Geschreven door: | Aart Staartjes (4 vwo) |
Datum ingestuurd: | 8 juni 2005 |
Taal: |  |
Woorden: | 1.600 |
Bekeken: | 7194 keer (25 deze maand) |
Waardering: |
|
Deel op: |
|
4.1
Beroepsbevolking = Aanbod van de arbeid
Beroepsbevolking: het aantal mensen tussen 15 en 65 jaar dat meer dan 12 uur per week kan en wil werken.
Werkzame beroepsbevolking: het aantal mensen van de beroepsbevolking dat een baan heeft.
Werkloze beroepsbevolking: het aantal mensen van de beroepsbevolking dat geen baan heeft, maar wel staat ingeschreven bij het centrum van Werk en Inkomen.
Factoren waardoor de beroepsbevolking kan toe of afnemen:
* de omvang en samenstelling van de bevolking;
* de wetgeving;
* de maatschappelijke opvattingen;
* de organisatie van het arbeidsproces.
De totale bevolking neemt toe door:
* Geboorteoverschot: er worden per jaar meer mensen geboren dan dat er sterven.
* Migratieoverschot: Er vestigen zich meer mensen in Nederland, dan de mensen die uit Nederland verdwijnen.
De wetgeving:
* Leerplicht: Het aanbod van arbeid neemt af, als mensen langer leerplichtig zijn.
* Vrijwillig vervroegde uittreding: Mensen stoppen voor hun 65e met werken en behoren dus niet meer tot de beroepsbevolking.
* Flexibele pensionering: Je kunt dan vroeger stoppen met werken, maar tijdens je loopbaan moet je dan wel zelf geld sparen om een voldoende hoog inkomen te hebben op je 65e.
Vutpremie: deze wordt betaald uit de vutpremies die werknemer uit hun brutoloon en werkgevers uit de winst betalen.
Veranderingen maatschappelijke opvattingen:
* Arbeidsparticipatie van vrouwen: Deelname aan de arbeidsmarkt van vrouwen, hierdoor is het aanbod van arbeid de laatste jaren flink toegenomen.
* Langer onderwijs: Doordat vrouwen en mannen tegenwoordig langer onderwijs hebben, neemt het aanbod op de arbeidsmarkt af.
Organisatie arbeidsproces:
* kinderopvang, deeltijdwerk: hierdoor komen er meer vrouwen op de arbeidsmarkt.
* Flexibele werktijden: dan ben je (beperkt) vrij om de momenten te kiezen wanneer je met je werk wilt beginnen en stoppen.
* Werkplek aanpassen: zo kunnen ook gehandicapten deelnemen aan de arbeidsmarkt.
4.2
De vraag naar arbeid bepaald de samenstelling en omvang van de werkgelegenheid. Ondernemingen en overheid zijn vragers naar arbeid.
Conjuncturele factoren, vraag naar arbeid: Om het totaal aantal bestedingen ( vraagfactoren )
Structurele factoren, gaat het om de (veranderingen in) manier van produceren (aanbodfactoren)
totaal aantal bestedingen bestaat uit:
- gezinnen (consumptie)
- ondernemingen (investeringen)
- overheid (overheidsbestedingen)
- buitenland (export)
effectieve vraag: totaal van bestedingen.
kapitaalintensief: als er arbeid word vervangen door kapitaal wordt het kapitaalintensiever.
Productieproces verplaatsen: bij hoge arbeidskosten verplaatst een onderneming een gedeelte van zijn productieproces naar lageloonlanden.
Arbeidsproductiviteit: productie per werknemer per tijdseenheid.
Een stijging van de arbeidsproductiviteit korte termijn: veroorzaakt een daling van de vraag naar arbeid.
lange termijn: Vraag naar arbeid neemt toe.
conjuncturele factor die de vraag naar arbeid doen stijgen:
* De effectieve vraag
Structurele factoren die de vraag naar arbeid doen stijgen:
- De arbeids of loonkosten per werknemer
- De arbeidsproductiviteit
- Arbeids of loonkosten per product
- Arbeidstijd
- Bedrijfstijd
arbeidsduurverkorting: verkorting van de werkweek
Bij ADV stijgen loonkosten per product, deze kunnen worden verleopgvangen door verlenging bedrijfstijd. als onderneming meer uren per dag open is, kunnen de machines langer draaien.
