Geschreven door: | anoniem (6 vwo) |
Datum ingestuurd: | 3 februari 2005 |
Taal: |  |
Woorden: | 3.650 |
Bekeken: | 25202 keer (34 deze maand) |
Waardering: |
|
Deel op: |
|
Aardrijkskunde; Actieve aarde “samenvatting”
Hoofdstuk 1
1.1
De aardkorst is opgebouwd uit:
· aardkern (deels vloeibaar en deels vast)
· aardmantel (deels taai-vloeibaar en deels vast)
· aardkorst / lithosfeer (vast, deze wordt besproken in dit hoofdstuk)
Wat onder de aardkorst afspeelt merken we nauwelijks doordat het erg traag gebeurt. Als we het wel merken gaat het om een ramp zoals: aardbevingen of vulkaanuitbarstingen.
De aardkorst drijft op de aardmantel, 2 soorten aardkorst:
· Continentale lithosfeer: deze bestaat voornamelijk uit graniet en is ong. 50 km dik. Het heeft een soortelijke massa(massa in kg per liter) van 2.7.
· Oceanische lithosfeer: deze heeft een soortelijke massa van ong. 3 en is 7 km dik. Dit is de aardkorst onder de oceanen.
1.2
De aardkorst is opgebouwd uit verschillende gesteenten, deze kunnen dienen als delfstoffen maar kunnen ons ook wat vertellen over de opbouw van de aarde. Daarom moeten we onderscheid maken tussen:
· gesteenten: mengsel van mineralen en/of organische stoffen die in de natuur voorkomen. O.a. harde materialen zoals: graniet of kalk maar ook zachtere materialen zoals: klei, zand en veen.
· mineralen: deze vormen de bouwstenen van de gesteenten. Deze worden gekenmerkt door bepaalde chemische verbindingen → daarom worden deze geclassificeerd op grond van hun chemische samenstelling bijv. kwartskristal.
· organische stoffen: deze zijn ontstaan uit levende organismen ( bevatten altijd koolstof). Normaal gaan levende organismen rotten maar bijvoorbeeld in water kan de zuurstof opgaan en rotten deze niet verder maar hopen zich op en dan ontstaat er bijv. veen → bruinkool en steenkool. Zo kan het ook gaan met de zee: plant- en dierresten waar later aardolie of gas uit kan ontstaan.
1.3
Gesteenten van de aarde worden ingedeeld in 3 soorten:
· stollingsgesteenten: ontstaat door het afkoelen en stollen van vloeibaar gesteenten → magma. Deze verdelen we weer in:
- dieptegesteenten: deze zijn diep in de aarde langzaam gestold bijv. graniet. Tijdens het stollen groeperen ionen en moleculen in het gesteenten zich in kristallen (de ‘ideale manier’ waarop moleculen zich kunnen organiseren). Wanneer het gesteenten langzaam stolt is er voldoende tijd om kristallen te doen ontstaan.
- uitvloeiingsgesteenten: ontstaan bij vulkaanuitbarstingen. De magma bereikt het aardoppervlak snel en stolt ook snel waardoor er bijna geen kristallen gevormd kunnen worden. Een voorbeeld is basalt.
- ganggesteenten: ontstaan door stollen in de vulkanische gangen onder de grond. Zijn dan ook een tussenvorm van de bovengenoemde. Een voorbeeld is granietporfier, hier zijn enkele goed gevormde en meer kleine kristallen te vinden.
· sedimentgesteenten: ontstaan aan het aardoppervlak uit materialen die worden afgezet in bijv. zeeën, rivieren, meren en woestijnen. Vaak in lagen afgezet. Onderverdeeld in 2 soorten:
- klastische sedimenten: opgebouwd uit materialen die zijn vrijgekomen bij de verwering van andere gesteenten bijv. grind, zand en klei.
- chemische / organische sedimenten: ontstaan door het neerslaan van mineralen uit water of de opeenhoping van organisch materiaal, bijv. kalk, steenzout en veen.
· metamorfe gesteenten: ontstaan onder hoge temperatuur en druk (ook de kristallen veranderen en de gelaagdheid wordt anders → metamorfose). Bijv. marmer, schist, gneis en kwartsiet.
