Geschreven door: | Marjolein (5 havo) |
Datum ingestuurd: | 26 januari 2005 |
Taal: |  |
Woorden: | 2.950 |
Bekeken: | 17622 keer (15 deze maand) |
Waardering: |
|
Deel op: |
|
Belangrijke begrippen:
- Landschap= alle natuur- en cultuur elementen
- Ecosysteem= een bepaald gebied waarin dieren, planten, lucht, bodem en water elkaar nodig hebben en elkaar in evenwicht houden.
- Diversiteit= verschil(bijvoorbeeld toendra is weinig verschil van planten dus lage diversiteit en regenwoud heb je veel verschillende planten dus hoge diversiteit als je het over planten hebt.)
- Ecologische infrastructuur= groen netwerk van natuurelementen. Het netwerk is opgebouwd uit: natuurkerngebieden, verbindingszones en stapstenen.
- Grondsoort= basismateriaal waarin bodems gevormd kunnen worden. voorbeelden: Löss, klei, veen grind en zand.
Paragraaf 1: hoe is een landschap opgebouwd?
Belangrijke elementen in een landschap=
- Grondsoort( zand\klei)
- Reliëf( bergen)
- Bodem
- Waterelementen( sloten, beken, ijs)
- Begroeiingelementen, vegetatie ( houtwallen, bos, heide, struik)
- elementen van agrarisch grondgebruik ( akker, weide.)
- infrastructurele elementen. ( wegen, dijken.)
- gebouwen en nederzettingen (huizen, boerderijen)
- klimaat. (weer, lucht, maar is niet zichtbaar)
- delfstoffen (ziet ze niet)
Alles die elementen hierboven vormen het landschap 3 belangrijke kenmerken=
- natuurlijke opbouw.
- Cultuurhistorische opbouw.
- Ecologische opbouw.
Grondsoort= Basis materiaal waarin bodems gevormd kunnen worden. Voorbeelden, löss, zand, grind, klei en veen.
Elk landschap is ontstaan door geologische processen in het verleden.
De perioden Pleistoceen en Holoceen waren bepalend voor de opbouw van het landschap nu.
Veel landschappen bestaan uit een mengeling van oude en nieuwe elementen
Elk landschap is opgebouwd uit een of meer ecosystemen voorbeelden zijn; een bos.
Een akker.
Een heideveld.
Een beek.
Deze ecosystemen met elkaar verbonden door stromingen van water en lucht.
Een belangrijk kenmerk van een ecosysteem is de biologische diversiteit; 5 factoren van biologische diversiteit;
- veranderlijkheid van het milieu.(1)
- Hoeveelheid energie en voedingsstoffen.(2)
- Variatie in milieuomstandigheden.(3)
- Omvang van natuurgebieden.(4)
- Goede spreiding van natuurelementen en geen barrières.(5)
1= regel; hoge veranderlijkheid betekent een lage diversiteit & Een lage veranderlijkheid betekend een hoge diversiteit.
Duinecosystemen= lage diversiteit door veel schommeling.
Bosecosystemen= hoge diversiteit door een constant microklimaat.
2= veel voedingsstoffen en energie is goed voor de groei van organismen maar slecht voor de diversiteit.
3= als er veel verschillende soorten leefmilieus dicht bij elkaar liggen, is de diversiteit groot. Je vind dit bij gradiënten en grensmilieus.
4= regel; op een groter oppervlak zullen meer soorten voorkomen. Dus bij versnippering of verkleining van de natuur, neemt de diversiteit af.
5= een goede spreiding van natuurelementen en geen barrières is goed voor de diversiteit.
Moderne ruilverkaveling heet nu landinrichting bij deze manier van herinrichting van een gebied zijn naar landbouw ook natuur en landschap en recreatie belangrijk.
Paragraaf 2: kenmerken van het Lösslandschap. (Zuid Limburg)
Sowieso kenmerken van lösslandschap: natuurlijke opbouw.
- puinwaaiers aan de voet van het middelgebergte.(1)
- Plateaus, hellingen en dalingen.(2)
- Löss als afdeklaag.(3)
1= Nederland is een echt afzettingsgebied. Afzettingen van de Ardennen en het rijnleisteenplateau. De gebergtes gingen omhoog in het Pleistoceen en daardoor kwam puin los en dat ging mee met het water. In zuid-limburg zijn de afzettingen dun maar verder naar het westen en noorden worden ze dikker.
