Geschreven door: | Mireille |
Datum ingestuurd: | 22 september 2005 |
Taal: |  |
Woorden: | 9.100 |
Bekeken: | 12146 keer (55 deze maand) |
Waardering: |
|
Deel op: |
|
Hoofdstuk 1 Management en Organisatie
1.2 Organisaties
Organisatie: een samenwerkingsverband van mensen die bepaalde doelen willen bereiken.
2 soorten organisaties:
• Commerciële organisatie: streven naar winst. Ookwel een profitorganisatie genoemd. Andere term: onderneming of bedrijf. Een onderneming of een bedrijf is een organisatie die producten voortbrengt, verkoopt en/of diensten verleent met het doel winst maken.
• Niet-commerciële organisatie: streven niet naar winst, doel is afhankelijk van het soort niet-commerciële organisatie. Het wordt ookwel een no-for-profit-organisatie genoemd.
Als je een organisatie wil oprichten moet je een rechtsvorm kiezen. Een rechtsvorm is de juridische vorm vd organisatie wie heeft de leiding en wie is verantwoordelijk voor de schulden?
Rechtsvorm: op splitsen in natuurlijke personen (mensen) en rechtspersonen ( organisaties die net als mensen rechten en verplichtingen hebben.)
Commerciële organisaties rechtsvormen:
• eenmanszaak
• vennootschap onder firma (Vof)
• naamloze vennootschap (NV)
• besloten vennootschap (BV)
Eenmanszaak: bezit geen rechtspersoonlijkheid. Er is één eigenaar, die eigen vermogen heeft ingebracht en verantwoordelijk is voor de schulden vd eenmanszaak.
Vof: ondernemingsvorm waarbij 2 of meer vennoten een bedrijf hebben onder een gemeenschappelijke naam. De vennoten brengen eigen vermogen in en hebben de leiding.
Arbeidsverdeling is mogelijk. De Vof is geen rechtspersoon: de vennoten zijn verantwoordelijk zelf verantwoordelijk voor de schulden. Soms staat er achter een bedrijfsnaam fa. dat betekent firma.
NV: een rechtspersoon met een in aandelen verdeeld eigen vermogen waarin elk vd vennoten (aandeelhouders) voor een of meer aandelen deelneemt. De directie is niet verantwoordelijk voor de schulden maar de NV zelf.
BV (met beperkte aansprakelijkheid): een rechtspersoon met zelfstandige rechten en verplichtingen. De eigenaren vd BV zijn ook slechts aansprakelijk voor het deel wat ze zelf ingebracht hebben.
BV en NV zijn in de omschrijving hetzelfde maar de aandelen in een BV zijn niet vrij overdraagbaar. Ze mogen alleen verkocht worden aan familieleden of andere aandeelhouders.
Niet-commerciële rechtsvormen:
• besloten of naamloze vennootschap
• vereniging
• stichting
Een BV of NV komt voor bij niet-commerciële organisaties die niet naar winst streven maar wel een bedrijfsmatig karakter hebben.
Vereniging: een organisatie die leden kent en bepaalde doelen nastreeft.. Een vereniging is een rechtspersoon
Stichting: een rechtspersoon zonder leden die een bepaald doel wil bereiken. Het vermogen wordt vaak verkregen door subsidies of schenkingen.
1.3 Management
management: *het bepalen van doelstellingen vd organisatie,
*het plannen,
*organiseren,
* het geven van leiding
* controleren
Het bepalen van doelstellingen vd organisatie: De managers werken de hoofddoelstellingen uit tot subdoelstellingen. Daar gaan ze mee door tot het omgezet kan worden tot een plan en de uitvoering vd plannen ook gecontroleerd kan worden.
Het plannen: een gedetailleerde uitvoering ve doelstelling
Organiseren: het scheppen van doelmatige verhoudingen tussen mensen, middelen en handelingen om een bepaald doel te bereiken.
Leidinggeven: het begeleiden van activiteiten van de verschillende werknemers en medewerkers. Ze geven opdrachten en hulp bij de uitvoering v deze opdrachten.
Controleren: Zodra er in een organisatie meer dan een persoon werkzaam is, is controle noodzakelijk. Controle is nodig om te zien of een medewerker doelmatig zijn werk uitvoert. Controle geeft de manager kans om tijdig bij te sturen en eventueel weer nieuwe doelstellingen te bepalen.
Organigram: Als een organisatie groeit wordt het steeds moeilijker om het te managen. Om overzicht te houden zet de organisatie een organisatie-structuur op papier. Een organisatie-structuur wordt weergegeven in een organigram( zie blz 294-295)
In een organigram kun je aflezen wie er zich waar mee bezighoudt.
1.4 Gegevens en Informatie
Informatie: de gegevens die de kennis van de ontvanger vergroten.
Informatie moet aan de volgende eisen voldoen:
• betrouwbaarheid: juist en volledig
• relevantie: het moet zoveel mogelijk aansluiten op de informatiebehoeften
• tijdigheid: op het juiste moment
informatie vergroot kennis: gegevens kunnen geen informatie zijn. Als je midden in de nacht wakker wordt en je ziet op je wekker dat het half 3 is..is dat gegeven voor jou informatie. Maar als je door was blijven slapen dan had het gegeven geen informatie geweest.
Beslissingen/verantwoording: Informatie kan gebruikt worden om beslissingen te nemen beslissingsinformatie.
Informatie kan ook gebruikt worden om verantwoording af te leggen. verantwoordingsinformatie.
Feedback: terugkoppeling. Feedbackinformatie: de informatie vooraf je ergens mee gaat beginnen.
1.5 Communicatie, informatie en informatiestromen
communiceren: het uitwisselen van informatie tussen een zender en een ontvanger
medium: het middel waarmee de informatie wordt uitgewisseld.
Als de ontvanger vd informatie reageert op de zender is er feedback.
Interne communicatie: als er communicatie plaatsvindt BINNEN een bedrijf.
Externe communicatie: als er communicatie plaatsvindt van personen van een afdeling met de buitenwereld.
Informatiestromen: het doorlopende proces van overbrengen v. informatie.
Informatiesysteem: het geheel van personen, hulpmiddelen en activiteiten dat gericht is op het verzamelen, verwerken en verstrekken van gegevens om te kunnen voorzien in de informatiebehoeften. Alle activiteiten die daarbij plaatsvinden horen bij het informatieverzorgingsproces
Hoofdstuk 2 Algemene vaardigheden
Brutowinst= verkoopprijs-inkoopprijs
Een promille: 1 per 1000 wordt geschreven als:‰
Hoofdstuk 3 Balans en resultatenrekening
3.2 Het samenstellen van een balans
Balans: Een overzicht van de bezittingen (incl. de vorderingen), het eigen vermogen en de schulden van een onderneming op een bepaald moment. Bij de linkerkant (Debetzijde) en de rechterkant (creditzijde) zijn de totaalbedragen altijd aan elkaar gelijk.
De bezittingen van een onderneming en de vorderingen die zij op een bepaald moment heeft heten kapitaalgoederen of activa. Kapitaalgoederen worden aan de Debetzijde geplaatst.
Aan de Creditzijde worden het eigen vermogen en het vreemd vermogen (schulden) geplaatst de passiva van een onderneming.
Een onderneming kan alleen maar betalen met de betalingsmiddelen kasgeld en banktegoeden. De betalingsmiddelen noemen we ook wel de liquide middelen van de onderneming.
