Geschreven door: | anoniem (6 vwo) |
Datum ingestuurd: | 19 mei 2005 |
Taal: |  |
Woorden: | 6.600 |
Bekeken: | 14386 keer (107 deze maand) |
Waardering: |
|
Deel op: |
|
Samenvatting Mens en Werk, Actua examen 2005
Hoofdstuk 1
1.1 De definitie van arbeid
Smalle definitie; ‘Arbeid is een bepaalde activiteit die wordt verricht voor rekening van een derde’
Brede definitie; ‘Arbeid omvat alle acitiviteiten en bezigheden die gepaard gaan met lichamelijke en geestelijke inspanningen, gericht op het bevredigen van menselijke behoeften.’
Middenweg definitie; ‘Arbeid is het verrichten van bezigheden die nut hebben voor degene die de activiteiten verricht, voor zijn of haar naaste omgeving en/of voor de maatschappij als geheel of delen daarvan’
1.2 Soorten van arbeid
Je hebt onbetaalde (huishoudelijk werk, zorg, vrijwilligerswerk) en betaalde arbeid.
Je hebt formele (geregistreerd door CBS, wordt belasting over betaald) en informele (wordt geen belasting over betaald)
Witte circuit: formele en derhalve geregistreerde circuit, loondienst bijvoorbeeld
Grijze circuit: legaal, maar niet geregistreerd, zoals vrijwilligerswerk en consumptiehuishouding
Zwarte circuit: wel uitbetaalde arbeid, maar niet geregistreerd, zoals klusjesman of huishoudelijke hulp die geen contract hebben en geen belasting betalen
1.3 De functie van arbeid voor de individuele mens
Materiële functie: Je verdient geld, aanzien en kan je luxe veroorloven.
Immateriële functie: zelfontplooiing, sociale contacten, tijdopvulling, ontwikkelen van identiteit en eigenwaarde, verwerven van maatschappelijk aanzien (sociale status)
Sociale status: Als je een goede baan hebt, wordt je gewaardeerd omdat:
* je verdient veel, kan dus veel producten kopen die je aanzien geven (bijv. mooie auto)
* je kunt macht uitoefenen via je baan
* je hebt hoge sociale contacten
* schaarste van het beroep geeft aanzien (er zijn niet zoveel hartspecialisten)
* verantwoordelijkheid van het beroep (maak je schoon of red je levens?)
enz
Kenniseconomie: De aandacht voor kennis in de samenleving neemt toe
(mensen hebben meer aanzien en respect voor mensen met kennis, en daar wordt veel in geïnvesteerd, niemand interesseert zich voor laag geschoolden.
1.4 De functies van arbeid voor de samenleving
Macro-economische welvaartsfunctie: arbeid draagt als een van de productiefactoren (natuur, arbeid en kapitaal) bij aan de nationale rijkdom en welvaart.
Iedereen heeft recht om te werken, dat staat in de Grondwet, artikel 19. (staat precies in boek op blz. 6) De rechten die uit deze Grondwet voort vloeien zijn Sociale Grondrechten.
Sociale functie: arbeid heeft als functie ook het bijdragen aan de sociale cohesie (een samenhang van een groepering door saamhorigheid van de leden, gemeten naar de mate waarin de leden de grenzen van de groepering willen handhaven) Dmv arbeid kun je deelnemen aan een maatschappij.
Verdelingsfunctie: via arbeid vindt een verdeling van goederen en diensten plaats.
1.5 De kwaliteit van werk
Arbeidsinhoud: de aard en het niveau van het werk, de mate van verantwoordelijkheid, autonomie, en de mogelijkheden die een werknemer heeft om de aanpak en de werkwijze in de arbeid te bepalen en essentiële beslissingen omtrent de taakuitvoering mede te nemen.
Arbeidsinhoud verschilt enorm per beroep.
Vervreemding vindt plaats als mensen zich niet meer gebonden voelen met hun werk, dus als ze bijvoorbeeld in een fabriek werken en onderdelen maken voor een product wat ze nooit zien.
Marx had er nog een ergere term voor, hij sprak zelfs van zelfvervreemding: dan vervreem je niet alleen van je werk, maar ook van jezelf, omdat de ontwikkelingsmogelijkheden, en zelfontplooiing vervallen als je niet meer gebonden voelt met je werk en het product dat je fabriceert.
Arbeidsomstandigheden: de lichamelijke en geestelijke belastingen die gepaard gaan met de uitvoering van het werk, de onaangename kanten van het werk en de mate van veiligheid en bescherming tegen ongevallen.
Het welzijn van de werknemer is belangrijk, de Arbo-wet uit 1980 zag er op toe dat deze omstandigheden menselijk waren.
6 punten uit de Arbo-wet uit 1980:
- arbeidstaak en situatie moeten aangepast zijn aan de eigenschappen van de werknemer
- er moet bij taakverdeling rekening worden gehouden met kwalificaties van de werknemer
- werk moet naar eigen inzicht verricht kunnen worden, moet bijdragen aan vakbekwaamheid
- herhaalbaarheid moet zoveel mogelijk worden voorkomen
- het werk moet ruimte bieden om contacten met anderen te hebben
- de werknemer moet zich op de hoogte kunnen stellen van het doel en het resultaat van zijn werk en de eisen die daaraan worden gesteld
Outplacement: dat men een passende baan buiten de eigen arbeidsorganisatie zoekt voor een personeelslid. (als het bedrijf zelf geen passende functie (meer) heeft voor deze persoon)
Implacement: zoeken naar beter aangepast werk binnen de eigen organisatie.
Arbeidsverhoudingen: sociale verhoudingen binnen een bedrijf. (relatie tussen werkgever en werknemer enz)
Arbeidsvoorwaarden: de regelingen omtrent hoogte van beloningen, werktijden, werkzekerheid, carrièremogelijkheden, vakanties enz
Primaire arbeidsvoorwaarden: loon en aantal uren dat men daarvoor moet werken
Secundaire arbeidsvoorwaarden: zaken die niet met loon hebben te maken, maar die de arbeidsomstandigheden aangenamer maken zoals bijv verlofregelingen, auto van de zaak, goedkope verzekeringen enz
Tertiaire arbeidsvoorwaarden: de mogelijkheden om je via je werk verder te scholen zodat je bekwamer wordt.
Hoofdstuk 2
2.1 Arbeidsethos
De betekenis die arbeid voor mensen heeft = arbeidsethos
Traditioneel arbeidsethos: betaalde arbeid vervult een centrale levenswaarde
Houdt in: door arbeid te verrichten ‘hoor je erbij’, je bent nuttig. Ook al is het zwaar, werken betekent iets voor jezelf en de maatschappij.
Kritisch arbeidsethos: arbeid als zodanig wordt niet afgewezen, maar je aanvaardt het niet tot elke prijs
Houdt in: de betekenis van betaalde arbeid zou moeten verminderen, onbetaalde arbeid zou er gelijk aan moeten staan, dus vrijwilligerswerk zou als gelijkwaardig aan betaalde arbeid moeten worden beschouwd.