Er zijn 2 soorten:
- contactmetamorfose: wordt veroorzaakt door het indringen van magma.
- regionale metamorfose: wordt veroorzaakt door de druk van bovenliggende gesteenten of van tegen elkaar botsende aardplaten.
1.4
Mineralen vormen de bouwstenen van de gesteenten, er zijn verschillende processen waarbij mineralen gevormd worden:
· bij stolling van magma, afhankelijk van de samenstelling en snelheid van het stollen ontstaan er verschillende mineralen bijv. kwarts, veldspaten en glimmers → graniet.
· door neerslaan van oplossingen van bepaalde stoffen in water, bijv. steenzout en calciet (kalk).
· door herkristallisatie van bestaande mineralen dit gebeurt onder hoge temperatuur en druk, bijv. diamant (hardste mineraal!), serpentijn en granaat.
Mineralen worden ingedeeld op hun hardheid. Er is een schaal van 1 tot 10, gebaseerd op het principe dat een mineraal (1) alleen bekrast kan worden door een mineraal met een grotere hardheid (10). Mineralen met een hardheid van 7 en meer → edelstenen.
2.1
Theorie van Alfred Wegener: platentektoniek (schuivende continenten). Verschillende argumenten voor zijn theorie:
· continenten passen als puzzelstukjes in elkaar,
· overeenkomsten in flora en fauna tussen verschillende continenten,
· overeenkomst tussen de gesteenten in Zuid-Amerika en Afrika,
· in India, Australië, Zuid-Afrika en Zuid-Amerika zijn aanwijzingen gevonden van een gelijktijdige vergletsjering. Dit kan alleen verklaard worden door aan te nemen dat deze gebieden vroeger veel dichter bij elkaar hebben gelegen.
Eerst werd deze niet aanvaard alle andere theorieën (ontstaan van gebergte) werden namelijk zo ongeldig. ’50 en ’60 kwamen er steeds meer bewijzen en nu is de theorie over de platentektoniek algemeen aanvaard. Dit door de fysische bewijzen.
2.2
Paleomagnetisme: wetenschap die zich bezig houdt met de wijzigingen in de richting van gemagnetiseerde mineralen in de loop van de aardgeschiedenis.
Aarde is een enorme magneet, door het bepalen van het magnetische veld (m.b.v. magnetisch gerichte mineralen) kon de verplaatsing van continenten in kaart worden gebracht.
Het magnetisch veld is niet constant het verandert soms van richting. Dit heeft weer invloed op de stollingsrichting van gesteenten en zo kan worden bepaald hoe oud sommige bergen zijn.
Met behulp van het paleomagnetisme kunnen 2 zaken worden onderzocht:
· Relatieve verplaatsing van de continenten ten opzichte van het magnetische noorden. Door te kijken naar de verplaatsingen van het magnetische noorden op verschillende continenten en dit te vergelijken kan je vast stellen hoe deze zich hebben bewogen.
· Ouderdom van de oceanische korst. Kijken in welke richting de gesteenten zijn gaan stollen.
2.3
Om te bepalen hoe de liggingen van de continenten in het verleden was kijk je naar de volgende geologische verschijnselen:
· paleomagnetisme,
· ligging van gebergten,
· afzettingen die op een bepaald klimaat wijzen,
· afzettingen die op een bepaald afzettingsmilieu wijzen.
Hoe worden de continenten naar elkaar toe gedreven en weer uit elkaar? In het bovenste gedeelte van de aardmantel zitten verschillende ‘hot spots’. Deze drijven de convectiestromen in de aardmantel aan → verschuivingen van de aardkorstplaten. Op plaatsen waar de ‘hot spots’ zich bevinden ontwikkelt zich vaak vulkanisme. Wanneer een ‘hot spot’ sterk genoeg is en zich onder een continent bevindt kan deze het continent breken. Dit gebeurt meestal via ‘triple junction’ breuksystemen.
