CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.

geef je mening

Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?



» resultaten poll

ff n studiebreak

Bij klassieke muziek moet je niet aan je grijze oma denken, maar aan YouTube. 5 tips van Lucas en Arthur Jussen.

Geschreven door:

anoniem (5 vwo) [meer]

Datum ingestuurd:

30 juni 2005

Taal:

Woorden:

4.750

Bekeken:

13797 keer (22 deze maand)

Waardering:

2.8/5 (44 stemmen)

Deel op:

Naam:


Klas/niveau:


E-mail:


Bericht:


Bestemd voor

Geheime code: 


 
Biologie begrippen

Hoofdstuk 1

Paragraaf 1
Eigenschappen Overeenkomsten tussen individuen, individuen van dezelfde soort hebben maar eigenschappen met elkaar gemeen dan individuen van een verschillende soort.
Soort Groep organismen met een gedeelte dezelfde eigenschappen. Onderste laag in het hiërarchisch systeem.
Familie Groep organismen met een gedeelte dezelfde eigenschappen, staat boven soort.
Orde Groep organismen met een gedeelte dezelfde eigenschappen, staat boven familie.
Taxon Elke eenheid in het hiërarchisch systeem.
Rijken Groep organismen met een gedeelte dezelfde eigenschapen. Bovenste laag in het hiërarchisch systeem, is ingedeeld in vier rijken. Planten, dieren, schimmels en bacteriën.
Soortnaam Elk organisme heeft er een. Deze bestaat uit een genusnaam (geslachtsnaam) en een soortaanduiding.
Populatie De vertegenwoordigers van een soort in een bepaald gebied.
Voortplantingsgroep De vertegenwoordigers van een soort in een bepaald gebied.
Variëteiten/rassen De variatie van individuen binnen soorten.

Paragraaf 2
Natuurlijke selectie Het selecteren van organismen door de natuur, bv een haas met een dikke en dunne vacht, degene met de dunne vacht zal de winter niet overleven en degene met de dikke vacht wordt geselecteerd.
Adaptatie Het aanpassen dmv evolutie aan de opdat moment gunstige omstandigheden in jouw leefgebied. Bv een vogel met/zonder zwemvliezen bij de zee/bergen.
Geografische scheiding Sommige soorten kunnen niet met elkaar kruisen doordat zij te ver van elkaar af wonen, ze zijn geografisch gescheiden.
Tijdsscheiding Sommige plantensoorten kunnen niet met elkaar kruisen doordat zij te ver van elkaar af bloeien de een in maart de ander in oktober.
Seksuele isolatie Wanneer door de hierboven genoemde scheidingen andere eigenschappen tot uiting komen en soorten daardoor niet meer met elkaar kunnen paren.
Abiotische factoren Natuurlijke selectie dmv temperatuur, zuurgraad, vochtigheid enz.
Tolerantiegrenzen Grenzen waarbinnen bv te temperatuur moet zijn zodat de soort kan overleven.

Paragraaf 3
Biotische factoren Invloeden van organismen op andere organismen; bijvoorbeeld: konijnen beïnvloeden de groei van gras door het op te eten.
Predatiedruk De druk die op een bepaald organisme komt te liggen wanneer hij meer vijanden krijgt, bv lynx – haas in de winter vangt de lynx bruine hazen, deze worden zo weg geselecteerd.
Predatoren Vijanden van een bepaald organisme.
Interspecifieke relatie Een relatie tussen twee soorten bv lynx – haas.
Interspecifieke competitie Competitie tussen soorten over bijvoorbeeld nestruimte, schuilplaatsen, voedsel. Oplossing hiervoor is specialisatie
Selectiedruk De druk die op een organisme ligt of hij wel of niet wordt geselecteerd/uitgekozen en dus kan blijven leven, deze druk die wordt bepaald door de abiotische en biotische factoren.
Intraspecifieke competitie Concurrentie tussen dieren van één soort onderling.
Predator prooi relatie De relatie tussen een jagend dier en een prooidier; de ene soort profiteert ten koste van de ander.
Co-evolutie Het steeds verder evolueren van een soort, bv een kikker kon eerst niet tegen stof x maar omdat het beest erbij moest leven moest hij er dus wel tegen kunnen en is geëvolueerd, nu is hij zover geëvolueerd dat hij niet meer zonder stof x kan.
Kosten en baten De kosten die een partij maakt worden uitgedrukt in de hoeveelheid energie en tijd die nodig zijn voor de relatie. Daardoor blijft er minder over voor nakomelingen. De baten worden uitgedrukt in de winst in aantal en kwaliteit van de nakomelingen als gevolg van de samenlevingsvorm.
Mutualisme Beide soorten hebben elkaar nodig
Symbiose Beide soorten hebben elkaar nodig
Commensalisme De ene soort profiteert van de ander zonder dat die daar last van heeft.
Parasitisme De parasiet kan niet leven zonder de gastheer; profiteert ten koste van de ander.

