Geschreven door: | |
Datum ingestuurd: | 3 mei 2005 |
Niveau: | 5 havo |
Woorden: | 1216 |
Opvragingen: | 4305 (175 deze maand) |
Waardering: |
Thema 4 Voeding en vertering
Basisstof 1 Voedingsmiddelen en voedingsstoffen
Voedingsmiddelen = alles wat je eet of drinkt.
Voedingsstoffen = de bruikbare bestanddelen van voedingsmiddelen:
- Bouwstoffen: worden gebruikt bij de vorming van (delen van) cellen en weefsels. Bouwstoffen zijn nodig voor groei en ontwikkeling, voor vervanging van cellen en voor herstel van wonden.
- Brandstoffen: worden gedissimileerd om energie te leveren. Brandstoffen zijn nodig voor het lichaam voor verrichten van arbeid, voor het op peil houden van de lichaamstemperatuur en voor groei, ontwikkeling en herstel.
Voedingsvezel (ballaststoffen) = stoffen in plantaardige voedingsmiddelen, die niet door enzymen van de mens kunnen worden verteerd. Functie: bevorderen vd darmperistaltiek.
Groepen voedingsstoffen:
1. Eiwitten (proteïnen)
Functie: vooral bouwstoffen (van cytoplasma, kernplasma, tussencelstof, enzymen en hormonen), ook brandstoffen. Een teveel aan opgenomen eiwitten wordt niet in het lichaam opgeslagen; de aminozuren worden als brandstof gebruikt.
Essentiële aminozuren: moeten in voedsel aanwezig zijn, omdat ze niet of in onvoldoende hoeveelheden in het lichaam worden gevormd.
Niet-essentiële aminozuren: kunnen in lever worden gevormd uit andere aminozuren.
2. Koolhydraten
Functie: vooral brandstoffen, ook bouwstoffen (oa in DNA en in celmembranen). Een teveel opgenomen koolhydraten wordt omgezet in glycogeen of vet en opgeslagen.
Monosachariden (enkelvoudige suikers; glucose, fructose), disachariden (twee monosachariden; maltose, lactose, sacharose) en polysachariden (vele monosachariden; zetmeel, glycogeen, cellulose).
3. Vetten
Functie: vooral brandstoffen, ook bouwstoffen (oa in membranen). Een teveel aan opgenomen vetten wordt opgeslagen onder huid en rondom de organen.
Verzadigde vetzuren (vooral in dierlijke vetten): bevorderen de afzetting van cholesterol tegen de binnenwand van de bloedvaten.
Onverzadigde vetzuren (vooral in plantaardige vetten): breken het cholesterol in de bloedvaten weer af.
Essentiële vetzuren: moeten in voedsel aanwezig zijn.
4. Water
Functie: bouwstof (oa als oplosmiddel en transportmiddel).
Organismen bestaan voor het grootste gedeelte uit water.
5. Mineralen
Functie: bouwstoffen (bv calcium in de tussencelstof van beenweefsel).
Vooral calcium (Ca), kalium (K) en ijzer (Fe).
Spoorelementen: moeten in geringe hoeveelheden in het voedsel aanwezig zijn.
Spoorelementen zijn vaak bestanddeel van enzymen of hormonen, bv fluor (F), fosfor (P), jood (I), magnesium (Mg) en zwavel (S).
6. Vitamines
Vitamines = organische stoffen die ervoor zorgen dat je gezond blijft.
Functie: bouwstoffen (oa bestanddeel van enzymen). Bij een tekort aan vitamines in het voedsel ontstaan gebreksziekten. Een teveel kan ook schadelijk zijn.
Sommige vitamines moeten in het voedsel aanwezig zijn; andere kunnen worden gevormd uit pro-vitamines (die in het voedsel aanwezig zijn).
Basisstof 3 Gezonde voeding
Adviezen voor een gezonde voeding:
- zorg voor een goede variatie (gebruik iedere dag iets uit elk van vd voedingswijzer)
- eet niet meer dan je lichaam nodig heeft (de energiebehoefte is oa afhankelijk van het geslacht, leeftijd, lichaamsgewicht en lichamelijke inspanning)
Bacteriën en schimmels (micro-organismen) kunnen voedselbederf veroorzaken. Vooral dierlijke voedingsmiddelen bederven snel. Bij hogere temperaturen kunnen ze worden besmet met salmonellabacteriën (voedselvergiftiging). De activiteit van enzymen is afhankelijk van de temperatuur en de zuurgraad. Alle organismen zijn afhankelijk van de werking van enzymen.