4.3
Economische sectoren:
- primaire sector; landbouw visserij en bosbouw
- secundaire sectoer; fabricage en verwerking van grondstoffen
- tertiaire sector; ondernemingen die zich bezig houden met commerciele dienstverlening
- quartiaire sectoer; instellingen die zich niet bezig houden met commerciele dienstverlening, hun taak is maatschappelijke dienstverlening.
Marktsector: Bedrijven concurren op verschillende markten met elkaar, hiertoe behoren de primaire secundaire en tertiaire sector.
Collectieve Sector: quartiaire sector bestaat uit overheid en instellingen die sociale verzekeringen uitvoeren.
oorzaken van stijging van de toegevoegde waarde:
- de primaire sector kan niet onbeperkt uitgebreid worden.
- secundaire sector ondervind veel concurrentie van buitenlandse ondernemingen.
- stijging gezinsinkomen gaat steeds meer naar tertiaire sector
- de overheid stoot steeds meer taken af en bezuinigt op de kosten van sociale zekerheid.
Dienstverlening is arbeidsintensief: als de vraag naar diensten groter wordt, word de vraag naar arbeid ook groter. Diensten kunnen niet vervangen worden door machines
4.4
Arbeidsjaar: het aantal uren dat iemand met een volledige baan gedurende een jaar werkt
werkgelegenheid in jaren is altijd lager dan werkgelegenheid in personen.
werkgelegenheid= vraag naar arbeid.
geregistreerde werkloosheid: totaal aantal mensen zonder werk( of met werk van minder dan 12u per week) dat bij het CWI staat ingeschreven.
Centrum van Werk en Inkomen: zij bemiddelen voor mensen die een baan zoeken.
Verborgen werkloosheid: mensen die niet geregistreerd staan als werklozen maar wel graag betaald werk zouden willen doen het gaat hierbij om;
- Huisvrouwen die best graag betaald werk zouden willen doen.
- Jongeren die na hun opleiding wel graag een baan zouden willen hebben, maar doorstuderen om de kans op een baan te vergroten.
- WAO-ers die best graag bepaalde werkzaamheden kunnen en willen doen.
Aanmoedigins- of aanzuigeffect: Als de economie stijgt, en de werkgelegenheid stijgt, veel verborgen werklozen zich aanbieden.
Ontmoedigingseffect: Afname van werkgelegenheid.
verborgen werkgelegenheid: mensen die wel werken maar niet als werkende geregistreerd staan, we spreken hier van werken in de informele sector.
Als je werkloos bent:
- Verlies koopkracht
- Sociaal isolement;
4.5
Conjunctuur werkloosheid: Bestedingen dalen ---> ondernemingen brengen minder producten voort --> minder personeel nodig.
maatregelen tegen conjunctuurwerkloosheid:
- consumptie verhogen
- overheidsuitgaven verhogen
- export verhogen
Structuurwerkloosheid: ontwikkelingen aan de aanbodkant. enkele oorzaken zijn:
-Verslechtering internationale concurrentiepositie
- Lage scholingsgraad; hoge arbeidsproductiviteit---> lagere loonkosten per product
ook zorgen goed geschoolde arbeiders voor innovatie.
- arbeids(on)geschiktheid; minder WAO uitkeringen---> premies daarvoor van werkgevers omlaag ---> daling productiekosten---> internationale concurrentiepositie verbetert.
- Geringe (arbeids)mobiliteit en slechte arbeidsbemiddeling. mensen kunnen niet het werk doen waar zij goed in zijn door:
* geschikte werknemers willen niet verhuizen, als ze het in hun omgeving naar hun zin hebben.
