ff n studiebreak

Experiment: geen Twitter, mail en Whatsapp meer voor Nina. Wel faxen, brieven in enveloppen en ouderwetsch bellen.

CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.

geef je mening

Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?



» resultaten poll

Geschreven door:

Robin (5 vwo)

Datum ingestuurd:

16 april 2005

Taal:

Woorden:

3.600

Bekeken:

2731 keer (16 deze maand)

Waardering:

3.8/5 (26 stemmen)

Deel op:

Naam:


Klas/niveau:


E-mail:


Bericht:


Bestemd voor

Geheime code: 


 
1.1
- Voor 1750 was de maatschappij gebaseerd op landbouw, nijverheid en handel, dit was een agrarisch-stedelijke samenleving. Er was veel armoede en bestaansonzekerheid.
- 18e eeuw -> nieuwe industriële economie, veel welvaart
- in de preïndustriële samenleving was veel spanning tussen aantal mensen dat gevoed moest worden en de beschikbare hoeveelheid voedsel
- productiviteit in de landbouw laag door gebrek aan kennis en goede werktuigen.
- Rond 1500 grond was van een grootgrondbezitter, deel van de grond werd bewerkt door horigen.
- Open fields = het gebied buiten het dorp dat jaarlijks in gelijke porties
verdeeld werd onder de boeren. Ze waren niet gescheiden en werden
gemeenschappelijk bewerkt.
- Directe agrarische consumptie -> wat overbleef (na het betalen van pacht aan de grondbezitter) van de opbrengsten van het land werd door het gezin zelf gebruikt.
Kenmerken van de agrarisch-stedelijke of preïndustriële samenleving in West-Europa:
1 De landbouw overheerste.
2 Constante spanning tussen de omvang van de bevolking en de beschikbare bestaansmiddelen.
3 Meerderheid van de bevolking leefde op t platteland.
4 Er was enige nijverheid -> productie op kleine schaal in de vorm van handwerk.
5 De samenleving was een standenmaatschappij. Er waren lagen op basis van geboorte en traditie: adel, geestelijkheid, burgerij.
6 De communicatiemogelijkheden waren beperkt. Geen goede wegen, vervoersmiddelen. Weinig konden lezen of schrijven.
7 Het was een traditionele samenleving -> tradities bepaalden het leven. Veel geloof (christelijk) en ook bijgeloof.

1.2
- Na 1100 verbetering in de landbouw -> meer grond dor ontginning van woeste gronden en droogleggen van waterrijk land. Door jaarlijks wisselen van gewas en braak leggen werd er meer geoogst -> meer productiviteit.
- Betere soorten graan, nieuwe gewassen (aardappel) en betere werktuigen -> meer opbrengst.
- Ook in veeteelt meer opbrengsten, vee werd gefokt, dat meer vlees en melk produceerde.
- Indirecte agrarische consumptie -> door hogere opbrengsten, meer verkocht aan anderen.
- Verband tussen wijze agrarische productie, graanprijs en omvang van bevolking (demografische ontwikkeling)
- Vanaf 14e eeuw -> handel over langere afstanden steeg door veiligere weten en grotere schepen.
- Na 1500 -> stijging zelfstandige boeren, enclosures kwamen -> grotere afgegrensde stukken grond.
- Kleine boerderijen verdwenen en die boeren trokken naar de stad of
emigreerden. Grote bedrijven kwamen met nieuwe landbouwmethodes, machines en werktuigen. Deze ontwikkeling was de agrarische revolutie.