• Gebouw: Dit kom je als eerste tegen op de Debetzijde van de balans. Het omvat het gebouw waarin de onderneming is gevestigd. (Vaste Activa)
• Inventaris: De hulpmiddelen in de onderneming bv: meubilair, computers, kassa’s enz. (Vaste Activa)
• Auto’s: Hierin staat de waarde van de auto’s van de onderneming vermeld. ( Vaste activa)
• Voorraad Goederen: Dit geeft de waarde weer van de goederen die een ondernemer heeft. De VG nemen we op de balans op tegen de inkoopprijs. (Vlottende activa)
• Debiteuren: Veel ondernemingen kopen goederen in op een rekening. Na de koop ontvangen zij een factuur. De afnemers die niet direct betalen heten debiteuren. (vlottende activa)
• Machines: Dit zijn kapitaalgoederen waarmee producten kunnen worden voortgebracht. (vaste activa)
• Postbank: Deze post stelt het tegoed bij de postbank voor. Dat het een tegoed is weet je doordat de post aan de debetzijde staat. Het is dus een bezitting. (liquide middelen)
• Kas: Hier staat het bedrag wat in de onderneming aan contant geld aanwezig is. Het is vaak maar een laag bedrag. (liquide middelen)
Creditzijde van de balans:
• Eigen Vermogen: Dit is het bedrag wat de eigenaar ( ve eenmanszaak) zelf heeft ingebracht in de onderneming. Het EV neemt toe als er winst wordt gemaakt Er is winst als de opbrengsten groter zijn dan de kosten. ( Eigen vermogen)
• Hypothecaire Lening: Op het onderpand vh gebouw heeft de onderneming een hypothecaire lening gesloten. Jaarlijks moet er interest (rente) betaald worden over de nog uitstaande schuld. Meestal wordt dat achteraf betaald. (schulden op lange termijn)
• Ontroerendezaakbelasting: Elke ondernemer komt in aanraking met de belasting. Elke onderneming moet OZB betalen voor het gebouw wat zij bezit of huurt. (schulden op langetermijn)
• BTW: Ondernemingen moeten BTW die zij hun klanten in rekening brengt aan de belasting betalen. (schulden op lange termijn)
• Crediteuren: De leveranciers die nog betaald moeten worden voor de al geleverde goederen. De ondernemer heeft hierbij dus een schuld. (schulden op korte termijn)
• Rekening-Courantkredit: De onderneming en de ING Bank hebben samen afgespoken tot welk maximumbedrag de onderneming geld mag lenen van de bank. ( schulden op korte termijn)
• Lening o/g: lening opgenomen geld (creditzijde)
• Lening u/g: lening uitgeleend geld (debetzijde)
Balans
Debet Credit
Vaste activa Eigen vermogen
Vlottende activa Schulden op lange termijn
Liquide middelen Schulden op korte termijn
3.3 Mutaties op de balanspost
Een balans is een moment opname. De balans op 31 januari zal er anders uitzien dan op 1 januari.( Zie boek blz 79 tot 84)
3.4 De resultatenrekening (de winst-en-verlies-rekening)
Er is sprake van nettowinst als de opbrengsten groter zijn dan de kosten. In de vorige paragraaf zijn alle kosten en opbrengsten geboekt op de rekening EV. In de praktijk worden alle kosten en opbrengsten op een overzichtelijke manier afzonderlijk weergegeven. Als we dat doen ontstaat er een resultatenrekening. De resultatenrekning in scrontovorm dwz met een debetzijde en creditzijde ziet zo uit:
Resultatenrekening over….
Kosten:
Inkoopwaarde omzet
Verkoopkosten
Inkoopkosten
Interestkosten
Voorraadverschillen Opbrengsten:
Omzet
Nettowinst
Totaal Totaal
Om de totalen van de debet en creditzijde gelijk te maken, plaatsen we de nettowinst als saldo aan de debetzijde. Als de kosten hoger zijn dan de opbrengsten plaatsen we nettoverlies als saldopost aan de creditzijde.
Aan het einde vd periode tel je de nettowinst op bij het EV of trek je het nettoverlies ervan af en is je balans weer in evenwicht.
3.5 Voorraadgrootheden en stroomgrootheden
Voorraadgrootheden: Dit zijn balansposten die van het ene moment op het andere moment kunnen veranderen.
Stroomgrootheden: Stroomgrootheden zijn posten op een resultatenrekening. Omdat zij betrekking hebben op een bepaalde periode.
Hoofdstuk 4 De vermogensmarkt
4.2 De aanbieders van vermogen
Aanbodzijde van de vermogensmarkt:
1. institutionele beleggers en spaarders
2. ondernemingen
3. de overheid
4.2.1 Institutionele beleggers en spaarders
Institutionele beleggers: instellingen die grote sommen geld te beleggen hebben als uitvloeisel van hun hoofdtaak. (bijvoorbeeld; pensioenfondsen en levensverzekeringsmaatschappijen)
Pensioenfonds: Als iemand 65 jaar of ouder is keert het pensioenfonds een pensioen uit. Dat wordt betaald van het ingehouden loon van de jaren dat deze persoon nog werkte. Het is een aanvulling op de AOW-uitkering (Algemene Ouderdoms Wet), waar iedereen recht op heeft van 65 jaar of ouder.
Levensverzekeringsmaatschappij: Hierbij kun je tegen betaling van een premie verzekeren van een periodieke uitkering van een bep. leeftijd. Nabestaanden kunnen dit bedrag claimen na overlijden van een persoon waarop een levensverzekering is gesloten.
Onderhandse lening: Institutionele beleggers verstrekken vaak geld in de vorm van een onderhandse lening. Dat is een langlopende lening waarbij geld wordt uitgeleend door een geldgever. De geldgever ontvangt als vergoeding een rente die de geldnemer betaald:
*De geldgever en –nemer staan rechtstreeks met elkaar in contact.
*Bij een onderhandse lening kan over de leningsvoorwaarden kunnen worden gediscussieerd omdat het tussen 2 partijen gebeurd; de geldgever en - nemer.
*De aflossing van rente gaat makkelijker omdat er maar 1 geldgever is.
Obligatie Lening: Een obligatie lening is een lening die opgesplitst is in kleinere gedeelten.Het rentepercentage ligt in een onderhandse lening lager dan in een obligatie lening.
Wil een onderneming bijvoorbeeld 3 miljoen lenen, kunnen zij 30 000 obligaties uitgeven van 100.-. De beleggers worden op de hoogte gehouden via de advertenties.
*Obligaties kopen ze bij de bank.
*Bij de obligatie lening kunnen meerdere geldgevers betrokken zijn.
Particulieren: Een belangrijk deel van het vermogen wordt naast institutionele beleggers aangeboden door de particulieren. Kleine spaarders brengen hun geld naar een (spaar)bank. En deze bank leent dit geld weer uit aan ondernemingen.
Ondernemend sparen: Mensen met een hoger inkomen of een groot vermogen kunnen meer risico lopen dan anderen. Zij kunnen ondernemend sparen. Dat doen zij door aandelen te kopen van een NV. Omdat de belegger mede-eigenaar wordt, neemt hij genoeg met een wisselend inkomen.. Het dividend is afhankelijk van de winst van de NV, en bestemt voor de beleggers in aandelen.
Koerswinst: De aandeelhouder kan bij het verkopen van zijn aandelen koerswinst maken. Dat is als de verkoopprijs van de aandelen hoger is dan de prijs waarvoor ze zijn gekocht. Maar een aandeelhouder kan deze ook verliezen.
Beleggingsmaatschappijen: Als je geld belegt bij een beleggingsmaatschappij stort je je geld op een rekening bij die beleggingsmaatschappij, die de gelden van veel beleggers kan spreiden over veel ondernemingen. Zo wordt het risico voor de individuele belegger verkleind.
4.2.2 Ondernemingen
Ondernemingen: Een groep aanbieders op de vermogensmarkt. Het geld wat ze daar tot beschikking stellen is tijdelijk “over”, omdat er bijv. winst is gemaakt. De onderneming is verantwoordelijk voor de financiering van de productiemiddelen. En kan het financieren dmv het eigen vermogen (aandelen kapitaal en gereserveerde winst) en het vreemd vermogen (de leningen)
Investeren: als een onderneming productiemiddelen zoals gebouwen en machines aanschaft.
Beleggen: als een particulier of een onderneming geld over heeft waarvoor bijv. effecten worden gekocht in de verwachting dat de waarde van die effecten toeneemt.
4.2.3 De overheid
Overheid: Dit is de laatste groep van geldaanbieders. Als de overheidsinkomsten groter zijn dan de uitgaven, houdt de overheid tijdelijk geld over dat zij kan beleggen. Als de uitgaven groter zijn dan de inkomsten, moet zij geld lenen. Dan geeft de centrale overheid obligaties uit die door institutionele beleggers, particulieren en ook door buitenlandse organisaties worden gekocht kunnen worden.
4.3 De vragers van vermogen
Vragers van vermogen:
- consumenten
- ondernemingen
- de overheid
Consumenten: als consumenten geen geld hebben, maar wel grote uitgaven willen doen, kunnen ze kiezen voor de persoonlijke lening of kopen op afbetaling. Veel consumenten hebben ook voor hun eigen woning een hypothecaire lening afgesloten.
4.4 Geldmarkt en kapitaalmarkt
Vermogensmarkt: Het geheel van vraag naar en aanbod van vermogen.
Vermogensmarkt is geen 1 begrip, er zijn verschillende deelmarkten. Wordt verdeeld in geld- en kapitaalmarkt.
Vraag en aanbod: Op een vermogensmarkt ontmoeten vraag en aanbod elkaar, er vind de overdracht plaats, de prijs komt tot stand enz.
Geldmarkt: Het deel van de vermogensmarkt waar het kortstondig tijdelijk vermogen behandeld wordt.
Kapitaalmarkt: Het deel van de vermogens markt voor permanent vermogen (aandelenvermogen) en langdurig tijdelijk vermogen(looptijd langer dan een jaar.)
Korte en lange kredieten: korte kredieten zijn kredieten waarvan de looptijd korter is dan 1 jaar. Een krediet is er als er bijv. de bank een lening verschaft aan een onderneming.