2.4
Om te weten hoe de oceanische aardkorst eruit ziet ging men vroeger met schepen signalen uitzenden naar de bodem om zo te kijken hoe deze gevormd zou zijn. Maar in sommige gebieden komen niet zoveel schepen en daarom bleef het onduidelijk hoe die er dan uit zouden zien. Nu werkt men met satellieten. Deze zendt een signaal en meet dan de tijd die het signaal nodig heeft om terug te kaatsten. Zo kan een satelliet de hoogte van de zeespiegel vrij nauwkeurig bepalen. De hoogte van de zeespiegel is o.a. afhankelijk van de morfologie van de bodem. Boven een berg op de bodem van de oceaan is de aantrekkingskracht groter dan boven een dal. Hierdoor bolt het zeewater (soms 5 meter) boven zo’n berg. Hierdoor is de zeewaterspiegel in een dal soms 60 m diep. Als je dus heel nauwkeurig naar het oppervlak van de oceaan kijkt kan je de zeebodem karteren.
2.5
Randen van aardkorstplaten zijn meestal instabiele gebieden (→ vulkanisme en aardbevingen). De verschillende manieren waarop aardkorsten met elkaar in contact kunnen komen leidt tot verschillende morfologische verschijnselen.
Aardplaten kunnen op 3 manieren aan elkaar grenzen:
· convergente breuklijn: platen bewegen naar elkaar toe (→ destructieve plaatgrens) er zijn nu 3 mogelijkheden:
- Allebei de platen zijn oceanisch, 1 van de platen zal onder de ander duiken. De plaat die onderduikt smelt op in de aardmantel en neemt allerlei sedimenten mee, dit kan een gevaarlijk explosief mengsel vormen. Dit komt in bellen naar de oppervlakte → vulkanisme! Ook ontstaat er een diepe zeetrog, dan kunnen er veel aardbevingen voorkomen.
- De ene plaat is oceanisch de andere is continentaal. De oceanische duikt onder de continentale. Ontstaat een diepzeetrog, vulkanisme en aardbevingen. Ook kan er een gebergte ontstaan bijv, Andesgebergte.
- Beide platen zijn continentaal → hooggebergte. Door de dikke aardkorst zal er geen vulkanisme ontstaat en vrij weinig aardbevingen, bijv. Himalaya en Alpen.
· divergente breuklijn: 2 oceanische platen bewegen zich van elkaar af (→ construerende plaatgrens). Ontstaat nieuwe oceanische korst, vulkanisme onder water en vrij weinig aardbevingen, bijv. IJsland.
· transversale breuklijn: De platen bewegen zich langs elkaar (→ conserverende plaatgrens). Meer met oceanische platen dan met continentale. Er zijn vaak grote aardbevingen, bijv. San-Andreasbreuk in Californië.
2.6
Mensen blijven in gebieden wonen waar de kans op natuurrampen groot is, dit heeft te maken met:
· De houding van mensen t.o.v. natuurrampen,
· Afweging van voor- en nadelen van het wonen in zo’n gebied,
· Mate waarin men zich veilig voelt door de door overheid genomen maatregelen tegen zulke natuurrampen.
Ook proberen mensen op allerlei manieren de dreiging van natuurrampen uit de weg te gaan:
· Ze ontkennen bijv. het bestaan van deze dreiging,
· Anderen proberen vat te krijgen op natuurrampen door naar regelmatigheden in het optreden te zoeken,
· Mensen zetten even de subjectieve gevoelens opzij en kijken rationeel naar de voors en tegens ( op lange / korte termijn, (minder) zichtbare effecten).
· ‘Hazard management’ overheden nemen allerlei maatregelen. Hierdoor voelen mensen zich veilig.
Verschillende soorten plannen en maatregelen om natuurrampen en nadelige effecten te beheersen:
· Onderzoekstechnieken en modellen: proberen rampen met computers te voorspellen maar dat blijft moeilijk.
· Waarschuwingssystemen: mensen waarschuwen voor aardbevingen, treinen gelijk stil zetten etc.
· Rampenplannen: zodra er een ramp plaats vindt zijn er voorzieningen om deze zo snel mogelijk ongedaan te maken, bijv. bulldozers om de straten vrij te maken.
· Bouwtechnische maatregelen: gebouwen worden gebouwd met bijv. andere materialen zoals rubberen fundering.
