CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.

ff n studiebreak

Annemieke blikt terug op dat dagenlange surfen van vroeger. Tegenwoordig ben je binnen een half uur klaar.

geef je mening

Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?



» resultaten poll

Geschreven door:

lala (4 vwo) [meer]

Datum ingestuurd:

27 april 2005

Taal:

Woorden:

2.400

Bekeken:

5308 keer (9 deze maand)

Waardering:

3.7/5 (25 stemmen)

Deel op:

Naam:


Klas/niveau:


E-mail:


Bericht:


Bestemd voor

Geheime code: 


 
Hoofdstuk 3: Morgen gezond weer op?
Zorg, sociale zekerheid en overheid in Nederland vanaf 1850

§1 De overheid als nachtwaker 1850-1900

§1.1 Het ‘wonderjaar’ 1848
In 1848, waren er in Europa ideeën over liberalisme, in Frankrijk vond een revolutie plaats. De Nederlandse koning Willem II besloot de revolutie voor te zijn, en gaf opdracht een nieuwe grondwet te ontwerpen. Vrij snel kregen nieuwe groepen binnen de burgerij onder aanleiding van Thorbecke, macht over het politieke en maatschappelijke leven in Nederland. Dit gebeurde met weinig tegenstand, omdat de conservatieven het te druk hadden met interne problemen. Hiermee brak een nieuw tijdperk aan, waarin de macht lag bij de ministers, niet bij de vorst.

§1.2 De ‘sociale quaestie’
§1.2.1 Politieke ontwikkelingen na 1848
Met het liberalisme begon het staathuishoudkunde; overheidsingrijpen in de economie werden onnodig gevonden. Er was na 1848 nog geen sprake van volledige liberale dominantie; ze waren onderling te verdeeld, opkomende antirevolutionairen “kleine luyden”. Er waren geen officiële politieke partijen, wel stromingen:
- Liberalen; Erg voor terughoudendheid van de staat. ‘Laissez faire, laisser passer’. 1860 scheiding; behoudende en progressieve, hielden zich meer bezig met sociale vraagstukken, bv uitbreiding kiesrecht.
- Conservatieven; weinig belangstelling voor sociale vraagstukken, vonden dat de staat moest ingrijpen als particulieren tekort schoten, vooral bij economische belangen (Nederlands-Indië). Hoogtepunt rond 1860, toen liberalen in verdeeldheid waren.
- Antirevolutionairen; bijbel als uitgangspunt, oprichter was Groen van Pinksteren, anderen werd gebrek aan christelijke bezieling verweten, ze stelden ’tegen de revolutie het evangelie’. Rol overheid beperkt houden. Er hoeft alleen verantwoording tegen god afgelegd te worden.
- Katholieken; streefden naar onderlinge samenwerking op lokaal niveau, hadden nog geen landelijke groepering, wilden rol overheid beperkt houden.
Na 1848 veranderde er weinig in het sociale beleid, ingrijpen van de overheid werd alleen in nijpende situaties gedaan. Opvatting was dat armoede iets treurigs, maar onontkoombaars was, daar was nauwelijks kritiek op. Kwesties als koloniën en aanleg spoorlijnen stonden hoger op de agenda.

§1.2.2 Kinderarbeid
Vanaf 1870 ontstond er meer belangstelling voor het vraagstuk van de kinderarbeid, dit naar aanleiding van de oprichting van het comité ter bespreking van de sociale questie. Ze wilden sociale problemen bestuderen en de aandacht voor het arbeidersvraagstuk vragen. De sociale kwestie vormde voor de arbeider vooral de strijd voor de erkenning van het recht voor de eigen belangen op te komen. In 1874 maakte S. van Houten de Wet op de kinderarbeid. Kinderarbeid beneden de 12 werd verboden. In praktijk stelde het weinig voor, want er werd niet gecontroleerd. Principieel was hij wel belangrijk; er werd een begin gemaakt met sociale wetgeving. Ondersteuning was geen liefdadigheid meer, maar werd een vorm van sociale verantwoording. J. Kappeyne van de Copello en antirevolutionair A. Kuyper kregen belangstelling voor de sociale wetgeving. Uit interesse voor sociale kwesties kwamen er meer verbonden: liberaal ANWV (algemeen Nederlands werklieden verbond) in 1871, protestants-christelijk Patrimonium (1877), socialistisch SDB (sociaal-democratische bond) in 1881. Toch was maar 10% van de arbeiders op enige wijze georganiseerd.