Alternatief arbeidsethos: de betekenis van alle arbeid voor het welzijn van mensen wordt laag aangeslagen
Houdt in: hierin heeft betaalde arbeid geen centrale waarde zoals bij de andere twee. Mensen die van deze arbeidsethos aanhanger zijn, zouden een veel groter deel van hun vrije tijd aan vrijetijdsbezigheden willen besteden omdat zij vooral daarin bevrediging vinden.
2.2 Arbeidsmoraal
De houding die mensen innemen ten opzichte van de plicht tot arbeiden = arbeidsmoraal
In de geschiedenis is er zeer wisselend over de plicht tot werken gedacht. In de Oudheid en Middelleeuwen werd arbeid beschouwd als een last. Aan het einde van de middeleeuwen onder invloed van de reformatie werd arbeid positiever gezien. In de Verlichting werd het ook als positief gezien. Tijdens de Industriële Revolutie verslechterden werkomstandigheden en werd het weer als negatief ervaren. Op dit moment wordt er dubbelzinnig over gedacht. We vinden arbeid fijn als het leuk is, maar als het vervelend is komt het lastkarakter weer naar boven.
Arbeidsmoralistische opvattingen:
1 Arbeid is minderwaardig
Door de Grieken werd het gezien als een last, een straf. De hoger opgeleide mensen zagen arbeid als iets voor de slaven, en bedreven zelf alleen de politiek. Lichamelijke arbeid was van een lagere orde dan ‘denken’ en ‘heersen’ (vonden de heersers zelf) en werd uitgevoerd door slaven, armen en vrouwen.
2 Arbeid is een straf van God
In de vroege Middeleeuwen zag men arbeid als een straf van God. De mens was in het paradijs ongehoorzaam geweest, en moest daarom werken om zichzelf in leven te houden. In de Middeleeuwse samenleving had je drie standen; adel, geestelijkheid en de gewone mens. De eerste twee standen werkten niet, de gewone mens moest het werk verrichten.
In de late Middeleeuwen zei Thomas Aquino: ‘Wie niet werkt, zal niet eten’. De Rooms-katholieke kerk zag arbeid niet als doel in zichzelf, maar als een soort natuurnoodzakelijkheid.
3 Arbeid is een opdracht van God
Luther stelde dat mensen geboren waren om te werken, het was een dienst aan God, een natuurlijke zaak. Luther vond dat iedereen moest werken en maakte geen verschil tussen de gewone mens en adel. Calvijn bracht in het voetspoor van Luther de nieuwe leer, iedereen moest werken, niet werken werd gezien als een zonde. Hard werken werd door de mens gezien als een ticket naar de hemel, aangezien je werkte voor God.
4 Arbeid is een wezenlijke activiteit voor mens en samenleving en geeft zin aan het leven
Thomas More vond dat er alleen gewerkt moest worden voor het produceren van goederen die nuttig zijn voor de hele gemeenschap. De armen moesten geen luxe-artikelen voor de rijken maken.
Saint-Simon vond arbeid vond arbeid een wezenlijke activiteit voor mens en samenleving. Arbeid was een deugd. Mensen die niet werkten waren nietsnutten en profiteurs.
Fourier ontwikkelde het idee van coöperatieve gemeenschappen, de Phalanstère (mensen deden samen taken en wisselden af zodat de arbeidsvreugde niet verloren ging)
Blanc was een voorstander van oprichting van Ateliers Sociaux, werkplaatsen die georganiseerd en geleid moesten worden door de staat. Ze werden opgericht in Frankrijk en liepen uit in een groot drama, de arbeiders moesten er zinloos werk leveren en er kwam niets productiefs uit.
Deze vier mensen hierboven waren utopisch socialisten. (hun ideeën vielen niet te verwezenlijken. Arbeid vonden ze belangrijk en stond centraal in hun wereldbeeld als zinvolle activiteit van mensen)
5 Arbeid is een instrumenteel middel om een aantal levenswaarden te verwezenlijken, zoals welvaart, vrije tijd, zelfstandigheid
Socialisten, liberalen en christen-democraten zagen in de 19e eeuw arbeid als een voorwaarde voor geluk. Middeleeuwse standenmaatschappij werd economische klassenmaatschappij. Na WO 2 was arbeid belangrijk, wederopbouw, de economie groeide enorm, men werd welvarender. Dit stopte door de oliecrisis in 1973.
6 Arbeid is een recht (sociaal grondrecht)
Sinds die oliecrisis in 1973 kwamen er steeds meer werklozen. Er heersten en heersen eigenlijk drie opvattingen over de plicht tot werken:
1. Arbeid is een plicht
Werkloosheid wordt niet gewaardeerd. Mensen met een uitkering worden met de nek aangekeken. Het kost geld en mensen hebben er uit morele overwegingen moeite mee.
2. Wie niet wil werken, moet daar niet toe gedwongen worden
Je kan mensen niet dwingen tot arbeid als er niet genoeg werk is voor iedereen. Er is een idee over een basisinkomen. Dit zou iedereen dan krijgen vanaf 18 jaar. En dan kan iedereen zelf kiezen of hij wil werken of niet. Er is dan meer mogelijkheid tot vrijwilligerswerk. Nadelen zijn dat het veel geld kost wat opgebracht moet worden uit belastingen. En het stelsel motiveert niet tot werken.
3. Arbeid is een recht
Iedereen heeft het recht te kunnen werken, is er voor iemand geen werk, dan moet de overheid zorgen dat er werk voor deze persoon komt, want daar heeft hij recht op. De overheid stelt sinds 1983 in artikel 19 van de Grondwet dat de burger geen garantie op werk krijgt, maar dat de overheid wel voor voldoende werkgelegenheid moet zorgen.
Onder invloed van o.a. drie maatschappelijke ontwikkelingen trad een verwereldlijking van arbeid op:
- ontkerkelijking
- vrouwenemancipatie
- emancipatie van jongeren
Hoofdstuk 3
3.1 Arbeidsverdeling
De wetenschappelijke arbeidssociologie ontstond in de 18e eeuw. Mensen gingen zich bezighouden met de sociale verschijnselen die zich voordoen als mensen samen arbeid verrichten.
In de prehistorie, Klassieke Oudheid en Middeleeuwen was er sprake van een agrarische samenleving (de meerderheid werkte in de agrarische sector).
In de vroegste samenlevingen was er wel sprake van een arbeidsdeling (het werk is op een bepaalde manier verdeeld en men verricht nog maar een gedeelte van het werk dat nodig is voor zijn eigen levensonderhoud)
18e eeuw, Adam Smith constateert dat arbeidsverdeling als zo oud is als de mensheid zelf. Er is altijd al een verdeling in werk geweest (vrouwen plukken bessen, mannen jagen).
