechts als symbool aan hoofd van het land. In de periode van 453 tot 221 voor Christus - de ‘Periode van de Strijdende Staten’ genoemd – werd de feitelijke macht verdeeld onder een grote groep ruziemakende staten. In deze periode ontstonden de grote filosofische stromingen in China, die van grote invloed waren op de latere cultuur. Dan, mede door filosofische oplossingen, ontstond er een eenheidsstaat met een centraal bestuur. Uiteindelijk verenigt Qin China onder een vorst, een keizer wel te verstaan. Langzamerhand wordt het confucianisme de staatsideologie, dat in latere tijden ook van grote invloed zal zijn op het leven van de gewone burger. De honderden jaren daarna zijn tijden van veel oorlogen en de families aan de macht wisselen snel af. Rond 1200 begint de religieuze, culturele en wetenschappelijke bloei van het land en na wat invallen van de Mongolen en een heropleving van het confucianisme weet China een bruisende cultuur te hebben en te behouden.

De Jezuďetentijd
In deze periode werd voor het eerst informatie uitgewisseld tussen China en het Westen door mensen die echt in de maatschappij van beide werelden doordrongen. Hoewel het rijk, na constante invallen, werd afgesloten van buitenlandse betrekkingen (conservatisme), mochten de jezuďeten China betreden. Jezuďeten waren mannen die oorspronkelijk kwamen om de Chinezen te kerstenen door zich te mengen in de Chinese maatschappij. Vanwege het feit dat met een paar duizend man je niet miljoenen mensen van hun geloof af kan halen, is dit streven nooit gelukt – maar de jezuďeten zorgden ervoor dat westerse wetenschap en technologieën in China bekend konden worden gemaakt. In Europa ontstond er zelfs een China-gekte, waar rijkere burgers alles wat van China kwam in huis haalden om mee te pronken. Het is in deze tijd dat de belangrijkste filosofieën werden uitgewisseld, een erfgoed waar we vandaag der dag nog steeds dankbaar om mogen zijn.

De twintigste eeuw

Na de val van het keizerrijk in 1911 probeerden zogenaamde ‘warlords’ – provinciale militaire aanvoerders – de macht te grijpen in de nieuwe republiek China. De Eerste Wereldoorlog liet Japan Mantsjoerije van China overnemen en hoewel het verdrag van Versailles Mantsjoerije toewees aan Japan werd in 1921 de republiek China officieel erkend. In 1925 versloeg Tsijang Kai-Sjek, de leider van de Kwo Minh Tang partij, de warlords en werd hij leider van China. Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog wakkerde het communisme ook aan in China en na een burgeroorlog kwam de communist Mao Zedong aan de macht, die een dictator bleek en miljoenen mensen de dood injoeg. Intussen vestigde de nationalistische Tsijang Kai-Sjek zich in Taiwan en werden daar, door spanning tussen Amerikaans kapitalisme en het communisme uit de Sovjet-Unie, uitgeroepen tot het geaccepteerde China. Het communisme vierde intussen feest in China: alle bedrijven werden van de staat gemaakt en er ontstond een planeconomie, waar alle productie van bovenaf werd geregeld. De Culturele Revolutie tussen 1966 en 1970 en de dood van Mao in 1976 maakte een eind aan het strikte beleid. Nog steeds is er in China een eenpartijenstelsel en worden de mensenrechten geschonden (Tibet), maar het land lijkt het communisme nu definitief van zich af te gaan schudden.

3.2 Hoe is de handelsrelatie tussen China en Europa van vroeger tot nu geweest?

In 1517 had de Paus besloten dat Portugal geheel China mocht hebben. Tomaso Pires werd naar Peking gestuurd, maar niet bepaald welkom ontvangen. In 1596 probeerde Nederland met het handelen met Chinezen, maar ook dit liep tot niets uit. Alleen de Russen wisten in en rondom Peking wat handel te regelen.

Pas na de Opiumoorlogen, toen Engeland China tot handel dwong, kwam de verdere handel op gang. In 1877 werd de eerste Chinese ambassadeur naar London gestuurd. China keek het openstellen van de grenzen bij Japan af en in 1906 werd het confucianistische examen opgesteld en kwam de eerste moderne universiteit. Het staatsbestel, de overheidsfinanciën, het recht en het leger werden gemoderniseerd en in de havens uit het eerder genoemde verdrag met Engeland vestigden zich buitenlandse industrie, waar China ook eigen fabrieken begon neer te zetten. Sociaal gezien verdwenen ook de standen, wat ook weer leidde tot het einde van het keizerrijk. Sinds 1949 was de westerse aanwezigheid in China beperkt tot Hongkong en Macau.

