ff n studiebreak

Bankhangende Justine steekt loom haar duim op voor niet-sportende jongeren. Want wie sport er tegenwoordig nou nog?

CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.

geef je mening

Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?



» resultaten poll

Geschreven door:

Judith (4 havo)

Datum ingestuurd:

20 juni 2005

Taal:

Woorden:

1.650

Bekeken:

3487 keer (47 deze maand)

Waardering:

3.5/5 (11 stemmen)

Deel op:

Naam:


Klas/niveau:


E-mail:


Bericht:


Bestemd voor

Geheime code: 


 
Hoofdstuk 4 Voeding

4.1 Gezond eten en drinken; lichaam in conditie + voorkomen van ziektes.
Gebreksziekten: te kort aan voedingsstoffen
-bloedarmoede (te weinig rode bloedcellen)
welvaartsziekten: weinig lichaamsbeweging, te vet eten
-vetzucht, hart- en vaatziekten, sommige vormen van kanker
vaatziekte: aderverkalking > verharding van de wand in slagaders. Ophoping van vetachtige stoffen in slagader wat gaat verkalken. Wand is dan minder elastisch en de diameter neemt af, dat belemmert bloedstroom.
Hartinfarct: aderverkalking in de kransslagader, ( 2 aders rond het hart) gedeelte van hartspier geen bloed, dus geen zuurstof + voedingsstoffen. Deel van hartspier sterft dan af -> infarct.
Vetmolecuul bestaat uit glycerol waaraan moleculen vetzuren aan verbonden zijn. Vetzuren zijn verzadigd of onverzadigd. Verzadigde verzuren+cholesterol (zit in voeding, en word gemaakt in lever) verhogen har en vaatziekten. Onverzadigde vetzuren helpen voorkomen. Hoge bloeddruk, roken, alcohol, hoog lichaamsgewicht, weinig lichaamsbeweging verhogen kans op hartinfarct.
Bepaalde voedingsgewoonten verhogen kans op kanker; overmatig alcohol gebruik (mond, keel en slokdarmkanker) en verbrand voedsel -> bevat PAK’s, kankerverwekkende stoffen (Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen)
Nitraat (in alle groente, vooral spinazie, andijvie en sla) kan in darmkanaal verbinding maken met bepaalde eiwit bestanddelen -> nitrosaminen. Dat is kankerverwekkend. Vitamine C remt dat af.
Vitamine A, C en E en bepaalde mineralen: calcium en selenium verlagen kans op typen kanker.

4.2 Koolhydraten, vetten + eiwitten leveren energie. Energie komt vrij bij afbraak van deze voedingsstoffen in cellen -> dissimilatie.
Sporters gebruiken extra koolhydraten (bananen en sportdrankjes)
- zetmeel: door planten gemaakt als reservestof. Zit in wortels, bollen, knollen, zaden en vruchten. Lange ketens aan 1 gekoppelde moleculen glucose. (meer dan 10.000 moleculen)
- cellulose: bestanddeel van de celwand van plantaardige cellen. Levert geen energie -> geen afbraak in darmen bij mensen, maar is wel een bestanddeel in voedingsvezels.
Verteringssappen breken zetmeel af tot glucosemoleculen, in verteringskanaal. Bloed neemt glucose moleculen mee naar cellen. Glucosemoleculen die niet gelijk gebruikt worden, worden opgeslagen als glycogeen (ook een koolhydraat, komt bij dieren voor als reservestof op korte termijn) en als vet.
Vetten is belangrijke energiebron maar ook bouwstoffen voor cholesterol, hormonen, en celmembranen. Ook een isolatie laag rond je lichaam. Levercellen zet suiker om in vetten en geeft dat af aan bloed, zodat het in heel je lichaam komt. Vet hoopt zich op rond je lever, darmen en onder je huid.
Anorexia: laxeermiddelen, zelf braken, vinden zichzelf te dik terwijl ze een ondergewicht hebben. Psychische factoren, 12-25 jaar.
Boulimia: vasten, gebruik laxeermiddelen, zelf braken, veel lichaamsbeweging. Verschil met anorexia: ze hebben ongeremde eetbuien waarna ze zelf gaan braken.

4.3 Door trainingsbelasting komen er in spiervezels extra actine en myosine-eiwitten bij. Deze maken spierbeweging mogelijk. Krachtsporter: 1,5/2 gr. Eiwitten per lichaamsgewicht tegenover 0,9 van normaal mens.
Enzymen > reactieversnellers. Noodzakelijk voor stofwisseling in cellen.
Eiwitten bestaan uit lange ketens aminozuren. .
Verteringsenzymen in darmkanaal > breken voedingseiwitten af > losse aminozuren > via darmwand in bloed > via bloed in cellen > maken van aminozuren lichaamseiwitten.