· Verzekeringen tegen natuurrampen: bij het bouwen in deze aardbevingsgebieden is vaak zo’n verzekering verplicht.
2.7
1e deel lezen!!!
Er zijn veel verschillende gesteenten in het plooiingsgebergte. Deze zitten allemaal om elkaar heen en in elkaar. Door de hoge druk worden tijdens gebergte vorming de sedimentlagen samengedrukt, geplooid en opgeheven. Hierbij ontstaan anticlinalen ( plooiruggen) en synclinalen (plooidalen). Doordat de afzettingsgesteenten gevormd zijn in de zee kan je hoog in de bergen fossielen van zeedieren aantreffen. Doordat een gebergte boven de rest van het aardoppervlak uitsteekt ondergaat deze erosie en verwering door wind, rivieren etc. Deze vormen van erosie nemen materiaal van de berg mee en kunnen deze weer afzetten aan de randen van het continent. Deze kunnen bij een latere botsing weer omhoog geduwd worden.
Gesteentecyclus is voltooid!
3.1
Men wint al jaren delfstoffen, dit zijn alle stoffen met een economische nut en ze worden aan de aardkorst onttrokken. Verscheidenen prehistorische tijdperken zijn dan ook vernoemd naar de delfstoffen die in die periode gebruikt werden, bijv. de Steentijd en de IJzertijd.
Delfstoffen zijn onder te verdelen in:
· organische delfstoffen: zoals aardolie, aardgas en steenkool,
· ertsen: minerale delfstoffen, zoals metalen en edelstenen.
Deze worden gebruikt om energie (energiedragers) op te wekken of om producten (grondstoffen) te maken. Sommige kunnen op beide manieren worden benut.
3.2
Tegenwoordig is aardolie een belangrijke energie- en grondstoffenbron van de mensheid. Aardolie en aardgas komen alleen samen voor en worden dus ook tegelijk besproken. Voor de vorming van aardolie en aardgas zijn de volgende voorwaarden noodzakelijk:
· er moet voldoende organisch materiaal geproduceerd worden,
· voordat het organisch materiaal vergaat moet deze bedekt worden door sediment, gaat het best in een dalingsgebied → nieuwe sediment zet af over het oude,
· langzame chemische processen veranderen het organische materiaal in aardolie en aardgas,
· materiaal is nu vloeibaar en zakt verder naar beneden. Hier wordt het afgesloten door een laag die geen gas of olie doorlaat. De gas is lichter dan de olie waardoor de olie onder komt te liggen,
· er mogen geen bergen gevormd worden want dan kan de olie en gas ontsnappen. Ook teveel warmte en druk funest want dan verandert alles in waardeloze koolstof.
Aardolie en aardgas zijn willekeurig over de aarde verdeeld. Het meeste ligt in het midden oosten → kunnen politiek veel macht uitoefenen, bijv. in 1973. Toen zijn de olieprijzen flink gestegen en dit stimuleerde de zoek naar andere bronnen van aardolie. Door de hoge prijzen zijn ook moeilijker bereikbare bronnen in productie genomen.
Ook zijn de technieken sinds die tijd flink verbeterd. Er is nog steeds 4/5 deel ongebruikte olie, dit omdat het nog te duur is om deze te winnen pas als de prijzen 3 tot 4 maal verhoogd worden. Toch is de voorraad olie eindig → zoeken naar duurzame alternatieven. Ook wordt er gebruik gemaakt van resource management ( zuinig om gaan met de olie zodat de volgende generatie er ok nog gebruik van kunnen maken). Om dit te bereiken zal men:
· de beschikbare delfstoffen in een minder snel tempo moeten gebruiken,
· gebruikte producten d.m.v. recycling weer als grodstof toepassen,
· door verbeterde technieken meer rendement behalen met dezelfde hoeveelheid.
Hoofdstuk 2
2.1
In de 19e eeuw stond de geologie nog in haar kinderschoenen. Geologen wisten wel dat oude lagen of stenen onderop lagen en de nieuwere lagen bovenop. Zo konden ze stukje voor stukje de geologische tijdschaal opbouwen. Nu kunnen ze veel preciezer een fossiel dateren.