* geschikte werknemers veranderen niet van baan als ze daarvoor moeite moeten doen, en niet zeker weten of hun netto inkomen erop vooruit gaat.
als deze factoren op grote schaal optreden spreken we van: (arbeids)mobiliteit
- frictiewerkloosheid: het vinden van een baan of werknemer kost tijd
- seizoenswerkloosheid
4.9
individuele arbeidsovereenkomst: een arbeidsovereenkomst tussen 1 werknemer en 1 werkgever.
hierin staat onder andere vermeld:
- werkuren
-werktijden
- te verrichten werkzaamheden
-hoogte salaris
collectieve arbeidsovereenkomst(CAO): wordt afgesloten door de vakbonden en de werkgeversorganisaties binnen een bedrijfstak.
Bedrijfstak: ondernemingen met dezelfde soort productie.
veel vakbonden zijn aangesloten bij de overkoepelende vakcentrales:
- FNV= Federatie Nederlandse Vakbeweging (1000.000)
- CNV= Christelijk Nationaal Vakverbond (350.000)
veel werkgeversorganisaties zijn aangesloten bij een werkgeverscentrale:
- Verbond van Nederlandse ondernemingen- Nationaal Christelijk werkgeversverbond (VNO-NCW)
om hun eisen kracht bij te zetten, kunnen de vakbonden dreigen met,
- stiptheidacties
- werkonderbrekingen
- stakingen
primaire arbeidsvoorwaarden:
- loonstijging
- hoogte vakantie geld
- toeslagen overwerk/ onregelmatige werktijden
- winstdelingsregelingen
Loonstijgingen kan de volgende vormen hebben:
- prijscompensatie: lonen stijgen met hetzelfde percentage als de kosten in levensonderhoud stijgen
- initiele stijging: extra loonstijging bovenop de prijscompensatie
- incidentele loonstijging: loonstijging voor bepaalde werknemer voor bijvoorbeeld promotie of overwerk
- winstdelingsregelingen: werknemers delen mee in de winst die de ondernemingen behalen
Secundaire arbeidsvoorwaarden:
-Arbeidsduurverkorting: wordt vaak geeist in takken waar veel banen dreigen te verdwijnen door automatisering.
- Bedrijfstijdverlenging:
- Flexi arbeid; men wordt alleen voor bepaalde perioden/klussen in dienst genomen.
- Bepaalde categorieën werklozen in dienst nemen.
Melkert banen:
Algemeen verbinden verklaren: gebeurt door de overheid en vanaf dat momen geld de CAO voor de desbetreffende bedrijfstak.
4.10
Sociale partners: werknemers en werkgeverscentrales deze overleggen regelmatig met elkaar in de Stichting van de Arbeid. Belangrijkste onderwerp: het terugdringen van de werkloosheid.
Sociaal akkoord: hierin zijn de afspraken tussen de sociale partners vastgelegt. dit zijn de richtlijnen van de CAO onderhandelingen.
voorjaarsoverleg: hier voert De Svda de belangrijkste besprekingen. Macro- Economische Verkenning(MEV) speelt ook belangrijke rol; hierin staat de prognose van het CBP voor de economische ontwikkeling in het jaar waarvoor de miljoennennota geldt.
Vakcentrales streven naar:
- loonsverhoging
- werkgelegenheid
Werkgeverscentrales streven naar:
- afspraken die leiden tot hogere winsten
4.11
Overheid heeft belang bij lager lonen:
- bezuiningingen op ambtenarensalarissen
- bezuiningingen sociale uitkeringen
- minder werkloosheidsuitkeringen: lage lonen verbeteren immers de internationale concurrentiepositie van nederland
wettelijk miniumloon: het loon dat een werknemer op een bepaalde leeftijd minimaal moet krijgen.
werkgevers willen miniumloon afschaffen want:
- arbeidsproductiviteit voor slechtgeschoolde mensen is te laag, om hen winstgevend in dienst te nemen.