Paragraaf 4
Biotoop Een leefomgeving
Niche De functionele plaats/beroep van een soort in een biotoop.
Habitat De habitat is de werkelijke ruimte waar je een soort kunt vinden. Soms is een habitat onderdeel van één biotoop.
Microklimaat Een mini klimaat op een kleine plaats waar het voor een soort optimaal is om te leven.
Territoria Deel binnen een habitat dat van een individu is binnen één soort.
Voedselweb De organismen eten en worden gegeten. A eet B en B eet C enz. Als er geen A is dan is er dus ook geen C.
Levensgemeenschap Alle verschillende soorten organismen die in één biotoop leven.
Ecosysteem Al de organismen én hun relaties in een biotoop.

Paragraaf 5
Kolonisten Zij hebben zelf geen baat bij hun bestaan en verdwijnen door concurrentie, ze brengen organische stoffen in de bodem en maken het milieu stabiel als er bv een brand is geweest.
Pioniersoorten Zij groeien snel, produceren veel nakomelingen, worden meestal door wind of water verspreid en hebben een grote tolerantie voor wisselende (abiotische) omstandigheden.
Pionierstadium Wanneer kolonisten zich op een bepaalde plek vestigen.
Successie De opvolging van andere soorten na de kolonisten.
Climaxstadium Wanneer er geen andere organismen meer opvolgen op de voorgaande organismen, de biotoop is ‘klaar’ met groeien en uitbreiden.
Biodiversiteit Als er veel soorten in een biotoop leven, er zijn dan weliswaar veel soorten maar er zijn er van ieders veel minder dan in het pioniersstadium.
Dispersie Het verspreiden van soorten.

Hoofdstuk 2

Paragraaf 1
Autotroof Planten maken suikers en andere organische stoffen zelf uit de anorganische stoffen
uit hun omgeving. Ze nemen daarvoor co2, h2o, mineralen en energie uit hun abiotische milieu op.
Heterotroof Eten andere organismen om aan organische stoffen en energie te komen.
Voedselketen Bv. Gras – koeien – mensen.
Herbivoren Planteneters, bv koe.
Carnivoren Vleeseters, bv mens.
Omnivoren Alleseters
Voedselweb Hierin zijn de voedselrelaties van een ecosysteem met pijlen weergegeven.
Reducent Afbreker van de organische stoffen en deze gebruikt zelf ook organische stoffen.

Paragraaf 2
Producenten Zij maken van anorganische stoffen organische stoffen.
Consumenten Zij verbruiken de organische stoffen die geproduceerd zijn door de producenten.
Mineralisatie Het omzetten van organische stoffen in anorganische stoffen door de reducenten.
Stikstofkringloop Planten nemen stikstofzouten op om eiwitten te kunnen maken. Dieren nemen voedsel
met eiwitten op en veteren die tot aminozuren; daar maken ze dierlijke eiwitten van. Bij de afbraak van aminozuren komt ureum vrij. Reducenten zorgen voor de mineralisatie van eiwitten tot aminozuren en vervolgens tot ammonium en nitraat. Ook ureum kan, via ammoniak, in nitraat worden omgezet.

Paragraaf 3
Biomassa Het gewicht van een levend organisme.
Drooggewicht De biomassa zonder het water.
Trofisch niveau Individuen die hetzelfde type voedsel eten.
Voedselpiramide Is een diagram waarin de biomassa van elk trofisch niveau is uitgezet. Ontstaat
doordat er meer producenten zijn dan herbivoren en meer herbivoren dan carnivoren.
Niet alle biomassa van het ene trofische niveau komt weer in het andere terecht.

Paragraaf 4
Primaire productie Het gewicht van de fotosyntheseproducten.
Bruto primaire productie De totale fotosyntheseproductie. (BPP)
Netto primaire productie De bruto primaire productie min de verbranding. (NPP)
Secundaire productie Herbivoren die organische stoffen verteren tot kleine organische moleculen en die
weer samen voegen tot dierlijke vetten, koolhydraten en eiwitten. (BSP/NSP).
Productiviteit De productie per oppervlakte-eenheid per tijdseenheid.

Paragraaf 5
Humus Organisch materiaal, ontstaan door gedeeltelijke afbraak van plantaardige en dierlijke
resten op de bodem.
C/N verhouding De mate waarin koolstof en stikstof in de bodem aanwezig zijn, dit bepaald de mineralisatiesnelheid.
Compost Humusrijke grond
Broei Bij het begin van composteren is hiervan sprake, als er veel organisch materiaal in een keer is, hierdoor vermeerderen de bacteriën zich snel en komt er warmte vrij.

