Geschreven door: | |
Datum ingestuurd: | 26 maart 2006 |
Woorden: | 3871 |
Opvragingen: | 577 (3 deze maand) |
Waardering: |
Voorwoord
Om de grote landbouw voor een algehele ondergang te behoeden, trachtte men in Suriname als plaatsvangers van de negerslaven arbeidskrachten aan te trekken van een ander type, nl. ‘’contractarbeiders’’ , d.w.z. vrije arbeiders, die zich onder een contract, dat strafrechtelijk gesanctioneerd is verbonden om een bepaald aantal jaren op de plantages te werken.
Inleiding
Reeds voor de afschaffing van de slavernij en ook in de jaren van het staatstoezicht werden pogingen gedaan om kontraktarbeiders voor de plantages aan te trekken.
De regering ondersteunden deze pogingen met primies en met het toekenen van faciliteiten, maar liet de immigratie over aan particulieren. Hierdoor vooral kwam er in die jaren geen grootschalige immigratie van de grond, omdat belangrijke emigratie landen, waar onder Engeland als eigenaar van Brits-Indië, hun havens niet wilde openstellen voor emigratie, als die niet plaatsvond door of onder toezicht van de regering van de ontvangende landen.
In 1870 gooide Nederland het roer om. Dezelfde minister die als kamerlid in1862 regerings bemoeienissen met de immigratie had voorkomen, besloot nu om het initiatief in handen te leggen van de regering. Met Engeland werd nu een traktaat gesloten, waarbij Suriname het recht kreeg om werkkrachtten aan te werven in Brits-Indië. Bij het Koninklijk besluit van 22 maart 1872 werden de immigratie bepalingen nader uitgewerkt en in datzelfde jaar werd het traktaat bekrahtigd. De immigratie uit Brits-Indië kon beginnen.
1. De Werving
De werving geschiedde onder leiding van een door Suriname benoemde Emigratie-Agent in Calcutta, waar het hoofddepôt was gevestigd. In de belangrijkste wervingsgebieden, vooral Uttar Pardesh en West-Bihar werden subdepôts opgezet, onder leiding van subagenten. Dezen namen wervers in dienst. Voor iedere mannelijke immigrant kreeg de subagent 25 en voor elke vrouwlijke 35 rupees. Hiervan kreeg de werver een deel. Hoe meer mensen de werver aanwierf, hoe meer hij verdiende en daarom lette hij niet zozeer op de kwaliteit van de mensen die zich opgaven. De aspirant emigranten werden vervoerd naar het hoofddepôt te Calcutta, waar ze werden gekeurd en waar de door Engeland benoemde ‘’Protector of Emigrants’’ naging of de emigranten vrijwillig hadden getekend en of ze op de hoogte waren van de inhoud van het kontrakt.
Wanneer deze formaliteiten waren vervuld en er genoeg emigranten waren aangeworven, dan begon voor hen de reis naar Suriname.
2. Motieven van de immigranten
Niet alle emigranten trokken op dezelfde reden weg uit Brits-Indie. Voor de meesten gold ongetwijfeld dat de ekonomisch situatie in hun woongebied erg slecht was. Het was het dichtsbovolkte deel van Brits-Indie en hongersnoden kwamen daar vaak voor. Voor velen was de reden voor het wegtrekken ook een minder goede verstandhouding binnen de familie, vooral tussen schoondochter en schoonmoeder. (jonggehuwden trokken in bij de ouders van de man). Ook waren er mensen die uit hun gemeenschap wegwilde, omdat ze bv. een ongeoorloofde liefdesrelatie hadden, een relatie die niet zou worden geaccepteerd. Om aan de blaam te ontkomen, gaven ze zich op als emigrant. Hierdoor is mede te verklaren het hoge aantal geboorten aan boord van de immigranten schepen. Ook mensen die zich aan een strafbaarfeit hadden schuldig gemaakt, gaven zich op als emigrant, om zo aan hun straf te ontkomen.