In de Middeleeuwen was er sprake van een maatschappelijke arbeidsverdeling; het maatschappelijke productieproces werd verdeeld over velerlei beroepen, functies, bedrijven en bedrijfstakken. Een voorbeeld van zon verdeling is deze indeling in 4 sectoren:
1. Primaire sector (landbouw, jacht en visserij)
2. Secundaire sector (industrie)
3. Tertiaire sector (commerciële dienstverlening; media, banken, telecommunicatie)
4. Quartaire sector (niet-commerciële diensten ; zorg, ambtenaren)
Binnen deze 4 sectoren kunnen we nog onderscheid maken tussen Profit-organisaties (organisaties die winst willen maken) en Non-profit-organisaties (bedrijven die geen winst willen maken), de hele quartaire sector is per definitie non-profit.
Vanaf ca. 1000 na Christus was er sprake van ruilhandel (goederen en diensten werden uitgeruild). Geld maakte dingen makkelijker. Er ontstonden beroepen als bakker, slager dokters enz. Deze vormden in de Middeleeuwen groepjes met elkaar; gilde (verenigingen van ambachtslieden en kleinhandelaren die de instandhouding en verbetering van het vak tot doel hadden en door de overheid als zodanig erkend waren. Het ontstaan van gilden in de Middeleeuwen kon je zien als een erkenning van de maatschappelijke arbeidsverdeling.
Toen kwam de Industriële Revolutie, spierkracht werd vervangen door machines. Steeds meer mensen gingen in de fabriek werken. Adam Smith sprak van een technische arbeidsverdeling (het opdelen van het productieproces van een eindproduct in deelhandelingen die verricht worden door verschillende arbeiders)
Binnen een arbeidsproces worden taken opgesplitst, Marx noemde dit manufactuur (een vorm van organisatie van de arbeid waarbij iedere arbeider slechts een klein onderdeel van het totale proces voor zijn rekening neemt) De rollen binnen de arbeid veranderen, de dienstverlener wordt nu manager bijvoorbeeld. Binnen de technische arbeidsdeling kunnen we diverse soorten van arbeid onderscheiden:
- Hoofdarbeid (administratief, wetenschappelijk, personeelsmanagement enz)
- Handenarbeid (fabrieksarbeid, plantsoenendienst, stratenmaker enz)
- Productiewerk (lopende band, zonder na te denken)
- Management (leiding geven aan het productieproces)
Inmiddels noemen we Nederland sinds het einde van de 20e eeuw een informatiemaatschappij of post-industriële maatschappij. Voor dit begrip bestaan er twee definities:
1. een maatschappij waarin sprake is van een technologisch hoogontwikkelde samenleving die met behulp van moderne informatie- en communicatietechnieken een grote toename laat zien van de informatieproductie en van de productiviteit in zijn algemeenheid.
2. een maatschappij waarin de meeste mensen werken in de tertiaire en quartaire sector.
3.2 De voor- en nadelen van arbeidsverdeling
Niet iedereen kan alle taken uitvoeren, zowel lichamelijk als geestelijk, daarom bestaat er arbeidsverdeling. Sommigen zoeken dus de oorsprong van arbeidsverdeling in de arbeidsdeling:
* er zijn biologische verschillen tussen mannen en vrouwen (man jaagt, vrouw zorgt)
* geestelijke verschillen tussen mensen (niet iedereen is hetzelfde, niet even slim)
* verschillen in technologische en economische ontwikkeling (mensen hebben verschillende vaardigheden, technologie speelt daar op in)
Nadelen van een ver doorgevoerde maatschappelijke en technische arbeidsdeling:
* verdeelde arbeid leidt ook tot verdeelde mensen. De mensen met ‘lagere’ banen zijn ontevreden en opstandig tegenover de mensen met de ‘hoge’ banen.
* zijn mensen nog wel intrinsiek (van binnen) gemotiveerd om de minder leuke dingen binnen een baan uit te voeren, of moeten ze daar extrinsiek (van buiten, door bijvoorbeeld een geldprikkel) tot gemotiveerd worden.
* vraagstuk van integratie en cohesie. Integratie = het opgenomen zijn en het deelnemen aan de gemeenschappelijke activiteiten van een sociaal verband en de bindingskracht ervan.
Cohesie = de samenhang van een sociaal verband en de bindingskracht ervan.
Zijn beide nodig voor een geregeld arbeidsbestel, en moeten plaatsvinden via beroepen. In de primitieve agrarische samenleving is sprake van mechanische solidariteit (op basis van het verrichten van ongeveer hetzelfde werk). In de industriële samenleving zijn mensen verbonden middels organische solidariteit (saamhorigheid die voorkomt uit het feit dat mensen in verregaande mate onderling afhankelijk zijn)
3.3 Sociale structuur
De samenleving evolueerde van een agrarische naar een informatiemaatschappij. Dit leidde ook tot een andere sociale of maatschappelijke structuur (het patroon van relaties in een samenleving tussen individuen en tussen groepen bepaalt het daarmee samenhangend rolgedrag.
De onderlinge relaties tussen mensen en de verschillende plaatsen (sociale positie) die mensen in de structuur van die samenleving innemen, typeren de samenleving. Binnen een sociale structuur bestaan lagen. Maatschappelijke lagen noemen we ook wel sociale klassen.
De sociale status van mensen is de waardering die mensen hechten aan de posities die mensen bekleden.
Er zijn in de samenleving sociale verschillen en sociale waardering die mensen hechten aan hen die die posities innemen, we spreken dan van sociale ongelijkheid. (gekoppeld aan bezit, macht, aanzien).
Oorzaken van sociale ongelijkheid:
* Opleiding (salarissen verschillen per opleiding)
* De positie op de arbeidsmarkt
* Etnische minderheden. Mensen die daartoe behoren hebben minder kansen.
* Sekse. Vrouwen hebben slechtere positie dan mannen in de arbeidsmarkt.
* Sociaal milieu. Kinderen uit een laag sociaal milieu hebben minder kansen.
Sociale stratificatie: een samenleving die uit maatschappelijke groepen en lagen bestaat waartussen een verhouding van sociale ongelijkheid bestaat.
3.4 Sociale klassen
Verklaringen voor sociale ongelijkheid; interactie tussen:
1. Arbeid en kapitaal (beroep, inkomen, bezit)
2. Sociaal milieu (etniciteit en cultureel kapitaal, levenspatroon, eetgewoontes enz.)
Maatschappelijke ladder = hoe hoger je staat, hoe meer gewaardeerd, hoe meer status (aanzien), meer salaris, meer macht enz.
Onderklasse = mensen die gedurende een lange tijd in een slechte financiële positie verkeren.
3.5 Theorieën over sociale verschillen
Drie stromingen wat theorieën betreft:
1. Functionalisten: zij wijzen erop dat ongelijkheid in een samenleving functie heeft voor de bestendiging van die samenleving.
2. Marxisten: volgers van Marx leggen de nadruk op de verschillende economische posities van mensen, met name op het bezit en de controle over de productiemiddelen, als ook op de beroepspositie van mensen.