§1.2.3 Schoolstrijd
In het wetvoorstel over kinderarbeid, stond ook een regeling over leerplicht, de confessionelen stemden tegen, ze waren tegen het verplicht volgen van openbaar onderwijs, de liberalen stemden tegen, omdat ze er meer aandacht voor wilden. De schoolstrijd werd rond 1870 gevoerd. Dit hield in dat de confessionelen ermee zaten dat ze voor openbaar onderwijs moesten betalen, terwijl hun kinderen het door henzelf bekostigde christelijke onderwijs volgden. Vanwege hun dwarse standpunten in de schoolstrijd (nationale openbare school, geen subsidie bijzondere scholen) verloren de conservatieven veel kiezers, die hun onderdak vonden bij de liberalen en confessionelen. De anti-revolutionaire partij (ARP) werd de eerste landelijk georganiseerde politieke partij. Er waren veel onderlinge conflicten bij de katholieken, over de omvang van de staatsbemoeienis en de liefdadigheid. Pas in1926 werd de RKSP opgericht.

§1.3 De arbeidsenquête van 1887
In 1886 werd een parlementair onderzoek naar de werking van de Kinderwet gestart. Dit om te onderzoeken of ondernemers misbruik maakten van hun machtspositie en om te kijken of de overheid de arbeiders moest beschermen. Dit leidde tot de Arbeidswet van 1889, controle op naleving werd aan de overheidsinspectie overgelaten en arbeidstijd voor vrouwen werd ingeperkt. In 1890 werd het onderzoek uitgebreid door de staatscommissie. De beleidsverandering van de sociale zekerheid was in eerste instantie voor meer electorale steun ingevoerd, later kon de overheid haar greep op het staatsapparaat vergroten.

§1.4 Kieswet Tak
In 1848 stond in de grondwet, dat alleen rijke mensen mochten stemmen (censuskiesrecht). In1884 werd die wet versoepeld, en steeg het percentage van 12% naar 26% van de mannelijke bevolking ouder dan 25 jaar. In 1892 wilde de radicaal-liberaal J. Tak van Poortvliet de wet zo wijzigen, dat alleen vrouwen en bedeelden niet konden stemmen. Dit leverde veel commentaar op, en een overwinning voor de conservatieven. In 1896 kwam Van Houten met een wijziging ook op belastingaanslagen, maar nu kon 50% van de mannelijke bevolking stemmen. De conservatieven waren bang dat hierdoor een zooitje ongeregeld naar de stembussen zouden kunnen gaan.

§2 De eerste aanzetten tot sociale politiek 1900-1930

§2.1 Politiek en sociaal beleid tot 1914

§2.1.1 Voorzichtig begin
Door de uitbreiding van het kiesrecht, konden meer mensen stemmen, niet alleen meer de elite, en probeerden partijen kiezers onder arbeiders te werven. Hierdoor werd een eerste aanzet tot een systeem van (werknemers)verzekeringen gemaakt. De ongevallenwet van 1901 werd onder een liberaal-conservatieve regering aangenomen, later zullen de confessionelen de politiek gaan bepalen, en daarmee ook het tempo van de invoering van een nieuw sociaal beleid. De ’betalers’, werkgevers protesteerden tegen deze wet, omdat ze niet wilden betalen, en omdat ze bang waren voor een sociaal sneeuwbaleffect. De invoering van de uitbreiding van de sociale wetgeving liep veel vertraging op, door de tegenstand van liberalen en conservatieven (behoudenden). Door de voorstellen uit de jaren tot 1914, kwam er overleg tussen werkgevers, werknemers en overheid, en kreeg het volk het idee dat de overheid haar verzorgende taken niet langer uit de weg ging.

§2.1.2 Als Uw machtige arm het wil?
Er waren twee belangrijke spoorwegstakingen in 1903. Een spontane actie uit ontevredenheid na ontslag van een arbeider, en een actie nadat het confessionele kabinet stakingen bij de wet verbood. Beiden door anarchistisch ingestelde arbeiders liepen tot een fiasco uit. De overheid en spoorwegdirecties behaalden hun gelijk. Confessionelen en socialisten gingen inzien dat je met andere middelen dan stakingen politieke en economische winst kon behalen, ze gingen zich beter organiseren; NVV (1906) en CNV (1907). Via overleg wist men de realisatie van nieuwe sociale voorzieningen te versnellen.

§2.1.3 De politiek en het sociale vraagstuk
Onrust door de groei van de arbeidersklasse en de opkomst van emancipatiebewegingen leidde bij de ARP tot een uittocht van de behouden aristocratisch ingestelde protestanten o.l.v. Savornin Lohman, en richtte in 1908 de CHU op. Binnen de liberalen heerste ook onenigheid over het tempo van de sociale vernieuwingen, en daardoor nam hun invloed af. Ook bij de katholieken was er weinig daadkracht door interne verdeeldheid. Behalve Aalberse en Nolens die zich hard maakten voor een invaliditeit- en ouderdomswet. Talma (minister van landbouw), was het eens met hun standpunten, en stelde de Radenwet voor; de overheid zou Raden van Arbeid oprichten, en deze zouden sociale wetten uitvoeren, het zelfbesturende element van deze raden werd echter in de uiteindelijke wet (1913), flink afgezwakt. De SDAP had na 1900 ook problemen; Wilden ze ideologie of korte termijn resultaat in het debat met de ‘burgerlijke’ partijen?, Mochten vrouwen buitenshuis werken?, moest vrouwenarbeid aan speciale regels verbonden zijn? Ze vonden dat het recht op arbeid van vrouwen een deel van de sociale kwestie was, en dus geen apart politiek thema mocht worden.