Hoofdstuk 3

Paragraaf 1
Extern milieu Milieu om het individu heen en binnen het individu in ruimten die aangesloten zijn op de buitenwereld.
Bloedplasma Vloeibare deel van het bloed, dus het bloed zonder de bloedcellen.
Bloedcellen Rode; Cel in het bloed, die hemoglobine bevat, voor transport van zuurstof en koolstofdioxide
Witte; Cel in het bloed die betrokken is bij afweerreacties (Leucocyt). Er bestaan veel typen van witte bloedcellen o.a. granulocyten, fagocyten en lymfocyten.
Bloedvat Transportbuis voor bloed.
Dubbele bloedsomloop Heet zo omdat het bloed per omloop twee keer door het hart gaat.
Hart Het hart is een holle spier die zich regelmatig samentrekt. Het hart bestaat uit twee boezems en twee kamers.
Hart minuutvolume De hoeveelheid bloed die het hart per minuut rond pompt.
Grote bloedsomloop Omloop van het bloed over alle organen behalve de longen. De grote bloedsomloop start in de linkerkamer en eindigt in de rechterboezem.
Kleine bloedsomloop Gedeelte van de bloedsomloop dat over de longen loopt en ervoor zorgt dat zuurstofarm bloed weer zuurstofrijk bloed wordt. De kleine bloedsomloop is aanwezig bij dieren met een dubbele bloedsomloop.

Paragraaf 2
Slagader Bloedvat waardoor het bloed van het hart wegstroomt. De bloeddruk in de slagaders is hoog, de wanden zijn dik, stevig en elastisch.
Ader bloedvat, die het bloed terugvoert naar het hart.
Haarvaten Allerkleinste bloedvaatje in de organen. De wand van de haarvaten is uitermate dun zodat uitwisseling van stoffen tussen bloed en weefsel kan optreden.
Systole Samentrekken van hartspierweefsel. Er is een systole van de boezems en een systole van de kamers.
Bovendruk De hoogste druk die in je bloedvaten wordt gehaald, wanneer de kamers zich samentrekken.
Diastole Ontspanning van de hartspier. Er is een diastole van de boezems en een diastole van de kamers.
Onderdruk De laagste druk die in je bloedvaten wordt gehaald, wanneer de kamers zich ontspannen.
Weefselvloeistof Het vocht buiten de cellen en buiten de haarvaten.
Osmotische druk Diffusie van water door een semi-permeabel membraan, dmv concentratieverschil.
Bruto filtratiedruk Een uitstroom van bloedplasma door de druk in de bloedvaten.
Resorptie Opname van stoffen in het bloed door middel van actief transport.
Actief transport Verplaatsing van een stof door een biologisch membraan tegen het concentratieverval of tegen een elektrochemische gradiënt in, door middel van energietoevoer en speciale transporteiwitten.
Netto filtratiedruk Het verschil tussen de hoeveelheid bloedplasma die er bij de bruto filtratiedruk is uitgelopen en de hoeveelheid die er door resorptie weer is terug gezogen.
Oedeem Waterzucht - ophoping van weefselvloeistof in de weefsels - kan verschillende oorzaken hebben.
Lymfevaten Stelsel van kanalen waardoorheen de lymfe vanuit de weefsels naar het bloedvatstelsel loopt. In de lymfevaten bevinden zich kleppen voor eenrichtingverkeer. Vele lymfevaten sluiten aan op een lymfeknoop. Na de lymfeknoop wordt de lymfe door een groter lymfevat afgevoerd.
Lymfe Vloeistof die zich in de lymfevaten bevindt. Lymfe ontstaat doordat weefselvocht in de lymfevaten stroomt.

Paragraaf 3
Hemoglobine Kleurstof in rode bloedcellen, die zuurstof en koolstofdioxide bindt en daardoor voor het transport van deze stoffen zorgt.
Plasma eiwitten Eiwit in het bloedplasma. Ze binden en transporteren andere stoffen (vetten, metalen, vitaminen, hormonen) en spelen een rol bij het handhaven van de osmotische waarde.
Fibrinogeen Oplosbaar eiwit in het bloedplasma, dat o.a. door trombine in fibrine wordt omgezet.
Fibrine Onoplosbaar eiwit dat vezels vormt bij de stolling van het bloed. Fibrine ontstaat uit fibrinogeen.
Rode beenmerg Hier worden rode bloedcellen gemaakt.
Bloedarmoede Als het bloed te weinig zuurstof kan vervoeren.

Paragraaf 4
Oxigenatie Een binding met zuurstof.

Paragraaf 5
Hartinfarct Het verstoppen van een kransslagader.