2= De zand- en grind afzettingen van de maas liggen niet mooi in één vlak. Dat komt doordat Zuid - Limburg een aantal keren is opgeheven. Daardoor krijg je plateaus hellingen en dalen. Op die hellingen heb je vlak liggende beddingrestanten ook wel terrassen genoemd, op die terrassen heb je graften.
3= löss is afgezet in het Saaliën en het Weichseliën in Zuid- Limburg. Löss is heel erg licht en aan de rand van het middelgebergte neemt de wind af en dan wordt het daar neergelegd.
Löss is vooral afgezet tussen 40 en 200 m boven NAP en bedekt de oudere afzettingen als een golvend deken. Löss is kalkrijk en vruchtbaar.
Cultuurhistorische opbouw.
- de inrichting van de dalen. (1)
- De inrichting van de hellingen en de plateaus. (2)
1= vroeger waren er daldorpen en op de hellingen hadden de dorpelingen hun akkers. Opvallend in de dalen is de dikke laag samengespoelde löss, die colluvium wordt genoemd.
2= de mensen begonnen onderaan met het ontginnen van de oorspronkelijke bossen hierdoor kwam löss los en zo ontstond de bodemerosie. Door bodemerosie van de löss kwamen de akkers al gauw lager te liggen dan de hoger op de helling gelegen bosgrond. Zo ontstond een steilrand. Op die steilranden ontstaan graften die breken het profiel van de helling af en die gaan erosie tegen. Gras voorkomt bodemerosie
Paragraaf 3: de kenmerken van het zandlandschap.
Natuurlijke opbouw.
- hoge en lage stuwwallen opgeduwd door het ijs.(1)
- Het zachtgolvende deklandschap.(2)
1= in het Saaliën bereikte ijs Nederland. Onder het ijs werd grondmorene van keileem afgezet. Dit mengsel is ondoorlatend. In Midden- Nederland werden door de hoge snelheid en het enorme gewicht van het ijs de bestaande dalen uitgediept. De bevroren rivierafzettingen werden aan de zijkanten en voorzijde opgeduwd tot hoge stuwwallen. De door het ijs uitgediepte bekkens heten tongbekkens of glaciale bekkens. Na verloop van tijd trok het ijs schoksgewijs terug.
2= tijdens het Weichseliën was de wind de belangrijkste landschapvormer. De wind blies fijne zanddeeltjes en ook lössdeeltjes weg en dat werd op niet al te grote afstand weer afgezet als dekzand. Er gingen planten groeien omdat de temperatuur beter werd en zo ontstonden er dekzandruggen met een U- vorm. Die vorming kan je nog dagelijks zien in onze kustduin. Dit zijn zogenaamde paraboolduinen. De open kant staat altijd de windrichting op. Langs veel beken en rivieren hebben planten uit de bedding extra veel stuivend zand vastgehouden. Er ontstonden langgerekte zandruggen van wel 10 tot 20 m hoog. Dat noem je rivierduinen.
Dekzand is meestal arm aan voedsel maar als het löss bevat is het wel rijker aan voedingsstoffen.
Cultuurhistorische opbouw.
- het oude zandontginningslandschap: essen, groengronden, heide en stuifzand.(1)
- Het jonge zandontginningslandschap: heideontginningen, naaldbos.(2)
- Modernisering van landbouwschap.(3)
1= op de hoger gelegen, niet te droge gronden werden akkers aangelegd die essen of enken worden genoemd. Op grote dekzandruggen en op de flanken van de stuwwallen zijn de essen doorgaans groot en liggen ze rondom of aan de rand van een (es)dorp. Omdat de essen en oude wegen zijn aangepast aan het reliëf, hebben ze gebogen vormen. In de laagten van het landschap, bij de beekdalen bijvoorbeeld lagen onbemeste graslanden: de groengronden. Word vee gewied en hooi gewonnen, verkaveling is strookvormig. Heide: kwam in1900 veel voor. Door de mest van de schapen te verzamelen en die om die te binden voegde ze heideplaggen toe. Dat deden ze op hun akkers en zo ontstond er een dikke laag humus. In de buurt van essen vind je altijd stuifzand, een veel voorkomende oorzaak daarvan is het steken van heideplaggen op hoge droge plaatsen met dekzand.