§2.2 Op voor het algemeen kiesrecht!
Tot 1918 waren er 3 belangrijke politieke en maatschappelijke onderwerpen; strijd om betere arbeidsvoorzieningen, de schoolstrijd en de strijd om algemeen kiesrecht. Er ontstond rond 1910 een gespannen situatie vanwege de schoolstrijd en het algemeen kiesrecht. De SDAP en de NVV organiseerden in 1911 een petitionnement voor het aalgerenkiesrecht. Vrouwen wilden vrouwenkiesrecht, maar daar was in de politiek weinig aandacht voor. Socialisten waren bang dat dat in de weg zou staan bij de invoering van het algemeen mannenkiesrecht. De confessionelen waren tegen waren tegen kiesrecht voor vrouwen, de liberalen hadden nog geen standpunt rond 1912. Eind 1913 werd een speciale commissie ingesteld voor de oplossing van de schoolstrijd, er werd ook een werkgroep opgericht voor het kiesrecht. In 1916 en 1917 werd over de uitkomsten gedebatteerd, en in de wet vastgelegd, dat; alle lagere scholen gelijke financiële steun kregen, iedere mannelijke Nederlander boven de 13 jaar kreeg kiesrecht. In 1919 werd het algemeen vrouwenkiesrecht ingevoerd.

§2.3 Kiesrecht en hoe verder?
Via een compromis (de confessionelen kregen financiering van hun scholen), kregen de progressief-liberalen algemeen kiesrecht. Veel mensen waren bang voor zoveel inspraak van de burger, schrikbeeld werd de politiek van ‘Had-je-me-maar’, die met een programma van vrij vissen en goedkope jenever in de Amsterdamse gemeenteraad werd gekozen. Het aalgerenkiesrecht kwam vooral ten goede aan de confessionele partijen, de arbeiders bleven loyaal aan hun eigen zuil. Er werd heel weinig gestemd op de SDAP, mede door de misstap van Troelstra (hij dacht dat Nederland klaar was voor een revolutie), pas in1939 mochten ze in het kabinet. Door verzuiling, getalsmatige machtspositie van de christelijke partijen en haar brede aanhang, was er een pacificerend en matigend Nederlands politiek bestel. Door een overwinningsroes van de arbeiders na invoering arbeidswet, ouderdomsverzekering en aanvulling van de invaliditeitswet, waren er veel stakingen in 1919 - 1923. Werkgevers verhinderden in 1920 verdere ontwikkeling van sociale wetgeving, omdat ze geld kostten, en ze niet wilden dat hun concurrentiepositie tegenover het buitenland verslechterde. Katholieken vonden dat de overheid alleen mocht ingrijpen als ‘natuurlijke gemeenschappen’ hun taak niet aankonden (subsidiariteitsbeginsel). Socialisten wilden dat de overheid nadrukkelijk aanwezig was (staats-socialisme). Pas na de 2e WO werd er verder gegaan met de opbouw van de verzorgingsstaat. Door de economische crisis werd in de jaren 30 wel meer ingegrepen door de overheid, maar het Plan van de Arbeid van de SDAP werd van tafel geveegd.

§2.4 Pressiegroepen en overheidsuitgaven
Eind 20ste eeuw werd er heel weinig uitgegeven aan sociale en economische taken. Na 1919 veranderde dit, in het interbellum gaf de overheid meer geld uit aan onderwijs, door de nieuwe wet waardoor ook bijzonder onderwijs op subsidie kreeg. De 1e jaren na de 1e WO, werd er meer uitgegeven aan sociale voorzieningen. Door de vakbewegingen was er loonsverhoging, een achturige werkdag, sociale woningbouw en hogere uitgaven aan sociale voorzieningen. Door de deflatiepolitiek (bezuinigingen) van Colijn in de crisis, kwam het sociale beleid onder druk te staan, na de waardevermindering van de gulden (1936) herstelde de Nederlandse economie zich. De boeren kregen ook steun van de overheid, tussen 1934 en 1937 ontvingen zij eenvijfde deel van de totale overheidsuitgaven.

§3 De opbouw van de verzorgingsstaat

§3.1 De stille sprong voorwaarts (jaren50)
Iedereen was het er na de 2e WO erover eens dat het anders moest, maar men wist niet goed hoe.