3. De eerste immigranten
Op 5 juni 1873 kwam het zeilschip Lalla Rookh hier aan met aan boord de eerste 399 immigranten uit Brits-Indië. Hiervan waren er 279 mannen, en 70 vrouwen, 32 jongens en 18 meisjes beneden 10 jaar. Hier wachtte de Agent-Generaal een belangrijke taak. De eerste Agent-Generaal was J.F.A. Cateau van Rosevelt. Hij was het hoofd van de Immigratie-Departement en moest de nieuwe immigranten ontvangen, registreren, aangaande hun rechten en plichten nog eens onderrichten en aan de plantages toewijzen. Daarom werden de binnenkomende immigranten doorgaans eerste enkele weken ondergebracht in een opvangscentrum, het zogenaamde koeli depôt, aan de water straat te Paramaribo,waar de Sommeldijkse Kreek in de Suriname-rivier uitmondt. Daarna werden de immigranten toegewezen aan de plantages, waarna ze vertrokken naar hun uiteindelijke bestemming. Opvallend was het grote aantal zieken, dat na aankomst direkt naar de hospitaal werden vervoerd om daar verpleegd te worden; een gevolg misschien van de slechte selectie in Indïe.
Bij de registratie werden o.m. huwelijken ingeschreven en kregen alle immigranten een nummer. Dit nummer werd als gevolgt bepaald: een letter afgeleid van het jaar van aankomst. Immigranten van 1873 kregen de letter B, die van 1874 de letter C, enz.; vóór deze letter kwam een cijfer dat moest aangeven om de hoeveelste immigrant van dat jaar het ging. Een immigrant die gerigistreerd werd als Boedhoe 357/H had als voornaam Boedhoe (een familie naam hadden de immigranten niet), was aangekomen in 1879 en was de 375ste immigrant van dat jaar.
Het sterfte cijfer onder de immigranten van 1873 en 1874 (respectievelijk 2541 en 1413) was uitzonderlijk hoog. In de eerste 19 maanden stierven van de 3954 immigranten en de 51 kinderen die in die periode hier werden geboren, 797 personen.
Dit is meer dan 20%. Ook de planters waren niet tevreden over de aangevoerde immigranten. Ze waren ziek (syfilis, bloedarmoede en zweren), zwak en onbedreven in de veldarbeid. De oorzaak van de grootte sterfte was misschien ten dele toe te schrijven aan de gebrekkige medische voorziening in Suriname, maar was voor een deel zeker ook het gevolg van de slechte selectie. Dit laatste misschien vanwege de haast waarmee men te werk ging, om nog voor het einde van de staatstoezicht de eerste Brits-Indische immigranten naar Suriname te krijgen. Om het hoge sterftecijfer besloot de Engelse regering de immigratie op te schorten. Deze werd pas in 1878 hervat, nadat de Surinaamse regering maatregelen had getroffen voor betere geneeskundige voorziening.
4. Het contract
Het contract werd in feite gesloten tussen de immigrant en het gouvernement.
De plantage-eigenaar huurde de contractant van het gouvernement, maar was wel gebonden aan de contractbepalingen.
De belangrijkste punten uit dit contract waren:
1. De duur ervan voor ten hoogste vijf jaar, eventueel te vermeerderen met de tijd die de immigrant door desertie of door gevangenis straf niet had gewerkt. Indien een immigrant buiten eigen schuld blijvend ongeschikt was geworden tot werken, kon hij eerder teruggezonden worden.
2. De contractant kon niet verplicht worden om per week meer dan 6 dagen te werken of per dag meer dan 7 uren (als het veldarbeid betrof) of 10 uren (als het fabrieksarbeid betrof). De immigrant hoefde niet te werken op zon- en feestdagen in Suriname, maar ook dagen van de Hindoe- en Moslim feesten, respectievelijk 32 en 16 dagen per jaar.