Vitamines en mineralen spelen rol bij stofwisselingsprocessen in je lichaam.
Vitamine A; lichtgevoelige kleurstof in netvlies
B: functioneren van zenuwcellen
C: bindweefsel
D: afzetting van kalk in botten.
Andere mineralen dan kalk heb je ook ijzer nodig, voor je rode bloedcellen
65% van lichaam = water.
Waterverlies van 3% van het lichaamsgewicht komt al uitputting. Waterverlies beïnvloedt stoffenwisseling negatief. Water is belangrijk transportmiddel en koelvloeistof zorgt ervoor dat lichaamstemp, 37grade blijft.

4.4 Voedingsmiddelenindustrie maakt gebruik van levende cellen of delen = biotechnologie. Bijv. brood en wijn of bier. Gistcellen zetten suikers om in alcohol. Rijzen van deeg (koolstofdioxide)
bij bereiding van kaas, boter, yoghurt en andere zuivelproducten zijn micro-organismen (melkzuurbacteriën) betrokken.
Sommige micro-organismen kunnen voedsel aantasten > voedselvergiftiging.
Voedsel moet je bereiden; bijv koken > beter verteerbaar, lekkerder, vrij van bacteriën en gifstoffen.
Bacteriën, gisten of schimmels die bederf veroorzaken moet je geen kans geven om te vermeerderen (bedorven eten). Daardoor moet je eten bewaren die niet gunstig zijn voor die organismen. Micro organismen kunnen niet in zout, zoet, zuur milieu leven.
Witte kool in melkzuur (zuurkool)
Vruchten met suiker (jam)
Gezouten vis en vlees.
Houdbaarheid van eten vergroten door hulpstoffen/additieven. Andere conserveringsmiddelen: diepvriezen, drogen, roken, verhitten, doorstralen van voedsel.
Melk steriliseren/pasteuriseren. Groente + vlees in diepvries. Peulvruchten, vleeswaren (salami) vis en rozijnen in droge vorm, paling gerookt.

4.5 Sommige stoffen komen mee in eten. Bijv. fasine in aardappelen of peulvruchten. Fasine laat rode bloedcellen klonteren, maar door koken word het ongevaarlijk en enzymen breken zulke stoffen af. Soms in eten ook zware metalen; lood, koper, kwik, wat opgenomen word door planten als het in de grond zit.
Ook dierlijk voedsel ongewenste stoffen. Kunnen resten van geneesmiddelen in vlees of melk aanwezig zijn.
Toevoegen van groeistoffen word streng gecontroleerd > hormonen vergroot kans op kanker.
Smaak, uiterlijk of houdbaarheid word verbetert door hulpmiddelen/additieven. Antioxidanten zorgen ervoor dat eten niet verkleurt. Emulgatoren zorgen ervoor dat het eten niet verandert. Additieven zijn herkenbaar aan E-nummer -> door EU goed gekeurt dan krijgt het zo’n nummer. ADI (aanvaardbare dagelijkse inname) van hulpstoffen is vastgesteld. Te veel is giftig > op dieren getest, vooral op ratten en muizen.

Hoofdstuk 5 Zo gezond als een vis.

5.1 Gezond is wanneer je geen lichamelijke, geestelijke of sociale problemen hebt. Gezondheid hangt af van: - manier van leven/leefstijl
- eigenschappen (suikerziekte)
- omgang met mensen ( geen contacten kunnen leggen)
- leeftijd (veroudering enz.)
medicijnen gebruiken. Medicijnen genezen soms niet de ziekte maar verschijnselen van die ziekte word onderdrukt.

5.2 In de lucht zitten heel veel kleine organismen: bacteriën, eencelligen, schimmelsporen en virussen. Sommige veroorzaken ziekten.
Op, in en om jou lichaam zitten miljarden bacteriën. Nuttige bacteriën zorgen ervoor dat schadelijke exemplaren niet binnendringen. Je huid is zo goed als ondoordringbaar, net zoals slijmvliezen van luchtwegen, geslachtsorganen, darmen en urinewegen. Extra bescherming = traanvocht en zure maagsap wat grootste deel onschadelijk maakt. Voedselvergiftiging: bacteriën maken een dikke wand om zich heen en vormen zo sporen zodat ze niet kunnen uitdrogen en beschermd zijn tegen zuur en verhitting.
Hoge lichaamstemp.: verwijden bloedvaten > warme bloed stroomt onder opperhuid en koelt af. Meer zweten > verdampen van zweet kost lichaamswarmte dus afkoelen.
Onderhuidse bindweefsel bevat vetcellen met reserve vet. Dat vet houd warmte vast.
Cellen van kiemlaag maken vitamine D door zonlicht. Zonlicht: meer pigment (bruine kleur) < pigment vormende cellen in kiemlaag) pigment vangt de schadelijke stoffen van UV straling op. Diep bruine kleur is beschermingsfactor 4, dus huid is beperkte UV filter. Deel van UV straling stimuleer (UV-B) de delingsactiviteit in kiemlaag, daardoor word huid dikker en is de DNA beter beschermd in cellen van kiemlaag.