1.3
- Minder arbeidskrachten in de landbouw nodig. Er kwamen nieuwe bestaansmogelijkheden voor niet-agrarische beroepen.
- Directe ruil -> graan voor een dienst
- Indirecte ruil -> geld voor een dienst
- Nijverheid werd steeds belangrijker -> hierdoor groeide ook de handel in stoffen.
- Leiden werd belangrijkste textielstad van Europa. Ruwe wol kwam uit Engeland.
De kleur indigo werd uit tropische gebieden aangevoerd, de urine nodig voor het vollen, werd gekocht van stadsbewoners.
- Er was weinig arbeidsdeling ->het verrichten van de verschillende bewerkingen werd telkens door andere arbeidskrachten gedaan. Door meer arbeidsdeling ->
efficientere productie -> hierdoor stijging productiviteit.
- Handelaren kregen steeds meer invloed op de productie, zij regelden het proces. Zij waren nu ook ondernemer. Voor 1750 groeide de handel sterk.
- De toename van handel en nijverheid leidde tot handelskapitalisme. Kenmerken:
o De productiemiddelen waren in het bezit van de koopman-ondernemer.
o De handwerkers waren arbeiders, die zelf niet meer de werktuigen, grondstoffen en eindproducten bezaten
o De koopman-ondernemer organiseerde het productieproces en probeerde daarbij zo veel mogelijk winst te maken.
- na 1750 -> nieuwe werktuigen, aangedreven met waterkracht of stoom. Het handelskapitalisme ging over in (industrieel) kapitalisme. Textielproductie liep voorop in die grote veranderingen.

2.1
- Schotland: Lowlands en Highlands. Beiden rond 1750 zeer traditioneel. Ze waren afhankelijk van de natuur. Land was moeilijk te bewerken voor akkerbouw. Klimaat bevatte veel regen, lange strenge winters. Transport, communicatie was gering en landbouwmethodes inefficiënt.
- 18e eeuw -> ontwikkelingen die leidde in de Lowlands tot grote maatschappelijk veranderingen. Nieuwe landbouwmethodes en industrie, mijnbouw en transport ontwikkelden zich.
- Ontwikkelingen waren het gevolg van de vereniging met Engeland. Schotland kon zijn zelfstandigheid niet behouden en raakte betrokken bij de snelle economische veranderingen in Engeland.
- Lowlands, 1750 -> veel mensen in ‘ferm touns’. Dit waren dorpjes van 5 tot 10 zeer eenvoudige boerderijen.
- Landgoed -> dat was een aantal van die dorpjes samen met een groot onbewoond gebied eromheen. De eigenaar ervan verpachtte het land aan de bewoners.
- Pachtcontracten waren maar voor 3 of 4 jaar, daarom was er geen reden om de grond te verbeteren of modernere werktuigen aan te schaffen.
- De boeren waren erg arm, leefden van weinig en in primitieve huizen, de grootgrondbezitters maakten juist veel winst.
- Door weinig geld werd de pacht in natura betaald -> arbeid en producten.
- Highlands -> erg ongunstig voor landbouw, erg dunbevolkt, keltische taal, primitieve levensomstandigheden, de mensen behoorden tot een ‘clan’ ->een groep mensen verwant en loyaal aan de ‘chief’, lage opbrengsten en weinig voedsel. Elk jaar werden er koeien via ‘drove-roads’ naar de Lowlands gebracht voor geld. Door Engelse overheersing, nieuwe gewassen (aardappel). Na 1800 trokken steeds meer mensen weg
- Clearances -> landeigenaren vervingen mensen door schapen omdat het meer opbracht.
- 1848 -> aardappelziekte in Ierland, hierna veel misoogsten en velen stierven.
- Crofters zijn keuterboeren, zij konden het niet meer volhouden. Clearances zagen hun kans. Het leidde tot een opstand, de crofters war die in 1888 werd beëindigd.

2.2
- Productiviteit nam toe omdat schotse grootgrondbezitters meer inkomsten wilden. Ze gingen op een modernere manier produceren.
- Improvers -> landbezitters die nieuwe landbouwmethodes en machines invoerden. Zij stimuleerden boeren met geldleningen en informatie.
- Door de kort pachtcontracten werden oude pachters verdreven en de vrijgekomen ‘rigs’ werden voor langere tijd aan boeren verpacht die WEL op een modernere manier wilden en konden produceren.
De boeren op de nieuwe bedrijven voerden veel veranderingen door:
1 er kwamen enclosures (afgrenzen van de eigen grond)
2 bomen en struiken werden geplant om jonge gewassen en dieren te beschermen.
3 Dieren en gewassen werden gescheiden gehouden
4 Nieuwe gewassen werden verbouwd
5 Er kwam vruchtwisseling -> niet elk jaar hetzelfde gewas op een stuk grond
6 Afwateren van moerassig land -> nieuw landbouwgrond
7 Verwijderen van stenen -> gemakkelijker om land te bewerken
8 Met kalk de vruchtbaarheid van de grond verbeteren
9 Alleen met de meest gezonde dieren fokken
10 Vee in de winter op stal zetten en apart wintervoer gebruiken

