geef je mening

Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?



» resultaten poll

CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.

ff n studiebreak

Klasgenoten stonden vroeger als hongerige hyena's om Jorieke heen. Klaar om het jonge hertje aan te vallen dat nog scoubidoutouwtjes had.

Geschreven door:

FSD (4 vwo) [meer]

Datum ingestuurd:

3 juni 2006

Taal:

Woorden:

1.300

Bekeken:

6242 keer (49 deze maand)

Waardering:

3.2/5 (21 stemmen)

Deel op:

Naam:


Klas/niveau:


E-mail:


Bericht:


Bestemd voor

Geheime code: 


 
Wat is afweer?
Ons lichaam heeft net als een huis een ingebouwd passief verdedigingssysteem.
Dat wil zeggen dat het onopgemerkt altijd aanwezig is en in werking. Zo helpt het ons lichaam te beschermen tegen: virussen, bacteriën, schimmels en vergiften.
Onder ons afweersysteem valt zowel de beschermende buitenlaag (de huid), als de complexe afweermiddelen binnen in ons lichaam. Infecties kunnen dus alleen worden bestreden door middel van nauwkeurige en overal inzetbare afweerwapens. De cellen en antilichamen van ons immuunsysteem kun je dus eigenlijk vergelijken met bewakingscamera’s en alarminstallaties van een huis. Vragen over deze presentatie kunnen achteraf gesteld worden.

Soorten afweer
1. uitwendige afweer
2. inwendige afweer:
• specifieke
• a-specifieke

Naast uitwendige afweer, bestaat ons afweersysteem ook uit inwendige afweer.
Deze kunnen we verdelen in specifieke afweer en a-specifieke afweer.
Eerst gaan we wat vertellen over uitwendige afweer.

Uitwendige afweer
Vaak wordt er gedacht dat onze huid zacht en kwetsbaar is, maar eigenlijk biedt ze een opvallend doeltreffende bescherming tegen de buitenwereld. Ze is hard en veerkrachtig, ze vernieuwt en geneest zichzelf, houdt micro-organismen uit ons lichaam, produceert haar en nagels en zorgt dat we kunnen voelen. En al die functies zitten verpakt in een laagje weefsel dat slechts 2 mm dik is.

A-specifieke afweer
A-specifieke afweer is de afweer tegen meerdere ziekteverwekkers. Dat wil zeggen dat ze zich niet specifiek tegen 1 ziekteverwekker richten. De cellen die voor a-specifieke afweer zorgen zijn de fagocyten. Deze ontstaan uit stamcellen in het rode beenmerg en komen daarna in het bloed terecht. Fagocyten kunnen allerlei ziekteverwekkers en stoffen of cellen die niet in je lichaam thuis horen in zich opnemen, dit proces noemen we Fagocytose.

We onderscheiden 2 soorten fagocyten: de granulocyten en de monocyten. De granulocyt eet de bacterie op. De bacterie wordt zo gedood en verteerd. De granulocyten gaan hierbij meestal ook dood. Dit gebeurt bijvoorbeeld wanneer een wond ontstoken is.
De monocyten blijven na hun ontstaan slechts enkele dagen in het bloed aanwezig, ze verplaatsen zich naar de weefsels en veranderen dan van vorm.
Na deze verandering worden ze macrofagen genoemd. Naast a-specifieke afweer door fagocytose, spelen macrofagen ook een rol bij de specifieke afweer maar hier komen we later op terug.

Bij fagocytose worden antigenen aangemaakt die zich op het celmembraan plaatsen zodat het in de lymfeknopen kan worden afgelezen. Hierdoor wordt de specifieke afweer geactiveerd doordat de antigenen worden aangeboden als antigeenpresenterende cel (APC).
Hier komen we later op terug.

Specifieke afweer:
Specifieke afweer is de afweer tegen 1 ziekteverwekker. Dat wil zeggen dat ze zich niet tegen meerdere ziekteverwekkers richten. Specifieke afweerreacties worden opgewekt door antigenen. Antigenen zijn grote moleculen, vrijwel altijd eiwitten. Ze bevinden zich meestal op celmembranen maar kunnen ook geïsoleerd in een organisme voorkomen. Elk lichaam heeft eigen specifieke antigenen en herkend antigenen die anders zijn als lichaamsvreemd. Dit gebeurt door herkenning van receptoreiwitten. Receptoreiwitten komen voor op alle lichaamscellen en zijn specifiek, want elk receptoreiwit kan slechts 1 antigeen binden. Verder spelen bij specifieke afweer lymfocyten een grote rol. Lymfocyten ontstaan uit stamcellen in het rode beenmerg. Wanneer de lymfocyten verder rijpen in het beenmerg ontstaan er B-lymfocyten, wanneer ze in de thymus rijpen ontstaan er T-lymfocyten.
Na de rijping van de B- en T-lymfocyten verspreiden ze zich over het lichaam via het bloed en via het lymfestelsel.