In 1964 ging China diplomatieke relaties aan met Frankrijk. Een jaar later sloot het verdragen met de EEG: buitenlandse investeringen, handel en technologische hulp namen zeer sterk toe in de jaren 1980. In 1995-1996 besloot Europa China in de wereldeconomie te integreren bij de inschakeling in het handelssysteem en door zijn economische en sociale ontplooiing te stimuleren. De relaties met Amerika verbeterde, onderhandelingen over de mensenrechten, toen Nixon aan de macht was in 1972 – onder druk van de businesswereld.
Waar de banken en bepaalde bedrijven nog wel in handen van de staat bleven, begon China steeds meer zijn economie te openen voor andere landen – tot het punt nu, waar China naar zeggen verandert van een communistische naar een kapitalistische staat.

4. China & de wereldeconomie

4.1 Internationale handel & globalisering

De wereldeconomie verandert ook en wel in twee routes (volgens Professor Dr. H.A. Ebbers; hoogleraar International Economics aan Nyenrode Business Universiteit):

• Multilaterale organisaties (IMF; International Monetary Fund, de Worldbank en de WTO; World Trade Organisation) proberen mondiale regels af te spreken op het terrein van internationale handel en investeringen.
• Regionaal gaan landen steeds meer, onafhankelijk van het WTO, afspraken maken over afschaffing van handelsbarričres en verlaging van obstakels van onderlinge investeringen.

Beide richtingen maken deel uit van globalisering, een begrip dat op verschillende manier uitgelegd kan worden, maar waar voor ons de compleetste omschrijving uitkomt als: het steeds meer handel drijven tussen verschillende landen, wat uiteindelijk leidt tot een wereldeconomie. Natuurlijk is deze handel al honderden jaren aan de gang (gebaseerd op verschillende fases•), maar het is pas sinds de jaren zeventig dat er daadwerkelijk een specifiek beleid is dat globalisering ondersteunt. Door sterke toename van internationale handel en directe investeringen ontstaat er een groeiende economische afhankelijkheid tussen landen, met als drijvende krachten achter het proces:

• De sterke afname van de transport- en communicatiekosten
• De ontwikkeling van nieuwe technologieën
• Het doorgevoerde deregulering- en liberaliseringprocens van het handels – en investeringsverkeer
• Het naar elkaar toegroeien van het welvaartsniveau in de OECD• landen

Globalisering zou alleen maar voordelen brengen (snellere groei, sneller toegang tot nieuwe technologieën, goedkopere import en grotere concurrentie) volgens the International Chamber of Commerce, maar de tegenstanders (Organisation for Economic Cooperation and Development) spreken van negatieve gevolgen voor rijkere landen door wereldwijde integratie en dus de vlucht van arbeidsplaatsen naar lage lonen gebieden. Volgens een onderzoek in 2005 van het ministerie van Economische Zaken naar de effecten van productverplaatsing voor Nederland zullen er vooral veel in de ICT-sector veel banen aan o.a. China verloren zullen worden, maar is deze bedrijvigheid per saldo uiteindelijk meer werk oplevert.

Landen specialiseren zich nou eenmaal in de productie waarin ze relatief het efficiëntst in zijn en wisselen hun producten en diensten met elkaar uit. China heeft relatief veel arbeid en de prijs van arbeid ligt dus relatief op een laag peil. Specialisatie in arbeidsintensieve producten en de export ervan naar landen waar er relatief weinig arbeid (maar kapitaal) tot de beschikking is, is dus een logisch gevolg.