3. Het loon van de immigrant bedroeg per dag 60 cent voor een volwassen man en 40 cent voor een vrouw of een jongen van 10-15 jaar. De plantage-eigenaar en de immigrant konden afspraken maken voor taak werk, waarbij de ordonnantie voor taken en lonen van 1861 als grondslag zou dienen. Het loon zou in elk geval niet minder mogen zijn dan het contractuele minimumloon. Vaak verrichten de immigranten meer dan een taak per dag en konden ze zo hun inkomen opvoeren. Er zijn dan ook gevallen bekend van immigranten die na verloop van de vijf jaar naar India teruggingen met bedragen boven boven 1000 gulden, dus meer dan ze in vijf jaar met een loon van 60 cent per dag konden hebben verdiend.
4. De immigrant had recht op vrijegeneeskundige behandeling. Sommige plantages hadden een eigen hospitaal en een eigen medicus, maar soms werkten een aantal plantages samen en hadden ze een gemeenschappelijke hospitaal, zoals bv. de hospitaal te Katwijk.
5. De immigrant had recht op vrije huisvesting. Aanvankelijk gebruikte men vooral de oude slavenwoningen als huisvesting, maar later werden voor immigranten speciaal woningen gebouwd. Iedere immigrant had recht op een ruimte van 3 × 2 × 2,5 meter. In één vertrek mocht niet meer dan één gezin wonen en mochten niet meer dan drie afzonderlijke volwassen immigranten worden ondergebracht. Het vertrek moest van binnen geverfd zijn. Er moest voorts voldoende licht en lucht in het vertrek kunnen komen. De (gemeenschappelijke) latrines en keuken moesten groot genoeg zijn en de grond waarop de huizen waren gebouwd moest voldoende op lozing worden gebracht.
6. Na afloop van het contract had de immigrant recht op vrije overtocht naar India (in Brits West-Indië had de immigrant dit recht pas na 10 jaar). Hij kon echter ook een nieuw contract sluiten en als hij afzag van het recht op vrije terugvoer, kreeg hij honderd gulden. Ook kon hij zich als vrije burger vestigen in het land.
7. Een bijzonder belangrijke bepaling in het contract was de poenale sanctie, die de naleving van het contract moest waarborgen. Zowel de werkgevers als werknemers die hun contractuele verplichtingen niet nakwamen werden met straffen bedreigd.
5. Het leven van de immigrant op de plantages
De immigrant had op de plantage een eigen woning als hij getrouwd was. Vrijgezellen moesten vaak een woning met zijn tweeën of drieën delen.
De woningen waren zogenaamde ‘’rijtjeswoningen’’, een heleboel onder één dak, in een lange rij. De keuken en latrines waren gemeenschappelijk. Later ging men ertoe over om bij elk vertrek een aangrenzend keukentje te bouwen.
‘s Morgens ging de immigrant aan het werk. De aard van dit werk hing af van de soort plantage (suiker, koffie) en van de tijd van het jaar. In de oogsttijd op een koffieplantage bestond het werk vooral uit het plukken van de koffie en de verwerking ervan. Buiten de oogsttijd moesten de koffievelden worden schoongewied, de trenzen opgehaald, en dergelijke. Vooral op de suikerplantages was het werk erg zwaar. Het gereedmaken van de plantbedden, het planten en vooral het oogsten van riet was zwaar werk. Bij het in cultuur brengen van nieuwe gronden moesten die worden opengekapt, trenzen worden gegraven, waarna het planten kon beginnen. Na zijn 7-urige werkdag op het veld mocht de arbeider naar huis. Dan kon hij desgewenst iets bij zijn huis planten, of gaan hengelen bijvoorbeeld. Wilde hij wat extra verdienen, dan kon hij een taak erbij uitvoeren. ‘s Avonds lag hij vroeg in bed om uit te rusten voor het werk van de volgende dag.