3. Max Weber: aanhangers van deze Duitse socioloog stellen dat de sociale stratificatie niet alleen door economische, maar ook door culturele en politieke factoren wordt bepaald.
3.6 Maatschappelijke positie en ‘leefstijl’
De maatschappelijke positie van mensen heeft gevolgen op leefstijl, zoals;
* levensduur
* gezondheid en ziekte
* voeding
* vrijetijdsbesteding
* mode
* wonen
* schoolprestaties
* politieke participatie (deelnemen aan politiek)
3.7 Kansen op mobiliteit
Gesloten samenleving = een maatschappij waarin de leden nauwelijks of geen kansen hebben om te stijgen op de maatschappelijke ladder (bijv. in de middeleeuwen)
Kastenmaatschappij = in India, een maatschappij waarin je in een bepaalde kaste (sociale klasse) wordt geboren en waar je niet meer uitkomt.
Open samenleving = de kansen om te stijgen op de maatschappelijke ladder zijn groter.
Het stijgen of dalen op de ladder = sociale mobiliteit.
Twee vormen van mobiliteit:
* Inter-generationele mobiliteit (stijgen of dalen ten opzichte van de ouders)
* Intra-generationele mobiliteit (stijgen of dalen tijdens je eigen loopbaan)
Twee theorieën over sociale mobiliteit:
* Meritocratietheorie (personen kunnen een goede plek in de samenleving veroveren door persoonlijke capaciteiten en onderwijsdeelname)
* Reproductietheorie (reproductie van maatschappelijke verhoudingen c.q. van een invloed van de sociale stratificatie op de onderwijsdeelname)
Verdringingseffect = als hoger opgeleide mensen de lager opgeleide mensen verdringen uit het arbeidsproces
Diploma-inflatie = diploma’s worden relatief gezien minder waard
3.8 Groepen met een relatief slechte positie op de arbeidsmarkt
Positie op de arbeidsmarkt wordt bepaald door:
* verandering in het soort functies dat gevraagd wordt
* formele criteria zoals opleiding, leeftijd en ervaring
* informele, sociaal-culturele criteria, zoals betrouwbaarheid, omgangsnormen.
Vier groepen met slechte positie op de arbeidsmarkt:
1. Vrouwen
2. Allochtonen
3. Laag opgeleiden
4. Werklozen
Hoofdstuk 4
4.1 De wording van de informatiemaatschappij
Nieuwe productietechnieken en technologieën leiden tot een informatisering van arbeid.
De computer heeft steeds meer impact op het gebeuren in de wereld. De informatisering heeft impact gehad op alle sectoren van arbeid:
* Primaire sector (computer regelt het voeren van het vee etc.)
* Secundaire sector (robotten in fabrieken aan de lopende band)
* Tertiaire sector (computer regelt administratie en betaalverkeer)
* Quartaire sector (bevolkings- en belastingsadministratie in de computer)
4.2 Impact van de informatietechnologie op de werkgelegenheid
Op het gebied van werkgelegenheid doen zich twee effecten voor:
* Er ontstaan nieuwe functies (ICT en dergelijke), en productinnovatie (aanbieden van nieuwe producten zoals laptops en mp3-spelers)
* Er verdwijnen arbeidsbanen (dingen worden geautomatiseerd)
Arbeidsvolume = de hoeveelheid die per jaar wordt geproduceerd
Procesinnovatie = het productieproces verandert als gevolg van automatisering
4.3 Impact van de informatietechnologie op kwaliteit van het werk
Informatietechnologie heeft impact op het werk dat bestaan blijft
Arbeidsomstandigheden;
* er verdwijnt een hoop gevaarlijk en ongezond werk
* er komen nieuwe beroepsziekten (RSI, muisarm) en burnouts
Arbeidsinhoud;
* Taakverrijking (de functie wordt horizontaal verbreed en verticaal verrijkt)
- intensiever gebruik van kwaliteiten van de werknemer
- meer verantwoordelijkheid en zelfstandigheid van de werknemer
- minder afdelingshoofden nodig om toezicht te houden
* Taakverarming (functie wordt horizontaal en verticaal verarmd)
- taken worden weggenomen,
- bevoegdheden uitgesneden
* Taakversmalling (functie wordt horizontaal versmald, werknemer heeft minder taken)
- wel taken weggenomen, niet bevoegdheden uitgesneden
* Taakroulatie (werknemers wisselen geregeld van arbeidsplaats)
- werknemers kunnen dan na een tijdje alle functies uitvoeren
* Taakverbreding (taken toegevoegd op hetzelfde niveau waar de werknemer op werkte)
Zelfsturende teams = autonome taakgroepen, de groep als geheel is verantwoordelijk voor de werkwijze en het resultaat. (maken bijvoorbeeld als team een auto)
4.4 Informatietechnologie en veranderingen in de organisatie
In de fabrieken die gevolg waren van Industriële Revolutie:
Taylorisme = een managementsysteem, waarbij een zo groot mogelijke scheiding wordt aangebracht tussen uitdenkers/leidinggevenden en de uitvoerenden.
Kenmerken van dit systeem:
* sterke scheiding tussen baas en arbeider
* standaardisatie van gereedschappen
* aparte planningsafdeling
* disciplinering
* een beloningsstelsel dat gebaseerd was op prestatie
Maar het werkte niet zo goed, en in 1920 ontstond de beweging van Human Relations:
er moest een productiesysteem komen waarbij geen sprake was van taaksplitsing, geen herstel van de autonomie van de werknemer en strenge discipline, maar meer aandacht voor de menselijke factor in een bedrijf.
Men legde de nadruk op de mens als sociabel wezen.
Top-down-benadering = het management bepaalt en stelt vast wat er moet gebeuren.
Autonomie = de vrijheid om in de uitoefening van de arbeid eigen doeleinden na te streven
Procesbeheer = overzicht houden over de vele aspecten van het productieproces
Deze bovenstaande begrippen helpen mee aan een verbetering van de arbeid.
Hoofdstuk 5
5.1 Het begrip economische orde
Economische orde = de manier waarop in een land het economische proces (voortbreng, de verdeling en het gebruik van goederen) is georganiseerd
De overheid speelt daarbij ook een rol, en die rol heeft alles te maken met de drie economische systemen die er bestaan:
* vrijemarkteconomie
* centraal geleide planeconomie
* gemengde economie
“In hoeverre moet de overheid een rol spelen in de economische orde?”
5.2 Centraal geleide planeconomie
= De beslissingen over de productie, investeringen en distributie worden van bovenaf en centraal genomen door de overheid op basis van centrale plannen.