1750:
1 zaaien met de hand
2 traditionele houten ploeg, in 1 richting te gebruiken
3 eggen door mensen getrokken
4 maaien met zeis en sikkel
5 dorsen met dorsvlegen

verbeteringen in 1850:
1 zaaizaadmachine
2 ijzeren ploeg, in 2 richtingen te gebruiken
3 eggen door paarden getrokken
4 maaimachine
5 dorsmachine

- Door machines minder arbeidskrachten nodig -> landarbeiders werden boos en vernielden veel nieuwe dorsmachines.
- Verbeteringen waren niet voor iedereen beter! Voor de meeste niet!

2.3
- Voor 1800 maakte elk gezin zelf stoffen voor kleding -> huisnijverheid
- Spinnen van wol of vlas was werk van de vrouwen, weven deden de mannen -> was zwaarder en had kracht en behendigheid nodig.
- Overschotten werden geruild of verkocht.
- Huisnijverheid was noodzakelijke inkomstenbron naast landbouw
- Handelaren speelden een steeds grotere rol in de textielproductie, zij kochten oa de grondstoffen en geweven stof en verkochten die met veel winst.
- Door steeds meer vraag naar textiel door nijverheid kon het niet langer voldaan worden.

3.1
- 1750 -> huisnijverheid kon niet langer genoeg textiel maken voor de groeiende bevolking
- Door uitvindingen ging het spinnen + weven sneller, spinmachines werkten nu op stoom of waterkracht. De mechanisatie van t weven kwam later
- Tussen 1770 en 1820 -> wevers profiteerden van de onevenwichtige verhouding tussen het machinale spinnen en het langzame weven met de hand bediende weefgetouwen. Zij verdienden veel.
- Na 1800 -> weefmachines kwamen op stoomkracht, veel wevers werden overbodig en wevers vernielden weefmachines en zelfs hele fabrieken.
- Technische ontwikkelingen in de textielproductie:
o 1765 James Hargreaves -> spinning jenny -> kon veel draden tegelijk spinnen
o 1733 John Kay -> flying shuttle -> schietspoel voor t weven van bredere stof
o 1768 Richard Arkwright -> water frame -> spinmachine op waterkracht
o 1779 Samuel Crompton -> spinning mule -> productie van zeer fijne draden voor duurdere stoffen
o 1785 Edmund Cartwright -> power loom -> weefmachine, nu ook weven in de fabriek
o 1793 Eli Whitney -> cotton gin -> eenvoudiger en sneller ontpitten van katoen, hierdoor nam aanvoer van ruwe katoen uit Amerika sterk toe.
- Nieuwe machines waren te groot en te duur voor huisnijverheid -> koopman-ondernemers namen de productie in eigen hand in grote werkplaatsen = manufactures -> later fabrieken = mills -> massaproductie.
- Rond 1800 -> dankzij nieuwe productiemethodes werd katoen steeds meer gepoduceerd dan wol
- Katoen was geschikter voor de machines en goedkoper.
- Katoenindustrie vooral in Lancashire -> vochtig klimaat, hierdoor braken de draden minder gauw -> mijnen en zeehavens zorgden voor gemakkelijke aan- en afvoer.
- De katoenindustrie stimuleerde de ijzerindustrie en de mijnbouw. Voor snel vervoer werden wegen, kanalen en sporen aangelegd.
- Met deze industriële revolutie ontstond een nieuw soort economie, het Kapitalisme -> fabrikanten waren nu belangrijker dan de handelaren
- Al snel ontstonden er naamloze vennootschappen -> meer kapitaal voor ontwikkeling en bij faillissement was de schade beperkt tot aandelen.