Conserveringsmiddelen:
- invriezen (bij lage temperatuur zijn de enzymen van micro-organismen niet actief)
- steriliseren (verhitten tot 130 à 140 graden en naverhitten, bij hoge temperaturen zijn de enzymen van micro-organismen definitief onwerkzaam)
- pasteuriseren (verhitten tot 72 graden)
- inblikken of vacuüm verpakken (direct na verhitten wordt het voedsel luchtdicht verpakt, zodat er geen micro-organismen op kunnen komen)
- bestralen, drogen, roken
Het voedsel mag niet te veel additieven (toegevoegde stoffen) bevatten.
Natuurlijke stoffen kunnen het voedingsmiddel langer houdbaar maken: zuur, suiker, zout (verlaging van de pH of verhoging van de osmotische waarde van het voedingsmiddel). Onnatuurlijke stoffen kunnen het voedingsmiddel langer houdbaar maken: conserveermiddelen, antioxidanten (voorkomen dat het voedingsmiddel ranzig wordt) en emulgatoren (houden het voedingsmiddel in de juiste toestand).
Sommige additieven kunnen het voedingsmiddel aantrekkelijker maken (geur/kleur/smaak).
Het voedsel mag ongewilde stoffen bevatten:
- residuen van pesticiden (in landbouwgewassen)
- zware metalen (vooral in orgaanvlees en in vis)
- antibiotica en hormonen (in vlees of kip)
In Nederland wordt het voedsel streng gecontroleerd. De Rijksdienst voor Keuring van Vee en Vlees controleert slachthuizen en fabrikanten van vlees en vleeswaren. De Keuringsdienst van Waren controleert fabrikanten van andere voedingsmiddelen, restaurants, winkels etc. De voedingsmiddelen worden onder andere gecontroleerd op de aanwezigheid van bacteriën en ongewenste stoffen.
Basisstof 4 Het verteringsstelsel van de mens
Bij de mens vindt vertering plaats in het darmkanaal (verteringskanaal). De vertering gebeurt met behulp van verteringssappen die worden gemaakt in verteringsklieren. Veel verteringssappen bevatten enzymen.
In de wand van het hele darmkanaal bevinden zich kringspieren en lengtespieren. Door het afwisselend samentrekken van deze spieren ontstaat darmperistaltiek.
Darmperistaltiek wordt geregeld door het autonome zenuwstelsel.
Mondholte
Speekselklieren produceren speeksel.
Gebit: door kauwen wordt het oppervlak van het voedsel vergroot zodat de verteringssappen beter op het voedsel kunnen inwerken (mechanische bewerking).
Keelholte
Slikreflex: de huig sluit de neusholte af en het strotklepje sluit de luchtpijp af.
Slokdarm
Tussen slokdarm en maag bevindt zich een kringspier.
Maag
Functie: tijdelijke opslagplaats van voedsel. Maagsapklieren produceren maagsap.
Maagportier
Bij een lage pH in de twaalfvingerige darm is de kringspier samengetrokken.
Bij een licht basische pH in de twaalfvingerige darm is de kringspier ontspannen.
Lever
Functie: produceert gal (tijdelijk opgeslagen in galblaas en afgevoerd via galbuis).
Alvleesklier
Functie: produceert alvleessap.
Dunne darm
Darmsapklieren produceren darmsap.
Darmwand: groot oppervlak door darmplooien, darmvlokken en microvilli (uitstulpingen van darmepitheelcellen).
Darmepitheel: de buitenste laag cellen van de darmvlokken. Functie: resorptie van water, voedingsstoffen en verteringsproducten.
Blindedarm met appendix (wormvormig aanhangsel): rudimentair orgaan.
Bij blindedarmontsteking is de appendix ontstoken.
Dikke darm
Functie: resorptie van water, mineralen, glucose en vitamine K.
Bij diarree wordt niet voldoende water uit de brij van onverteerde voedselresten geresorbeerd.
Bacteriën verteren cellulose in de celwanden van plantaardige voedselresten. Hierbij ontstaan glucose.
Bacteriën produceren oa vitamine K.
Endeldarm met anus
Functie: verzamelen en tijdelijk opslaan van onverteerde voedselresten (ontlasting of faeces)
Anus: kringspier die de endeldarm afsluit.