Nadelen;
* consument staat buitenspel
* bureaucratie
* mensen treffen lege winkels aan omdat de overheid niet genoeg heeft laten produceren, mensen kunnen het wel betalen, maar er is niks om te kopen (zwevende koopkracht)
* veel macht bij de planners
* weinig of geen aandacht voor het milieu
Voordelen;
* de overheid kan sociale ongelijkheid voorkomen
* productie en consumptie kunnen rationeel gezien op elkaar afgestemd worden
* werkloosheid kan worden voorkomen
* mensen hoeven niet meer na te denken, er wordt voor ze gedacht door de overheid
5.3 Vrijemarkteconomie
= vraag een aanbod bepalen de prijzen op een vrije markt (markt- of prijsmechanisme)
Overheid bemoeit zich er niet zo mee, er is sprake van een vrije ondernemingsgewijze productie
Cruciale elementen in de vrijemarkteconomie:
* Eigendomsrecht (het volledige en hoogste recht van eigendom en beschikking.
intellectuele eigendom (bescherming van menselijke geest tegen inbreuk van anderen)
eigendomsrecht wordt geregeld in:
- Merkenrecht (je mag een merk hebben)
- Octrooirecht (gedurende het octrooi op je product mag niemand anders het ook maken)
- Auteursrecht (uitsluitend recht om werken openbaar te maken en te verveelvoudigen)
* Geschillenbeslechting (commissies doen bindende uitspraken over geschillen tussen een onderneming en een sonsument)
* Vennootschapsrecht (je hebt het recht partnerschap binnen je bedrijf te hebben, dus je mag samen een bedrijf bezitten en besturen)
Vermogensmarkt = is het geheel van vraag naar en aanbod van geld, onder te verdelen in:
- Geldmarkt (hier wordt vermogen verhandeld voor een termijn minder dan 1 jaar)
- Kapitaalmarkt (hier wordt vermogen verhandeld voor een termijn van meer dan 1 jaar)
Je hebt ook beleggers, steken hun geld in iets in de hoop er winst op te maken. Je hebt particuliere (gezinnen) beleggers, en institutionele (bedrijven) beleggers.
Voordelen vrijemarkteconomie:
* grote keuzevrijheid voor de consumenten en de producten
* de overheid bemoeit zich er niet te veel mee
* sprake van volledige mededinging (concurrentie)
Nadelen vrijemarkteconomie:
* in de praktijk meestal geen sprake van soepele werking prijsmechanisme. Prijs kan boven marginale kosten (kosten die ontstaan door de productie met één eenheid uit te breiden) komen.
* economisch zwakkere mensen kunnen de dupe worden.
* maatschappelijke kosten treden op (kosten die niet bedrijfseconomisch zijn, maar van algemene aard)
* de markt kan niet voorzien in collectieve goederen (goederen voor iedereen)
5.4 De gemengde economie
= een soort tussenvorm tussen de centraal geleide planeconomie en de vrijemarkteconomie
De overheid heeft hierin enkele taken:
* als regelgever
- toezien op kwaliteit van milieu
- machtsconcentraties van grote bedrijven in de gaten houden. In Nederland is hier de NMa voor (Nederlandse Mededingingsautoriteit); zij handhaaft het verbod op kartels (afspraken tussen bedrijven om de concurrentie te beperken (samenspannen tegen de rest). De vervoerskamer is onderdeel van de NMa, deze kamer houdt toezicht op openbaar vervoer (connexxion, NS) dat ze de prijzen niet belachelijk hoog maken.
* als producent van goederen en diensten
- zorgen dat er onderwijs is enzovoort
* als herverdeler van inkomsten
- via belastingen de inkomsten verdelen. Door middel van een:
Progressief belastingsstelsel: hoe meer je verdient, hoe meer je betaalt.
Voordelen gemengde economie:
* er is een sociale zekerheid voor de mensen en een vrije ondernemingsgewijze productie
* een centrale ideologie ontbreekt, waardoor men praktisch kan handelen
Nadelen gemengde economie:
* de overheid speelt een vrij grote rol
* de hogen kosten voor de overheid voor een sociaal zekerheidsstelsel. En dat betaalt het volk.
Tinbergen ontwikkelde in de jaren 60 zijn convergentietheorie (dat de communistische planeconomie en de kapitalistische vrijemarkteconomie steeds meer naar elkaar toegroeien)
Mededingingsbeleid = het beleid dat zich richt op het bevorderen van een aanvaardbare concurrentie
Antikartelwetgeving = een verbodswetgeving, waarbij machtsposities en kartels kunnen worden verboden, tenzij ontheffing is verleend
5.5 De christen-democratische visie (CDA, CU)
In deze visie fungeert het evangelie als richtsnoer voor het politieke handelen.
* Organische maatschappij, de maatschappij bestaat niet uit individuen, maar uit gemeenschappen die allen een eigen functie hebben.
* Naastenliefde en solidariteit
* Gespreide verantwoordelijkheid (maatschappelijke organisaties zijn samen met de overheid verantwoordelijk voor de inrichtring van de samenleving) Maatschappelijk middenveld ( verzuilde instellingen) is belangrijk.
* Rentmeesterschap (de aarde hebben we in bruikleen van God, dus we moeten de aarde beschermen, want dat is de taak van de mens)
* Harmonie en samenwerking (conflicten moeten in harmonie worden opgelost; ‘Harmoniedenken’
* Terughoudende overheid
* Zorgzame samenleving (de overheid moet een beetje voor ons zorgen, maar mensen moeten ook zelf initiatieven nemen)
* Subsidiariteitsbeginsel; (zaken die door lagere organen kunnen worden geregeld, moeten niet door hogere organen overgenomen worden)
* Soevereiniteit in eigen kring (staat, kerk en school (bijv) zijn afzonderlijke kringen, waarin ieder zijn eigen taken heeft)
5.6 Het liberalisme (VVD)
Deze politieke stroming legt een grote nadruk op de persoonlijke vrijheid van elk individu.
Deze vrijheid moet wel rationeel zijn (rationalistisch liberalisme).
* Vrijemarkteconomie
* Particulier initiatief (burgers moeten initiatieven nemen, niet de staat)
* Er dient sprake te zijn van concurrentie
* Overheid moet zich er niet teveel mee bemoeien
* Streven naar een waarborgstaat (participatiestaat) Burgers moeten zichzelf zien te redden, maar als het misgaat, heeft de overheid een vangnet.
* Liberalisering (de nadruk leggen op het individu)
* Privatisering (taken van de rijksoverheid worden overgenomen door het particuliere initiatief)
* Decentralisatie (taken overdragen van rijksoverheid (den Haag) naar lager overheidsorgaan)
* Deregulering (minder regels)
* Ontbureaucratisering (minder ambtenaren)
5.7 De Sociaal-democratie (PvdA, SP)
Deze politieke stroming streeft naar gelijkheid op economisch, sociaal en cultureel gebied
* Streven naar meer sociale gelijkheid
* Solidariteit
* Democratisering ( mensen moeten op veel gebieden meer zeggenschap en inspraak krijgen)
* Nivellering (verkleining van inkomensverschillen)
* Een intense, actieve rol van de overheid op sociaal-economisch gebied
5.8 Het Communisme
Het communisme is een politieke stroming die streeft naar volledige gelijkheid op economisch, sociaal en cultureel gebied.