4.4.2 De geldmarkt
Kredieten van de geldmarkt zijn:
- rekening-courantkrediet (bankkrediet)
- leverancierskrediet
- afnemerskrediet
Rekening-courantkrediet: Een schuld van een particulier of een onderneming aan een bank. De particulier of onderneming staat rood bij de bank. Er wordt afgesproken tot welk bedrag de schuld mag oplopen.
Leverancierskrediet: De verkoper levert dan eerst de goederen of diensten en de koper betaald pas later. De koper heeft dan op rekening gekocht.
Afnemerskrediet: De koper betaalt dan eerst en pas daarna komt de verkoper de goederen of diensten afleveren.
4.4.3 Kapitaalmarkt
De kapitaalmarkt kan bestaan uit:
- aandelen
- obligaties
- onderhandse leningen
- hypothecaire leningen
De kapitaal markt wordt nu alleen even onderverdeeld in de openbare en onderhandse markt.
openbare markt: Hier worden waardepapieren via de effectenbeurs verhandeld. Eigenlijk kan iedere belegger deze aandelen en obligaties via de effectenbeurs kopen of verkopen. Als deze papieren voor het eerst op de markt worden gebracht heet dat een emisse (uitgifte) van aandelen of obligaties. Wanneer deze worden verkocht aan beleggers, heet dat plaatsing. Bij een emissie worden vooraf de voorwaarden mbt aflossing en rente vooraf bekend gemaakt.
Onderhandse markt: Bij een onderhandse markt is er vaak maar 1 aanbieder die voor het nodige vermogen zorgt.
Op de onderhandse markt komen vraag en aanbod van leningen tussen 2 partijen bij elkaar. Het gaat hier vooral om onderhandse leningen en hypothecaire leningen. De leningen worden verstrekt door institutionele beleggers. Over de voorwaarden over de lening wordt tussen de geldgever en –nemer onderhandeld.
Een nadeel van de onderhandse markt tov de openbare markt is dat er minder geld aangetrokken kan worden. En je kunt het beter volgen, de aandelen en obligaties staan geregistreerd. Als het rentepercentage hoger is, zijn de beleggers bereid meer te betalen.
4.4.4 De prijs van het geld
Bij een vermogensmarkt komen de aanbod en vraag van geld bij elkaar voor verschillende vormen van vermogen. Daardoor komen verschillende prijzen voor elke vermogensvorm tot stand.
De markt van hypothecaire leningen: De verstrekkers van geld beschikken in hun kas over vele miljoenen. Stel dat ze dit geld kunnen plaatsen tegen 7%. Om dit geld kwijt te raken, plaatsen ze het tegen 5%, dan weten ze zeker dat ze een groot deel kwijt zullen raken. Het kan ook zijn dat ze het tegen zo’n lage percentage plaatsen dat ze vrijwel alles kwijt zijn. Dan is er evenwicht (=marktmechanisme)
Het omgekeerde kan ook. Als de banken over weinig geld beschikken, terwijl er veel gevraagd wordt, verhogen ze het interestpercentage. Daardoor wordt er steeds minder geld geleend. Dit gaat ook net zolang door totdat er evenwicht is.
4.5 De Amsterdamse Effectenbeurs
effecten: Waardepapieren die kunnen worden verkocht en verkocht, zoals aandelen en obligaties.
Effectenbeurs: hier worden de obligaties en aandelen aangeboden, gekocht en verkocht.
Euronext: De officiele naam van de effectenbeurs in Amsterdam.
Provisie: Als een belegger effecten wil kopen of verkopen, moet hij zich wenden tot een van de leden van de effectenbeurs, die vervolgens de opdracht uitvoert. Hiervoor betaalt hij. Dat is provisie.
Aex-Index: De naam voor de 25 grootste ondernemingen in Amsterdam. De voorwaarden zijn vastgelegd in een fondsenregelement.
De handel op Euronext vindt plaats op 2 manieren:
- doorlopende handel
- handel door veiling
doorlopende handel veilingsysteem: hier worden koop en verkooporders in het systeem tegenover elkaar gezet en indien mogelijk uitgevoerd. Hier worden de effecten verhandeld die relatief weinig gevraagd worden. Gedurende de handels dag zijn er 2 perioden waarin alle orders in deze effecten verzameld worden
Aan het eind van deze periodes worden automatisch de prijzen bepaald.
2 soorten orders:
- limietorders
-marketorders
limietorder: Hier geeft de belegger of de bank of commisionair een maximale koopprijs of minimale verkoopprijs op. De belegger weet dan zeker dat hij niet meer betaalt respectievelijk minder ontvangt dan het opgegeven bedrag. Er is dus geen zekerheid dat de opdracht wordt uitgevoerd, maar wel over de prijs.
Marketorder: hier wordt de opdracht volgens de eerstvolgende prijs uitgevoerd. Er is dus wel zekerheid dat de opdracht wordt uitgevoerd, maar niet over de prijs.
Centrum voor Fondsenadministratie: Er zijn mensen die hun aandelen in bewaring geven bij hun bank. Maar er was op een gegeven moment een tekort aan kluizen. Nu zijn geven de het in bewaring bij het CvFa. De computers registeren automatisch je dividend en dat is dus sneller, goedkoper en eenvoudiger geworden.
Hoofdstuk 6 Vreemd vermogen op lange termijn
6.2 Hypothecaire leningen
Als je een huis wilt kopen, kun je dat niet betalen. Maar er zijn genoeg banken en institutionele beleggers die geld aan jou willen lenen. Dat doen ze onder de voorwaarde dat ze je huis kunnen laten verkopen als je je niet houdt aan de afgesproken aflossings- en rentebetalingen. De opbrengst van het verkochte huis is in eerste instantie voor de geldgever, die alle bedragen eraf haalt die je hem nog moet betalen. Wat overblijft is voor jou.
Hypothecaire lening: Een geldlening op onderpand van grond of gebouwen. Je geeft als eigenaar van de onroerende zaak, aan de geldgever het recht van de hypotheek; als je je schuld niet op tijd aflost, heeft de geldgever het recht om je huis te verkopen.
De bank zal niet onbeperkt hypothecair krediet verlenen. Het ligt aan je grootte van je inkomen, je andere schulden, en van het inkomen van je partner.
Er zijn 3 soorten hypotheken:
- De lineaire hypotheek
- De spaarhypotheek
- De annuïteitenhypotheek
6.3 De lineaire hypotheek
De lineaire hypotheek: Als je elke periode een gelijk bedrag aan aflossing betaald.
Lasten per maand: Het bedrag wat je vast moet betalen per maand aan aflossing. In een tabel bereken je de lasten per maand: Aflossing + (Interest -Belastingvoordeel)/ 12
Aflossing: wat je moet aflossen lijkt een groot bedrag, maar elk jaar wordt het minder. Je mag van je belastbaar inkomen de interestkosten aftrekken.
Het is belangrijk te weten wat de hoogte van je inkomen is. Hoe hoger je inkomen, hoe hoger je belastingaftrek.
Inkomstenbelasting progressief: Naarmate het inkomen hoger is, betaalt men procentueel meer belasting.
Eigenwoningforfait: Je moet niet alleen inkomstenbelasting betalen over je werk, maar ook over de inkomsten uit eigen woning. Het is een vast bedrag wat bij je inkomen moet worden opgeteld waarover dus belasting moet worden betaald.
Voordelen lineaire lening:
- Interestkosten worden snel lager
- De schuld wordt steeds kleiner
Nadelen lineaire lening:
- Doordat de interestkosten steeds lager worden, neemt ook het belastingvoordeel snel af.
- De uitgaven wegens interest en aflossing zijn in de eerste jaren het hoogst, terwijl het inkomen dan mesetal nog lang niet het hoogste niveau heeft bereikt.
Premie, interest en maandlasten bij een spaar- en lineairehypotheek
Jaren Geleend bedrag
A Spaarpremie/ aflossing
B Interest
(interestpercentage berekenen van A)
C Belastingvoordeel
(Het Belastingvoordeelpercentage berekenen van C)
D Lasten per maand
B+
(C-D)/12
E
6.4 De spaarhypotheek
Spaarhypotheek: Het kenmerkende van een spaarhypotheek is dat je gedurende de looptijd niet aflost. Ipdaarvan betaal je elke periode een spaarpremie. Die premies worden belegd, zodat je na 10 jaar over een bedrag van 100.000.- beschikt, waarmee je je schuld kan aflossen.
De hoogte van de spaarhypotheek is onder meer afhankelijk van de looptijd van de lening en de leeftijd van geldnemer. Naarmate de looptijd korter is, zul je meer premie moeten betalen.
Hoe ouder je wordt, hoe lager de spaarpremie wordt.
Voordelen spaarhypotheek:
- Het fiscale voordeel is groot (elk jaar maximale bedrag aan interestaftrek)
- Over de interest van het spaarbedrag hoeft onder bepaalde voorwaarden geen belasting worden betaald
- De maandlasten blijven ieder jaar even hoog, zodat je precies weet waar je aan toe bent.