Dit door de radio-activiteit in koolstof dat weer in organische materialen voorkomt. Ze weten dat de koolstof binnen 5730 jaar halveert. Zolang je leeft blijft de hoeveelheid koolstof gelijk. Zodra het sterft neemt de hoeveelheid af. Hierdoor kunnen ze leeftijd van een fossiel bepalen.
De geologische tijdschaal is onder te verdelen in 4 hoofdperiodes:
· Precambrium,
· Paleozoďcum: ‘tijd van het oude leven’,
· Mesozoďcum: ‘tijd van het middelste leven’,
· Neozoďcum: ‘tijd van het nieuwe leven’.
2.2
Geologen maken hun tijdsindeling op grond van de fossielen die ze in een bepaalde laag aantroffen. Een fossiel is een restant van een organisme. Bijna alleen fossielen van organismen met een hard skelet → vergaat niet zo snel. Wel moeten ze gelijk afgedekt worden met een sedimentlaag, dit gebeurt het meest en snelst in de zee → constante sedimentatie! → meeste fossielen zijn resten van zeedieren.
Fossielen kunnen op verschillende manieren ontstaan:
· Holle delen uit het skelet worden vervangen door door kalk waardoor het bewaard blijft → fossielen in kalksteen.
· Onder invloed van mineraalhoudend water kunnen celstructuren worden vervangen door mineralen → detailstructuur blijft goed zichtbaar.
· Fossiel bestaat uit het originele materiaal van het organisme, bijv. mug in het hars of fossielen van planten in steenkool.
· Voetafdrukken achter gelaten door een organisme is ook een fossiel.
Gidsfossiel: fossiel dat kenmerkend is voor een bepaalde geologische periode of gesteentelaag. Deze zijn erg belangrijk bij de interpretatie van geologische lagen.
3.1
Verspreiding van planten en dieren wordt bepaald door hun bewegingsmogelijkheden en natuuromstandigheden waarin deze voorkomen.
Planten verspreiden zich:
· door de wind, bijv. paardebloemen.
· via de darm van dieren, bijv. bessenstruiken.
· via de vacht van dieren, bijv. klitten.
· via actief wegschieten van de plant, bijv. springzaden.
3.2; 3.3; 3.4
Soorten zijn ook verspreid over verschillende continenten, dit door:
· continentale verschuiving: 200 miljoen jaar geleden was er 1 continent. Deze zijn door de platentektoniek uit elkaar gegaan. Hierdoor konden zeedieren zich goed verplaatsen.
· de ijstijden hebben de verspreiding van soorten op manieren beďnvloedt:
- door het plots veranderende klimaat hebben dieren zich aangepast of zijn weggevlucht vele kozen voor het laatste. Hierdoor zijn ook dieren in de Pyreneeën en Alpen vast komen te zitten.
- door het bevroren water nam de zeespiegel af waardoor vele landdieren zich beter konden verspreiden.
· invloed van de mens: deze invloed is de meest recente. Er zijn 2 invloeden van de mens op zijn omgeving van belang:
- men zorgt voor het terug dringen van een aantal soorten, bijv. door ze te bejagen of door hun leefgebied flink in te perken.
- men introduceert op verscheidene plaatsen die daar van nature niet voorkomen, hierdoor ontstaat er vervlakking (alles komt er hetzelfde uit te zien) van de lokale levensgemeenschappen.
Hoofdstuk 3
1.1
weer: toestand van de onderste laag van de atmosfeer ofwel de troposfeer op een bepaalde plaats en op een bepaald tijdstip.
Weer is moeilijk te voorspellen de kleinste verandering kan heel het weer beďnvloeden. Toch zijn weersverwachtingen gekoppeld aan bepaalde wetmatigheden.
klimaat: gemiddelde toestand van het weer in een lange periode (± 30 jaar) in een groot gebied. Als de zomers warmer worden en de winters kouder dan verandert het klimaat wel maar het gemiddelde niet.
1.2
Om het klimaat te verklaren heb je 2 belangrijke verschijnselen nodig:
· stralings- en energiebalans: een deel van de zonnewarmte wordt opgenomen door de aarde en het andere deel wordt terug gekaatst het heelal in. Daarom is de verdeling van de zonne-energie over het aardoppervlak erg onevenwichtig.