3.2
- 1698 -> de Engelsman Thomas Savery bouwde: The engine for raising water by fire -> de 1ste stoompomp voor mijnen -> grondwater kon dieper uit de mijnen worden gehaald -> gebruik van paarden was traag en beperkt in vermogen
- 1712 -> Thomas Newcomen bouwde de verbeterde stoompomp die nog meer kon oppompen -> verbruikte veel steenkool en was daarom alleen in de mijnen bruikbaar.
- James Watt ->stoommachine ging sneller en regelmatiger werken. Hij zorgde er ook voor dat de stoommachines gebruikt konden worden in de fabrieken voor machines.
- Watt + Boulton zetten samen een onderneming op voor de productie van stoommachines.
- Vanaf 1840 -> massaproductie stoommachines kwam op gang -> hierdoor ook meer gebruik steenkool = brandstof. Dit stimuleerde, samen met meer behoefte aan huishoudbrandstof, (groeiende bevolking) de mijnbouw.
- Men moest dieper in de mijnen hiervoor en het werk werd gevaarlijker.
- Door groei van de spoorwegen groeide de kolenproductie. Van kolen werd ijzer gevormd.
- 1759 -> productie van ijzer begon op grote schaal.

3.3
- Lowlands -> wegen waren onbegaanbaar en vervoer van zware goederen over lange afstanden was moeilijk. (karren waren alleen in en rond steden in gebruik)
- Vanaf 1750 -> transport verbeterde. Nieuwe wegen en kanalen werden aangelegd door particulieren (turnpike trusts)
- Trust -> groepje welgestelden die reizigers tol lieten betalen voor de aanleg en onderhoud
- Door kanalen konden kolen, ijzererts, katoen en bulkgoederen in grote hoeveelheden worden vervoerd. Het Forth and Clyde Canal was een kanaal dat het industriegebied tussen Edinburgh en Glasgow verbond.
- 1825 -> locomotieven met kolenwagens gingen rijden bij mijnen.
- Er ontstond een railway-boom oftewel railway-mania: in heel Groot-Brittannië kwam snel een dicht spoorwegnet.
- Reizen ging gemakkelijker en sneller -> revolution of speed
- Overheid bemoeide zich niet met maatschappijen van spoorwegen: hierdoor verschillen in tarieven en veiligheidsvoorzieningen -> ongemak en ongelukken
- 1844 -> Britse regering stelde met de Railway Act gelijke eisen aan spoorwegmaatschappijen. (ramen, stoelen, deuren, 1 laag tarief enz)
- kleine maatschappijen moesten vertrekken en een klein aantal grote maatschappijen bleef.

4.1
- Fabriek -> lage lonen en mensen zagen er slecht uit. Kromme benen, platvoeten, bleek en ziekelijk. Wekten wel 12 uur per dag, 6 dagen in de week bij een temperatuur van ongeveer 25 graden zonder ventilatie.

4.2
- Vanaf 1750 -> bevolking groeide, vooral in steden met fabrieken en mijnen.
- Door overvolle steden -> meer huizen buiten het centrum, hier gingen de welgestelden wonen. De stadscentra werd door armen bevolkt.
- Arbeiderswijken = slum -> heel gezin in een 1-kamerwoning. Slecht onderhoud door de eigenaren.