4.2 China’s groei

Veel economen zien China nog steeds als een relatief gesloten economie. De economische ontwikkelingen worden gedragen door binnenlandse bestedingen, soms geholpen door overheidsbestedingen. Maar intussen is China wel al geďntegreerd in de wereldeconomie, te zien aan de ontwikkeling van de Chinese internationale handel, gerelateerd aan de groei van de binnenlandse productie of de prijsverschillen tussen internationaal verhandelbare goederen en de intensiteit van de handelsbarričres.
Het aandeel in de wereldhandel van China lag in 2004 op 7% - een verdubbeling in tien jaar. In 1993 was het aandeel van de internationale handel in het bruto binnenlands product rond de 30%, tien jaar later 60% - door enorme groei van de export (gemiddelde jaarlijkse groei 15%) en productie. Terwijl de Chinese export naar de Verenigde Staten van 9% in 1991 is gestegen naar 25% in 2003, is de import uit de Europese Unie en de Verenigde Staten van 19.6% in 1980 naar 12.2% gegaan . In de Europese Unie is de export naar China van 16.1% in 1995 gedaald naar 13% in 2003. De import van China echter is van 15% in 1980 (volgens World Trade Organisation) tot bijna 53% gestegen.
Maar andere landen, zoals Brazilië en Argentinië exporteren respectievelijk 6,5% en 8,5% (2004) naar China – voor Argentinië een verzesvoudiging ten opzichte van 1995 – en hiermee is aangetoond dat ook andere landen sterkere economische banden met China krijgen. Uit de handelsintensiteit index blijkt dat de handelsintensiteiten van China met Japan, Hong Kong en overig Azië boven de één zijn, te verklaren met fysieke en culturele afstanden. In vergelijking met andere regio’s is de handelsintensiteit binnen de Aziatische regio laag, evenals met Europa. Alleen de handelsintensiteit van de Chinese export tot de Verenigde Staten is hoog. Dus het is opvallend dat de Aziatische regio enorm veel importeert van uit China, maar weinig exporteert.

4.3 Investeringen in China

Volgens www.worldinvestmentreport.com was China de ontvanger van de grootste stroom directe investeringen. Er is sprake van een explosieve toename. Door deze instroom aan buitenlandse investeringen is de invloed van buitenlandse bedrijven op de Chinese economie toegenomen.
Steeds meer bedrijven baten hun eigendomsvoordelen uit op de Westerse markten. In 2000 werd 50% van de Chinese internationale handel bepaald door multinationale ondernemingen en deze ontwikkeling lijkt zich alleen maar door te zetten: de rol van het buitenlandse bedrijfsleven in de Chinese economie wordt alsmaar groter “The competition from local competitors is increases enormously. Ten years ago there was hardly any competition. Today, the Chinese companies have learned a lot. The question is how long this advantage will last since more and more Chinese companies buy Western companies to compete on the global market as well.” (Zo vermeldt H.A. Ebbers na interviews in Shanhai). Sinds enkele jaren is er namelijk een toename van uitgaande investeringen, terwijl de inkomende investeringen zich verplaatsen van laag en standaard arbeidsintensief werk naar kapitaal- en kennisintensieve industrieën. Er komen steeds meer lange termijn kapitaalstromen tussen China en de Aziatische regio dat duidt op ontwikkeling.

Hoofdstuk 5

5.1 De binnenlandse problemen van Europa

In Europa ligt het probleem vooral bij de arbeidsproductiviteit: mensen werken minder, stoppen eerder en de mensen die werken, draaien minder uren. Investeerders hebben geen vertrouwen meer in de economie en investeren minder en de werkloosheid loopt op. De groei is laag en het nationale inkomen per hoofd stagneert op ongeveer 70% van de Verenigde Staten (terwijl het nationaal inkomen per gewerkt uur op 90% van de Verenigde Staten ligt – we werken dus gewoonweg te weinig). Ook de vergrijzing biedt niet bepaald hoop.

5.2 De kansen voor Europa

De Commissie van Europese Gemeenschappen van de Europese Unie vermeldde op 20/04/2004 ongerust te zijn over een mogelijk desindustrialisatieproces in Europa•. Dit naar aanleiding van een uiting van ongerustheid van de Europese Raad, over het concurrentievermogen van Europa na de uitbreiding van de Europese Unie. Uit de analyse van de Commissie blijkt dat er geen bewijzen zijn voor desindustralisatie zijn, maar merkte wel op dat de Europese industrie een structurele verandering ondergaat – met een gunstig effect, door schepping en gebruik van kennis. Dan blijken de productiviteit, het onderzoek en de innovatie aanleiding tot een probleem: de arbeidsintensieve sectoren, maar ook in de intermediaire sector, dienstensector en bepaalde hightectsectoren, verplaatst zijn activiteiten naar andere plaatsen, waar China en India grote winnaars zijn. Voor de Europese industrie hoeft dit geen slecht nieuws te betekenen, mits het beleid anders gevoerd wordt.