APC (antigeenpresenterende cellen):

Het lichaamsvreemde antigeen wat je lichaam is binnengedrongen wordt door de macrofagen gebonden aan de receptoreiwit. Een macrofaag met lichaamsvreemd antigeen op het celmembraan wordt een antigeenpresenterende cel (APC) genoemd. Via de lymfe en het bloed komen de APC’s in het lymfestelsel terecht. De APC’s worden aangeboden aan de B- en T-lymfocyten. Deze worden hierdoor geactiveerd.

De geactiveerde T-lymfocyten delen zich in 3 typen dochtercellen:
- T-helpercellen
- Cytotoxische cellen (Killer T-cellen)
- T-geheugencellen

Het merendeel van de dochtercellen zijn T-helpercellen. De T-helpercellen geven verschillende soorten Cytokinen af. Deze eiwitten hebben een stimulerend effect voor de ontwikkeling van Cytotoxische cellen.
Cytotoxische cellen verlaten het lymfestelsel en vernietigen lichaamscellen die met virussen zijn geïnfecteerd. Cytotoxische cellen vernietigen virussen en ook zichzelf, hierdoor worden ze ook wel Killer T-cellen genoemd.
T-geheugencellen: deze cellen blijven in de bloedbanen, ook als de infectie al is bestreden.
Als ze dit antigeen opnieuw tegenkomen, komen de cellen meteen in actie waardoor er een snellere afweerreactie volgt.

Onder invloed van cytokinen uit T-helpercellen ontwikkelen B-lymfocyten zich tot 2 typen dochtercellen:
- Plasmacellen
- B-geheugencellen

Plasmacellen vormen antistoffen tegen antigenen. De antistoffen zijn eiwitten en worden ook wel immunoglobulinen genoemd. Tegen een antigeen kunnen meerdere verschillende antistoffen worden gevormd. Een plasmacel kan echter maar 1 type antistof vormen. Antistoffen binden zich aan antigenen. Plasmacellen kunnen heel snel grote hoeveelheden antistoffen produceren. De antistoffen komen in alle lichaamsvochten van je lichaam terecht, daarom noemen we afweer door afweerstoffen humorale afweer. (Humor = vocht)
B-geheugencellen herkennen net als T-geheugencellen het antigeen van de al bestreden infectie.
Dus als ze het antigeen opnieuw tegenkomen zorgt dit voor een snelle reactie, zodat je bij een nieuwe infectie meestal niet ziek wordt. Je bent dan immuun geworden.

Seropositiviteit.

Wat is seropositiviteit?
Seropositief betekent dat je bij een bloedtest kan zien dat het Hiv-virus in je bloed zit. Je lichaam maakt namelijk antistoffen aan tegen het virus en die zijn zichtbaar. Dat noem je Hiv-seropositief of seropositief. Positief betekent in dit geval dat het lichaam in een bloedtest een positieve, duidelijke reactie laat zien op het Hiv-virus. Het toont dus aan dat het virus in je lichaam zit.

Hoe is het virus overdraagbaar?
- Via bloed-bloed contact
- Via seksueel contact
- Van een moeder op een nog ongeboren of pas-geboren kind

Is HIV hetzelfde als aids?
De termen HIV, Aids en Seropositief worden nogal eens door elkaar gebruikt. Toch zijn het niet dezelfde dingen.

HIV is de naam van het virus dat Aids veroorzaakt. Je kan geïnfecteerd worden met het Hiv-virus. Het virus dringt dan je lichaam binnen het begint je afweersysteem kapot te maken. Iemand met het Hiv-virus noem je Hiv-geïnfecteerd of seropositief. Je hoeft je dan nog niet ziek te voelen en je hebt dan ook nog geen Aids.

Aids op zichzelf is geen dodelijke ziekte. Wat aids in feite doet is het afweer systeem zo verzwakken dat een simpele verkoudheid, in een late fase van Aids, al genoeg is voor de patiënt om te overlijden. Doordat Aids geen specifieke kenmerken heeft, is het ook heel erg moeilijk om de ziekte aan te wijzen. De enige kenmerken die te zien zijn is van de infectie die je krijgt doordat je afweersysteem zo verzwakt is. Hoelang het duurt voordat je Aids krijgt, verschilt van persoon tot persoon. Zonder medicijnen duurt het gemiddeld een jaar of 10. Maar met medicijnen kan het veel en veel langer duren.

3 toetsvragen

1. Wat toon je nou eigenlijk aan bij een Hiv-test?

- anders als bij andere ziektes worden niet de micro-organismen die de infectie veroorzaakt maar de acties van het lichaam tegen het micro-organisme die HIV veroorzaken aangetoond.

2. Waarom werken B en T-geheugencellen niet bij een griep?

- Omdat het griepvirus steeds veranderd waardoor het onmogelijk is voor de geheugen cellen om ze te herkennen.

3. Hoe komt het dat kleine kinderen vaker ziek zijn dan volwassenen?

- omdat kleine kinderen nog niet zo veel in aanraking geweest zijn met verschillende infecties dan volwassenen, hierdoor heeft een kind minder B en T-geheugencellen. Hierdoor zijn er nog niet zo veel antigenen in de bloedsomloop van het kind, waardoor er minder snel gereageerd wordt op een infectie bij een kind dan bij volwassenen.

Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.