4.3
- arbeidsbewegingen voor 1850 in Groot-Brittannië hadden weinig succes. Gezamenlijke acties tot verbeteringen hielpen niet.
- 1ste acties -> wevers vernielden machines en fabrieken. 1811-1812 -> golf van zulke acties. Ook stakingen in Glasgow door verlaging van de lonen van wevers.
- Organisaties die wilden opkomen voor betere lonen en werkomstandigheden werden onderdrukt.
- Tot 1824 waren vakbonden of vakverenigingen via speciale wetten verboden
- Later ontstonden wel vakbonden, maar deze hadden weinig betekenis. Leiders misten ervaring, men had geen geld en arbeiders durfden niet te staken.
- Robert Owen stond bekend om zijn goede behandeling van zijn personeel. Hij won in 1833-1834 een half miljoen leden voor de: Grand National Consolidated Trades Union (GNCTU)
- Na 1850 -> nieuwe, moderne vakbonden -> organisaties kregen rechten en goed geschoolde arbeiders als lid.
- Trade Union Congress (TUC) ->organisaties kregen hierin een sterke positie
- 1900, de: Labour Party -> politieke partij van arbeiders, gebaseerd op socialistische ideeën. Vakbonden maakten hier deel van uit.
- Ook coöperatieve verenigingen -> kochten levensmiddelen.
- Ook fondsen waaraan men betaalde om een uitkering te krijgen bij overlijden of ziekte. Winsten van de verschillende verenigingen werden gebruikt voor oa leeszalen, ontmoetingsruimten.
- Pas met beschermde maatregelen en wetten gingen de werk- en leefomstandigheden vooruit.
- Filantropen = weldoeners -> leiden campagnes en activiteiten die tot die wetten en maatregelen leidden.
- De 1ste fabrieken (ver van de bewoonde wereld) losten het tekort aan arbeid op door het: apprenticeship system -> weeskinderen en arme kinderen werden daar heen gestuurd om te werken.
- De omstandigheden van die kinderen was erg slecht, er was geen controle.
- In 1802 en 1819 -> wetten om de omstandigheden van ‘leerlingen’ te verbeteren. Door geen inspectie veranderde er weinig.
- Pas in 1830 werd de werktijd van kinderen beperkt. Initiatiefnemers zoals oa Robert Owen zorgden hiervoor.
- Kinderen onder de 9 jaar mochten niet meer werken en tussen de 9 en 18 jaar waren en max.werktijden. Nachtwerk voor jongeren werd verboden en kinderen tot 13 jaar dienden onderwijs te krijgen.
- Later kwamen er steeds meer beperkingen en dus werden de arbeidsomstandigheden beter, later ook in de mijnen.

Robert Owen
- 1800 -> eigenaar van een textielfabriek. Hij behandelde het personeel goed, voldoende eten, goede huisvesting, goede lonen.
- Owen was bezig met discipline bij te brengen en had wel strenge regels
- In 1806 -> waardering door de arbeiders, hij betaalde door terwijl de fabriek een paar maanden stil lag ivm tekort aan katoen.
- 1813 -> Owen moest zijn fabriek verkopen, hij lag in conflict met zijn partners die zijn plannen te kostbaar vonden. Door enkele geestverbanden slaagde hij erin het zelf terug te kunnen kopen.
- Hij stichtte de: School for Children, en het: Institute for the Formation of the Character. -> kinderen + volwassen werden gevormd door onderwijs en culturele activiteiten. Ook kwam er een: Nursery Building, voor zeer jonge kinderen.
- Onderwijs was aantrekkelijk, er waren wekelijkse concerten en veel gedans, er werd niet gestraft.
- Owen nam het initiatief voor sociale voorzieningen. Zo kwam er een fonds voor zieke arbeiders (deel van het loon werd ingehouden) iedereeen kon terecht in een dorpswinkel voor goede en goedkope levensmiddelen. Owen maakte veel winst.
- Door zijn daden en opvattingen had hij een enorme invloed op de hervormers, die opkwamen voor de verbetering van de situatie van de arbeidersbevolking.