Van de slokdarm tot aan de endeldarm vinden peristaltische bewegingen plaats (darmperistaltiek).
Kringspieren en lengtespieren in de wand van het darmkanaal trekken zich afwisselend samen. Functie: de voedselbrij voortduwen, kneden en mengen met verteringssappen.
Basisstof 5 De verteringssappen
Speeksel:
- slijm: maakt voedsel glad, waardoor het inslikken gemakkelijker gaat
- amylase: verteert zetmeel tot maltose.
De speekselproductie wordt geregeld door het autonome zenuwstelsel.
Maagsap: (bevat zoutzuur, slijm en pepsinogeen – een inactief pro-enzym)
- zoutzuur (HCI): zorgt voor een sterk zuur milieu waardoor bacteriën in het voedsel worden gedood
- slijm: beschermt de maagwand tegen het maagsap
- pepsinogeen (inactief pro-enzym): wordt in de maag geactiveerd tot pepsine, onder invloed van zoutzuur en pepsine (positieve terugkoppeling)
- pepsine (peptase): verteert eiwitten tot lange polypeptiden (vrij lange aminozuurketens)
Gal:
- galkleurstoffen: afbraakproducten van dode rode bloedcellen
- galzure zouten: emulgeren vetten, waardoor het oppervlakken van de vetdruppels wordt vergroot
De galblaas geeft gal af als de pH in de twaalfvingerige darm laag is.
Alvleessap:
Alvleesklier geeft alvleessap af als de pH in de twaalfvingerige darm laag is. Bevat een basische stof die de pH in de twaalfvingerige darm doet stijgen (pH 8 à 9).
- amylase: verteert zetmeel tot maltose
- trypsine (tryptase): verteert lange polypeptiden tot kortere polypeptiden
- peptidasen: verteren polypeptiden tot di- en tripeptiden
- lipase: verteert vetten tot glycerol en vetzuren, door de vrijgekomen vetzuren daalt de pH van de voedselbrij
Darmsap:
Bevat enzymen die de vertering van eiwitten en koolhydraten voltooien.
- maltase: verteert maltose tot glucose
- sacharase: verteert sacharose tot glucose en fructose
- lactase: verteert lactose tot glucose en galactose
- peptidasen: verteren di- en tripeptiden tot afzonderlijke aminozuren
Basisstof 6 Resorptie
Resorptie = het opnemen van stoffen door darmepitheelcellen.
Resorptie kan plaatsvinden in het hele darmkanaal.
In de dunne darm vindt door het grote oppervlak de meeste resorptie plaats.
Resorptie is een actief proces, dat blijkt oa uit:
- er kunnen stoffen worden geresorbeerd tegen het concentratieverval in
- stoffen worden selectief geresorbeerd
- bij resorptie vindt in de darmepitheelcellen een intensieve dissimilatie plaats
- door dood darmepitheelcellen kunnen geen stoffen worden geresorbeerd
In de darmepitheelcellen worden vetten gevormd uit glycerol en vetzuren.
Hierna vindt opname plaats in bloed of lymfe.
Aminozuren, monosachariden, vetten met kleine vetzuren, water, mineralen en vitamines worden opgenomen in het bloed.
Vetten met grote verzuren worden opgenomen in de lymfe.
Het bloed uit de haarvaten van een groot deel van het darmkanaal (van de maag tot aan de dikke darm) stroomt door de poortader naar de lever.
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons dan weten.
a d v e r t e n t i e

Wat ga jij later doen voor je poen? Het liefst wil je een uitdagende baan met een goed salaris. Misschien iets met economie en biologie. Met mensen werken, in een team van experts of als zelfstandig ondernemer. Niet alleen op kantoor, maar ook buiten aan de slag. Wil je weten hoe? Check www.beleefbuiten.nl, doe mee met de actie en win een VIP-dag!
a d v e r t e n t i e
Win beltegoed met Cash
Cash helpt je slimmer met je geld omgaan. Zodat je minder snel zonder beltegoed komt te zitten. Probeer nu de tools van Cash! Met de Cashculator Mobiel ontdek je wat voor beller je bent. Of speel de Cash Battle op Hyves, daag je vrienden uit en maak kans op €500 beltegoed! De game duurt maar een minuutje!
Zonder jouw bijdrage kan Scholieren.com niet bestaan. Help andere scholieren door je eigen samenvattingen en ander huiswerk op te sturen.

Er komt een meisje huilend de klas uit lopen. Dan mag Femke. Leuk!