Hoofdstuk 4

Paragraaf 1
Voedingsstoffen Bruikbare bestanddeel van het voedsel. Voedingstoffen worden opgenomen door een organisme of een cel of verteerd tot stoffen die kunnen worden opgenomen.
Additieven Hulpstoffen die door de mens zijn toegevoegd om smaak, geur, kleur of houdbaarheid te verbeteren.
ADI waarde Acceptable Daily Intake, geeft van een stof de concentratie aan die in het dagelijks voedsel van de mens mag voorkomen.

Paragraaf 2
Enzymen Biokatalysator. Organische stof die stofwisselingsprocessen versnelt zonder zelf verbruikt te worden.
Substraat De om te zetten stof of stoffen door een enzym.
Denatureren Proces, waarbij een eiwit zijn structuur verliest en inactief wordt. Denaturatie treedt op bij extreme pH, zoutconcentratie en verhoging van temperatuur.
Optimum pH De meest gunstige pH waarde voor een enzym.
Speeksel Product uit de speekselklieren bestaande uit water, slijm en amylase.
Amylase Enzym dat zetmeel afbreekt.
Polysacharide Verbindingen waarvan elk molecuul bestaat uit veel monosacharide-eenheden.
Disachariden Een stof waarvan elk molecuul bestaat uit twee monosacharide-eenheden, ontstaan door condensatie van twee monosachariden.
Maltose Disacharide
Peptase Een eiwitsplitsend enzym dat een laag pH-optimum heeft en meestel in de maagwand wordt geproduceerd.
Pepsinogeen Het inactieve pro-enzym van peptase.
Gal Afscheidingsproduct van de lever, dat een mengsel is van o.a. galzure zouten. Deze galzouten emulgeren vetten en bevorderen de vertering van vetten
Emulgeren Proces waarbij een emulsie ontstaat. Een emulsie is een vloeistof met kleine druppeltjes van een andere vloeistof, die er niet in oplost.
Lipase Vetsplitsend enzym.
Voedingsvezel Verzamelnaam voor stoffen in plantaardig voedsel, die niet door menselijke enzymen kunnen worden afgebroken, bestaande uit de celwanden.

Paragraaf 3
Inwendig milieu Intern milieu; Ruimten in het lichaam die niet op de buitenwereld zijn aangesloten. Het bloed, weefselvocht en de cellen behoren tot het inwendige milieu.
Peristaltische golf Golvende afwisselende samentrekking van lengte- en kringspieren van de darm en andere holle organen.
Portier Pylorus of kringspier tussen de maag en de twaalfvingerige darm - werkt o.i.v. de pH in de twaalfvingerige darm. De maagportier laat een klein beetje van de voedselbrij door naar de twaalfvingerige darm.
Exocytose Uit- of afscheiding van stoffen uit de cel door middel van blaasjes, die met het celmembraan versmelten.
Antigenen Lichaamsvreemde stof of cel, die aanzet tot de vorming van antistoffen.

Paragraaf 4
Polymeren Groot molecuul, bestaande uit lange ketens van zich herhalende eenheden (monomeren).
Hydrolyse Splitsing van moleculen waarbij water wordt opgenomen.
Zuurgroep Is een deel van een aminozuur, is verbonden met de aminogroep.
Aminogroep Is een deel van een aminozuur, is verbonden met de zuurgroep.
Peptidebinding De binding tussen twee aminozuureenheden, hierbij is de aminogroep van het ene aminozuurmolecuul gekoppeld aan de carbonzuurgroep van het andere aminozuurmolecuul.
Endopeptidasen Eiwitsplitsend enzym, zij knippen het eiwit ergens in het midden door.
Exopeptidasen Eiwitsplitsend enzym, zij knippen het eiwit aan de rand door.
Tryptase Een eiwitsplitsend enzym.
Triglyceride Vet, waarvan elk molecuul bestaat uit glycerol en drie vetzuren.
Monoglyceride Vet, waarvan elk molecuul bestaat uit glycerol en één vetzuur.
Diglyceride Vet, waarvan elk molecuul bestaat uit glycerol en twee vetzuren.
Vetzuren Stof met lange ketenmoleculen bestaande uit CH2-groepen met aan het eind een zuurgroep.
Onverzadigde vetzuren Hebben dubbele bindingen.
Verzadigde vetzuren Hebben geen dubbele bindingen.

Paragraaf 5
Endocytose Proces waarbij cellen een klein deeltje insluiten.
Lysosoom Membraamblaasjes met verteringsenzymen.
Autofagie Als je cellen onderdelen van zichzelf opeten om zo de verteerde dingen weer opnieuw te gebruiken.
Ureum Organische stof, die het belangrijkste product van de eiwitafbraak bij zoogdieren vormt.