* Klassenstrijd (er is een onverzoenlijke tegenstelling en strijd tussen de werknemers en kapitalisten)
* Gelijkheid
* Internationale solidariteit
* Productiemiddelen in handen van de staat
* Planeconomie
* Centralisme (centraal punt waar vanuit de overheid alles regelt)
5.9 De ecologische stroming (Groenlinks)
Deze politieke stroming stelt de economische groei ondergeschikt aan de kwaliteit van het milieu.
* Ecologische waarden zijn belangrijker dan economisch
* Kleinschalig, milieuvriendelijk en duurzaam produceren
* ‘Economie van het genoeg’ (de mens moet tevreden zijn met wat hij heeft)
* Streven naar een kringloopeconomie (een economie die zuinig omspringt met energie en grondstoffen en die het milieu niet verder aantast
* Duurzame ontwikkeling/economie (een economisch systeem waarbij de sociale en economische ontwikkeling zodanig gestalte krijgt, dat aan de behoeften van mensen kan worden voldaan, zonder dat daarbij afbreuk wordt gedaan aan de behoeften van toekomstige generaties)
* De overheid moet milieumaatregelen afkondigen
* Afwijzen van onbeperkt marktmechanisme
Hoofdstuk 6
6.1 De verschillende rollen van de overheid
De overheid vervult in het sociaal-economische proces drie rollen:
* Regelgever en initiator van het beleid. (belastinghoogte, nivellering, uitkeringen enz) Ook op het gebied van arbeidsvoorwaarden:
- overheid bepaalt hoogte van minimumloon
- maakt wet op de CAO’s
- maatregelen nemen over de arbeidsduur
- stelt regels op over dienstverband
- via belastingen bepaalt de overheid inkomensverhoudingen
* Als werkgever (en producent van collectieve goederen)
* Als overlegpartner (werknemers en werkgevers overleggen over lonen etc.)
6.2 Werkloosheid
Aanbodzijde van de arbeidsmarkt = de aanwezige beroepsbevolking (zij die betaald werk kunnen en willen verrichten)
Vraagzijde van de arbeidsmarkt = de werkgelegenheid (of het aantal arbeidskrachten dat werkgevers in dienst willen nemen/de vragers)
Arbeidsmarkt = de plaats waar werknemers hun arbeid aanbieden aan werkgevers
CWI = Centra voor Werk en Inkomen (bijv. uitzendbureaus)
Als we over werkloosheid spreken, noemen we altijd de term officieel geregistreerde werkloosheid. (dit zijn de mensen die ingeschreven staan bij CWI)
Beroepsbevolking = groep mensen tussen de 15 en 64 jaar (mensen die kunnen werken)
Niet-geregistreerde werkloosheid = de mensen die zich niet ingeschreven hebben
Verborgen werkgelegenheid = zwart werk, overwerken en het niet aanmelden van een vacature bij CWI
Hysterese = Bij langdurig werklozen veroudert de vroegere werkervaring en is het moeilijk weer aan de slag te komen.
6.3 Indeling naar soorten werkloosheid
* Seizoenswerkloosheid
* Frictiewerkloosheid (tijdelijke werkloosheid omdat mensen tijd nodig hebben een nieuwe baan te vinden)
* Conjuncturele werkloosheid (de vraag van consumenten naar goederen en diensten in het algemeen vermindert, waardoor de ondernemingen minder te doen hebben en mensen ontslaan) - Conjunctuur (de vraag naar goederen en diensten in de economie)
* Structurele werkloosheid (er zijn te weinig arbeidsplaatsen voor de beroepsbevolking)
- komt door bevolkingsgroei
- fusies van bedrijven
- reorganisaties
* Kwalitatief structurele werkloosheid (niet het aantal, maar het soort arbeidsplaatsen vormt een probleem, bijv, een overvloed aan leraren die nergens werk vinden)
6.4 Werkloosheidsoplossingen aan de vraagzijde van de arbeidsmarkt
Werkgevers nemen maatregelen tegen werkloosheid:
1. Bevorderen van loonmatiging, lonen omlaag = producten goedkoper = meer verkocht = meer productie = meer banen
2. Het scheppen van eenvoudige banen door de verlaging van het minimumloon en minder belasting betalen over lage lonen, zo houden de werknemers meer netto over, en gaan ze dat uitgeven, wat weer positief is voor de economie
3. Verlaging van belastingen en premies voor de werknemers. Dan stijgt hun koopkracht, omdat ze meer overhouden en zo is er meer productie nodig = meer banen.
4. Versterking van de economie door investeringen in bijv. infrastructuur. Dan gaat de overheid bijv bruggen bouwen, en dat moet door iemand gedaan worden = banen.
5. Maatregelen ter flexibilisering van arbeid (versoepeling van collectieve regels, geen vast contract bijv, maar oproepkracht) Eind jaren 90; Flexwet (gaf rechten aan flexibele werknemers, oproepkrachten moesten elke keer dat ze opgeroepen worden voor minimaal 3 uur betaald krijgen enz.)
Sociale rol = de verwachtingen die aan een sociale positie gekoppeld zijn
Fragmentering van sociale rollen = het individu krijgt steeds wisselende sociale rollen toebedeeld.
Rollenstelsel = het geheel van verwachtingen die verschillende mensen hebben van een bepaalde bekleder van een sociale positie
Rollenconflict = als een positiebekleder tegelijkertijd met tegenstrijdige verwachtingen wordt geconfronteerd, en dan in een innerlijke twee strijd verkeert. (bijv. een leraar die met de verwachtingen van zijn leerling en ouders en directeur wordt geconfronteerd)
6. Bestaande marktbelemmeringen opheffen, denk hierbij aan;
- het verbieden van prijsafspraken over marktaandelen
- verruiming van de winkeltijden
- privatisering van voormalige staatsbedrijven
- versoepelen van het ontslagrecht
7. Meer overheidsbanen in het onderwijs en de zorgsector, de overheid schept dan kunstmatig banen
8. Het bestaande werk herverdelen door het stimuleren van ATV (arbeidstijdverkorting) en VUT-regeling (vervroegde uittreding) Zo komt er meer werk vrij omdat andere minder werken.
6.5 Werkloosheidsoplossingen van de aanbodzijde van de arbeidsmarkt
Via een doelgroepenbeleid (speciale maatregelen nemen om bepaalde groepen mensen weer op de arbeidsmarkt terug te brengen) kunnen de belemmeringenvoor bepaalde groepen (allochtonen, vrouwen etc.) worden weggenomen of verminderd.
* Arbeid en zorg moeten beter verdeeld worden, net als betaald en onbetaald werk, voltijd- en deeltijdwerk, zodat mannen en vrouwen echt gelijke kansen krijgen. De Wet Aanpassing arbeidsduur (deeltijdwet) geeft werknemers recht om korter of langer te gaan werken.
* Het bevorderen van de arbeidsdeelname van ouderen (permanente scholing, aanpassing werktijden en werkdruk), zo kunnen ouderen blijven werken. De Wet Demotie zorgt ervoor dat 55 plussers minder mogen werken voor minder loon, en nog steeds recht houden op AOW.