Nadelen spaarhypotheek:
- De interestlasten zijn hoog; je betaalt elk jaar interest over het geleende bedrag.
- Het percentage interest dat je over het spaarbedrag vergoed krijgt, is vaak lager dan het percentage dat je moet betalen.
De belangrijkste verstrekkers van spaarhypotheken zijn levensverzekeringsmaatschappijen.
6.5 De annuïteitenhypotheek
annuïteiten: een periodiek (gelijkblijvend) bedrag aan interest en aflossing samen.
Net als bij een spaarhypotheek blijven de jaarlijkse uitgaven gelijk.
Bij het volgende overzicht zie je de hoe je het moet berekenen, hierbij is alleen niet rekening gehouden met het eigenwoningforfait.
Jaren Schuld aan het begin van het jaar
A Annuïteit
B Interest
(6% van A)
C Aflossing
(B-C)
D Schuld aan het einde van het jaar
(A-D)
E Belasting voordeel (belastingvoordeelspercentage van C)
F Lasten per maand
D+(C-F)/12
G
Kenmerk annuïteitenlening: De geldlener betaalt gedurende de gehele looptijd van de lening per jaar hetzelfde bedrag. Dat is ook bij een spaarhypotheek. Bij een annuïteitenlening neemt de interest van jaar tot jaar af, waardoor ook het belastingvoordeel afneemt. Bij een annuïteitenlening mag alleen de interest van het inkomen worden afgetrokken.
Voordelen annuïteitenlening:
- Doordat er in de eerste jaren weinig wordt afgelost, is er in die jaren sprake van een groot belastingvoordeel.
- De lasten per maand zijn de eerste jaren lager dan aan het einde van de looptijd, wat gunstig is als je inkomen in de loop van de tijd stijgt.
Nadelen annuïteitenlening:
- Gedurende de looptijd wordt het belastingvoordeel steeds kleiner
- De lasten per maand zijn aan het eind van de looptijd relatief hoog, wat ongunstig is als je inkomen in de loop van de tijd daalt.
De 3 hypotheken met elkaar vergeleken:
Dan zie je dat de jaarlijkse lasten in de beginjaren bij een annuïteitenlening het laagst zijn. Dat is gunstig als je inkomen de loop van de tijd stijgt.
Bij een lineaire lening begin je met hoge bedragen, maar deze worden elk jaar lager. Dat is als je met je pensionering begint.
Bij een spaarhypotheek zit je precies tussen de beide andere hypotheekvormen in.
6.6 De obligatielening
Obligatielening: Een geldlening op lange termijn die in kleine bedragen is opgesplitst.
Het is gemakkelijk om 1000 mensen te vinden die 50 euro in een onderneming wil steken, dan een persoon die 50000 euro wil betalen.
Een nadeel ten opzichte van de onderhandse lening is dat er emissiekosten (kosten die verbonden zijn aan het uitgeven van obligaties) en administratiekosten gemaakt moeten worden.
Een obligatie is een bewijs van deelneming in een geldlening.
Een obligatie bestaat uit een mantel en een couponblad: de mantel is het officiële stuk, waarop de belangrijkste gegevens vermeld staan. Het couponblad bestaat uit een aantal coupons en een talon. De coupons dienen voor de interestbetaling. De houder van een obligatie kan jaarlijks een coupon inleveren, waarvoor hij dan zijn interest ontvangt. Wanneer hij alle coupons heeft verbruikt, stuurt hij de talon op naar de instelling en ontvangt hij een nieuw couponblad.
Een obligatielening is een vorm van lang vreemd vermogen.
De onderneming of instelling kan een obligatielening op verschillende manieren aflossen:
- aflossing in één keer aan het einde van de looptijd van de lening
- aflossing in gedeelten gedurende een aantal jaren door middel van uitloting.
- Het inkomen van de eigen obligaties.
In de prospectus van de obligatielening staat vermeld:
- de verhouding tussen eigen en vreemd vermogen
- de resultaten van de afgelopen jaren en de verwachtingen voor de toekomst
- het doel van de lening en de grootte van het te lenen bedrag
- de datum waarop de koers bekend wordt gemaakt
- de wijze van aflossen en de data waarop wordt afgelost
- het tijdstip waarop moet worden ingeschreven
- het tijdstip waarop de obligaties kunnen worden afgehaald en moeten worden betaald.
Stel, er worden 10.000 obligaties geëmitteerd en je schrijft in voor 90 obligaties. In totaal wort ingeschreven op 15.000 obligaties.
Je krijgt in dit geval toegewezen: 10.000 : 15.000 x 90 = 60 obligaties
Daarom is het bij staatsleningen gebruikelijk dat de uitgiftekoers niet van tevoren bekend wordt gemaakt. De beleggers mogen zelf aangeven welke prijs zij voor de aangeboden obligaties over hebben. Aan de hand van inschrijvingen wordt door het Ministerie van Financiën de uitgiftekoers bepaald, dat heet het tendersysteem.
Als na de eerste dag van de uitgifte de plaatsing van de obligaties nog enige tijd wordt voortgezet, dan spreekt men van een toonbankuitgifte. De uitgiftekoers kan dan van dag tot dag worden bijgesteld.
Vaak zal de instelling of onderneming zich het recht voorbehouden van vervroegde aflossing. Wanneer zij tijdens de looptijd van de lening over gelden beschikt die voorlopig niet nodig zijn, kunnen deze bedragen worden gebruikt om de obligatielening of een deel daarvan vervroegd af te lossen.
Overeenkomsten aandelen en obligaties:
- voor de onderneming is de obligatielening evenals het aandelenkapitaal een manier om aan lang vermogen te komen
- voor de belegger zijn de aandelen en obligaties alternatieve beleggingspapieren
- zowel obligaties als aandelen kun je via de effectenbeurs kopen en verkopen.
Verschillen aandelen en obligaties:
Aandelen Obligaties
Bewijs van mede-eigendom in een NV of BV Schuldbewijs van een NV of BV
Deel van het eigen vermogen Deel van het vreemd vermogen
Medezeggenschap Geen zeggenschap
Risico bij slechte resultaten Minder risico
Koers onstabiel, afhankelijk van de winstverwachting Koers stabieler, voornamelijk afhankelijk van de rentestand
Permanent vermogen Tijdelijk vermogen
Dividend als beloning Vast interestpercentage
Het plaatsen van obligaties gaat op dezelfde wijze als het plaatsen van aandelen:
- tegen de nominale waarde; ze worden a pari geplaatst
- boven de nominale waarde; ze worden dan boven pari geplaatst (er ontstaat agio)
- beneden de nominale waarde; ze worden dan onder pari geplaatst (er ontstaat in dat geval disagio)
§ 6.7 de onderhandse lening
Een onderhandse lening is een lening op lange termijn die door één geldgever wordt verstrekt.
Voordelen van de onderhandse lening:
- er kan onderhandeld worden over de leningsvoorwaarden
- er zijn geen emissiekosten
- er zijn lagere administratiekosten ten opzichte van bijvoorbeeld de obligatielening
§ 6.8 Voorzieningen
als we eens in de 5 jaar een gebouw laten schilderen, zullen we de kosten daarvan over 60 dagen maanden verdelen. In de maanden waarin niet wordt geschilderd, voegen we dan een bedrag toe aan de ‘voorziening voor onderhoud’
Hoofdstuk 7 Vreemd vermogen op korte termijn
§ 7.2 de functie van banken
Bank = instelling die geld leent die zij verschaft uit eigen middelen, uit middelen van derden of door geldschepping
Als een bank geld uitleent, gaat de bank eerst nakijken of degene die geld wil lenen het wel terug kan betalen en ook de interest kan betalen.
- De eigen middelen van een bank bestaan uit het aandelenkapitaal en de reserves.
- De middelen van derden zijn gewoon de mensen die geld op een rekening zetten, waar de bank dan gebruik van kan maken doordat de spaarders het dan niet nodig hebben.
- En de kredietverlening door geldschepping komt erop neer dat de bank zelf geld maakt. De bank is dan is staat meer geld uit te lenen dan dat ze zelf geleend hebben.
De hoofdtaken van de algemene bank zijn:
- het verstrekken van kredieten
- het aanbieden van spaarmogelijkheden
Deposito’s = zet je geld voor een bepaalde periode vast en je kunt dan ook niet over het geld beschikken
Direct opvraagbare tegoeden = je kunt beschikken over het geld wanneer je wilt.
Vaste interest = hetzelfde percentage interest per periode.
Variabele interest = de interest kan per dag verschillen.
Open bewaarneming = cliënt geen de effecten aan de bank en laat de bank alles regelen.
Gesloten bewaarneming = de cliënt geeft de effecten wel aan de bank, maar de bank mag ze niet inkijken. De cliënt moet dus alles zelf regelen.