Wat de immigrant nodig had voor zijn levensonderhoud kon hij zelf vangen (vis), planten (cassave, bananen, rijst) of kopen in de winkel, waar de meest noodzakelijke dingen te krijgen waren. Ook waren er rondreizende kooplieden die vooral op zondag langs de plantages gingen om hun waren kwijt te raken aan de immigranten.
Mogelijkheden voor vermaak waren zeer beperkt. Radio en televisies bestonden in die tijd niet. Hoogtepunten in het dagelijks leven van de immigranten waren de feesten die georganiseerd werden bij huwelijken of op religieuze feestdagen.
Op de plantages waren er veel minder vrouwen dan mannen en er waren dus veel vrijgezellen. Dit leidde niet zelden tot jaloezie en zefs vechtpartijen en moorden.
Voor de immigranten op de plantages was het leven er vooral één van werken, zuinig zijn en sparen. Er waren zelfs immigranten die dit zover doordreven, dat zij overmatig hard werkten, veel verdienden, lecht aten en als gevolg daarvan ziek werden. Ze kwamen dan zonder te betalen in het hospitaal (gratis), waar ze goed werden bijgevoed. Wanner ze weer sterk waren, dan begon het opnieuw: hardwerken, etc.
Alleen zeer grote plantages hadden een eigen dokter. De anderen werden bediend door de distriksgeneesheer, die van tijd tot tijd, meestal per boot de plantage aandeed. Op de plantage was er dan een sick-nurse of zieken oppasser voor gewone gevallen en als eerste hulp.
6. Verzet van de immigranten
Vooral in de eerste decennia waren er vaak verzetacties van immigranten op de plantages. Bekend zijn de opstanden van 1884 te Zoelen en Zorg en Hoop, die van 1891 te Zoelen en Geertruidenberg en die van 1902 te Mariënburg en Alliance. Hierna hebben zich geen grote opstanden meer voorgedaan.
Als reden voor het in actie gaan werd opgegeven dat er te veel arbeid verricht moest worden voor een te gering loon en dat de opzichters het niet zo nauw namen met de opmeting van gekapt riet of geplukte koffie, waardoor de arbeiders minder ontvingen dan hun toekwam. Deze situaties kwamen ook voor in latere jaren, maar er waren toen geen opstanden omdat:
De immigranten naar een vreemde omgeving waren gebracht, waar ze zich moeilijk konden aanpassen.
Dit gevoegd bij het vrouwentekort (het aantal vrouwelijke was slechts de helft van het mannelijke immigranten) vergrootte het gevoel van heimwee en maakte de immigranten extra prikkelbaar.
De opstand van 1884 te Zoelen
In september 1884 braken er te Zoelen onluten uit, omdat men ontevreden was over het loon. De distriktscommissaris bracht en bezoek aan het werkterrein, vergezeld van de gezagvoerder van de plantage, de tolk en drie marechaussees. De immigranten onder leiding van Mathoera vielen toen de leden van het gezelschap en de distriktscommissaris aan, waarop een militair detachement te hulp geroepen werd. De manschappen arresteerden de leiders, waarop de rust terugkeerde.
De opstand van 1884 te te Zorg en Hoop
Arbeiders die ontevreden waren over het loon mishandelden de opzichter, waarop de gezagvoerder de hulp inriep van de distriktscommissaris, die ernaar toe ging. Toen hij de verdachten en getuigen opriep om voor hem te verschijnen namen de immigranten onder leiding van Ramjanee een dreigende houding aan. De distiktscommissaris riep toen de hulp in van militairen. Toen de koelies begonnen op te dringen, zwaaiend met stokken en houwers, werd door de militairen geschoten. Er vielen zeven doden onder wie een vrouw. De rust keerde daarna terug.
De onrust van 1891 te Zoelen en Geertruidenberg
Tijdens Tadja-feesten braken onlusten uit tussen immigranten van Zoelen en Geertruidenberg. Bij onderzoek van het gebeurde door de distriktscommissaris namen de koelies van Zoelen een dreigende houding aan. De marechaussees losten toen een aantal schoten, waarbij 5 doden vielen. De rust keerde daarna terug.
