Geschreven door: | Stube |
Datum ingestuurd: | 26 januari 2005 |
Taal: |  |
Woorden: | 400 |
Bekeken: | 7330 keer (7 deze maand) |
Waardering: |
|
Deel op: |
|
Hoofdstuk 5
Werkloos
Werkloos zijn mensen van 16 tot en met 64 jaar, die niet of minder dan 12 uur per week werken, en die werk zoeken voor minstens 12 uur per week, en dan ingeschreven bij een CWI, en die binnen 2 weken aan de slag kunnen.
Werkloze beroepsbevolking
Personen van 15 tot en met 64, die zeggen dat ze tenminste 12 uur per week.
Frictiewerkloosheid
Frictiewerkloosheid ontstaat doordat het tijd kost voor iemand als die van school komt om werk te krijgen. Maatregelen betere arbeidsbemiddeling zodat vacatures sneller gevuld worden.
Seizoenswerkloosheid
Seizoenwerkloosheid komt doordat bepaalde bedrijven vooral in bepaalde seizoenen produceren. Bijvoorbeeld een discotheek in Zandvoort. Mensen komen daar alleen op vakantie in de zomer en in de winter is er weinig te doen. Maatregelen andere evenementen organiseren zodat er iets met het pand gedaan wordt.
Kwalitatieve structuurwerkloosheid
Er worden andere soorten arbeid gevraagd dan er aangeboden wordt. Maatregelen: scholing, verhuiskostensubsidie, reiskostenvergoeding
Kwantitatieve structuurwerkloosheid
Er zijn te weinig kapitaalgoederen ten opzicht van de aangeboden hoeveelheid arbeid. Er zijn te weinig kapitaalgoederen om de hele beroepsbevolking aan het werk te houden.
Oorzaken: Mechanisering, reorganisaties. Maatregelen: loonkosten verlagen
Conjunctuurwerkloosheid
Als bestedingen laag zijn, wordt er weinig geproduceerd en worden er mensen ontslagen. Maatregelen: Overheid moet zelf meer gaan besteden of belastingen verlagen.
Bezettingsgraad= werkelijke productie/productiecapaciteit x 100=
Hoofdstuk 1
Door inzetten van productiefactoren
Natuur – Pacht, huur
Arbeid- Loon
Kapitaal- Rente
Ondernemenschap- Winst
Primair inkomen wordt verdiend door inzetten van productiefactoren.
Netto Inkomen= Bruto inkomen –sociale premies- loonbelasting
Overdrachtsinkomen=Hiervoor hoeven geen productiefactoren worden ingezet (WW,AOW, subsidies).
Toegevoegde waarde= Omzet-inkoopwaarde
Balans= Een overzicht van de bezitingen, eigen vermogen en vreemd vermogen (schulden) op een bepaald moment.
Resultatenrekening= Een periodiek overzicht van de opbrengsten en de kosten met als doel het bereken van winst of verlies.
Activa Passiva
Vaste activa Eigen vermogen
Vlottente activa Lang vreemd vermogen
Liquide activa Kort vreemd vermogen
Totaal
Vaste activa= Gebouw, Inventaris enz…
Vlottende activa= Voorraden, debiteuren (gaan slechts 1 productieproces mee)
Liquide middelen= Kas, bank, postbank
Eigen vermogen= Geld dat de eigenaar zelf in de zaak heeft gestoken.
Vreemd vermogen= Schulden
Inkoopwaarde grond- en hulpstoffen
Loon Omzet
Huur
Rente
Pacht
Hoofdstuk 2
Nominaal inkomen: Het inkomen gemeten in geld.
Reëel inkomen: Het inkomen gemeten in goederen.
RIC (indexcijfer reëel inkomen)= NIC (indexcijfer nominaal inkomen)
PIC (indexcijfer) x100
RIC= Indexcijfer geldbedrag
Indexcijfer prijzen x100
Consumentenprijsindex(CPI)
Som (wegingsfactoren x prijsindex
Som wegingsfactoren
Inflatie= algemene prijstijging
Oorzaken: 1. bestedingsinflatie> productiecapaciteit
2. Kosteninflatie: productiekosten zijn gestegen
3. Grondstofkosten: Belasting, huurkosten
4. Winstinflatie: Hogere winst Hogere prijs
Overheidsmaatregelen
1. bestedingsinflatie door: belasting > subsidies < eigen uitgaven <
2. kosteninflatie: door BTW <, ecoheffing <, huur <
Prijsdaling= defaltie
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen.
Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten.
Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.