* Het stimuleren van scholing/omscholing zodat de kwaliteit van het arbeidsaanbod toeneemt.
* Gerichte scholing en arbeidsbemiddeling voor achterstandsgroepen
* Maatregelen om de arbeidsdeelname van arbeidsgehandicapten te bevorderen via de Wet op de integratie van Arbeidsgehandicapten. (werkgevers kunnen subsidie aanvragen als ze een gehandicapte in dienst nemen)
* Additionele werkgelegenheidsprogramma’s voor groepen die zwak op de arbeidsmarkt staan. (melkertbanen)
6.6 Een voorbeeld van de aanbodzijde: vrouwenemancipatie
Vrouwenemancipatie = vrouwen zelfde rechten als mannen, ander woord: feminisme
In de geschiedenis zijn er twee grote golven geweest waarin vrouwen hiervoor vochten:
1. 1850-1900 In deze periode streden de vrouwen voor kiesrecht, arbeid en onderwijs.In Nederland kregen vrouwen kiesrecht in 1919, er bleven nog twee strijdpunten over:
- handelsonbekwaamheid van vrouwen
- het automatische ontslag als vrouwen gingen trouwen
2. 1960-1975 In deze periode wilden de vrouwen ongelijke gedragspatronen opheffen.
De MVM werd opgericht, ze eisten drie dingen:
- vrouwen moeten betere opleidingen kunnen volgen
- vrouwen met kinderen moeten deel kunnen blijven nemen aan de maatschappij
- rolverdeling: mannen nemen een gedeelte van de rol van de vrouw over en andersom
Na de tweede feministische golf werd het feminisme minder ideologisch, pragmatischer en gematigder. Dit had te maken met het opheffen van een aantal maatschappelijke ongelijkheden tussen mannen en vrouwen:
1. Er is steeds meer sprake van een toenemende gelijkheid (‘huisvrouw’ verdwijnt)
2. Vrouwen werken steeds vaker
3. de ongelijkheid in wetgeving tussen mannen en vrouwen is grotendeels opgeheven
Toch zijn er nog steeds ongelijkheden:
- seksesegratie op de arbeidsmarkt
- vrouwen zijn ondervertegenwoordigd in de hoge banen
- ze vervullen vaker deeltijdbanen
- vrouwen verrichten beroepen die minder betaald krijgen
- vrouwen vouwen minder rechten op in de sociale zekerheid omdat ze vaak parttime werken
- het combineren van arbeid en zorg (bijv. voor de kinderen) is nog altijd moeilijk
In 1975 werd bepaald dat mannen en vrouwen voor hetzelfde werk evenveel verdienen
In 1990 werd bepaald dat vrouwen vanaf hun 18e jaar economisch zelfstandig zijn.
Vanaf de jaren 70 heeft de overheid drie centrale doelen:
* Gelijke rechten
* Mensen moeten een ander beeld krijgen over mannen, vrouwen en emancipatie
* Verbetering van de positie van de vrouw
Hoe is het in 2005 gesteld met de vrouw?
* Er werken veel meer vrouwen dan voorheen
* Anderhalfhuishouden is op komst: (man volledige baan, vrouw deeltijdbaan)
* Op naar Combinatiehuishouden: (beide ouders in deeltijd ivm zorg voor kinderen)
Maar het emancipatiebeleid is nog niet af; er moeten nog meer vrouwen in topfuncties, geweld tegen vrouwen moet teruggedrongen worden, en meer vrouwen moeten volledig economisch zelfstandig worden.
Hoofdstuk 7
7.1 De sociale partners
Als we over arbeid spreken zijn daar drie groepen bij betrokken:
- Werkgevers
- Werknemers
- Overheid
Werkgevers en werknemers noemen we sociale partners. Elke groep heeft belangen (op macro- (alle consumenten), meso- (bepaalde sector) en microniveau (een huishouden). Werkgevers willen lage lonen uitkeren, werknemers willen juist hoge lonen ontvangen, dit is een belangentegenstelling. Tegenovergestelde hiervan is een belangenovereenstemming.
Belang = de manieren om voordelen voor werknemers of werkgevers te handhaven of uit te breiden.
7.2 De werknemers
Vroeger tijdens de Industriële revolutie hadden werknemers het heel slecht. Ze gingen organiseren en vormden vakbonden om hun belangen te behartigen.
Er was sprake van verzuiling in de volgende zuilen (en erachter de vakbond binnen de zuil)
- Liberale zuil (ANWV)
- Socialistische zuil (NVV)
- Protestants-christelijke zuil (CNV)
- Katholieke zuil (KAB->NKV)
Bedrijfstak = ondernemingen die zich op dezelfde manier met hetzelfde product bezighouden.
Vakcentrale = een koepelorganisatie voor de afzonderlijk aangesloten bonden
Categorale bonden = vertegenwoordigen een groep mensen die niet aangesloten zijn bij een vakcentrale
7.3 De werkgevers
Ook de werkgevers gingen zich aaneensluiten, drie oorzaken:
- als reactie op de succesvolle vakbonden van werknemers
- de overheid voerde socialer beleid
- de werkgevers vreesden een revolutie
Grootste werkgeversvereniging is de VNO/NCW (Verbond van Nederlandse Ondernemingen/Nederlands Christelijk Werkgeversverbond)
Een kleinere is MKB (Midden en Klein Bedrijf)
7.4 Belangen van werknemers
* Arbeidsvoorwaarden (opgenomen in de CAO, collectieve arbeidsovereenkomst)
- primaire = lonen, arbeidstijd - secundaire = vakantiedagen, reiskostenvergoeding
Initiële loonstijging = stijgen de lonen met een bepaald percentage of bedrag structureel
Incidentiele loonstijging = stijgen de lonen voor een kortere periode, daarna niet meer
AVV-regeling = een CAO geldt ook voor die werknemers of werkgevers in die bedrijfstak die geen lid zijn van de organisaties die de CAO hebben gesloten.