· algemene luchtcirculatie: deze zorgt voor herverdeling van zonne-energie over de aarde.
(zie aantekeningen!!!)
corioliseffect: afwijking van winden in de algemene luchtcirculatie als gevolg van de aardrotatie (op het noordelijk halfrond naar rechts, zuidelijk halfrond naar links).
1.3
ITC (intertropische convergentiezone) ligt vlakbij de evenaar en is de belangrijkste lage druk zone op de wereld. Bij deze lage druk zone is er warme lucht en deze stijgt, als deze dan afkoelt ontstaan er wolken → neerslag → tropisch regenklimaat. Deze is dan weer onder te verdelen in: tropisch regenwoud klimaat en savanneklimaat. In een hoge druk zone gebeurt het tegen over gestelde de koude lucht daalt en wordt warmer dus houdt water vast → subtropische zone → steppeklimaat (aantal planten) en woestijnklimaat (nauwelijks planten).
Hoge druk ook in de polaire zone → toendraklimaat (wel planten) en poolklimaat (geen planten). In alle twee de klimaten sneeuwt het maar in het toendraklimaat dooit de sneeuw in de zomer waardoor planten een kans krijgen. Streken tussen deze twee zones noemen we de gematigde zone (niet teveel temperatuurverschillen in zomer en winter en voldoende neerslag voor planten). Er zijn 2 klimaten in deze zone:
· zeeklimaat: koele zomers en milde winters en relatief veel neerslag. Er bestaat een gematigd zeeklimaat en een Middellandse-Zeeklimaat (hogere temperaturen).
· landklimaat: warme zomers en koude winters en vrij weinig neerslag.
In de gematigde zone komen ook regelmatig lage drukgebieden voor. Deze ontstaan doordat de koude lucht tegen de warme opbotst en dan zal de lucht gaan stijgen → lage druk. Deze treden vaak op als depressies. Depressie: kern van lage luchtdruk die ontstaat op het scheidingsvlak tussen warme en koude lucht. Eerst komt er dan warme lucht en dan volgt er koude lucht ook valt er veel neerslag.
Occlusie: proces waarbij de warme lucht wordt ingehaald door de koude. Dan is de depressie afgelopen.
1.4
Om het klimaat te verklaren zijn de volgende zaken van belang:
· luchtcirculatie: is hier boven besproken,
· scheve stand van de aardas: hierdoor verschuift de aarde t.o.v. de zon waardoor er seizoenveranderingen optreden bijv. op de polen geen dagen of nachten terwijl in de tropen de seizoensveranderingen vrij klein zijn.
· Verdeling van land en zee: deze verschillen op een aantal punten van elkaar:
- Boven de zee verdampt er meer water dan op het land. Als de wind vanuit de zee komt wordt er meer neerslag aan gevoerd dan wanneer de wind vanuit het land zou komen.
- Zee heeft een grotere warmtecapaciteit. Hierdoor koelt deze in de winter langzamer af dan het land en houdt het land warmer terwijl in de zomer het voor wat verfrissende lucht kan zorgen.
- Luchtstromen boven de zee drijven stromingen in het water aan. Hierdoor wordt de warmte van het water verdeelt.
· Hoogteligging: atmosfeer wordt van onder af verwarmd (tijdens het terugkaatsen van het zonlicht). Hierdoor is het hoe hoger hoe kouder.
· Ligging van gebergten: bijv. de Alpen die Italië beschermen tegen de koude noordenwinden.
2.1
Men onderzoekt ook wat voor klimaten er vroeger waren omdat er pas sinds de 18e eeuw dingen over het weer zijn opgeschreven moet er een andere manier gebruikt worden. Men kijkt naar afzettingen, hierin zitten allerlei aanwijzingen opgesloten die iets zeggen over vroeger. Voor klimaatreconstructies van de interglacialen en met name het Holoceen gebruikt men vaak het stuifmeelonderzoek. Samenstelling van het stuifmeel uit een monster uit die periode geeft weer wat voor vegetatie er was en dat wijst weer op het klimaat wat er toen heerste.
