geef je mening

Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?



» resultaten poll

ff n studiebreak

Bankhangende Justine steekt loom haar duim op voor niet-sportende jongeren. Want wie sport er tegenwoordig nou nog?

CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.

Geschreven door:

onderbroek88 (4 havo) [meer]

Datum ingestuurd:

2 maart 2005

Taal:

Woorden:

2.300

Bekeken:

5057 keer (12 deze maand)

Waardering:

2.6/5 (14 stemmen)

Deel op:

Naam:


Klas/niveau:


E-mail:


Bericht:


Bestemd voor

Geheime code: 


 
Filosofie P.O. Materialisme en (VS.) idealisme

De hele geschiedenis van de filosofie vanaf de oude Grieken, tot en met vandaag, bestaat uit een strijd tussen twee helemaal verschillende manieren van denken: materialisme en idealisme. Dit is een leuk voorbeeld van hoe erg de termen die in de filosofie gebruikt worden verschillen van die uit het dagdagelijkse taalgebruik.

Als we iemand een ‘idealist’ noemen , denken we eigenlijk meteen aan een persoon met grote idealen en een redelijk naïeve instelling. Iemand die geloof dat het allemaal ooit goed gaat komen. Een materialist daarentegen wordt gezien als: ‘iemand zonder echte principes, een schraperig, egocentrisch individu met een grote honger naar voedsel en andere zaken.’ Je zou het dus ook (iets simpeler geformuleerd) ‘oprecht hebberig’ kunnen noemen. Kortom, iemand met een door en door onaangenaam karakter.

Dit heeft echter helemaal geen kont te maken met filosofisch materialisme en idealisme! In filosofische zin baseert het idealisme zich op standpunt dat de wereld slechts een weerspiegeling is van ideeën, van de hersenen, van de geest, of beter gezegd van ‘het Idee’, dat nog vóór de fysieke wereld bestond. Alles dat we via onze zintuigen kunnen waarnemen, is volgens deze visie gewoon een onvolmaakt kopie van dit perfecte Idee. De meest uitgesproken vertegenwoordiger van deze filosofie in de oudheid was Plato. Hoewel hij het niet zelf bedacht heeft , want dat bestond al.

De pythagorianen (mooi woord!) geloofden dat de essentie van alle dingen het Getal was (en er schijnen tegenwoordig nog steeds wiskundigen te zijn die dat geloven). De pythagorianen legden een minachtten de materiële wereld in het algemeen en het menselijk lichaam in het bijzonder, dat ze beschouwden als een soort halve gevangenis waarbinnen de menselijke ziel gevangen zat. Dit lijkt verdacht veel op de visie van de middeleeuwse monniken. Sterker nog, heel waarschijnlijk heeft de Kerk veel van haar ideeën overgenomen van de pythagorianen, platonisten en neoplatonisten. Dit is natuurlijk niet vreemd hoor, want alle godsdiensten moeten toch èrgens hun ideeën op baseren en ‘vertrekken vanuit een idealistische visie op de wereld’. Het verschil is dat de religie een vindt doet op de gevoelens en beweert een mystiek, intuïtief begrip te hebben van de wereld, en dus ook zomaar als zoete koek geslikt dient te worden. En je mag er natuurlijk ook geen lastige vragen over stellen.
Een soort automatisch begrip (‘Openbaring’), terwijl de meeste idealistische filosofen logische argumenten proberen aan te voeren voor hun theorieën.

Eigenlijk zijn ‘de wortelen’ van alle vormen van idealisme eigenlijk religieus en mystiek. De minachting voor de ‘grove materiële wereld’ en de verheffing van het ‘Ideaal’ komen recht uit de fenomenen die we net bekken hebben, met religie enzo. Het is natuurlijk geen toeval dat het platonisch idealisme zich in Athene ontwikkelde toen de slavernij een hoogtepunt had bereikt. Handarbeid werd in die tijd in de zeer letterlijke betekenis gezien als een teken van slavernij. De enige arbeid die respect verdiende, was geestelijke arbeid. Eigenlijk is het filosofisch idealisme dus een product van de extreme scheiding tussen geestelijke en handenarbeid arbeid, die bestaan heeft van het begin van de geschreven geschiedenis tot en met vandaag.