De voordelen die dan opkomen zijn
• het vergroten van de interne markt
• bedrijven kunnen op grote schaal reorganiseren en van concurrentievoordeel gebruik maken

De commissie noemt dan wel noodzakelijke acties:
• De Europese Unie moet zich blijven inspannen voor een betere wetgeving; meer aandacht voor concurrentievermogen en meer inzicht in het effect van de regelgeving
• Beleidssectoren zouden beter moeten samenwerken, om meer effect te behalen en het concurrentievermogen te verbeteren. Op kennisgebied moet het innovatie-, onderzoeks-, opleidings- en concurrentiebeleid absoluut verbeterd worden.
• Er moeten worden onderzocht hoe doeltreffend de productiefactoren in de industriesector moeten worden ingezet.

Staatssecretaris Van Gennip verklaarde zeker wel te investeren in China:
“Bijna alle grote multinationals hebben vestigingen in China. Zij vinden er vanzelf hun weg. Als overheid willen wij ook kleinere bedrijven wijzen op kansen en hen helpen starten in China. In januari bezocht een uitgebreide handelsmissie het land en begin 2006 gaan we er weer met een groot aantal bedrijven naartoe. We hebben een Nederlands kantoor voor wetenschap en techniek geopend in Beijing. Zo brengen we vraag en aanbod aan zowel Nederlandse als Chinese zijde bij elkaar. Daarnaast is er een promotiekantoor opgezet voor Chinees toerisme naar Nederland en voert de Nederlandse regering actief overleg met China over het beschermen van intellectueel eigendom. Alleen door effectieve bescherming van intellectuele eigendomsrechten trek je als land immers hoogwaardige investeerders aan.”

Dat de prijs van de Chinese munt ten opzichte van de dollar kunstmatig laag wordt gehouden (dit is natuurlijk nadelig voor de Verenigde Staten), is voordelig voor Europa, omdat de koers van de Chinese munt meer of evenveel daalt als die van de Verenigde Staten. Vanaf 2006 zal het dan ook voor buitenlandse banken toegestaan zin om hun diensten aan te bieden aan de Chinese consumenten en in 2007 dient de markt volledig open te zijn voor buitenlandse concurrentie – in 2003 was het voor buitenlandse mogelijkheden al mogelijk om diensten te verlenen aan Chinese ondernemingen.

Er hebben al wat bedrijven geďnvesteerd in Chinese bedrijven en de resultaten variëren van een rendement van 99.5% tot 5%. Investeren wordt op zich niet afgeraden, maar er wordt wel gewaarschuwd voor een mogelijke instorting van de markt op bepaalde plaatsen.

5.3 De gevaren voor Europa

Door de explosieve economische groei van China de afgelopen jaren heeft het land er een grote groep middenklassers bij gekregen. Het gevolg is dat deze groep naar steden, zoals Beijing, Shanghai, Guangzhou en Shenzhen, trekt en er daar dus bijna 30 miljoen potentiële klanten wonen met een vermogen van bijna 45 miljard dollar (gemiddelde van onderzoeken van ABN Amro, Postbank).

Het inschatten van de risico’s blijkt moeilijk, vooral omdat de tegenstellingen in China zo groot zijn (voorbeeld: Nokia, Samsung en Motorola zien China als grootste markt, terwijl 400 miljoen Chinezen nog nooit een telefoon in hun handen hebben gehad – maar een markt van 1.3 miljard Chinezen min die 400 miljoen nog steeds ontzettend groot is) en er zo moeilijk een eenduidige analyse van de economie te maken.

Duidelijk is dat hervormingen van de welvaartsstaat en arbeidsmarkt nodig zijn, door strengere criteria voor de WAO en WW, soepelere ontslagregelingen en een verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd. Hoogste prioriteit is dus economische groei, maar wel met in stand houding van een (kleinere) verzorgingsstaat. In Nederland zijn er teveel kleine bedrijven die de macht in handen hebben, waardoor concurrentie, innovatie, mobiliteit en marktfinanciering niet worden gestimuleerd. Zie in 5.3 hoe volgens het Sapir-rapport• daar wat aangedaan moet worden.