2= in 1900 kunstmest, daardoor word heide omgezet in landbouwgrond. Het stuifzand werd op grote schaal bebost en omgezet in naaldbos.
3= na 1950 wordt de landbouw steeds meer gericht op export. Schoolvergroting leidt tot nieuwe eisen ten aanzien van de vorm en grootte van kavels en percelen. Die moeten groter worden en niet meer verspreid liggen. In het oude zandontginningslandschappen waren de kavels en percelen vrij klein. Op veel plaatsen zijn bij ruilverkavelingen kavels geruild en allerlei andere dingen gebeurt. Dit had natuurlijk negatieve effecten op de opbouw van de landschappen. Vanaf 1980 andere vorm van ruilverkaveling: landinrichting. Er kwam meer aandacht voor natuurontwikkeling, bevordering van diversiteit, natuurbeheer en recreatie.
Paragraaf 4: kenmerken van rivierlandschap.
Natuurlijke opbouw.
- Oeverwallen en kommen in het oostelijke rivierkleilandschap.(1)
- Oeverwallen en kommen in het westelijke rivierkleilandschap.(2)
1= de brede beddingen van de rivieren uit het Pleistoceen veranderen in het Holoceen in smalle meanderende lopen. De waterberging werd hierdoor kleiner.Door overstroming spoelden zand en klei uit de bedding. Het overstromende water werd geremd door de begroeiing, waardoor het zand direct naast de bedding bezonk. Ze ontstonden langgerekte, zandige oeverwallen die elk jaar hoger werden. De bovenkant bestaat op het laatst uit zavel(zandige klei). Stroomruggen ontstaan als een rivier een nieuwe loop kiest. Bij overstromingen word er verder van de rivier klei afgezet in de kommen.
2= in het westen speelt de zee mee bij eb kan de rivier goed afstromen en bij vloed drong het zeewater de mondingen van de rivier binnen. De stroomsnelheid remde af. Bij overstromingen bleef het zand het zand in de beddingen en werd er alleen klei afgezet. Deze oeverwallen bestaan daarom uit smalle kleistroken. De kommen zijn veel breder en bestaan door hun lage, natte ligging uit veen.
Cultuurhistorische opbouw.
- dijken, uiterwaarden, overslaggronden en wielen.(1)
- Het grondgebruik in het oostelijke rivierkleilandschap.(2)
- Het grondgebruik in het westelijke rivierkleilandschap.(3)
- Rivierkleipolder.(aantekeningen)(4)
1= de dijken zijn gebouwd op de rand van de oeverwallen. Om een flinke waterberging te krijgen, liggen ze op enige afstand van de rivier. Bij een hoge waterstand werd er steeds tussen de dijken een laagje zandige klei afgezet. Zo werden uiterwaarden opgebouwd. Door overdruk op een dijk kan er water doorheen komen. Dat heel kwelwater. Kwel bedreigt de stabiliteit van een dijk. Als er een dijkdoorbraak komt vormt het water een diep kolkgat: een wiel. Het meegenomen materiaal wordt waaiervormig rondom het wiel afgezet en vormt zo een zandige of zavelige overslagrond. Door de nattigheid is het gevaar voor overstromingen toegenomen de laatste tijd.
2= oeverwalgronden zijn goede, ruime plekken voor woningen, akkerbouw en fruitteelt. Als oplossing voor het vele water zijn er rond 1950 sluizen gebouwd.
4= waar: bij rivieren: ijssel, rijn, waal, maas, lek.
Hoogte: stroomopwaarts hoger dan stroomafwaarts.
Bodem: rivierklei+stroomopwaarts meer zand.
Bodemgebruik: veeteelt en grasland.
Paragraaf 5: kenmerken van zeekleilandschap.(west-friesland.)