Hoofdstuk 7 Vreemd vermogen op korte termijn
7.2 De functie van de banken
Bank: Een instelling die zich bezighoudt met het verlenen van kredieten die zij verschaft uit eigen middelen, uit van derden opgenomen gelden of door creatie.
Bij het verlenen van kredieten gaat de bank na of de kredietnemer wel geschikt is om de aflossing en de interest te betalen, en of zij zelf niet in de problemen komen.
7.2.1 Kredietverlening uit eigen middelen
De eigen middelen van een bank bestaan uit aandelenkapitaal en reserves. Bij de meeste banken vormen deze een garantie voor eventuele verliezen. Naarmate het risico van de krediettransacties toeneemt, zal een groter eigen vermogen aanwezig moeten zijn. Hiermee kan de bank de eventuele verliezen opvangen.
7.2.2 Kredietverlening uit middelen van derden
Hierbij is de bank afhankelijk van anderen: de bank moet maar afwachten hoeveel geld haar geboden wordt. De bank zal via reclame proberen het publiek te overtuigen dat er geen betere bank is.
7.2.3 Kredietverlening door creatie (geldschepping)
Algemene banken kunnen meer geld uit lenen dan ze werkelijk hebben.
Gespecialiseerde banken: Deze banken richten zich op een bepaalde activiteit.
Algemene banken: Dit zijn banken die in principe het gehele bankbedrijf uitvoeren.
Hoofdtaken AB’s:
• Verstrekken van kredieten
• Aanbieden van spaarmogelijkheden
• Het verrichten van betalingen voor cliënten
• Het bewaren van effecten (aandelen en obligaties)
• Het effectenverkeer
• Het emissiebedrijf
• De valutahandel
7.2.4 Het aanbieden van spaarmogelijkheden
Je kunt op verschillende manieren sparen. Afhankelijk van de periode waarvoor je je geld wilt vastzetten, is er onderscheid tussen deposito’s en direct opvraagbare tegoeden.
Bij deposito’s zet je je geld voor een bepaalde periode vast. Bij direct opvraagbare tegoeden kun je altijd je geld opnemen. Naarmate je je geld langer wegzet, wordt je interestpercentage ook hoger.
Bij het lenen van geld kom je ook de begrippen variabele interest en vaste interest tegen.
Vaste interest: hierbij geldt een aantal periodes hetzelfde percentage.
Variabele interest: dit kan elke dag aangepast worden aan de dan geldende interestvoet.
7.2.5 Het verrichten van betalingen van cliënten
Wanneer je een bankrekening hebt, kun je heel makkelijk betalingen verrichten. Elke bank heeft daarvoor een speciaal formulier ontwikkeld.
De bank moet weten;
• Naar wie het bedrag moet worden overgemaakt;
• Op welk rekeningnummer het bedrag moet worden gestort;
• Welk bedrag moet worden overgemaakt.
7.2.6 Het bewaren van effecten
Bij een open bewaarneming geeft de cliënt zijn effecten aan de bank. De bank doet dan alles wat nodig is, maar de bank vraagt hiervoor wel provisie en bewaarloon. De cliënt ontvangt regelmatig de overzichten.
Bij een gesloten bewaarneming geeft de cliënt zijn effecten aan de bank, maar moet wel alles zelf doen. Dit komt heel weinig meer voor.
7.2.7 Effectenverkeer
De bank zorgt voor aankoop en verkoop van effecten. Doordat er veel koop- en verkooporders binnenkomen, kan zij een gedeelte van deze orders met elkaar compenseren (cleaning). Daardoor worden zij niet op de effectenbeurs gebracht; ze kunnen dus ook geen invloed uitoefenen op de koers die op de effectenbeurs tot stand komt.
Voorbeeld: Wanneer een bank een opdracht tot koop van Corus van 5000 aandelen, maar een verkoopopdracht ontvangt van Corus van 4000 aandelen, zal de bank maar 1000 aandelen kopen. En alleen die 1000 hebben invloed op de koers.
7.2.8 Het emissiebedrijf
Als een onderneming nieuwe aandelen of obligaties wil plaatsen, schakelt zij de bank in. Bij de emissie geeft de onderneming een prospectus uit, waarin het doel van de emissie en de vooruitzichten worden bekend gemaakt.
De bank kan op 2 manieren hierbij betrokken worden:
1. De bank neemt de gehele emissie van de onderneming over, ze hebben samen een koers afgesproken, en als de bank de effecten niet kwijt kan, blijft de bank ermee zitten.
2. De bank kan ook alleen bemiddeling verlenen; hiervoor ontvangen ze dan provisie. Dan loopt de bank geen risico.
7.2.9 Valutahandel
Als je op vakantie gaat naar een land met een andere muntsoort, kun je bij de bank die muntsoort halen. Maar niet alleen vakantiegeld, ook het nederlandse bedrijfsleven exporteert en importeert voor honderden miljarden euro’s per jaar. De betalingen die daaruit voortkomen worden verricht door de banken.
7.3 Leverancierskrediet en afnemerskrediet
7.3.1 Algemeen
Leverancierskrediet is het krediet dat de leverancier verleent aan de afnemer.
Leverancierskrediet hoef je pas later te betalen dan dat de goederen geleverd zijn.
Afnemerskrediet is het krediet dat de afnemer verstrekt aan de leverancier.
Bij afnemerskrediet betaalt eerst de afnemer, en pas later worden de goederen geleverd.
Leverancierskrediet:
1. Consumptief leverancierskrediet; voor consumenten
2. Productief leverancierskrediet; voor bedrijven
7.3.2 Het consumptief leverancierskrediet
Dit is verbonden met het leveren van goederen. Bij kredietverlening waarbij de consument periodiek betaalt voor dagelijkse levensbehoeften is niet ongezond; de consument loopt niet vooruit op de vorming van zijn inkomen maar op slechts een verkrijging daarvan.
Dat de leverancier dit krediet geeft;
• Hij hoeft er niet aan te verdienen (wel bij afbetalingskrediet!)
• Voor banken zou dit kleine krediet te veel werk zijn waardoor de kosten ook hoog zijn.
• Leveranciers kunnen beter dan banken beoordelen of de kredietnemer zijn verplichtingen zal kunnen nakomen
• Hij heeft meer klanten
Ook postorderbedrijven verlenen leverancierskrediet. Bij deze kredieten loop je vooruit op de inkomensvorming. De consument kan dus uitgeven wat hij nog niet heeft. Dat heeft wel bezwaren;
• De consument is niet zeker dat hij dat inkomen ook werkelijk krijgt.
• In de toekomst kunnen zich belangrijkere dingen voordoen.
Ook voor de leverancier zijn er nadelen, hij kan grote verliezen lijden, wanneer de consument niet meer aan de verplichtingen voldoet.
7.3.3 Het productief leverancierskrediet
Het productief leverancierskrediet wordt verleent van de ene leverancier aan de andere. Het productief leverancierskrediet hoort tot het kort vermogen.
Ondernemingen maken liever gebruik van leverancierskrediet dan van bankkrediet omdat;
• De kosten zijn lager
• Het risico van de leverancier is lager dan voor de bank.
In de meeste bedrijven wordt gebruik gemaakt van leverancierskrediet. Het zou beter zijn om een deel van het leverancierskrediet te vervangen door het EV omdat:
• Het leverancierskrediet is duurder
• De leveranciers bij contante betaling vaak korting geven; de kosten van het leverancierskrediet wordt bepaald door de eventuele korting voor contante betaling.
• De leveranciers het factuurbedrag verhogen met een toeslag voor kredietbeperking. Als de afnemer op tijd betaald, hoeft hij dat niet te betalen.
7.3.4 Afnemerskrediet
Afnemerskrediet wordt door de afnemer verstrekt aan de leverancier.
Het afnemerskrediet komt vooral voor bij;
• Dienstverlenende bedrijven
• Uitvoering van speciale orders
• De opkopende handel
Dienstverlenende bedrijven verlenen diensten die bij wanbetaling niet kunnen worden teruggevorderd. Het is dan ook logisch dat zij vooruitbetaling eisen.
Bij speciale orders is het risico voor de leverancier groot dat hij het product als de afnemer hem met het vervaardige laat zitten, hij het niet kwijtraakt.
Opkopende handel is vooral op het gebied van allerlei graangewassen. Voor de teelt ontvangt de boer (leverancier) geld van zijn afnemer. De boer moet zijn producten tegen een goede prijs bieden.
Ook het afnemerskrediet kun je verdelen in consumptief en productief afnemerskrediet.
Consumptief AK; vooruitbetalingen aan de leverancier (abonnementen)
Productief AK; kredietverlening tussen ondernemingen waarbij vooruitbetalingen worden verricht.
7.4 Het rekening-courantkrediet
De vermogensmarkt kun je ook nog verdelen in de eerste- en tweedehandsmarkt.
Bij de eerstehands ontvangen de ondernemingen het vermogen rechtstreeks van het publiek. Bij emissie van aandelen en obligaties.