De geschiedenis van de westerse filosofie begint niet met het idealisme, maar met het materialisme! Deze visie beweert precies het tegenovergestelde: dat de materiële wereld die ons bekend is en bestudeerd wordt door de wetenschap, reëel/echt is; dat de enige reële/echte wereld de materiële is; dat gedachten, ideeën en gevoelens het ‘product’ zijn van materie die op een bepaalde manier georganiseerd is (een zenuwstelsel en hersenen); dat het denken zijn categorieën niet vanuit zichzelf kan afleiden, maar alleen vanuit de objectieve wereld die zich aan ons kenbaar maakt via onze zintuigen. Jah! Dat moet ook eens gezegd worden!

De vroegste Griekse filosofen stonden bekend als ‘hylozoïsten’ (van het Grieks, wat betekent ‘zij die denken dat de materie leeft’). We vinden hier een lange rij van pioniers in de ontwikkeling van het denken. De Grieken ontdekten dat de wereld rond was, lang voor Columbus uit zijn ei gekropen was. Ze legden lang voor Darwin zich op zijn hoofd krabde (als een aap) al uit dat mensen afstamden van de vissen. Ze deden uitzonderlijke ontdekkingen op het gebied van de wiskunde, in het bijzonder geometrie, die gedurende anderhalf millennium niet veel meer verbeterd werden. Ze vonden de mechanica uit en designden zelfs een stoommachine. Wat vooral schrikbarend nieuw was in de manier waarop ze de wereld beschouwden, was dat ze niet religieus te werk gingen. *oownee! Errug* En dat in absolute tegenstelling tot de Egyptenaren en de Babyloniërs, van wie ze veel hadden geleerd, namen de Griekse denkers hun toevlucht niet tot goden en godinnen om natuurlijke fenomenen te verklaren. Voor het eerst probeerden de mensen een verklaring te vinden voor de werking van de natuur in alleen maar natuurlijke termen. Dit was een van de grootste keerpunten in de hele geschiedenis van het menselijke denken. De echte wetenschap begint hier! Dat wil dus zeggen dat onze tijd hier begon…

Aristoteles, de grootste filosoof uit de oudheid, kan als een materialist gezien worden, hoewel hij niet zo helder en samenhangend was als de oude hylozoïsten. Hij deed een hoop belangrijke wetenschappelijke ontdekkingen, die aan de basis lagen van de grote ‘verwezenlijkingen’(moeilijk woord!) van de Alexandrische periode van de Griekse wetenschap.

De Middeleeuwen, die volgden op de ineenstorting van de oudheid, vormden één grote ravage van ‘stervende’ wetenschappen, eeuwen lang nogwel! Niet toevallig werd deze periode overheerst door de Kerk. Het idealisme was de enige toegelaten filosofie, zij het als een karikatuur van Plato of als een nog zwaarder mishandelde vorm van Aristoteles’ visie.

De wetenschap stak triomfantelijk weer de kop op in de periode van de Renaissance. Ze werd gedwongen een hevige strijd te voeren tegen de invloed van de godsdienst (trouwens niet alleen tegen de katholieke, maar ook tegen de protestantse). Want Rationeel nadenken en dat soort dingen zouden natuurlijk de macht van d kerk ondergraven, en dat wilden de lieden die ‘dicht bij god’ stonden pertinent niet! Vele martelaren betaalden de prijs voor wetenschappelijke vrijheid met hun leven. Giordano Bruno stierf op de brandstapel. Galileo werd door de inquisitie tweemaal voor de rechtbank gesleurd en onder martelingen gedwongen zijn overtuigingen af te zweren.