Natuurlijke opbouw
- kwelders.(1)
- Zeeklei en zeespiegelstand.(2)
1= Zeeklei wordt altijd afgezet op kwelders. Ze overstromen alleen bij extra hoge vloed. In waddengebied heb je kwelders een goed voorbeeld is natuurlijk de Waddenzee. Er vormen tussen de wadgeulen zandplaten die bij eb droogvallen: wadden. Het water verzamelt zich vooral in de geultjes tussen de planten, zo ontstaan de eerste kreken van een kwelder in wording. Door steeds afgezet klei ontstaat er een kwelder met een dicht patroon van kreken. Omdat zand na ontwatering minder zakt dan klei liggen de kreken nu water hoger in het landschap je spreekt daarom van kreekruggen.
2= zeeklei blijft altijd wel komen. Regel: hoe later de klei is opgeslibd, hoe hoger de ligging.
Zeeklei van 5000 jaar geleden= oude zeeklei/ Zeeklei van de afgelopen 3000 jaar = nieuwe zeeklei.
Cultuurhistorische opbouw
- opbouw van een zeekleipolder(1)
- Droogmakerijen.(2)
1= waar: zeekleipolders in Groningen, Friesland en zeeland. Niet in noord en zuid want daar is meer klei en zand.
Bodem= jonge zeeklei,
gebruik= akkerbouw en fruitteelt.
2= droogmakerij= een deel van de zee of een meer dat is drooggemaakt.
Oude droogmakerij= niet zo laag, drooggemalen door molens.(schermer, beemster, wormer)
Jonge droogmakerij= 19e eeuw elektrische waterpompen, gemalen.( flevopolder, noordoostpolder.)
Oude droogmakerij= oude zeeklei. Jonge droogmakerij= jonge zeeklei.
Paragraaf 6: kenmerken van het duinlandschap. (Duinrell)
Natuurlijke opbouw
- vorming van duinen.(1)
- Oude en jonge duinen.(2)
- Duinvalleien.(3)
1= de ze brengt door de golven zand mee, als het dan eb is blijft dat zand liggen en word het meegenomen door de wind en wordt het zand tegengehouden door zoutminnende planten dan begint er een duin te vormen. Meer duintjes vormen uiteindelijk een gesloten duinenrij en als die hoog genoeg is om het water tegen te houden heb je een zeereep.
2= vanaf 5000 jaar geleden werden door stijging van de zeespiegel zeewerende duinruggen tot zo’n 10 meter hoog gevormd: de oude duinen. Met het zand van de oude duinen omdat die afgebroken werden door het weer werden er nieuwe duinen gevormd die wel 50 m hoog konden worden: jonge duinen
3= bij zandverstuivingen kunnen laagten ontstaat die dicht bij het grondwater liggen. Die uitblazingslaagten heten duinvalleien. Oude, ingesloten strandvlakten in de duinen heten ook zo.
Cultuurhistorische opbouw.
- oude nederzettingen en geestgronden.(1)
- Zeewering, natuur en zoetwaterleverancier.(2)
- Aantekeningen.
1= de zandruggen van de oude duinen vormden een stevige ondergrond voor bewoning. Je vind op de oude duinen de oudste nederzettingen en de oudste wegen. Den haag en alkmaar liggen op een oude duinrug. Voor bloembollenteelt is een constante grondwaterstand nodig van 55 cm onder het oppervlak. Men heeft de grond daar helemaal voor afgemeten en ze ontstonden de geestgronden.
2= de jongen duinen zijn belangrijk voor de zoetwater productie en de zeewering. Er is ook een hoge biologische diversiteit.
3= geestgronden: afgegraven oude duinen.
Voordeel: - zand is nodig -> verhoging veengebied.
- dichter bij grondwater.
- Dichter bij voedingsstoffen -> bloembollen
Paragraaf 7: kenmerken van het veenlandschap. (Peel)
Natuurlijke opbouw
- veengroei op voedselrijke plaatsen.(1)
- Veengroei op voedselarme plaatsen.(2)
- Aantekeningen.(3)
1= steeds als veenplantjes afsterven, dragen ze bij aan de opbouw van een laagje veen.Dit veen dat binnen bereik van het grondwater ligt heet laagveen. (west-nederland)(lager dan 1 meter, hollandveen)
2= veenmos groeit goed op voedselarme plaatsen.Het leeft van regenwater. Lange stengels geen wortels. Echt veenmos ligt meters boven het grondwater. Je noemt het vanwege deze hoge ligging hoogveen.( Hoger dan 1 meter.) veen = turf. Veenmos t beste voor turf.