De opstand van 1902 te Mariënburg
Onder de immigranten van Mariënburg bestondt ontevredenheid omtrent de lonen, terwijl ze ook klaagden over bepaalde opzichters en bevoorrechting van enkele families. De direkte aanleiding tot de onlusten was de kwestie van de lonen. De koelies vonden de door gezagvoerder Mavor toegezegde verhoging van 50 cent per dag niet voldoende. Mavor ging daarop naar het veld en zegde nog een verhoging toe. De arbeides begonnen met stokken te gooien en achtervolgden Mavor, die zich in de fabriekterugtrok.
Daar werd hij ontdekt en doodgekapt. De volgende morgen werden de hoofddaders gearresteerd. De andere immigranten namen daarop een dreigende houding aan en drongen steeds verder op. De militairen maakten toen van hun vuurwapens gebruik en er vielen 24 doden. De daarop volgende morgen hervatten de meeste immigranten het werk. Voor de moord op Mavor werden 8 personen veroordeeld tot dwangarbeid voor de tijd van 12 jaren.
Onlusten op Alliance in 1902
De arbeiders van Alliance waren ontevreden over verlaging van de lonen en over de minder goede behandeling door één der hoofdlieden. Op 28 juni staakten zij het werk en toen de later gearriveerde distriktscommissaris van Ephrata de als hoofdopruier bij de staking aangewezen Jumpa Raygaroo had laten binden, werden de andere immigranten onrustig en vielen de distriktscommissaris en gezelschap aan en mishandelden hen. Toen ‘s avonds de procureur-generaal met een detachement politie en militairen daar aankwam, was het weer rustig. Er werd een onderzoek ingesteld naar de oorzaak. Kort daarop werd een andere gezagvoerder aangesteld en gingen de lonen enigzins omhoog. Dat bracht een einde aan de onrust. Zeventien immigranten werden veroordeeld tot gevangenisstraffen van 6 maanden.
Dat er vrij veel onrust heerstte onder de immigranten blijkt onder meer ook uit het koloniaal verslag over 1891, waarin melding gemaakt wordt van de volgende zaken :
- op 15 mei verwondde een immigrant de koeliehoofdman van Voorburg doodelijk;
- op 16 september werd de gezagvoerder van Jagtlust van het leven beroofd door een immigrant:
- op 7 november werd de gezagvoerder van de plantage St. Barbara door een immigrant vermoord.
7. Na 5 jaar
Als de kontraktperiode van 5 jaar is verstreken, had de immgrant recht op vrije overtocht naar India. Van dit recht heeft ongeveer en derde deel gebruik gemaakt. Van de immigranten die in 1873 – het eerste jaar – hier aankwamen, liep het kontrakt in 1878 af. Toen hadden 1661 van hen recht op vrije terugkeer. Van deze groep sloten evenwel 946 een nieuw kontrakt en vertrokken slechts 476. De overigen vestigden zich als vrije burgers. Van de groep die vertrok, keerden 32 reeds in hetzelfde jaar terug naar Suriname met een nieuw kontrakt.
En dan te bedenken dat het sterftecijfer onder deze eerste immigranten uitzonderlijk hoog was. Toch wel een teken dat ze het weer niet zo slecht moeten hebben gehad. Ook het gouvernement hechtte er veel belang aan dat de immgranten zich na afloop van hun kontrakt in het land vestigden. Wie afzag van het recht op vrije terugvoer kreeg honderd gulden uitgekeerd en kon daarmee op gemakkelijke wijze aan een stuk land komen. Dit was voor de overheid en plantage-eigenaren nog altijd goedkoper dan een nieuwe immigrant over te laten komen. Om de blijvers aan een stuk land te helpen, werden door het bestuur vestigingsplaatsen ingericht. Dit waren verlaten plantages die door het gouvernement op lozing waren gebracht en in kleine percelen van 2 hectaren verdeeld. Hier konden de immigranten een eigen huis opzetten en planten om in hun levensonderhoud te voorzien. Op vrije dagen konden ze werken op plantages in de omgeving. Voor plantage-eigenaren uit de buurt was dat belangrijk, omdat ze dan in de oogsttijd konden beschikken over voldoende arbeidskrachten.