5.3 Volwassen mensen hebben 5/6 liter bloed. 55% is bloedplasma en 45% is bloedcellen. Bloedcellen worden gevormd in rode beenmerg van platte beenderen van schedel, ribben, borstbeen en bekken (1kg) per dag: 2x 10^11 rode bloedcellen en 1,5^11 witte. Bloedplasma bestaat uit water, andere zouten, voedingsstoffen, hormonen, eiwitten (onder andere antistoffen), afvalstoffen en opgeloste lucht. Bij ontsteking word bloedplasma % lager, en meer witte bloedcellen.
Incubatietijd: de tijd wanneer bacteriën hun schadelijke stoffen achter laten, en de tijd wanneer jij je ziek gaat voelen. Ziekteverwekkers vermeerderen zich net zolang tot jij je ziek voelt. Ziekten veroorzaakt door: bacteriën (roodvonk) schimmels (zwemmerseczeem) virussen (griep) zijn besmettelijk. Via lucht, zoen, drinken uit zelfde glas, insectenbeet.
Fagocyten kunnen van vorm veranderen, uit haarvat kruipen en ziekteverwekker vernietigen. Ze gaan rond de ziekteverwekker liggen, fagocyt neemt hem op en ziekteverwekker word gedood en verteerd. Pus uit een wond is restanten van dode fagocyten. Aspecifiek omdat dit bij elke ziekteverwekker kan gebeuren.
Lymfocyten ontstaan in rode beenmerg en worden verder ontwikkelt in lymfoïde organen. Op celmembraan zitten antigenen. Ook op de ziekteverwekkers. Lymfocyten herkent lichaamseigen of lichaamsvreemde antigenen. Tegen vreemde antigenen maakt lymfocyt antistoffen. 1 antistof kan met 1 antigeen reageren, omdat ze precies in elkaar passen. Lymfocyten stoppen met maken van antistoffen als ziekte voorbij is. Antistoffen worden na 6 weken in lever afgebroken. Lymfocyten worden bewaard als geheugencel. 2e keer ziek worden er gelijk heel veel antistoffen gemaakt. Je word immuun voor ziekte.
Kunstmatige actieve immuniteit: ziekteverwekkers die verzwakt zijn ingespoten
Kunstmatige passieve immuniteit: kant en klare antistoffen ingespoten.
5.4 Immuun tegen griep kan niet. Word veroorzaakt door een virus dat bestaat uit RNA of DNA, (erfelijk) met een eiwitmantel eromheen. Virussen muteren heel snel, daardoor kun je opnieuw ziek worden. Artsen voorspellen welk griepvirus volgend jaar komt, risicogroepen kunnen in november vaccineren.
Antibiotica helpt niet tegen de virussen zelf maar tegen de deling van de bacteriën. Sommige bacteriën zijn resistent > vaak bloot gesteld aan bepaalde stof, de organismen die tegen die stof kunnen blijven over. Laborant maakt kweek om te kijken welke bacteriestam het is. Daarvandaan een geneesmiddel.
Resistentie is erfelijk.
HIV tast lymfocyten aan, daardoor verzwakt afweersysteem. Allerlei bacteriën kunnen je nu (dodelijk) ziek maken: Aids.
Hooikoorts: adem stuifkorrels in > maakt antistoffen > hechten zich aan zogenaamde mestcellen > mestcellen barsten en de inhoud (histaminen) komt vrij > zorgt voor ontstoken slijmvliezn, hoesten, kortademigheid, piepende ademhaling, veel slijmproductie, traan ogen.
Astma + OCPD zijn ziekten die gepaard gaan met problemen in luchtwegen.

5.5 Ander orgaan van iemand kan worden afgestoten door eigen lichaam. De lymfocyten vallen de getransplanteerde orgaan aan omdat hij de antigenen niet herkent. Daarom moeten antigenen van ontvanger en gever op elkaar lijken.
BLOEDGROEPEN
Bloedgroep A: heeft antistoffen tegen B, heeft A-antigenen.
Bloedgroep B: antistoffen tegen A, heeft B-antigenen
Bloedgroep AB: antistoffen tegen A en B, A en B-antigenen, kan van iedereen krijgen
Bloedgroep 0: geen antistoffen, geen antigenen, kan aan iedereen geven.

Als er een verkeerde samenstelling word gemaakt dan kans op afstoting Antistoffen laten bloedcellen van donor klonteren.
In het bloedplasma zitten de antistoffen.

RESUSANTIGENEN
Resusantigenen zitten aan rode bloedcellen. Rh+ als je resusantigenen hebt, Rh- als je ze niet hebt.
resuspositief bij resusnegatief -> antistoffen tegen resus, dus antiresus.
Resusnegatieve zwangere moeder krijgt resuspositieve baby. Bloed van baby komt tijdens de bevalling bij bloed van moeder. Moeder maakt antistoffen. 2e bevalling kan gevaarlijk zijn, als baby weer resuspositief is. Moeder maakt antistoffen tegen haar eigen baby. Baby word afgebroken -> resusbaby. Oplossing: moeder krijgt na bevalling van 1e baby een injectie met antiresus, deze injectie voorkomt dat zij zelf antiresus gaat maken. Bij volgende bevalling is de ingespoten antiresus afgebroken.

Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.