Bij de tweedehands leent de onderneming geld van de bank, die op haar beurt weer leent van het publiek.
Schematisch:
PubliekVermogen Bedrijf
(eerstehandsmarkt)
Publiek Vermogen Bank vermogen Bedrijf
(tweedehandsmarkt)
Vrijwel alle ondernemingen hebben bij een of meer banken een rekening-courant. Die wordt gebruikt bij betalingen en ontvangsten. Bij de rekening-courant krijgt de onderneming toestemming van de bank om tot een bepaald bedrag rood te staan; het kredietplafond.
Stel dat de onderneming 50.000 kredietplafond heeft, en 35.000 rood staat, dan is de dispositieruimte nog 15.000.
In verhouding met de andere kredietvormen is de rekening-courantkrediet duur.
Omdat het zo duur is zou je denken dat weinig ondernemingen hier gebruik van maken, maar dat is niet zo.
• Kleinere bedrijven beschikken vaak over een kleiner vermogen en hebben geen toegang tot de eerstehandsvermogensmarkt. Daardoor zijn ze aangewezen op de RCK.
• Er zijn nogal wat bedrijven met een seizoenspiek. Zij hebben gedurende enkele maanden meer vermogen nodig dan andere maanden.
Ondernemingen maken nogal gebruik van het anticipatiekrediet: een krediet dat vooruit loopt op de plaatsing van aandelen en obligaties. Wanneer een onderneming groeit, is uitbreiding niet gelijk noodzakelijk. Wel zullen voorraden en vorderingen op afnemers langzaam toenemen. Zou de onderneming nu al gelijk obligaties en aandelen plaatsen, zou veel vermogen in de beginfase binnenkomen met nog geen bestemming. Wanneer dus het bedrag groot genoeg is, wordt overgegaan op de emissie. Met de opbrengst van de emissie wordt eerst het anticipatiekrediet afgelost. De rest wordt bij het RCK bijgeschreven.
7.5 Het consumptief krediet
Consumptief krediet is bestemd voor particulieren die het gebruiken voor consumptieve doeleinden. Voorbeelden van consumptief krediet voor Particulieren;
• Het doorlopend krediet
• De persoonlijke lening
• Koop en verkoop op afbetaling
• Huurkoop
7.5.1 Het doorlopend krediet
Hierbij spreken een bank en consument af dat de consument krediet mag opnemen tot een bepaald bedrag. Dat binnen een bepaalde periode moet worden afbetaald. In het algemeen wordt hierbij ook provisie in rekening gebracht. Er moet ook interest betaald worden.
Het geleende bedrag hoeft niet in een keer worden opgenomen. Afgeloste bedragen kunnen steeds weer worden opgenomen. Voordeel consument: niet steeds opnieuw provisie betalen en geen formulieren invullen elke keer. De consument weet precies tot welk bedrag hij kan gaan. Het vaste bedrag dat de consument maandelijks aan de bank betaalt wordt meestal automatisch afgeschreven.
7.5.2 Persoonlijke lening
Bij een PL leent de consument een bedrag bij zijn bank voor een bepaald doel. De consument neemt het bedrag in een keer op. Afgeloste bedragen mogen niet meer opgenomen worden. Wil hij toch weer opnieuw geld opnemen; moet hij een nieuwe lening afsluiten. De afbetaling vindt plaats in gelijke termijnen die deels uit aflossing en interest bestaan. Voordeel: voor allerlei doeleinden gebruiken, maar minder vrijheid dan bij doorlopend krediet.
De kosten van een PL bestaan uit afsluitingsprovisie en interest, samen heten ze financieringskosten. Zowel PL als DK is duur voor de consument. De oorzaak hiervan is omdat de bank maar weinig zekerheid heeft. Als de consument niet betaald, kan de bank de vakantie niet terug vorderen.
Er wordt door de bank op deze kredieten behoorlijk verdiend. Het risico dat de consument niet betaald is opgenomen in de kredietprijs (kredietpercentage)
7.5.3 Koop en verkoop op afbetaling
Hierbij komen koper en verkoper overeen dat de koopprijs van een roerende zaak (wasmachine bvb) zal worden betaald in termijnen.
Hij moet bij de koop een deel betalen, en de rest doet hij in termijnen.
De consument kan duurzame consumptie goederen op afbetaling betalen. Dit zijn artikelen waarvan de consument jarenlang plezier kan hebben. Deze vorm wordt vaak toegepast als de consument het artikel niet kan betalen, maar het toch nodig heeft.
7.5.4 Huurkoop
Dit lijkt veel op afbetaling. Bij koop en verkoop op afbetaling wordt de koper op het moment van kopen eigenaar. Bij huurkoop blijft de verkoper eigenaar totdat de laatste termijn is betaald. Wanneer de consument dus niet betaald, kan de verkoper het artikel vorderen en aan iemand anders verkopen. Doordat de verkoper meer zekerheid heeft, is de kredietprijs ook lager.
7.6 Financiering van niet-commerciële organisaties
Belangrijkste vormen van financiering voor niet-commerciële organisaties;’
1. budgetfinanciering
2. lumpsum
3. subsidies
4. leningen, contributies en giften
7.6.1 Budgetfinanciering
Dit komt voor bij overheidsinstellingen. Deze maken elk jaar een begroting. Deze rust op bepaalde afspraken. Het bedrijf geeft aan de overheid zijn plannen en de daarbij behorende kosten en krijgt meestal toestemming. Meestal zal de overheid het een en ander wijzigen, waardoor het bedrag lager wordt. Vervolgens mag het bedrijf de plannen uitvoeren binnen het aangegeven budget.
7.6.2 Lumpsum
Dit vindt vooral plaats in het onderwijs. Afhankelijk van het aantal leerlingen krijgt de school elk jaar een som geld van de overheid. De school mag hier zelf bepalen wat daarmee te doen.
7.6.3 Subsidies
De overheid is hierbij niet verplicht voor de financiering zorg te dragen. Wel zijn er regels waaraan een organisatie zich moet houden om voor subsidie in aanmerking te komen.
7.6.4 Leningen, contributies en giften
In een groot aantal situaties sluiten niet-commerciële organisaties een lening af, als ze bijvoorbeeld een verbouwing willen.
Een belangrijke bron van inkomsten van een NCO zijn contributies en giften. Als je lid bent van een voetbalclub, moet je contributie betalen. Ben je lid van een kerk, word je geacht giften te betalen om de kerk in stand te houden.
Hoofdstuk 8 Interestberekeningen
8.2 Enkelvoudige interest en samenstelde interest
Als je geld geleend heb, heb je 2 soorten betalingen; aflossing en interest. Aflossen is het terugbetalen van de lening, interest is de vergoeding voor het ter beschikking stellen van het geld. Interest wordt ook vaak “rente” genoemd.
Je hebt enkelvoudige interest, en samengestelde interest.
Enkelvoudige I; hierbij wordt voor elke periode interest berekend over het oorspronkelijke bedrag.
Samengestelde I; hierbij wordt de interest over een periode bij het oorspronkelijke bedrag opgeteld.
8.3 Berekeningen met enkelvoudige interest
Regels voor het berekenen van enkelvoudige interest:
• Het interestbedrag wordt afgerond op hele centen. Boven een halve cent naar boven, beneden een halve cent naar beneden.
• De maand wordt meestal berekend op 30 dagen
• Het aantal dagen wordt berekend op 360 of 365 dagen
• Bij het berekenen van het aantal dagen wordt de eerste dag wel meegeteld, en de laatste dag niet.
• Een gegeven percentage geldt voor 1 jaar, tenzij het anders vermeld wordt.
Formule enkelvoudige interest:
I= KxPxT/100xc
I=Interestbedrag
K=Kapitaal
P=Percentage
T=Looptijd in jaren
c=de periode, bij jaar is het 360, maand 30, week 7 enz.
8.4 Berekening van het aantal interestdagen
In een schrikkeljaar zitten in februari ipv 28 dagen, 29 dagen. Een schrikkeljaar is deelbaar door 4.
Als je het interestpercentage moet berekenen van 15 maart 2004 tot 26 september 2004, tel je 15 maart mee, maar 26 september niet, want er staat TOT. Als er staat TOT EN MET, moet je 26 september ook meerekenen.
Soms worden de maanden op 30 dagen geteld. Dat is wat makkelijker te berekenen.
8.5 Aflossen op leningen
Als je leent, moet je dat bedrag terug betalen. Dit kan in een keer, maar ook in periodes. Dat terugbetalen heet aflossen.
Wanneer de gedurende looptijd van de lening steeds bedragen worden afgelost, kom je in aanraking met de schuldrest van de lening: het bedrag dat je op een bepaald moment nog verschuldigd is.
Het is te berekenen door het geleende bedrag te verminderen met aflossingen. De schuld neemt niet af door interest te betalen.