§3.1.1 Herstel en vernieuwing
Tijdens de oorlog werd al gewerkt aan de wederopbouw; minister Van Rhijn maakte op basis van het boek Social insurance and the allied service een visie op een nieuw naoorlogs sociaalstelsel. Ook de ideeën van J.M. Keynes sloegen aan. Van Rhijn erkende dat de sociale wetgeving daarvoor tekort had gedaan. Tijdens de oorlog waren er als nazi-propaganda sociale wetten gekomen; de Kinderbijslagwet en de uitbreiding van het ziekengeld. Op deze verandering werd na de oorlog doorgeborduurd, het betekende een breuk met het verleden. De veranderingen kwamen op twee terreinen het meest tot uiting:
- Economie, er werd een strak systeem van prijsbeheersing en distributie opgesteld, de centraal geleide loonpolitiek werd ingevoerd, actief volkshuisvestigingsbeleid, CBS werd opgericht, voorstel voor bedrijfsraden, SER werd aangenomen. Deze plannen waren er allemaal uit angst voor het opkomend communisme, de VS speelden hierop in, door Nederland jarenlang te ondersteunen met het Marshall-plan.
- Sociale zekerheid, herstel van economie had eerste plan, dus sociale zekerheid moest nog wachten, toch werd de Noodwet ouderdomsvoorziening ingevoerd in 1947, de werkgevers waren er niet blij mee, en vonden het een ‘bevoordeling der slampampers ten laste van hen die voor hun oude dag hadden gespaard’. In 1952 kwam het Ministerie van Maatschappelijk Werk, waarmee de overheid grip wilde krijgen op de door confessionelen gedomineerde subsidiering van maatschappelijk werk. De Noodwet-Drees werd in 1957 vervangen door de AOW, in 1959 werd de Invaliditeitswet vervangen door een welvaartsvast weduwen- en wezenpensioen (AWW).

§3.1.2 Pacificatie in de politiek
Na de oorlog werden door de verschillende partijen hun verschillen aan de kant geschoven voor de wederopbouw van het land. De oude zuilen keerden terug, de SDAP veranderde in de PvdA, de RKSP veranderde in de KVP, en deze werden de belangrijkste spil in de naoorlogse politiek, ze werden de Rooms-Rode coalitie genoemd. Midden jaren60 functioneerde Nederland als een pacificatiedemocratie, doordat;
- De PvdA de scherpe kanten van het socialisme hadden afgezworen, om aan regeren toe te komen, ook wilden ze via benoemingen en subsidies de emancipatie van de socialistische zuil bevorderen.
- De KVP was meer bereid dan de RKSP om te accepteren dat actieve sociaal-economische politiek noodzakelijk was. Ze waren ook voorstanders van een coalitie met een ‘brede basis’.
De liberalen keerden ook terug in een nieuwe vorm, eerst als PvdV, daarna als VVD. Nederland was wel verzuild, maar uit noodzaak werd de vrede bewaart in de politiek.

§3.2 Bomen tot in de hemel (jaren60)

§3.2.1 Uitbouw sociale zekerheid
Er kwamen conflicten binnen de Rooms-Rode coalitie, de KVP meende toen het economisch wat beter ging, de overheidsinvloeden weer in te kunnen perken. Het 4e kabinet-Drees strandde in 1958 door belasting-conflicten. Tot 1965 kwam de PvdA niet meer in het kabinet.
Door de economische groei in de jaren50 (gunstige handelsbalans, aardgasvoorraden), kon in de jaren60 de verzorgingsstaat worden voltooid; de AOW werd verhoogd, door de Algemene Kinderbijslag wet werd kinderbijslag een volksverzekering, de AWB werd aangenomen. Dat laatste was het resultaat van een moeizame samenwerking tussen KVP-ministers G. Veldkamp en M. Klompe. Door het actievere overheidsbeleid, konden meer jongeren deelnemen aan het voortgezet, hoger en wetenschappelijk onderwijs. Hiermee hadden ze echter het paard van Troje binnengehaald; jongeren gingen vragen over de ’wildgroei’ van welvaart stellen.

§3.2.2 Alles wordt anders?
Er ontstond een generatiekloof, doordat ouderen het allemaal prima vonden, maar jongeren vonden dat er nog geen welvaart was, zolang er woningnood was. Het CBS had in 1963 al over de milieu problemen ingelicht, maar pas in 1967 werd het systematisch aangepakt. Het kabinet Cals nam om jongeren tevreden te stellen een symbolische ’minister van de Derde Wereld’. Maar dankzij een motie van wantrouwen duurde het kabinet-Cals niet lang. Maar door die val, ontstond er polarisatie, en werden er nieuwe partijen opgericht; D66, Politieke Partij Radicalen, DS’70.

Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.