Het hangt er ook vanaf of je kijkt naar een klimaat van miljarden jaren geleden, honderden jaren of tientallen jaren. Elke periode heeft weer andere verschijnselen waarmee rekening moet worden gehouden als je het klimaat onderzoekt.
2.2
De afgelopen 2.5 miljoen jaar zijn er veel temperatuurschommelingen geweest. Er zijn toen ook ijstijden geweest → lagere zeespiegel door veel ijs. In het Saalien was de ijsmassa het grootst. Deze ijstijden zijn moeilijk te verklaren. Het kan gebeurt zijn door variaties in de baan van de aarde rond de zon. Maar deze hebben te weinig invloed om een hele ijstijd te veroorzaken en dus zijn er meer argumenten nodig. Er zijn er twee:
· oceaanstromen: deze kan zich door een kleine temperatuurverandering heel anders gaan gedragen. Als de warme stromen dan een andere kant op gaan zou het hier erg koud kunnen worden.
· invloed van reflectie van sneeuw: wanneer de temperaturen dalen zal er meer sneeuw komen en deze bedekt de aarde en reflecteert de warmte waardoor de aarde niet wordt opgewarmd en het nog kouder kan worden. Als de temperaturen stijgen kan het omgekeerde gebeuren.
3.1
De invloed die de mens op het klimaat heeft is tot nu toe vrij onduidelijk. Er kan ook niets voorspelt worden omdat er in het verleden nooit zoiets met de aarde is gebeurt. Toch probeert men met behulp van computers dingen te voorspellen. Ook zal het gat in de ozonlaag en het broeikaseffect grote effecten hebben op de aarde en het klimaat.
3.2
De aarde heeft een natuurlijk broeikaseffect hierdoor blijft de aarde warm. De atmosfeer neemt m.b.v. kooldioxide, methaan en chloorfluorkoolwaterstoffen bij het terugkaatsen van het zonlicht/warmte deze straling op waardoor het warm blijft. Zonder dit effect zou de aarde –18 şC zijn. Sinds de industriële revolutie is door verbranding van fossiele brandstoffen als steenkool, aardgas en olie het gehate van kooldioxide en methaan flink toegenomen. Hierdoor is de koolstofbalans flink verschoven → verwachte hogere temperaturen, dit noemt men het versterkte broeikaseffect.
Men probeert het klimaat ten gevolge van dit effect te voorspellen. Dit wordt gedaan door het IPCC (Intergovernmental Panel on Climatic Change). Zij zeggen dat de zeespiegel zal stijgen door het smelten van ijskappen en dat de neerslag en grondwater zal afnemen. Dit is slecht voor de boeren in bepaalde gebieden.
3.3
De ozonlaag beschermt ons tegen teveel UV-straling. Verschillende schadelijke broeikasgassen zijn: chloorfluorkoolwaterstoffen, halons of freons (worden gebruikt voor spuitbussen koelkasten etc). Halons en freons zijn in staat om ozon af te breken tot zuurstof. Hierdoor zou de ozonlaag dunner kunnen worden en zou er meer UV-straling zijn → meer kans op huidkanker en afnemende landbouwopbrengsten.
3.4
Er is niet echt bekend wat er met een klimaat zal gebeuren als het tropisch regenwoud verdwijnt. Wel is bekend dat het tropisch regenwoud zorgt dat er veel water wordt opgenomen en het water ook verdampt waardoor er weer nieuwe wolken ontstaan.
Niet alleen op lokaal niveau maar ook de aangrenzende gebieden zullen klimaatveranderingen op merken bij. Minder neerslag en ander verloop van temperatuur gedurende de dag. Ook op mondiaal niveau zullen er veranderingen optreden. Zoals meer CO₂ in de atmosfeer en dit bevordert het broeikaseffect. Planten nemen namelijk CO₂ op tijdens de fotosynthese.
3.5
Wanneer vulkanen uitbarsten stoten deze SO₂ uit dit heeft een vervelende werken op de zontoelating in de stratosfeer. Hierdoor daalt de temperatuur met enkele tienden graden. De mens brengt op jaarbasis ongeveer 15 keer zoveel SO₂ in de lucht. Dit volgens onderzoeken van Amerikaanse geologen.
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen.
Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten.
Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.