Hoofdstuk 9 Samengestelde interest
9.2 Samengestelde interest
Bij samengestelde interest wordt de interest aan het einde van elke periode bij de hoofdsom gevoegd, waarna over het totaal de interest berekend wordt. (rente over rente)
Als je €10.000,- op een bankrekening strot en je haalt telkens de jaarlijkse interest van je bankrekening af stel je je tevreden met enkelvoudige interest. Laat je de interest op je bankrekening staan, dan wordt bovendien rente over rente bijgeschreven. Dat is samengestelde interest.
9.3 De berekening van de eindwaarde of slotwaarde van één bedrag
En=K x (1+i)n
E=eindwaarde
K=Kapitaal
i= Pernuage= per 1= percentage per 1
9.4 De berekening van de contante waarde of aanvangswaarde van een bedrag
Soms weet je alleen de eindwaarde, je moet dan berekenen wat de aanvangswaarde is. Je gebruikt dan weer de formule En=K x (1+i)n.
VB: Welk kapitaal moeten we vastzetten op samengestelde interest om over 10 jaar over een bedrag van 20.000,- te kunnen beschikken? De interestvoet is 8% per jaar.
Het bedrag 20.000 moet dus 10 jaar worden teruggebracht.
E10 = 20.000
i=0.08
n= 10
20.000= K x (1+ 0.08)10
1.08 Yx 10= 2,158924997
K= 20.000/ 2,158924997= 9.263,87
Conclusie: als we beschikken over 9.263,87 hebben we na 10 jaar met een interestwaarde van 8% per jaar 20.000 euro.
9.5 De berekening van de gekweekte interest
Je kunt ook de gekweekte interest van een bepaalde periode berekenen.
VB: Irma start per 1 januari 2002 met 10.000,- een spaarrekening met 7% interestvergoeding.
Ze wil weten hoeveel ze spaart tussen 2011 en 2015.
Berekening:
Eerst beginbedrag 2011 berekenen en eindbedrag 2015, ( dus beginbedrag 2016!) En dan
2015-2011= het gekweekte interestbedrag tussen 2011 en 2015.
9.6 Bijzondere berekeningen
VB: Welk percentage per halfjaar is bij samengestelde interest gelijk aan 6% per jaar?
Als het percentage 6% is per jaar, is dat bij berekeningen 1,06.
Per half jaar is dat dan: 1,061/2
1,061/2= 1,029563
Per half jaar is het percentage dus 2,9563, afgerond 2,96% per halfjaar.
VB:Welk percentage interest per jaar is gelijk aan 3% samengestelde interest per halfjaar?
1,03=1,032 per jaar
1,032 = 1,0609
Het percentage per jaar is dus 6,09%.
Hoofdstuk 10 Personeelsbeleid
10.1 Inleiding
Personeelsbeleid: een onderdeel van het totale beleid van de onderneming. Tot het personeelsbeleid horen zaken als:
• Prognose van de personeelsbehoefte; hoeveel mensen met welke kwaliteiten zijn nu en in de toekomst nodig?
• Werving, selectie en introductie;
• Opleiding en vorming (scholing);
• Beoordeling en promotie;
• Beloningssystemen;
• Ontslag en pensioen
10.2 Prognose van de personeelsbehoefte
10.2.1 Waarom een prognose?
Het is voor een onderneming van belang om over voldoende personeel te beschikken. De uitvoerende werknemers kunnen snel worden aangetrokken, al hebben ze wel een specifieke beroepsopleiding nodig.
Voor het leidinggevende personeel is dat anders, vaak is er voor deze werknemers naast leidinggevende capaciteiten ervaring ook een vereiste.
We moeten weten voor welke functies in de toekomst vacatures gaan ontstaan. Daarvoor is een prognose van de personeelsbehoefte nodig. Een prognose is een uitspraak over zowel het aantal personeelsleden als het niveau van de vereiste personeelsleden waarover de onderneming in de toekomst moet beschikken. Als de prognose is gemaakt, kan de onderneming tijdig personeel aantrekken, die na een zekere inwerkperiode, de vrijkomende plaatsen kunnen bezetten. Voordat er personeel wordt aangetrokken, wordt eerst gekeken of er binnen de onderneming mensen zijn die de vrijkomende functie kunnen vervullen. Dat is het promotiebeleid: een eigen medewerker wordt bevorderd naar een hogere functie.
10.2.2 Ontslag en Pensioen
Als je 65 jaar bent, ga je met pensioen. In sommige organisaties is een jongere leeftijd gebruikelijk.
Pensionering is volgens leeftijd te plannen, maar sinds een aantal jaren is daar de flexibele pensionering bijgekomen. Werknemers kunnen dan zelf bepalen wanneer ze op welke leeftijd stoppen met werken. Als ze eerder stoppen, wordt het pensioen lager. Dat komt doordat een vroeg gepensioneerde minder lang premie betaalt en eerder en dus langer van een pensioenuitkering geniet. Een onderneming is dus volledig afhankelijk van een werknemer wanneer hij met pensioen gaat. Daardoor is het moeilijk te plannen wanneer er personeelsbehoefte ontstaat. Ook als iemand ontslag neemt is vaak moeilijk te plannen.
In de laatste decennia worden ondernemingen vaak geconfronteerd met vermindering van het aantal personeelsleden door mechanisering en automatisering. In overleg met de vakorganisaties proberen ondernemingen gedwongen ontslagen te voorkomen door:
• Gebruik te maken van natuurlijk verloop
• Werktijdverkorting (arbeidsduurverkorting of ADV)
• Flexibele pensionering
• Deeltijdarbeid.
De behoefte aan medewerkers wordt bepaald door conjunctuur. Wanneer het goed gaat met de economie, is er veel behoefte aan medewerkers. Ondernemingen proberen dan juist medewerkers te houden door bonussen enzo te geven. Als het slecht gaat met de economie, is er juist weinig behoefte aan werknemers.
10.2.3 Flexwerk
Er komen sinds enkele jaren steeds meer flexibanen. Dat zijn banen waarvan de onderneming gebruikmaakt op het moment da zij extra personeelsleden nodig hebben. De onderneming heeft dan een aantal ‘reserve-werknemers’ aangetrokken op basis van een flexibele arbeidsovereenkomst. Flexwerker is een verzamelnaam voor uitzendkrachten, mensen met een tijdelijke aanstelling.
10.3 De arbeidsovereenkomst
10.3.1 De individuele en collectieve arbeidsovereenkomst
Wanneer een werknemer in dienst treedt van een werkgever, wordt er een individuele arbeidsovereenkomst afgesloten. Daarin staat bvb hoeveel uur een werknemer werkt, wanneer hij aanwezig moet zijn, en wat zijn loon is. Een individuele arbeidsovereenkomst moet passen binnen de algemene arbeidsovereenkomsten die zijn afgesproken in een CAO binnen een bepaalde bedrijfstak. (Bedrijfstak= alle ondernemingen die dezelfde werkzaamheden verrichten)
Een Collectieve Arbeidsovereenkomst is een overeenkomst tussen vakbonden en werkgeversorganisaties in een bedrijfstak/onderneming en bevat de algemene arbeidsvoorwaarden die gelden voor alle werknemers in een bedrijfstak/onderneming.
Een CAO heeft meestal een looptijd van 1 of 2 jaar. In sommige grote ondernemingen sluiten directies een CAO af met de verschillende vakbonden. Veel vakbonden zijn aangesloten bij overkoepelende vakcentrales zoals: FNV (=Federatie Nederlandse Vakbeweging) en CNV (= Christelijk Nationaal Vakbond. Werkgevers organisaties zijn aangesloten bij de werkgeverscentrales VNO-NCW (=Verbond van Nederlandse Ondernemingen en het Nationaal ChristelijkWerkgeversverbond)
10.3.2 Arbeidsvoorwaarden
Hoewel elke CAO er anders uitziet, worden er over de volgende punten afspraken gemaakt:
• Primaire arbeidsvoorwaarden: geldelijke beloning, vakantiegeld, toeslagen voor bijvoorbeeld overwerk en onregelmatige werktijden.
• Secundaire arbeidsvoorwaarden: werktijden, reiskostenvergoeding. Werkkleding, aantal vakantiedagen, auto van de zaak, scholingsmogelijkheden en ADV.
De CAO bevat dus arbeidsvoorwaarden die gelden wanneer een vakbondslid gaat werken bij een werkgever met die de CAO is overeengekomen. De CAO is zelf geen arbeidsovereenkomst, maar zegt alleen hoe de individuele arbeidsovereenkomst er op bepaalde punten moet komen uit te zien.
Verplichtingen van een werkgever zijn:
1. op tijd loon betalen
2. getuigschrift aan het einde van de dienstbetrekking
3. minderjarige werknemers in de gelegenheid stellen om een opleiding te volgen.