5.1
- 1775-1783 -> aanhangers van meer democratie haalden hun 1ste succes in de strijd voor onafhankelijkheid van Groot-Brittannië.
- 1789 -> Franse revolutie (vrijheid, gelijkheid) Koningsschap werd afgeschaft en republiek ingevoerd.
- Liberisme -> gelijkheid van ieder individu, de ondergeschiktheid van de staat aan de burgers, sterk geloof in de vooruitgang van de mens en de samenleving.
- Adam Smith -> peetvader van het economisch liberalisme. Op 28 jarige leeftijd werd hij professor in de filosofie aan de Universiteit in Glasgow en behandelde vragen over wat goedheid is en waarom mensen zich fatsoenlijk gedragen.
- Glasgow groeide door handel met Noord-Amerika.
- Sympathy = het vermogen van een mens om zich te verplaatsen in de ervaringen en gedachten van anderen bepaalde het gedrag van mensen.
- 1759 Adam Smith schreef een boek over bovenstaand idee: Theory of Moral Sentiments. Hij werd beroemd
- 1776 Beroemdste boek van Adam Smith = An Inquiry into the Nature and the Causes of the Wealth of Nations. -> arbeid was de belangrijkste bron van welvaart.
- Hoe groter de arbeidsverdeling, des te meer zou de productiviteit groeien en daarmee de welvaart.
- Smith vond ingrijpen door de overheid nutteloos en zelfs schadelijk. De regering moest economische vrijheid en dus die activiteiten stimuleren. Door vrijheid en concurrentie zou vanzelf een evenwicht ontstaan tussen de belangen van individuen en het algemeen belang.
- Ook liberale denkers zoals Malthus en Ricardo hadden veel invloeden op de politiek en de economie.
- In de 19e eeuw en het begin van de 20e hadden de liberalen een belangrijke rol, later werd de mach door de conservatieven (Tories) of de socialisten (Labour Party) uitgeoefend.
- Sinds 1750 -> liberalen zien in dat grote invloed van de overheid toch noodzakelijk is.
Uitgangspunten van het liberalisme:
- Economisch
o Vrijheid van productie:
§ Tegen regels van gilden en overheid en tegen hoge belastingen
§ Voor vrije concurrentie en tegen monopolies
o vrijheid van handel:
§ geen of heel lage in- en uitvoerheffingen
o Vrijheid van arbeid:
§ Tegen regels van de gilden
§ Tegen regels over lonen, werktijden, enz.
- Politiek
o Vrijheid om volksvertegenwoordiging en regering te kiezen
o Vrijheid om het bestuur te bepalen en een grondwet op te stellen
o Vrijheid van meningsuiting, godsdienst en vergadering
o Afschaffing van de slavernij

5.2
- Karl Marx -> de regering vond het radicaal om hen als hoogleraar te benoemen en daarom werd hij journalist -> zijn krant werd verboden en hij emigreerde naar Parijs, Brussel en Londen. Hij studeerde daar op de problemen van de maatschappij en vooral op de uitbuiting van de arbeidersklasse. Hij leefde in armoede.
- Hij ontwikkeld wetenschappelijke en politiek ideeën samen met Friedrich Engels, een textielondernemer. Hij kwam uit zijn positie als arme.
- 1848 -> een aantal Europese revoluties -> leidde tot meer invloed van de liberale burgerij op het bestuur.
- Marx en Engels schreven in 1848: Communistisch Manifest -> oproep aan de arbeiders om verder te gaan dan de revoluties, om de macht over te nemen en zo een begin te maken aan het communistische maatschappij -> oproep was geen succes.
- Al jarenlang onderdrukt de bezittende klasse de niet-bezitters. Uitbuiting bleef. In de kapitalistische samenleving van de 19e eeuw werd dat steeds groter, dit leidde tot een sociale revolutie. Hierdoor ontstond het Socialisme.
- Socialisme -> proletariaat als de heersende klasse, productiemiddelen als bezit van de gehele gemeenschap. Hierin zou de staat de gemeenschap leiden en controleren totdat de klassentegenstellingen verdwenen waren.
- Dan kwam het Communisme -> klassenloze samenleving, iedereen werkt naar vermogen en ontvangt naar behoefte.
- Das Kapital -> hij werkt zijn analyse van de geschiedenis en de samenlevingen van de prehistorie tot in de 19e eeuw verder uit.
- Marx was leider van de: Internationale, de 1ste organisatie van politieke arbeiders. Door hevige meningsverschillen viel deze echter uiteen.
- Marx voorspelde dat de 2ste proletarische revolutie in Groot-Brittannië zou plaats vinden, daar was het kapitalisme het meest ontwikkeld en werden de arbeiders het sterkst onderdrukt -> dit gebeurde niet, de welvaart nam toe.
- De Britse regering voerde een politiek, die zorgde voor verbetering van de arbeidersklasse.
- De Marx bedoelde revoluties braken wel n Rusland en China uit, hier kwamen communistische partijen aan de mach die totalitaire en dictatoriale macht ging uitoefenen.
- Rond 1900 -> grote arbeiderspartijen ontstonden, zij wilden geen revolutie maar hervormingen binnen het kapitalistische systeem (reformisme)
- Deze socialistische partijen (sociaal-democratie) namen deel aan regeringen. Na het verdwijnen van het communisme zijn er van de ideeën van Marx niet veel meer over.