Hoofdstuk 5

Paragraaf 1
Homeostase Verschijnsel dat allerlei factoren in het inwendige milieu met behulp van
feedbacksystemen op een bepaalde normwaarde gehouden worden.
Diffusie Verplaatsing van stoffen vanaf een plaats met een hoge concentratie naar plaatsen met
een lage concentratie van die stof.
Lichte inademing Hiervoor gebruik je de middenrifspieren.
Diepe inademing Hiervoor gebruik je de tussenribspieren.
Dode ruimte Gedeelte van de luchtwegen waar geen gaswisseling plaatsvindt. Dit zijn de luchtpijp,
de bronchioli, de bronchus, en de mond en neusholte.
Longblaasje Gedeelte van de longen waar de gaswisseling tussen bloed en lucht plaats vindt.
Ventilatie Verversing van lucht of water in de ademhalingsorganen.
Ademcentra Gedeelte in de hersenstam, dat de ademhaling regelt. Wordt beïnvloed door onder
andere het koolstofdioxidegehalte van het bloed.
Rekreceptoren Een receptor die de het regelt om goed te kunnen ademhalen, deze zitten in je longen,
spieren.
Drukreceptoren Een receptor die de het regelt om goed te kunnen ademhalen, deze zitten in je rechter
kamer.
Chemoreceptoren Deze zijn voor de O2, CO2 en pH in je aortaboog en halsslagader.
Thermoreceptoren Deze zitten in je hypothalamus en in je huid.
Hyperventilatie Met hoge frequentie zeer diep in en uitademen. De oorzaak is gelegen in een te hoge
CO2 spanning in het bloed en de longen, dat steeds weer een sterke ademprikkel teweeg brengt.

Paragraaf 2
Longvlies Bekleding van de longen. Het longvlies is door een vloeistof gescheiden met het
borstvlies. Doordat de longen enigszins elastisch zijn, trekt het longvlies aan het borstvliesbij het inademen. Tussen beide vliezen heerst daardoor een druk die lager is dan de druk van de buitenlucht.
Interpleurale ruimte De ruimte tussen het longvlies en het borstvlies.
Emfyseem Er zijn longblaasjes verdwenen.
Allergie Overgevoeligheid voor bepaalde stoffen als gevolg van overmatige immuunreacties.

Paragraaf 3
Lever Orgaan in de buikholte dat bij vele processen betrokken is o.a. vertering, stofwisseling, bloedvorming en afbraak en uitscheiding. De lever neemt vetten, aminozuren, suikers, melkzuur, hormonen, medicijnen en gifstoffen op uit het bloed. Levercellen breken stoffen af of bouwen ze om, slaan ze op en geven ze weer aan het bloed af.
De lever ruimt ook rode bloedcellen op, produceert gal voord vertering en hij dient als opslagplaats voor glycogeen.
Acetyl-coënzym A Actief azijnzuur, stof die een belangrijke rol speelt bij de omzetting van belangrijke
bestanddelen van het voedsel. Beginstap van de citroenzuurcyclus.
Citroenzuurcyclus Krebs-cyclus. Gedeelte van de aërobe dissimilatie, waarbij acetyl-coenzym-A
(=azijnzuur) wordt omgezet in koolstofdioxide en waterstof.
Levercirrose leverweefsel sterft af, hiervoor komt bindweefsel in de plaats
Desaminering Desaminering is het onttrekken van een aminogroep (NH2) aan een stof, in het
bijzonder aan aminozuren.
Lipogenese Het opslaan van een aminozuur in de vorm van vet.
Gluconeogenese Vorming van glucose uit aminozuren, melkzuur en glycerol, nadat de NH2 groep eraf
is, deze gaat in de vorm van ureum naar het bloed.
Transaminering Omzetting van (essentiële) aminozuren in andere aminozuren door overplaatsing van
de aminogroep.
Glycolyse Omzetting van glucose (=C6H12O6) tot 2 moleculen pyrodruivezuur (= C3H4O3). Dit
proces speelt zich af in het cytoplasma.
Glycogenese De vorming van glycogeen uit glucose.
Ketozuur Is ook een zuur, dit krijgt dit aminogroep nadat deze is afgesplitst van het aminozuur.
Detoxicatie Het verwijderen van gif.
Ketogenese De vorming van ketonlichamen.
Ketonlichamen Zijn als energiebron te gebruiken.
Gal Afscheidingsproduct van de lever, dat een mengsel is van o.a. galzure zouten. Deze
galzouten emulgeren vetten en bevorderen de vertering van vetten.
Bilirubine Afbraakproduct van hemoglobine, bestanddeel van gal.
Cholesterol Vetachtige stof
Ureum Organische stof, die het belangrijkste product van de eiwitafbraak bij zoogdieren vormt.