3= irreversibel.= onomkeerbeer opdrogen dus veen droogt en word dan turf maar het kan niet omgekeerd dat turf weer nat word en veranderd in veen.
Laagveen bijna altijd voor weiland.
Cultuurhistorische opbouw.
- veenpolderlandschappen.(1)
- Dalgronden en veenplassen.(2)
- Veenpolder(aantekeningen)(3)
1= inklinking: zand dat inzinkt. Door het wegvallen van de opwaartse druk van het water daalde het grondoppervlak dat is dus inklinking. Rest van de paragraaf goed lezen.
2= stuk land met afgegraven kanalen van hoog veen land die kanalen waren vaak dorpen met kilometers bebouwing dat noem je een veenkolonie. Het bovenste deel van het hoogveen, de zogenaamde bolster, was als turf ongeschikt. De bolster werd apart gelegd na de turfwinning uit het hoogveen gemengd met de onderliggende arme zandgrond. Zo ontstonden veenkoloniale gronden of dalgronden. Ze bevatten een flinke laag humus. Mensen baggerden veen. Dit gebeurde in langgerekte stroken die trekgaten worden genoemd. Het water in de trekgaten kon bij sterke wind de slappe veenribben wegslaan. Zo ontstonden talrijke veenplasse.
3= 0 meterniveau, rondom het NAP
grond: veen
gebruik: veelteelt weiland.
Aantekeningen:
2 landschappen= - natuurlandschap
- cultuurlandschap= inrichtingslandschap.
Natuurlandschap:
- Grondsoort( zand\klei)
- Reliëf( bergen)
- Bodem
- Waterelementen( sloten, beken, ijs)
- Begroeiingelementen, vegetatie ( houtwallen, bos, heide, struik)
- elementen van agrarisch grondgebruik ( akker, weide.)
- infrastructurele elementen. ( wegen, dijken.)
- gebouwen en nederzettingen (huizen, boerderijen)
- klimaat. (weer, lucht, maar is niet zichtbaar)
- delfstoffen (ziet ze niet)
Cultuurlandschap:
- landbouw/agrarisch landschap.
- Stadslandschap.
- Havenlandschap.
- Industrielandschap.
Wereldniveau landschap.
- tropisch= warmste.
- Savanne= nat.
- Steppe=droog.
- Woestijn.
- Subtropisch.
- Loofbomen.
- Naaldbomen.
- Toendra= alleen mos en gras.
- Ijslandschap.
- Gebergtelandschap = overal.
Hoge diversiteit= regenwoud.
Lage diversiteit= toendra
Grote afwisseling= grote diversiteit.
Nl heeft 6 landschappen.
- Lösslandschap(zuid limburg).
- Zandlandschap.
- Rivierkleilandschap.
- Zeekleilandschap.(west Friesland)
- Duinlandschap. (duinrel)
- Veenlandschap ( peel)
Begrippen.
Grondsoort= basismateriaal waarin bodems gevormd worden. Voorbeelden zijn; grind, klei veen, zand en Löss.
Landschap= alle natuur- en cultuur elementen die o een bepaalde plaats in hun onderlinge samenhang voorkomen.
Ecosysteem= een bepaald gebied waarin dieren, planten, lucht, bodem en water elkaar nodig hebben en elkaar in evenwicht houden.
Ecotoop= weergave van een ecosysteem op een kaart.
Biologische diversiteit= het aantal soorten planten en dieren dat in een bepaalde ruimte voorkomt.
Ecologische infrastructuur= groen netwerk van natuurelementen. Het netwerk is opgebouwd uit: natuurkerngebieden, verbindingszones en stapstenen.
Ecologische hoofdstructuur van Nederland= Plan om de diversiteit van de Nederlandse landschappen te vergroten. Het ontwikkelen van een ecologische infrastructuur op de schaal van Nederland.
Corridor= groene verbindingszone die het verplaatsen van planten dieren en vogels in een landschap bevordert.
Grensmilieu of gradiënt= geleidelijke overgang in het landschap, bijvoorbeeld de overgang nat- droog, voedselrijk- voedselarm en zout- zoet.
Ruilverkaveling= herinrichting van een landelijk gebied, waarbij er naar gestreefd wordt de productiviteit van de landbouw verhoogd door ruil van kavels, vergroting van percelen, opruiming van houtwallen en rechttrekken van sloten en beken. Verlaagt doorgaans de biologische diversiteit.