* Arbeidsinhoud
* Arbeidsverhoudingen
* Arbeidsomstandigheden
- Arbo-wet controleert hierop dmv Arbo-dienst
* Algemene belangen (individueel, met een groep of collectief)
7.5 De belangen van werkgevers
Werkgevers hebben ook belangen:
* Maken van winst
* Lage productiekosten
* Geringe concurrentie
* Lage belastingen
* Ambitieuze en geschoolde werknemers
7.6 Gemeenschappelijke belangen tussen werkgevers en werknemers
Belangen die zowel werkgevers als werknemers nastreven:
* Continuïteit van het bedrijf
* Goede werksfeer
* Veilig produceren
7.7 Middelen van werknemers bij belangenbehartiging
1. Onderhandelingen
* De SER (Sociaal Economische Raad) (een adviescollege die de regering adviseert over sociaal-economische zaken). Bestaat uit werknemers, werkgevers en kroonleden (door regering benoemde onafhankelijke deskundigen)
* De STAR (Stichting van de Arbeid) (landelijk overlegorgaan tussen werkgevers en werknemers) In de STAR proberen werkgevers en werknemers een Centraal Akkoord te sluiten (een akkoord met richtlijnen voor de CAO’s in de afzonderlijke bedrijfstakken)
* Ondernemingsraad (OR) Elk bedrijf met meer dan 50 werknemers moet een OR hebben. Hierin zitten uitsluitend werknemers van dat bedrijf en ze hebben de volgende rechten:
- Adviesrecht (recht van beroep)
- Instemmingsrecht (bij bepaalde zaken moet OR ja of nee zeggen)
- Informatierecht (ze hebben altijd recht op informatie van de werkgevers)
- Overleg en initiatiefrecht (OR mag overleggen met werkgevers en meedenken)
2. Prikacties
* (zijn kortstondige werkonderbrekingen om werkgevers dingen duidelijk te maken)
* Stiptheidsacties (alles heel precies doen, kost tijd, pest je de werkgever mee)
3. Bedrijfsbezettingen
* (werknemers bezetten het bedrijf en laten niemand erin)
4. Lobbyen
* (met politieke partijen gaan praten)
* media erbij halen
5. Demonstraties
6. De rechter
7. Staking (wilde staking=niet georganiseerd door vakbond)
7.8 Middelen van werkgevers bij belangenbehartiging
1. Onderhandelingen (met SER en STAR en via hun OR)
2. Investeren of niet? Diepte-investering = investeren in machines, werkgelegenheid neemt af, of Breedte-investering = investeren in andere producten, werkgelegenheid neemt toe.
3. Het ontslaan van werknemers (scheelt geld)
4. Vestigingsbeleid = macht voor de werkgever, zij bepalen waar ze het bedrijf neerzetten
5. Inschakelen rechter
6. Lobbyen
7.9 Succes voor werkgevers of werknemers
Succes voor werkgevers of werknemers is afhankelijk van 4 factoren:
* Politieke Klimaat
* Arbeidsverhoudingen
* Economische Conjunctuur
* Machtsbronnen
Organisatiegraad = het percentage werknemers binnen een bepaalde bedrijfstak of beroepsgroep dat lid is van een vakbond
7.10 Overleg via welk model?
Harmoniemodel = men ontkent in dit model dat er een belangenconflict is. Men kan alle tegenstellingen in harmonie met elkaar oplossen
Reguleringsmodel = men erkent in dit model dat er reële en onvermijdelijke belangentegenstellingen tussen werknemers en werkgevers zijn. De tegenstellingen moeten echter worden gereguleerd om ze beheersbaar te houden
Conflictmodel = dit model gaat uit van alles overheersende belangentegenstellingen tussen werkgevers en werknemers, vormen van actie en strijd beslissen wie er wint.
Hoofdstuk 8
8.1 Verschillende stadia van de verzorgingsstaat
Nachtwakerstaat = de overheid beschermt het volk tegen de meest noodzakelijke gevaren
Zorgzame Samenleving = de overheid neemt een aantal zaken voor haar rekening, het ‘sociaal vangnet’ maar de mensen moeten ook zelf initiatieven nemen om aan werk te komen.
Verzorgingsstaat = de overheid ‘beschermt’ haar burgers dmv sociale voorzieningen en instellingen tegen de gevolgen van ouderdom, ziekte, gebrek aan onderwijs, dakloosheid etc.
Als je het over een verzorgingsstaat hebt, bevat deze twee elementen:
1. De overheid is verantwoordelijk voor de bestaanszekerheid van de bevolking en de spreiding van welvaart.
2. De overheid is verantwoordelijk voor de zorg van collectieve welzijnsvoorzieningen als; onderwijs, cultuur, huisvesting en gezondheidszorg.
De liberalen hanteren de naam Waarborgstaat (participatiestaat) (sociaal vangnet + eigen initiatief)
8.2 Geschiedenis van de verzorgingsstaat
Perioden waarin de verzorgingsstaat zijn gezicht kreeg:
1. 1900-1940 materiele en morele motieven
2. 1945-1958 wederopbouw door rooms-rode kabinetten
3. 1958-1968 economische opbloei en welvaartsgroei
4. 1969-1977 immateriële wensen en welbevinden
5. 1977-1982 economische stagnatie en discussie over de verzorgingsstaat
6. 1982-heden reorganisatie van de verzorgingsstaat
!!! ZELF EVEN PARAGRAAF 8.2 LEZEN !!!
8.3 Sociale wetgeving in de huidige zorgzame samenleving
De sociale zekerheid omvat zowel sociale verzekeringen als sociale voorzieningen.
Sociale verzekeringen worden betaald uit de sociale premies en zijn er 2 van:
- werknemersverzekeringen (bedoeld voor werknemers in dienst van particuliere werkgevers)
voorbeelden: ZFW (ziekenfondswet), ZW (ziektewet), WAO (wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering), WW(werkloosheidswet)
- volksverzekeringen (bedoeld voor elke Nederlander)
voorbeelden: AWBZ (algemene wet bijzondere ziektekosten), AOW (algemene ouderdomswet), ANW (algemene nabestaandenwet), AKW (algemene kinderbijslagwet)
Sociale voorzieningen zijn geen verzekeringen, ze worden betaald uit de algemene middelen (belastingen) en de overheid verstrekt ze.
Voorbeelden: WWB (wet werk en bijstand), IAOW (Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers), IAOZ (Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen)
8.4 De politieke stromingen en hun kijk op de verzorgingsstaat
VVD vindt:
* mensen moeten zelfstandig zijn, overheid moet zich niet teveel bemoeien.
* uitkeringen kosten teveel geld
* teveel regelgeving, gaat ten koste van particuliere initiatief
ze stellen voor:
* terugdringen van overheidsuitgaven, terugdringen van financieringstekort
* meer marktwerking (particulieren meer actievere rol in de zorg spelen)
* privatisering
* individualisering
* deregulering (minder regels)
* minder ambtenaren
CDA vindt:
* particuliere initiatief grotere rol (net als VVD), maar ook onderlinge zorg in familiekringen
ze stellen voor:
* overheid moet zich minder bemoeien
* bezuinigingspolitiek (valt te vergelijken met die van de VVD)
* dragen van persoonlijke verantwoordelijkheid moet beloont worden door de overheid (als kinderen voor hun bejaarde ouders zorgen, moet de overheid dit belonen)
* werkgevers en werknemers blijven verantwoordelijk voor de sociale zekerheid
PvdA vindt:
* overheid heeft belangrijke taken
* overheid moet zorgen voor gelijkheid en sociale zekerheid
ze stellen voor:
* een actief overheidsbeleid dat ervoor zorgt dat de economie blijft groeien
* de overheid moet de zwakken in de samenleving helpen
* meer inspraak voor werknemers op de arbeidsplek (democratisering)
* streven naar behoud van de verzorgingsstaat door structuurveranderingen in plaats van verlaging van de uitkeringen.
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen.
Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten.
Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.