Paragraaf 4
Osmose Diffusie van water door een semi-permeabel membraan.
Resorptie Opname van stoffen in het bloed door middel van actief transport.
Actief transport Verplaatsing van een stof door een biologisch membraan tegen het concentratieverval
of tegen een elektrochemische gradiënt in, door middel van energietoevoer en speciale transporteiwitten.
Galstenen Galstenen ontstaan in de galblaas door ingedikte gal. Ze kunnen allerlei vormen en
afmetingen hebben. Normaal gesproken verzamelt de galblaas per dag een liter gal, afkomstig uit de lever. Die gal zet brokken vet om in kleine druppeltjes in de twaalfvingerige darm. Zelfs als de gal inde galblaas zo is ingedikt dat zich galstenen hebben gevormd, zal vrijwel niemand daar iets van merken. Tot zo’n galsteen klem komt te zitten in de galgang tussen de galblaas en de twaalfvingerige darm. Dan is er sprake van een galkoliek met krampachtige pijn in de rechterbovenbuik.
Microvilli Microscopisch kleine uitstulpingen in het celmembraan van het darmepitheel op de
darmvlokken.
RER Endoplasmatisch reticulum dat bezet is door ribosomen.
GER Endoplasmatisch reticulum dat niet bezet is door ribosomen.
Lysosoom Membraanblaasjes met verteringsenzymen.
Ferritine Hierin wordt het ijzer uit de hemoglobine opgeslaan.
Protrombine Stollingsfactor voor het bloed, geproduceerd uit de aanwezige aminozuren.
Fibrinogeen Stollingsfactor voor het bloed, geproduceerd uit de aanwezige aminozuren.
Vitamine K Zorgt ervoor dat er protrombine en fibrinogeen geproduceerd kan worden.

Paragraaf 5
Nier De nier is opgebouwd uit nierschors, niermerg en nierbekken.
Nefronen Niereenheid, bestaande uit een nierkapsel, een smaller wordende haarvaten in het
nierkapsel en een nierkanaaltje. Elk nefron filtert bloedplasma en concentreert
afvalstoffen.
Kapsel van Bowman Nierkapsel, hierin zitten de glomerulus.
Glomerulus Doordat de diameter van het nierslagadertje dat het kapsel van Bowman
(nierkapsel) ingaat, groter is dan de diameter van het nierslagadertje dat het kapsel van Bowman uitgaat, wordt de bloeddruk in de glomerulus hoger. Door deze hoge bloeddruk worden moleculen zoals glucose, ionen en ureum uit de haarvaten in de glomerulus geperst. Dit proces heet ultrafiltratie. Hier wordt voorurine geproduceerd.
Voorurine Vocht dat door ultrafiltratie van het bloed in de nierkapsels terechtkomt.
Lus van Henle Gedeelte van het nierkanaaltje in een niereenheid. In het nierkanaaltje wordt de
voorurine geconcentreerd tot urine, de stoffen die onmisbaar zijn voor je lichaam die nog in de voorurine zaten worden dmv resorptie teruggezogen naar het bloed.
Nierbuisjes Ook hier worden de stoffen die onmisbaar zijn voor je lichaam die nog in de voorurine
zaten dmv resorptie teruggezogen naar het bloed.
Verzamelbuisje Ook hier worden de stoffen die onmisbaar zijn voor je lichaam die nog in de voorurine
zaten dmv resorptie teruggezogen naar het bloed.
Aldosteron Hormoon, regelt het gehalte van Na+ en Ka+ van het bloed, gebeurt in het nierbuisje.
ADH Hormoon dat de terugresorptie van water in de nierkanaaltjes stimuleert, het water
gaat dus ipv in de urine terug naar het bloed.

Hoofdstuk 6

Paragraaf 1
Pupil Opening in de iris, waardoorheen het licht in het oog komt.
Iris Iris of regenboogvlies is het gekleurde vlies rondom de pupil van een oog.
Pupilreflex Reflex waarbij de pupil afhankelijk van de lichthoeveelheid vernauwd of verwijd
wordt.
Hoornvlies Zorgt voor de breking van het licht.
Ooglens zorgt ervoor dat beelden scherp op het netvlies komen.
Lensbandjes hiermee zit de ooglens vast aan het straalvormig lichaam.
Straalvormig lichaam bestaat uit een groot aantal kringspiertjes, voor het accommoderen trekken de spiertjes
zich samen. Als je in de verte kijkt ontspannen de kringspiertjes.
Accommodatie Instelling van ogen op ver of dichtbij zien, zodat de beelden scherp op het netvlies
komen.
Kegeltjes Een van de twee soorten zintuigcellen in het oog. Kegeltjes zijn gevoelig voor kleur.
Staafjes Staafvormige lichtgevoelige zintuigcel in het netvlies, die een rol speelt bij het zien bij
weinig licht. Staafjes hebben een lage drempelwaarde en liggen rondom de gele vlek.
Rodopsine Staafjesrood, lichtgevoelige stof in de staafjescellen van het netvlies. Wordt het
geraakt door een foton, dan werkt het in op een enzym.