5.4 Wat zou Europa moeten doen om zich te weren tegen ‘het komen’ van de Chinezen in de toekomst?

Het eerdergenoemde Sapir-rapport geeft suggesties:
- Betere afstemming regulering- en concurrentiebeleid om het makkelijker te maken nieuwe bedrijven te laten toe treden tot de markt.
- Het verbeteren van de infrastructuur en het makkelijker maken te reizen buiten de Europese Unie om zo de mobiliteit te verbeteren.

“De industrie is zeer bepalend voor het Europese concurrentievermogen. De EU-instellingen en de lidstaten moeten bijdragen tot een totstandbrenging van een gunstig ondernemingsklimaat. De combinatie van voorgestelde activiteiten moet de Europese industrie helpen de uitdaging van de industriële verandering met succes het hoofd te bieden.”

Wat de commissie in ieder geval duidelijk maakt is dat er ingegrepen moet worden. Zo gaf ook de Britse premier Tony Blair zijn mening over ‘het komen van de Chinezen’ in zijn toespraak voor het Europese Parlement op 23 juni 2005 op een wat meer populistische wijze weer:

“Als Europa toegeeft aan euroscepticisme, of als Europese landen in het zicht van deze enorme uitdaging besluiten om bij elkaar te kruipen, in de hoop dat we globalisering dan kunnen vermijden, als we terugdeinzen voor de confrontatie met de veranderingen om ons heen, als we ons verschuilen achter de huidige Europese beleidsthema’s alsof we ze alleen al relevanter maken door ze steeds te herhalen – dan lopen we het risico van mislukking.

Een mislukking van enorme, strategische afmetingen.

Dit is niet het moment om degene die Europa willen veranderen, ervan te beschuldigen dat ze Europa verraden. Het is het moment om in te zien dat Europa alleen door te veranderen zijn kracht, zijn relevantie, zijn idealisme kan herwinnen en daarmee zijn steun onder de volkeren.”

Op het voorstel het sociale model te veranderen, reageerde Blair in zijn rede met:

“Wat voor sociaal model is het dat in Europa twintig miljoen werklozen heeft, met een productiviteit die achterloopt bij die van de Verenigde Staten, dat het mogelijk maakt dat er meer afgestudeerde natuurwetenschappers uit India komen dan uit Europa; en dat, in elke vergelijkende index van een moderne economie, vaardigheden, onderzoek en ontwikkeling, octrooien, IT, terrein verliest in plaats van wint?

India zal zijn biotechnologische industrie de komende vijf jaar vervijfvoudigen. China heeft zijn uitgaven aan onderzoek en ontwikkeling de afgelopen vijf jaar verdrievoudigd.

Van de twintig topuniversiteiten in de wereld staan er twee in Europa. ”
(uit de toespraak die Tony Blair op 23 juni voor het Europese Parlement hield)

Volgens Blair zouden we veel beter tegen China kunnen opboksen als we zouden investeren in kennis, in vaardigheden, in een actief arbeidsmarkt beleid, in wetenschapsparken en innovatie, in hoger onderwijs, in stadsvernieuwing en in steun aan kleine ondernemingen (Blair haalt dit uit het rapport-Kok uit 2004). Ook wil hij door (jeugd)werkloosheid sterk te verminderen en meer investeren in publieke dienstverlening zich beter weren tegen China. De landbouwsubsidies moeten worden opgeheven en men moet zich aan het Verdrag van Lissabon• houden.

Hoofdstuk 6

6.1 De binnenlandse problemen van China

Ondanks het optimistische beeld van velen is het de vraag of de ontwikkeling in China zich wel door kan zetten. Een te sterke groei zal uiteindelijk leiden tot oververhitting en onevenwichtigheden in de economie en misschien zelfs de economie wel op zijn kop zetten. Hoogst waarschijnlijk zullen de autoriteiten het niet zo ver laten komen, door een aantal maatregelen (inperking kredietverlenging en hogere rente). China mag dan wel op weg zijn naar Europa, maar hoe goed gaat het door die opmars eigenlijk met China zelf?

Enkele gevaren voor China, die verergerd kunnen worden door de groei van de economie:

- instabiliteit van het financiële systeem
China heeft een overheersende invloed van staatsbanken en een grote hoeveelheid slechte leningen (waarde geschat op 400 miljard dollar, hoewel de officiële cijfers 225 miljard dollar melden), zogenaamde NPLs (Non Performing Loans): leningen die door slechte economische omstandigheden door bedrijven niet terug betaald kunnen worden. Volgens het IMF is 30% van die uitstaande leningen ‘non performing’, wat overeenkomt met ruim 24% van het bruto binnenlands product. Dit komt voornamelijk doordat staatsbanken (overblijfselen van het communisme) leningen hebben moeten verstrekken aan noodlijdende staatsbedrijven. De Chinese overheid heeft geprobeerd de leningen terug te dringen en de banken te privatiseren.