1. De werkgever moet het loon op de afgesproken tijdstippen betalen. Bij niet-tijdige betaling heeft de werknemer recht op een schadeloosstelling. De werknemer kan dan via het kantonrecht het loon afdwingen.
De vorm waarin het loon moet worden betaald is ook vastgesteld in de wet.
2. Als de werknemer hierom verzoekt, is de werkgever verplicht hem of haar aan het einde van de dienstbetrekking een getuigschrift uit te reiken. In dit getuigschrift moet worden opgenomen:
• een nauwkeurige omschrijving van de werkzaamheden die de werknemer heeft verricht;
• in welke periode dit is gebeurd
3. Minderjarige werknemers moeten door hun werkgever in de gelegenheid worden gesteld om een halve dag of meer per week onderwijs te volgen. Van deze regel mag niet worden afgeweken.
Ook de werknemer heeft in de arbeidsovereenkomst verplichtingen op zich genomen. De werknemer moet:
• de arbeid zo goed mogelijk verrichten
• de arbeid zelf verrichten
• zich houden aan de voorschriften die de betreffende te verrichten werkzaamheden zijn verstrekt
• zich gedragen zoals dit van hem verwacht wordt.
10.4 Selectie van personeel
10.4.1 Hoe te selecteren?
Voor de selectie heb je hoger en lager opgeleid personeel. Voor het aannemen van lager opgeleid personeel gebeurt in het algemeen door personeelsadvertenties het CWI of door uitzendbureaus. Soms proberen ondernemingen via scholen aan personeel te komen.
Het werven van hoger opgeleid personeel gaat via externe bureaus of headhunters.
Een extern bureau zet advertenties, en een headhunter gaat zelf opzoek naar geschikte kandidaten, met bepaalde kwaliteiten.
In het algemeen bieden zich er een aantal geschikte kandidaten voor een bepaalde functie aan. Er moet een selectie plaatsvinden om de meest geschikte kandidaat te vinden. Hierbij zijn er bepaalde mogelijkheden om de selectie uit te voeren:
1. Gegevens uit het verleden
2. Psychotechnisch onderzoek
3. Vaardigheidsproeven
4. Interviews (sollicitatigesprekken)
1. Vaak zijn de sollicitanten in het verleden werkzaam geweest, om te beoordelen hoe de sollicitant in , het verleden heeft gewerkt, kan de nieuwe werkgever informatie inwinnen bij de sollicitant bij de door de sollicitant opgegeven referenties.
2. Psychotechnisch onderzoek wordt uitgevoerd door speciale bureaus, kost ook geld. Daarom wordt van deze methode ook niet vaak gebruik gemaakt. Bovendien wordt hiervan alleen gebruik gemaakt bij hoger opgeleid personeel en personeel met een hoog salaris. Bij zo’n onderzoek tracht de onderzoeker door toetsen en het voeren van gesprekken er achter te komen of de kandidaat geschikt is voor een bepaalde functie.
3. Deze methode wordt niet vaak gebruikt, omdat er veel tijd voor nodig is, een vaardigheidsproef laat zien wie de meest geschikte kandidaat is.
4. In een goed interview worden 20 à 30 vragen gesteld, wat ongeveer anderhalf uur kan duren. In een sollicitatiegesprek worden 3 verschillende vragen gesteld: de vakkennis opleiding en ervaring van de sollicitant; de opvattingen ten aanzien van de werkzaamheden van de sollicitant; en de persoonlijkheid van de sollicitant. Naarmate voor een functie een hogere opleiding is vereist, neemt het onderzoek naar kennis van de sollicitant een belangrijkere plaats in.
Deze selectiemethoden kunnen worden aangevuld door een medische keuring. Soms kan die erg belangrijk zijn, bijvoorbeeld bij een beroepsvoetballer.
10.4.2 Personeelswerving en overheid
Het komt regelmatig voor dat ondernemingen bij hun personeelsbeleid gebruik kunnen maken van de overheidsmaatregelen. De overheid voert een actief werkgelegenheidsbeleid, omdat ze vinden dat iedereen in dit land recht heeft op werk. De uitkeringen vragen veel geld en wanneer er weinig werkloosheid is, zijn er minder uitkeringen en kunnen ze het geld ergens anders voor gebruiken.
Een van de middelen die de overheid gebruikt om werkzoekende aan werk te helpen is loonsubsidie. Dit wordt verstrekt op het in dienst nemen van moeilijk te plaatsen werkzoekende, bijv. gedetineerden. Door deze subsidie worden voor een werkgever de loonkosten van een werknemer lager. De overheid vindt dat iedereen gelijke kansen heeft op de arbeidsmarkt, maar in werkelijkheid is dat niet zo.
10.5 Beoordeling en promotie
De leiding van een bedrijf voert regelmatig een functioneringsgesprek.
Een functioneringsgesprek vindt meestal plaats tussen de medewerker en de directe chef. Het doel ervan is dat de medewerker zijn taak beter uitvoert, maar ook verbeteringen van de omstandigheden waarin de medewerker moet werken. Het functioneringsgesprek moet ruimschoots voor het beoordelingsgesprek plaatsvinden, omdat dan de medewerker de kans krijgt zich te verbeteren. Bij een functioneringsgesprek is er tweerichtingsverkeer, en is het gesprek gericht op de toekomst.
Enkele maanden na het functioneringsgesprek is het beoordelingsgesprek.
Het doel hiervan is een juiste beslissing te nemen over promotie, salarisverhoging of ontslag. Het is een gesprek tussen de medewerker, de directe chef, en ev. de personeelsfunctionaris.
De chef geeft zijn beoordeling over de afgelopen periode, waarbij de mederwerker luistert. Het is dus eenrichtingsverkeer. Wel moet aan het eind van het gesprek de medewerker reageren op de beoordeling.
Van beoordelings- en functioneringsgesprekken worden allebei verslagen gemaakt, men heeft hiervoor een standaardformulier.
10.6 Scholing
Mensen krijgen voortdurend te maken met veranderende gegevens,omstandigheden en programma’s, waardoor ze zich moeten laten bijscholen. Bijscholen is dat je hetzelfde werk blijft doen, maar met nieuwe, verbeterde technieken. Vooral door mechanisatie en automatisering moeten veel mensen zich bij laten scholen.
Als je in de maatschappij wil blijven meedraaien, zul je je dus regelmatig moeten bijscholen, of omscholen. Omscholen is dat je een opleiding krijgt om ander werk te gaan doen.
Voor veel mensen is automatisering en mechanisering een risico, want zij kunnen hun baan kwijt raken. Door omscholing kunnen zij ander werk gaan doen.
10.7 Wet Gelijke Behandeling
Volgens de Nederlandse grondwet heeft iedereen gelijke rechten en plichten. Maar er wordt vaak nog gediscrimineerd. Daarom is de Wet van Gelijke Behandeling tot stand gekomen.
Hierin wordt aangegeven dat niet alleen mannen en vrouwen, maar ook allochtonen en autochtonen op gelijke wijze behandeld moeten worden.
Vaak zie je ook in advertenties: “Vrouwen worden nadrukkelijk verzocht te solliciteren” of: “ Bij gelijke geschiktheid gaat de voorkeur uit naar een vrouw.” Dit is positieve discriminatie.
Discrimineren is onderscheid maken tussen personen naar factoren als godsdienst, huidskleur of leeftijd.
De WvGB werd noodzakelijk omdat de vrouwen hun rechten opeisten.
De beweging die ernaar streeft dat vrouwen gelijk worden behandeld als mannen heet emancipatie.
De definitie van emancipatie is officieel: het verkrijgen van gelijke rechten door een groep die tot dan toe achter was gesteld.
10.8 Ondernemingsraden en medezeggenschapsraden
De tijd dat de werkgever het alleen voor het zeggen had is voorbij. De overheid heeft maatregelen genomen:
• De Wet op de Ondernemingsraden;
• De Wet op Medezeggenschap Onderwijs
Als je de taken van de ondernemingsraad (OR) en de medezeggenschapsraad (MR) samenvat zijn er 2 hoofdlijnen:
• Het leveren van een bijdrage aan het goed functioneren van de onderneming of de school;
• Het behartigen van de belangen van de werknemers.
OR en MR hebben 3 bijzondere bevoegdheden;
• Het adviesrecht;
• Het instemmingsrecht;
• Het informatierecht.
Het adviesrecht houdt in dat de werkgever de OR of MR in de gelegenheid moet stellen advies uit te brengen over de voorgenomen besluiten van de werkgever.
Het instemmingsrecht van de OR en de MR betekent dat ze een voorgenomen besluit, kunnen goedkeuren of afkeuren. Als ze het afkeuren komt het besluit er niet. De werkgever kan wel in beroep gaan bij de bedrijfscommissie.
Het informatierecht van de OR of Mr houdt in dat de werkgever verplicht is alle informatie te verstrekken die de raad nodig heeft om zijn taken goed te kunnen volbrengen.
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen.
Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten.
Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.