Paragraaf 2
Neuronen Zenuwcel, bestaande uit het cellichaam en celuitlopers. Er zijn drie typen neuronen:
sensibele(sensorische), motorische en schakel-neuronen.
Bipolaire cellen De neuronen in het netvlies.
Gangloincellen De bipolaire cel geeft de informatie die op het netvlies komt weer hieraan door.
Receptief veld Een geschakelde groep zintuigcellen.
Visuele schors bestaat uit een aantal lagen neuronen. Elke laag is gespecialiseerd. Een laag analyseert
bijvoorbeeld binnengekomen informatie en probeert verbanden te leggen tussen onderdelen van het beeld. Verder is er een laag voor beweging, voor vorm en kleur en voor de contouren van objecten in beweging.

Paragraaf 3
Adequate prikkel Prikkel, die bij een zintuig past. Voor deze prikkel is de drempelwaarde van het
zintuig het laagst.
Prikkeldrempel Situatie waardoor alleen prikkels boven een bepaalde sterkte (drempelwaarde) effect
hebben.

Paragraaf 4
Spierspoeltjes Zintuigcel in een spier die geprikkeld wordt door uitrekking van de spier. Bij
oprekking van de spier neemt de impulsfrequentie toe.
Peeslichaampje Hoe meer spanning hoe meer impulsen deze afgeven.
Rekreceptoren Deze meten de mate van uitrekking.

Paragraaf 5
-

Hoofdstuk 7

Paragraaf 1
Rustpotentiaal De spanning die er staat tussen binnenzijde en buitenzijde van het membraan van de
cellen in je lichaam.
Gepolariseerd Het membraam is dus gepolariseerd omdat het een plus en min kant heeft.
Natriumkalium pomp Het apparaat dat de ongelijke verdeling van de geladen deeltjes in stand houdt door actief transport
Drempelwaarde Minimale sterkte van een prikkel die effect heeft.
Gedepolariseerd Proces waarbij het potentiaalverschil tussen binnen- en buitenzijde van een
celmembraan (meestal van een zenuwcel) afneemt. Wanneer de depolarisatie een bepaalde drempel bereikt, ontstaat een actiepotentiaal.
Repolarisatie Het verschijnsel dat de binnenzijde van het celmembraan van
een zenuwcel weer negatief wordt ten opzichte van de buitenzijde.
Actiepotentiaal Impuls, voortschrijdende spanningsveranderingen ter weerzijde
van het membraan van een zenuwcel.
Impuls Impuls of actiepotentiaal is een voortbewegende omkering van
de elektrische lading langs het membraan van een zenuwcel(uitloper).
Hyperpolarisatie Hoger worden van de membraanpotentiaal in spier- en
zenuwcellen.
Adequate prikkel Prikkel, die bij een zintuig past. Voor deze prikkel is de drempelwaarde van het
zintuig het laagst.
De alles of niets wet Wanneer een prikkel niet sterk genoeg is om de drempelwaarde te laten passeren,
ontstaat slechts een lokale potentiaalverandering.
Impulsfrequentie Het aantal prikkels per tijdseenheid.
Absoluut refractaire periode De periode wanneer er een actiepotentiaal ontstaat en de cel niet op een
tweede prikkel kan reageren.
relatief refractaire periode De tijdsperiode wanneer alleen een heel sterke prikkel een nieuwe impuls kan
opwekken wanneer de Kalium kanalen nog openstaan

Paragraaf 2
Isolerende myelineschede Omhulling van een (lange) zenuwceluitloper. Een mergschede bestaat uit platte cellen,
die om een uitloper gerold zijn. Tussen twee opeenvolgende cellen ligt een kleine ruimte, de insnoering.
Insnoering van Ranvier de insnoeringen in de mergschede van een zenuwvezel.
Synaps Plaats waar twee zenuwcellen met elkaar in contact staan.
Neurortransmitter Stof die door zenuwcellen in de synapsspleet wordt afgescheiden en de potentiaal van het postsynaptische membraan beïnvloeden. Neurotransmitters worden bij het presynaptische membraan afgescheiden als daar impulsen aankomen.
Acetylcholine Vaak voorkomende neurotransmitter, bindt aan receptoren en verandert de
permeabiliteit van het postsynaptische membraan voor specifieke ionen.