- de verergerde situatie van noodlijdende staatsbedrijven
In 2003 waren de noodlijdende staatsbedrijven nog goed voor werk voor 40% van de bevolking. Volgens officiële cijfers lijdt 40% van die bedrijven verlies, maar het zullen er waarschijnlijk meer zijn en zij accepteren 80% van de bankleningen, ofwel het beschikbare kapitaal. Sinds 1997 zijn er al 30 miljoen mensen werkloos geworden en er zullen door het reorganiseren van de bedrijven nog zeker wel meer vallen.

- toenemende migratie van plattenland naar de steden en de hier door komende inkomensongelijkheid
Door deze migratie zijn er jaarlijks 20 miljoen extra arbeidsplaatsen nodig. Nu al blijkt dat deze arbeidsplaatsen nooit opgevuld kunnen worden en massaontslagen en een nog schevere verdeling van de welvaart zullen het gevolg zijn.

- mogelijkheid tot oververhitting van de economie
Oververhitting wijst op een economische situatie, waarin de vraag zo groot is dat deze niet meer door de productiecapaciteit kan worden opgevangen. Gevolg is inflatie en schaarste op de markt, gevolgd door groeivertraging. Er kunnen bijvoorbeeld acute problemen ontstaan bij stroomvoorziening, transport en infrastructuur. Dit zal in combinatie met de hoger wordende brandstofprijzen noodlottig worden voor de verlies lijdende staatsbedrijven – vooral omdat China minstens een vijfde van alle metalen op de wereld gebruikt en die metalen ongeveer 25% duurder zijn geworden.

- Loslaten vaste koers Renminbi (Yuan)
China heeft zijn koerst gekoppeld aan de Amerikaanse dollar (Rmb 8.28 tegen 1 dollar), zodat de Chinese export geen last heeft van de goedkopere dollar – want als de dollar in koers daalt ten opzichte van de renminbi, worden de Chinese producten duurder voor Amerikaanse kopers. Dit beleid betekent wel dat de overheid moet ingrijpen, omdat anders de koers gaat stijgen en dalen (fluctueren), Dit doen ze door een deel van de binnenlandse kapitaalmarkt af te schermen van internationale kapitaalstromen en via interventie• (de Chinese centrale bank koopt met grote bedragen aan dollars po, zodat de koers van de renminbi omlaag wordt gedreven). Hervorming van het wisselkoerssysteem, wegens vele kritieken uit binnenland en buitenland, gaat een van de belangrijkste veranderingen in de komende jaren worden.

6.2 De kansen van China

De economische kracht van China en haar concurrentievermogen zal altijd gebaseerd blijven op de lage lonen. Die lonen blijven laag door massale toestroom van de plattelandsbevolking naar de steden en zo kan China constant nieuwe werknemers aanvoeren. Dat onderscheidt China van andere tijgers (Aziatische landen die in opkomst waren/zijn, o.a. Japan, China en India).

6.3 De gevaren voor China

De economische kracht van China en haar concurrentievermogen zal altijd gebaseerd blijven op de lage lonen. Die lonen blijven laag door massale toestroom van de plattelandsbevolking naar de steden en zo kan China constant nieuwe werknemers aanvoeren. Dat onderscheidt China van andere tijgers (Aziatische landen die in opkomst waren/zijn, o.a. Japan, China en India).

Critici wijzen er op dat de Chinese groei gefinancierd wordt door goedkope en te makkelijke kredieten. Deze leningen moeten worden onderdrukt door een hogere efficiëntie van ondernemingen en zo kan er bubblevorming• ontstaan.

• gevolg van de oververhitting en speculatie die na jaren van forse economische groei (in ieder geval door de jaren'60 en '70 heen) aan het eind van de jaren '80 tot onder andere hoge onroerend goedprijzen leiden. Banken gaven met bijvoorbeeld aandelen of vastgoed als onderpand leningen aan bedrijven die nu niet terug kunnen betalen en waarvan het onderpand de lening ook niet meer dekt.

Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.