De dominerende filosofie tijdens de Renaissance was het materialisme. In Engeland nam dit de vorm aan van het empirisme, de denkrichting die ervan uitgaat dat alle kennis wordt afgeleid van de zintuigen.((maar dat wil zeggen dat als we na gaan denken in een volledig kale ruimte, we helemaal niks kunnen bedenken, of niks nieuwsin elk geval… en dat klopt niet)) De pioniers van deze school waren Francis Bacon (1561-1626), Thomas Hobbes (1588-1679) en John Locke (1632-1704). De materialistische school verhuisde van Engeland naar Frankrijk, waar het een revolutionair idee werd. In de handen van Diderot, Rousseau, Holbach en Helvetius werd de filosofie een instrument om de bestaande maatschappij te bekritiseren. Deze grote denkers effenden de weg voor de revolutionaire omverwerping van de feodale monarchie in 1789-93. Véél data!&Woehoe! Broederschap enzo!

De nieuwe filosofische ideeën versnelden de ontwikkeling van de wetenschappen en stimuleerden experimenten en observatie. De 18e eeuw kende een grote vooruitgang voor de wetenschap, in het bijzonder de mechanica. Hier was echter zowel een positieve als een negatieve kant aan verbonden. Het oude materialisme van de 18e eeuw was kortzichtig en verstard, en weerspiegelde de beperkte ontwikkeling van de wetenschap zelf. Newton (die van de appel!) drukte de beperkingen van het empirisme uit met zijn beroemde zin “Ik maak geen hypothesen”. Deze (te) simpele mechanische visie bleek uiteindelijk fataal te zijn voor het oude materialisme. Paradoxaal genoeg werd de grootste vooruitgang in de filosofie na 1700 geboekt door de idealistische filosofen. En dat vonden de materialisten niet zo grappig.

Onder invloed van de Franse Revolutie onderwierp de Duitse idealistische filosoof Immanuel Kant (1724-1804) alle voorgaande filosofieën aan een grondige kritiek. En Kant deed niet alleen belangrijke ontdekkingen op het vlak van de filosofie en logica, maar ook op het vlak van de wetenschap. Zijn nevelhypothese over de oorsprong van het zonnestelsel (die later op een wiskundige leest werd getimmerd door Laplace) wordt nu algemeen als goed beschouwd, en dat wil op zich best wat zeggen. Op het vlak van de filosofie was Kants meesterwerk Kritiek op de pure Rede, het eerste werk dat de logica analyseerde, die zo goed als onveranderd waren gebleven sinds Aristoteles. Kant liet de verschillen zien die stiekem verstopt zaten in de diepste/ meest fundamentele (grond)regels van de filosofie. Maar hij kon deze tegenstellingen (‘antinomieën’) ook niet verklaren en trok daarom maar de conclusie dat reële kennis van de wereld onmogelijk was. Terwijl we verschijningsvormen kunnen vatten, kunnen we nooit echt weten hoe de dingen ‘op zich’ zijn.

Dit idee was niet nieuw ofzo. Het is een wederkerig thema dat vaak weer opduikt in de filosofie en algemeen in verband wordt gebracht met wat we het subjectief idealisme noemen. Vóór Kant werd dit naar voren gebracht door de Ierse bisschop en filosoof George Berkeley en na gedaan door de ‘laatste der klassieke Britse empiristen’, David Hume. Het voornaamste argument kan als volgt worden samengevat: “Ik interpreteer de wereld via mijn zintuigen. Daarom komt alles wat ik weet dat bestaat, voort uit de indrukken die mijn zintuigen opvangen. Kan ik bijvoorbeeld zeker zijn dat deze appel bestaat? Neen. Het enige wat ik kan zeggen is dat ik hem kan zien, voelen, ruiken, proeven. (Het kan dus ook zijn dat er gewoon een computer staat die mijn hersenen (in een bak vloeistof) deze ‘prikkels’ doorgeeft) Daarom kan ik niet echt zeggen dat de materiële wereld werkelijk bestaat.” De logica van het subjectief idealisme is dat wanneer ik mijn ogen sluit, de wereld ophoudt te bestaan. Uiteindelijk leidt dit tot solipsisme (van het Latijn ‘solo ipsus’ — ‘ik alleen’), het idee dat alleen ik besta.