Paragraaf 3
Stimulerende neurotr. Ze veroorzaken depolarisatie van het postsynaptisch membraan.
Remmende neurotr. Deze neurotransmitter veroorzaakt hyperpolarisatie van het postsynaptisch membraan.
Excitatie Een contact dat de impulsfrequentie verhoogd.
Inhibitie Een contact dat de impulsfrequentie verlaagd.
Reflexboog De weg die impulsen bij een reflex afleggen. Een reflexboog bestaat uit een receptor,
een sensorisch neuron, een deel van het centrale zenuwstelsel, motorische neuronen, en effectoren. Nadat de persoon zijn ledemaat heeft bewogen als een reflex gaat er via de schakelcellen nog een impuls na de hersenen. Nu ben je je pas bewust van je handeling.
Centrale zenuwstelsel Bestaat uit de hersenen en het ruggenmerg.
Perifere zenuwstelsel De aanvoerende en afvoerende delen van het centrale zenuwstelsel.

Paragraaf 4
Autonome zenuwstelsel Zenuwstelsel dat de zogenaamde autonome functies regelt. Autonome functies vinden
onafhankelijk van wilsinvloeden plaats.
Sympatisch Tot het autonome zenuwstelsel behorend. Het sympathisch zenuwstelsel brengt het
lichaam in een toestand van activiteit. De functie van het sympathische zenuwstelsel is antagonistisch aan die van het parasympathisch zenuwstelsel. Hart en ademhaling versnellen, er komt meer suiker in het bloed, de spijsvertering vertraagd.
Parasympatisch Tot het parasympathische zenuwstelsel behorend. Het parasympathische zenuwstelsel
is het deel van het autonome stelsel dat het lichaam in rust brengt.
Animale zenuwstelsel Handelingen die berusten op bewuste bewegingen.
Basale kernen Zenuwknopen (= ganglia) in het onderste deel van de hersenen, die nauw betrokken
zijn bij de stroomlijning (= coördonatie) van de bewegingen.
Kleine hersenen De kleine hersenen hebben als functie het coördineren van bewegingen en het
bewaren van het evenwicht. Ze zorgen ervoor dat je verschillende waarnemingen en bewegingen goed kunt combineren en regelen het aanspannen en ontspannen van spieren.
Motorprogramma’s Zenuwcellen uit je ruggenmerg sturen bepaalde spieren aan zonder dat je daar bewust
van bent.

Paragraaf 5
Sensorische zenuw Zenuwcel die impulsen van een zintuig naar het centrale zenuwstelsel geleidt.
Motorische zenuw Zenuwcel, die verbonden is met een spiervezel, geleidt impulsen van het centrale
zenuwstelsel naar spiercellen, zodat deze zich samentrekken.
Schakel neuron Zenuwcel die geheel binnen het centrale zenuwstelsel ligt. Dit neuron geleidt
impulsen van de ene zenuwcel naar de andere zenuwcel.
Limbisch systeem Een groep hersenkernen die betrokken zijn bij verschillende emoties zoals agressie,
angst en genot. Ook spelen deze kernen een rol bij het geheugen.
Postsynaps gedeelte van het membraan van een zenuwcel na de synapsspleet.
Dendriet uitloper aan een zenuwcel, die impulsen naar het cellichaam voert.
Neuriet zenuwceluitloper die impulsen van het cellichaam wegvoert.

Hoofdstuk 8

Paragraaf 1
-

Paragraaf 2
Wondernetwerk Er lopen een aanvoerend en afvoerend bloedvat vlak langs elkaar, zo wordt er warmte
uitgewisseld. Er wordt weinig warmtevlies geleden en er komt geen ijskoud bloed in het hart terug.
Tegenstroomprincipe Verschijnsel dat vloeistof of lucht in aangrenzende ruimten tegengesteld stroomt,
waardoor er altijd een concentratieverschil tussen beide ruimten is, bijv. het water stroomt langs de kieuwen tegengesteld aan het bloed in de kieuwen. Wanneer de vloeistof in de twee ruimten dezelfde kant op zou stromen zou er na de helft geen diffusie meer plaatsvinden.
Ontkoppelingseiwitten Deze veranderen de energiestroom van ATP om naar warmteproductie.
Hypothalamus Gedeelte van de tussenhersenen. De hypothalamus staat in verbinding met de
hypofyse en regelt door de afscheiding van neurohormonen de werking van de hypofyse.
Hypofyse Hypofyse of hersenaanhangsel is een hormoonklier onder aan de hersenen, die in
verbinding staat met de hypothalamus en o.a. stimulerende hormonen afscheidt. Stimulerende hormonen stimuleren de werking van andere hormoonklieren.
Endotherm Inwendige warmteproductie vindt plaats waarmee zoogdieren en vogels een constante
lichaamstemperatuur handhaven.
Ectotherm Zoogdieren met een lichaamstemperatuur die min of meer gelijk is aan de omgeving.
Isozymen Verschillende enzymen die dezelfde reactie katalyseren, deze hebben ectotherme
zoogdieren nodig omdat hun temperatuur sterk veranderd.

Paragraaf 3
-

Paragraaf 4
-

Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.