Landinrichting= manier van ruilverkaveling waarbij er bij de herinrichting zowel aandacht is voor de belangen van de landbouw, de recreatie, als de natuur. Er is aandacht voor het bevorderen van de biologische diversiteit.
Colluvium= door bodemerosie samengespoelde löss in de beekdalen.
Bodemerosie= het opnemen en verplaatsen van gronddeeltjes door wind, water of ijs. De kans op bodemerosie is het grootst op onbeschermde grond.
Graft= met bos of struik begroeide steilrand op een helling in het lössgebied van Zuid-Limburg.
Grondmorene= aan de onderzijde van het landijs afgezette keileem: een mensel van keien en fijngemalen leem.
Tongbekken(glaciale bekkens)= Door een ijstong uitgeschuurde laagte, omgeven door stuwwallen.
Paraboolduin= U-vormige duin, ontstaan doordat planten zand vastleggen. Duinvorm in het huidige kustduingebied.
Rivierduin= extra hoge ruggen langs rivieren en beken.
Es= ook wel Enk genoemd. Met mest opgehoogde oude akkers; liggen rondom op aan de rand van de dorpen in het zandlandschap.
Stuifzand= dekzand dat in het Holoceen door vernieling van het plantendek is gaan verstuiven.
Kavels= stukken aaneengesloten grond die tot een bedrijf behoren.
Percelen= stukken grond met een bepaalde vorm van grondgebruik.
Fluvioglaciale afzetting= afzetting van smeltwater tot landijs.
Oeverwal= rug langs een rivier ontstaan door afzettingen van zand of klei bij een overstroming van de rivierbedding.
Stroomrug= hooggelegen verzande oude rivierbedding.
Kom= laaggelegen gebied tussen de oeverwallen van rivieren. Bestaat uit zware klei of veen.
Uiterwaard= strook land langs een rivier tussen bedding en de rivierdijk. Loopt bij hoge waterstand onder. Waterbuffer langs rivier.
Kwel= water dat onder druk omhoog stroomt.
Wiel= diepe ronde plas die ontstaan is bij een dijkdoorbraak door de uitschurende werking van het water.
Overslaggrond= zandig of zavelig materiaal dat bij een dijkdoorbraak rondom een wiel wordt afgezet.
Overloopgebieden of calamiteitenpolder= gebieden in het rivierkleigebied die speciaal aangewezen zijn om bij extra hoge waterstanden te overstromen. Er is sprake van een gecontroleerde overstroming die elders schade moet voorkomen.
Kwelder= gebieden aan de kust die boven het niveau van normale vloed liggen.
Wadden= zandplaten die in een waddengebied bij eb droogvallen.
Kreekrug= zandige rug ontstaan door het verzanden van een kwelderkreek.
Zeereep= zeewerende duinenrij direct aan de kust.
Duinvallei= laagte in een duinlandschap; is een oude strandvlakte of een uitblazingslaagte.
Geestgrond= zandgrond aan de binnenzijde van de kustduin;ontstaan door afgraving van de oude duinen. Gebruikt voor bollenteelt.
Duininfiltratie= aanvulling van het grondwater in de duinen door aangevoerd rivierwater in de grond te laten zakken.
Laagveen= veen met een huidige ligging binnen bereik van het grondwater.
Hoogveen= veen dat hoog boven het grondwater ligt; opgebouwd door veenmos.
Dalgrond= kunstmatige bodem die is ontstaan door de menging van onbruikbare veen restanten(bolster) met dekzand. Ontstaan bij de afgraving van hoogveen.
Retentiegebieden of waterbergingsgebieden= speciaal voor de waterberging ingerichte gebieden waar waterschappen in zeer natte perioden water tijdelijk kunnen bergen.
Watertoets= speciale toets bij een bestemmingsplan om na te gaan of bouwwerken of activiteiten de bergingsmogelijkheden voor water negatief beïnvloeden. Moet voorkomen dat er in natte perioden te weinig berging is voor regenwater.
Site om te oefenen:
http://www.maartenscollege.nl/cgi-bin/msams-v.cgi?aardrijkskunde: vwo4wk.htm
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen.
Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten.
Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.