Na de eeuwwisseling werden vooral in Nickerie veel rijstpolders aangelegd. Hier vestigden zich immigranten die na het verstrijken van hun kontrakt een perceel kregen van 2 hectaren om rijst te verbouwen. Bekende polders uit het begin van deze eeuw in Nickerie zijn onder meer: de Sawmillkreek-polder, de Boonacker-polder, de Van Drimmelen-polder en de Corantijn-polder. Daarnaast bouwden ze een eigen woning. Aanvankelijk ging dat nog erg primitief: een prasarahuis (huis van een palmboom) met aardenvloer, beide bepleisterd met klei, waardoor heen koeie poep was gehaald. Dit hield insekten, vooral muskieten, op een afstand. En omdat het vrijwel niets kostte, kon men elk jaar opnieuw bepleiseren en had men een nieuwe vloer en nieuwe wanden. Het dak was van rijststro en ook dat kan elk jaar vernieuwd worden. In de grote regentijd werd rijst geplant, waarbij buren elkaar hielpen. Na de planttijd had de immigrant maandenlang niets te doen en kon hij elders een baan zoeken. Als de oogsttijd daar was, werd geoogst met een grasmes (hanswa), waarna gedorst werd met de hand. De rijstrassen die toen geplant werden, groeiden ook te lang om een tweede planttijd en oogst mogelijk te maken. Naarmate de economische situatie verbeterde, kon hij zijn areaal uitbreiden, een mooier huis bouwen en in een nog latere fase mechaniseren.
8. Kultuur van de Brits-Indische immigranten
De Brits-Indiërs kwamen van een ander deel van de wereld, uit een gebied met een totaal andere cultuur, één die tot dan in Suriname volkomen onbekend was. In de begin jaren werd deze kultuur nog in zijn meegebrachte vorm beleefd en beleden door de immigranten, maar in de loop der jaren zijn veel gebruiken afgesleten, terwijl sommige gemeengoed geworden zijn.
Een belangrijk cultuur element is de taal. De immigranten kwamen van verschillende delen van India en spraken niet allen dezelfde taal. In Suriname heeft zich echter uit de meegebrachte talen en dialecten een gemeenschappelijke omgangstaal ontwikkeld, het huidige Sarnami, waarvoor in 1986 zelfs een officiële spelling is vastgesteld.
Bij religieuze plechtigheden wordt echter nog altijd het Hindi gebruikt (bij de Hindoes), of het Urdu of Arabisch (bij de Moslims). Vrijwel alle nakomelingen kunnen nu het Nederlands spreken en schrijven, terwijl van de jongeren velen het Sarnami niet meer kennen. En allen spreken zij ook het Sranan tongo. Een duidelijke aanpassing dus aan het nieuwe land.
Ook de meegenomen nationale klederdracht heeft zich in aangepaste vorm gehandhaafd. Voor de mannen bestaat die uit onder andere een dhoti, door sommige Surinamers ook wel baba genoemd; dit is een lang doek dat om de ledenen en tussen de benen wordt gewikkeld.
In plaats van de dhoti dragen de Moslims een paijama, een nauwe, lange broek. We kennen voorts: de kurta (een loshangend wit hemd), de pagri (een tulband van een lang doek gewonden), de kharao (houten sandalen met een knop tussen de grote en de tweede teen). Voor vrouwen bestaat de klederdracht uit een sari; dit is een lang kleed, waarvan het ene einde als sluier over het hoofd getrokken wordt, met daaronder een jakje en een rok.