- werkgevers kunnen zo ook de loonkosten drukken.
bestaans- of sociaal minium: dit is een bijstandsuitkering, hoogte hiervan is gekoppeld aan het miniumloon:
- Kostwinners die in hun eentje inkomen voor heel gezin moet verdienen, krijgen 100% van het miniumloon
- Alleenstaande ouders van 90% van het miniumloon
- alleenstaande niet-ouders van 70% die gelijk is aan het miniumloon
4.12
Maatregelen waarmee de overheid de werkloosheid in de verschillende regio's probeert te verminderen.
- Geografische mobiliteit bevorderen; zo kan de overheid mensen stimuleren ergens te gaan wonen waar werk is door:
* verhuiskostenregeling: mensen die dichter bij hun werk komen kunnen dit aftrekken van de inkomstenbelasting
* verlagen kosten woon- werkverkeer: deze kosten zijn ook aftrekbaar van de inkomstenbelasting
* verbetering infrastructuur: woon- werk plaatsenn beter bereikbaar
- Mobiliteit tussen beroepsgroepen bevorderen: mensen die hun baan dreigen te verliezen te helpen aan een nieuwe baan door;
* om- her- en bijscholing: overheid financiert deze via CWI terwijl studiekosten aftrekbaar zijn.
*Door vergroten van de beloningsverschillen: als schaarsen en of heel goede werknemers minder belasting hoeven te betalen, kan de marktwerking op de arbeidsmarkt toenemen.
-Mobiliteit tussen niet werken en werken bevorderen: het zoeken/ aanbieden van werk aantrekkelijker te maken door de volgende financiele prikkels te geven:
*vergroten verschillen lonen en uitkeringen
*fiscale voordelen,
* verlaging miniumloon
* arbeidskostensubsidies voor werkgevers.
4.13
Algemene werkloosheid: hiervan is bijna nooit sprake, meestal gaat het om werkloosheid van een of meer delen van de arbeidsmarkt. alleen bij conjunctuurwerkloosheid is hier sprake van, want dan dalen de totale bestedingen.
Kwantitatieve structuurwerkloosheid: als het aantal arbeidsplaatsen, niet groot genoeg is om aan de vraag naar arbeidsplaatsen te voldoen. vaak gevolg van verslechtering internationale concurrentiepositie.
Kwalitatieve structuurwerkloosheid: als uit het aantal werklozen onvoldoende geschikte mensen kunnen worden aangetrokken om de vacatures op te vullen. gevolg van ontbreken van werklozen met een geschikte opleiding.
Seizoens en Frictie werkloosheid wordt tot structuurwerkloosheid gerekent.
Bestrijding Kwantitatieve Structuurwerkloosheid:
- Stimulering innovatie
- arbeidsduurverkorten, vervroegde uittreding & deeltijdbanen.
- verlenging bedrijfstijd
- beheersing/verlaging arbeidskosten
Bestrijding Kwalitatieve structuurwerkloosheid:
- om her en bijscholing
- reiskostenvergoedingen
- loonsubsidies
- Quotering; belooft bedrijfstak of bedrijf bepaald aantal mensen uit een bepaalde categorie in dienst te nemen.
Bestrijding Seizoenswerkloosheid
- klimaatinvesteringen
Bestrijding Frictiewerkloosheid:
- beter arbeidsbemiddeling
4.14
Overspannen arbeidsmarkt; als er in veel bedrijfstakken een tekort aan arbeidskrachten is ---> forse loonstijgingen.
Loon- prijs spiraal: lonen en prijzen zwepen elkaar beurtelings op. door de hogere verkoopprijzen kunnen dan afzetmarkten verloren gaan.
Bij tijdelijk tekort aan arbeidskrachten kan bedrijf:
- werknemers overwerk laten doen.
- uitzendkrachten inschakelen
- buitenlandse werknemers aantrekken
De overheid kan een tijdelijk tekort aan arbeidskrachten bestrijden door:
- door afremmen van de bestedingen; door zelf minder te investeren
Langdurig tekort aan arbeidskrachten kan bestreden worden door;
- arbeidsbesparende innovatie
- flexibele pensionering
- kinderopvang
- deeltijdwerk
- immigratie
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen.
Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten.
Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.