Deze ideeën kunnen ons als absolute onzin in de oren klinken, maar blijken zeer hardnekkig te zijn. Op een of andere manier zijn de vooroordelen van het subjectief idealisme gedurende een groot deel van de 20e eeuw niet alleen de filosofie binnengedrongen, maar ook de wetenschap. We zullen dit eens een beetje uitvergroten.

De grootste doorbraak kwam er in de eerste decennia van de 19e eeuw met George Wilhelm Friedrich Hegel (kort gezegd: Hegel) (1770-1831). Hegel was een Duitse idealist, een man met een torenhoog intellect, die in zijn geschriften op simpele doch extreem relaxte(en goede) manier de hele geschiedenis van de filosofie behandelde.

Hegel toonde aan dat de enige manier om de ‘antinomieën’ van Kant op te lossen, erin bestond te aanvaarden dat er nu eenmaal tegenstellingen bestaan, niet alleen in het denken, maar ook in de reële wereld. Als objectieve idealist had Hegel geen tijd voor het subjectieve idealistische argument dat de menselijke geest de reële wereld niet kan kennen. De gedachtevormen moeten de reële wereld zo nauwkeurig mogelijk weerspiegelen. “Het cognitieve proces bestaat uit het steeds dieper doordringen in deze realiteit, vertrekkende van het abstracte en gaande naar het concrete, van het bekende naar het onbekende, van het bijzondere naar het algemene.”

De ‘dialectische denkmethode’ heeft een grote rol gespeeld in de oudheid, vooral in de naïeve maar briljante aforismen van Heraclitus (ca. 500 v. Chr.), maar ook bij Aristoteles en anderen. In de Middeleeuwen werd er afstand van genomen, toen de Kerk de formele logica van Aristoteles veranderde in een levensloos en zwak ‘gerucht’. Ze kwam niet meer terug tot Kant ze uiteindelijk weer een ereplaats bezorgde. Bij Kant werd de dialectiek echter niet genoeg ontwikkeld. Het was aan Hegel om de wetenschap van het dialectische denken tot haar hoogste punt van ontwikkeling te sleuren. (en die weg was lang, en helde zo’n 24%!)

De groot(s)heid van Hegel blijkt algauw uit het feit dat alleen hij bereid was om de dominante mechanistische filosofie in twijfel te trekken. De dialectische filosofie van Hegel gaat over processen, niet over geïsoleerde gebeurtenisjes. Ze bekijkt de zaken in hun levensloop, niet in hun dood, in hun onderlinge verhoudingen, niet geïsoleerd, de ene na de andere. Dit is een verrassend moderne, frisse en wetenschappelijke manier om de wereld te beschouwen. In veel opzichten was Hegel zijn tijd ver vooruit. Toch was zijn filosofie, ondanks haar vele briljante inzichten, uiteindelijk onbevredigend, er zat toch iets niet helemaal lekker.
Het belangrijkste probleem lag precies in de idealistische visie van Hegel, die hem ervan weerhield op een samenhangende, wetenschappelijke manier de dialectische methode te gebruiken op de reële wereld. In plaats van de materiële wereld vinden we de wereld van het Absolute Idee, waar reële zaken, processen en mensen vervangen worden door ‘inhoudsloze schaduwen’. Friedrich Engels stelde dat de hegeliaanse dialectiek een van de grootste miskramen uit de hele geschiedenis van de filosofie was. We zien hier goede ideeën, maar dan op hun kop gezet. Om de dialectiek van een stevige grondslag te voorzien, was het nodig om Hegel helemaal om te draaien, om de idealistische dialectiek om te vormen tot dialectisch materialisme. Dit was de grote verwezenlijking van Karl Marx en Friedrich Engels.

En zo komen we, teneinde dit goed af te sluiten, tot de conclusie dat deze twee filosofieën liever niet met elkaar omgaan. Maar hoewel ze hun uiterste best hebben gedaan om elkaar de das om te doen, blijkt dat, hoe wrang ook, ze elkaar als een soort basis hebben gebruikt. Of op zijn minst als uitgangspunt voor de ideeën. Of anders nog als discussiepunt, waardoor er weer nieuwe dingen werden bedacht, en ze elkaar dus verbeterden en in stand hielden!

Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.