Na aanpassing aan klimaat en werk werd de kleding als volgt: een dijkleed (janghiya) of kort lendekleed (kacha); een bustehouder (angiya of coli), een lange rok (lahanga of ghanghri); een strak zittend jakje met korte mouwen (kurta); een zakdoek (rumal) en een orhni of sluier. De sari wordt tegenwoordig alleen nog bij religieuze of andere plechtigheden gedragen.
Het bruiloftsfeest duurde de hele nacht en de gasten werden aangenaam bezig gehouden door zang-, dans- en toneelgroepen. Door de beperkte verkeersmogelijkheden was het immers niet mogelijk voor gasten die van verre kwamen om dezelfde dag naar huis te gaan. Sterke drank wordt bij de feesten niet geschonken.
Wel kregen alle gasten een bordje eten en tabak om een blaka-tee te rollen.
Bij een begrafenis van een Hindoe waren het blazen op de sankh (een grote hoorn) en het slaan op de ghanta (een metalen bekken) opvallend, als teken van het beginnen van de hemel. De nodige doden offers moesten dit verder verzekeren.
De Moslim mag pas begraven worden nadat de Moulvi (de leraar) was verschenen. Na de begrafenis word een lijkmaal gehouden en in de dagen daarna werd de overledene op zijn weg naar de paradijs begeleid door giften, offers en maaltijden.
9. De Brits-Indische immigrante in het onderwijs
Kort na aankomst van de eerste Brits-Indische immigranten werd in 1876 de Onderwijsverordening afgekondigd, die onder meer de leerplicht invoerde: alle kinderen waren van hun 7e tot hun 12e jaar verplicht om onderwijs te volgen. Deze wet zou dus ook gelden voor kinderen van de immigranten. Er waren toen nog weinig distriktsscholen, waardoor het niet altijd mogelijk was om onderwijs te volgen. Maar ook waar die mogelijkheid bestond, weigerden de immigranten soms hun kinderen naar school te sturen, vooral als het de meisjes betrof. Dezen trouwden vaak voor ze de leerplichtige leeftijd waren ontgroeid. Om het schoolbezoek te stimuleren werden in 1890 door het gouvernement de zogenaamde koeliescholen opgericht, waar de kinderen van de immigranten werden opgevangen en les kregen van hun eigen, weliswaar onbevoegde, onderwijzers, in hun eigen taal. De koeliescholen werden afgeschaft in 1907, maar het instituut van ongegradueerde Hindoestaanse onderwijzer bleef bestaan, nu als leerkracht op de gewone lagere scholen in de distrikten, waardoor de kinderen van de immigranten die thuis uitsluitend Hindoestaans spraken, toch in hun eigen taal konden worden opgevangen. In 1929 werd dit afgeschaft. Naarmate de immigranten en hun nakomelingen meer ingeburgerd raakten, nam het schoolbezoek toe. Aanvankelijk was dat alleen op het niveau van lager onderwijs het geval, maar al gauw leerden ze ook de weg vinden naar hoger onderwijs, dus toen ULO en MULO. In 1920 was van alle MULO scholen in Suriname minder dan één procent van de leerlingen van Brits-Indische origine.
Slot
In de 129 jaren sinds de eerste Brits-Indische contractarbeiders in Suriname aankwamen zijn de Hindoestanen van vreemde immigranten een deel geworden van de Surinaamse bevolking. Zij zijn in Suriname een nieuw vaderland gaan vinden en hebben de toekomst met de ontwikkeling van ons land verbonden.
Anders van geaardheid, cultuur en godsdienst dan de Surinaamse samenleving, die zij aantroffen, zijn zij daarin niet opgegaan, maar hebben daaraan een nieuw element toegevoegd.
Bronvermelding
Uit de boeken: encyclopedie van SURINAME (eigendom)
Suralco magezine “ immigratie ” (eigendom)
Ontwikkeling van de Surinaamse geschiedenis (eigendom)
En uit de immigratie krant (van het landsarchief)
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons dan weten.