5.3
- In de 18e + 19e eeuw was er geen democratie -> arbeiders in Schotland en Engeland konden hun situatie niet verbeteren dmv oa verkiezingen.
- Groot-Brittannië had wel een parlement, maar de meerderheid van de bevolking had nog geen invloed bij verkiezingen.
- 1800 -> Verenigd koninkrijk werd geregeerd door de koning en het parlement. Wetten werden van kracht als een meerderheid in de beide kamers van het: Parliament, het Lagerhuis en het Hogerhuis ermee instemde, daarna moest de koning er een handtekening onderzetten.
- Veel parlementsleden (MP’s) waren grootgrondbezitter, zij aanvaarden wetten alleen als zij in eigen belang waren en zij hadden geen oog voor de problemen van de arbeiders.
- Er was geen algemeen kiesrecht. Leden van het Lagerhuis werden gekozen door een kleine groep van de bevolking. De leden van het Hogerhuis hadden hun plaats geërfd.
- Schotland had geen parlement, bij de samenvoeging van Engeland en Schotland stuurde Schotland 45 MP’s naar Londen. Alleen de rijkere konden stemmen.
- Alleen oude steden mochten parlementsleden afvaardigen, ongeacht de grootte en het aantal inwoners.
- 1832 ->de regels veranderden (Parliamentary Reform Act) Parlementszetels werden beter verdeeld en meer mensen mochten stemmen. Vrouwen hadden geen kiesrecht.
- Het nieuwere parlement zorgde niet voor betere leefomstandigheden. De Factory Act in 1833 veranderde niets aan de lange werktijden.
- De nieuwe: Poor Law in 1834 dwong arme mensen in verschrikkelijke werkhuizen. Arbeidsorganisaties werden onderdrukt, veel mensen raakten werkloos, de regering en het parlement deden niets.
- 1836 -> de Chartist Movement ontstond, een beweging voor hervorming van het kiesstelsel en het parlement zelf. Men eiste in The People’s Charter meer actief en passief kiesrecht voor mannen, eerlijkere verkiezingen en meet onafhankelijkheid voor de parlementsleden. (veel aanhangers maar weinig succest)
- Pas in 1876 werd het kiesrecht uitgebreid.
- Pas in de 2e helft van de 19e eeuw ontstonden er krachtige politieke partijen: Liberal Party (Whigs), Conservative Party (Tories) en socialisten.
- Liveralen kwamen op voor Free trade, de conservatieven wilden juist wel een groot wereldrijk en gingen voor protectie van de Britse economie. Socialisten werden belangrijk in 1900 (na vorming van de Labour Party) en gebruikten hun macht om de Britse arbeidersklasse te verbeteren door het opzetten van sociale voorzieningen.

6
- De Geat Exhibition was een tentoonstelling dat duidelijk maakte dat Groot-Brittannië koploper was van de industriële ontwikkelingen. De Britse economie bleef ondanks grote armoede stijgen. Ook in andere landen kwam de industrialisatie op gang.
- Rond 1900 hadden Duitsland en de VS als industrielanden de leidende rol van Groot-Brittannië overgenomen.
- De industrialisatie (1750-1850 -> industriële revolutie) in Groot-Brittannië zorgde voor stijging van de bevolking, betere communicatie en transport.
- Na 1850 kwamen er technische en wetenschappelijke veranderingen. Tussen 1870 en 1900 -> 2e industriële revolutie.
- 2e helft 19e eeuw -> voorzieningen zoals elektriciteit, riolering, gezondheidszorg, onderwijs, auto’s, chemische producten enz.
- Groot-Brittannie kampte met de wet van de remmende voorsprong. De economie die eerst zo voorliep op de anderen raakte nu achter. De invloed van Groot-Brittannie nam af en het was niet langer een wereldmacht.

Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.